Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Ik wil niet mee met deze maatschappij

Ik wil niet mee met deze maatschappij
Steeds vaker vraag ik me af: zijn zij nou gek of ik?

Toen ik net uit India kwam, scheen de zon. Ik stond vroeg op zonder wekker, deed het raam in de keuken open en stak mijn ochtendkop naar buiten; ik snoof de bomen, de stad, de Rotte op en zette rustig koffie. Ik ontbeet met vers fruit en daarna ging ik mediteren. Ik las boeken als Mindfulness en zelfcompassie of Naar huis: de Boeddhistische levenskunst, ik schreef met zachte pen, ik kookte soepen, allerlei soepen want soep maken werkt meditatief, en ik deed aan wandelingen langs het water. Ik was rustig. Ontspannen. Mij maakten ze niet gek.

Op een gegeven moment, zo’n 1,5 maand geleden, moest ik weer gaan werken. Het geld was op en opdrachten boden zich in grote getallen aan. Op wat er toen gebeurde, was ik niet voorbereid. Langzaamaan werd ik in de molen gezogen die ‘het leven’ heet. Want dat is hoe mensen reageren als je zegt dat je moeite hebt met de maatschappij waarin we leven. Een maatschappij die drukzijn cultiveert, die stress bijna ziet als een deugd; de maatschappij die je ervaart als je weer werkt. Ik heb moeite met die maatschappij. Echt. Behoorlijk veel moeite. Ik heb moeite met werk-apps die ik ’s avonds of in het weekend ontvang. Ik heb moeite met collega’s die achter hun computer stress-lunchen. Ik heb moeite met paniekerige kantoorkreten over projecten die om dreigen te vallen. Ik heb moeite met opdrachtgevers die zeggen ‘dan werk je toch gewoon wat meer, we betalen je wel, hoor.’

‘Dat is gewoon het leven.’ Een goede vriendin zei het. Ik knikte want het klonk alsof het waar was. Maar is het waar? Zijn we veroordeeld tot dit leven? Zijn we veroordeeld tot drukte, chaos en het onvermogen te ontspannen? Ik dacht voor het eerst: zijn zij nou gek of ik?

Ik weet niet of het door het gesprek met de vriendin kwam, maar ik accepteerde het leven zoals het me werd voorgeschoteld meer en meer. Ik ging weer terug. Ik zeg ‘terug’ want een jaar geleden was ik zelf de collega die stress-lunchte achter haar computer en riep ik ook dat het ‘oorlog’ was als ik een deadline niet haalde. De negatieve, drukke energieën van collega’s, opdrachtgevers en gestreste vriendinnen sprongen op me over als luizen op kinderhoofdjes. Ik beantwoordde mijn mail ’s avonds, ik vergat te mediteren, ik checkte Facebook weer obsessief en vanochtend voelde ik een redelijk dieptepunt toen ik op de wc zat met mijn telefoon in de ene hand geklemd en een bak havermout in de andere. Gelukkig hoefde ik alleen te plassen.

Gatver, dacht ik toen. Ik voel me vervelend. Gejaagd, gehaast en machteloos. Ik wil niet 87 keer per dag op Facebook kijken. Of naar mijn telefoon grijpen, simpelweg omdat hij een geluidje maakt. Ik wil niet weten wat jij doet of hij en ik wil ook niet steeds vertellen wat ik aan het doen ben. Ik wil niet 100 uur per week werken omdat ik dan pas het gevoel heb dat ik genoeg mee doe. Ook wil ik geen foto’s posten van een festival waar ik was en dat mensen die dan liken. Ik wil geen ego dat gestreeld moet worden, geen geweten dat gesust moet worden, geen vriendschap die gefaked moet worden. Ik wil niet mee met deze maatschappij. Ik wil niet terug naar schurft.

Dus ik stond op, legde mijn telefoon weg en at mijn havermout voor het raam op. Gedachten schreeuwden als kleine, stampvoetende kleuters die hun zin niet kregen in mijn hoofd, ik deed mijn best om ze weg te laten vloeien. Toen besloot ik vandaag niet te werken, het is immers zondag. Ik heb mijn balkon vol gezet met potjes mooie bloemen, handen in de aarde. Ik heb geschreven, ik heb gelezen, ik heb heet water met stukjes gember gedronken, ik heb weer op mijn kussen gezeten, ik heb een salade gemaakt die ik morgen niet achter mijn computer ga op eten, maar in de tuin (zie foto!), en ik heb alleen maar geplast of gepoept op de wc vandaag en niks meer. Het mooie van deze dag is: ik ben blij dat ik het deze keer vroeg heb gezien. Het is weer een nieuw begin, zoals ik waarschijnlijk veel vaker opnieuw zal moeten beginnen met bij mezelf blijven. En dat mag, dat is goed, als ik het zie, ben ik blij.

Het antwoord op de vraag ‘zijn zij nou gek of ik?’ is irrelevant geworden. Als zij gek zijn, wil ik normaal doen, als zij normaal zijn, wil ik graag een gekkie zijn. Onmiddellijk rijst er wel een nieuwe vraag: ‘blijf ik functioneren in deze maatschappij of ga ik het anders proberen te doen?’

Er is natuurlijk een grote kans dat ik mezelf tijd moet geven. Waarschijnlijk groeit mijn bewustzijn en kan ik straks ook met zachte ogen naar stresskippen kijken, zonder dat hun luizen op me overspringen. Maar misschien wil ik dat niet meer, misschien wil ik me juist omringen met mensen die ook meer in het leven staan zoals ik. Misschien bloei ik daarvan op; iets meer met de andere gekkies optrekken. Zou dat kunnen? Zou ik daar ook wat centjes mee kunnen verdienen? En wat zou ik dan moeten doen?

Vandaag heb ik geen antwoord op die vragen, misschien morgen, eerst maar eens bij mezelf proberen te blijven, want voor je het weet, verlies ik me in mijn nieuwe (mindful)carrière.

Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Vetrollen

Ik ben altijd een beetje dik geweest. Toen ik veertien was, was ik op m’n ergst. Ik zag eruit als een krentenbol op pootjes met vet haar. Mijn moeder had daarentegen altijd een perfect figuur. Mooie benen, slanke taille en goede borsten. Ze zeurde weleens over ouder worden en rimpels, maar nooit veel, want ze bleef er goed uit zien. Ze zag er beter uit dan ik.

Het was een oneerlijke situatie. Ik zag aan de moeders van Salima en Stephanie dat het de omgekeerde wereld was. Zij hadden dikke, verlopen moeders en dat vond ik goed, zo hoorde het. Dochters moeten knap en slank zijn, moeders uitgezakt en dik. Bij ons waren de rollen omgedraaid. Mijn moeder was mooi en slank, en ik dik en bepuist.

Inmiddels is het 15 jaar later en mijn moeder is met haar 62 lentes nog altijd een leuke vrouw. We spraken afgelopen weekend af in winkelcentrum Keizerswaard. Ze staat te wachten bij de HEMA. Haar haar is rood geverfd en met de krultang gestyled. Ze is goed opgemaakt en ook vandaag is haar outfit op kleur – blauw is het vandaag – doorgevoerd tot op haar sokken. De jaren zijn voorbij gegaan en ze werd ouder, maar zeker niet dikker. We drinken koffie.

“Ik moet wat nieuws kopen,” zegt mijn moeder. “Nieuwe kleren.”
Mijn moeder wil altijd wel nieuwe kleren, dus verbaasd ben ik niet.
Dan pakt ze met haar beide handen haar buik beet. Een vetrolletje. “Kijk eens!” roep ze terwijl ze het vet op en neer beweegt.
Ik kijk naar de bewegende vetrol die ik inderdaad nooit eerder zag.
“Ik word dik,” zegt ze. Haar toon zit tussen boos en verdrietig in.
“Zo,” zeg ik, meer niet. Eigenlijk voelt het een beetje alsof de wereld weer klopt, maar dat mag ik niet zeggen. Eindelijk – op haar 62e – heeft mijn moeder een minder goed figuur dan ik. Of nou ja. We hebben hetzelfde figuur. En ik ben 31.

Na de koffie rekenen we af en struinen we verder door Keizerswaard. We staan even stil bij een winkeltje dat Miss Jenny heet.
“Daar hoef ik nou niet meer naar binnen,” zegt ze beteuterd. Even blijft ze staan, aarzelend. Ze hoopt dat ik wel naar binnen wil, zodat ze mee kan.
“Nee,” zeg ik beslist. “Dat hoeft niet.” Ik werd altijd ziek van winkels als Miss Jenny. Ze verkopen enorm goedkope kleding; strakke truitjes van flutstof, broeken die ik niet eens over mijn kuiten krijg en veel kleding heeft glitters. Nu is mijn moeder niet van glitters en strak hoeft ook perse niet van haar, maar goedkoop wel. Mijn moeder is een koopjesjager en een broek is pas echt een geslaagde aankoop als hij minder dan zeven euro kost. Dus, ik moest vaak mee naar Miss Jenny maar nu hoe niet meer. We lopen verder.
“En hier?” Ik blijf staan bij M&S mode.
“Nee. Zo dik ben ik nu ook weer niet.” Ze wijst naar de plus size modellen in de etalage. Ze heeft gelijk, zo dik is ze nou ook weer niet.
“Hier dan?” Ik knik naar Vögele.
“Nee. Zo oud ben ik nu ook weer niet.” Ze haalt haar neus op voor de keurige pantalons in de rekken. Ze heeft gelijk, zo oud is ze nu ook weer niet.

“Laten we hier naar binnen gaan.” Voordat ik het weet, is ze me voor gegaan in de Cool Cat. Harde muziek komt ons tegemoet.
“Mam, dit is niets voor jou.”
“O nee? Waarom niet?” Ze struint door de rekken waarbij grote rode borden hangen met in witte letters ‘50% korting’ erop. “Het is uitverkoop!”
“Nee ma, alles is hier strak en stom.”
Ze neust in een rek met truitjes en haalt er eentje uit. Het is een lief truitje, blauw met bloemetjes. Het is een klein truitje. Te klein voor haar nu.
“Het is maat 40!” roept ze. Ze trekt aan beide kanten, maar echt veel groter wordt het niet. “Die pas ik nooit.”
Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik 14 was en ik dingen wilde kopen die me niet stonden. Mijn moeder zit nu voor het eerst in haar leven in een soortgelijk pakket.
“Ik ben echt dik,” zegt ze terwijl ze ook de andere truitjes afkeurt, om vetroltechnische redenen.
“Ik ben ook dik,” zeg ik om haar te troosten. Ze hoort me niet, inmiddels is ze doorgelopen naar de broeken. Uit ervaring weet ik dat ze ook hier teleurgesteld zal worden en daarom grijp ik in.
“Mam, het maakt niet uit, kijk eens.” Ik pak met beide handen mijn vetrol vast en beweeg ‘m op en neer. “Ik ben ook dik!”
Mijn moeder kijkt naar mijn vetrol, dan naar mij en ze zegt zachtjes: “Maar dat was je toch altijd al?”

Ik lach. Om mijn moeder, om het feit dat ik in een winkel met mijn vetrol in mijn handen sta en om mijn moeders bizarre eerlijkheid. Ik heb het niet van een vreemde. Ik sla haar zachtjes op de schouder en zeg dan: “Bedankt ma.”
Geschrokken houdt ze haar hand voor haar mond. “Dat had ik niet zo bedoeld.”
“Het geeft niet,” zeg ik. Het geeft echt niet. Mijn moeder heeft mij door mijn puisterige puberjaren gesleept. Toen ik werd gepest, is ze naar het schoolplein gekomen om het jongetje terug te pesten. Toen ik wilde lijnen, hielp ze me met gezond eten. Toen mijn puisten weg moesten, ging ze met me mee naar de huisarts. En dan mijn lievelingsherinnering: toen ik het ’t meest nodig had, stonden er tussen de middag ineens een keertje frietjes op tafel. Gewoon, tussen de middag. Wat hield ik toen van haar. En wat doe ik dat nog steeds.
Ik steek mijn arm naar haar uit. We gaan iets leuks voor haar vinden dat ze past.
“Zullen we toch nog even bij Miss Jenny gaan kijken?” vraag ik.
“Vooruit.” En ze haakt haar arm in de mijne.

Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.

Het is allemaal al goed hè

Het is allemaal al goed he

Met hoofdpijn zit ik in het vliegtuig. Het is druk geweest. Ik ben moe. Ik ben zo moe dat ik niet eens merk dat we opstijgen. Ik zit bij het raam, maar ik heb de mensjes op de grond niet zien verdwijnen, ik heb de huizen niet kleiner zien worden, ik heb niet kunnen zien dat ik de wereld zoals ik hem ken achter me liet. Ik slaap door twee vliegtuigmaaltijden heen en als ik wakker word, ben ik in Delhi.

Hoewel de spirituele reis met de rest van de vrouwen vrijdag pas begint, en het nu woensdag is, haalt de reisjuf me op van het vliegveld. Gelukkig maar, want als we Dehli in lopen, ben ik onmiddellijk het anker in mezelf kwijt. Ik weet dat mijn anker nog maar een ankertje is, maar dat vijf minuten Delhi het zou doen verdwijnen, had ik niet verwacht. Terwijl tuktuk’s langs me flitsen, meneren op riksja’s roepen dat ze ons weg kunnen brengen, mensen naast ons op blote voeten door de viezigheid lopen, een kar die door een os wordt getrokken voorbij moet, een vrouw met een kind bedelt om ‘chapati’ en er aan één stuk door wordt getoeterd schreeuwen mijn gedachten om hulp. Ik verlies hier mijn anker en ook mijn verstand!

De reisjuf gaat deze avond naar een concert en ik besluit in het hotel te blijven. Toen ik mijn reis boekte dacht ik; ‘ik ga even een paar dagen eerder om te acclimatiseren en om tijd voor mezelf te hebben voor de reis met het kippenhok van acht vrouwen van start gaat’. En nu, zo alleen, wil ik eigenlijk niets liever dan dat de vreemde vrouwen er al zijn. Maar dit was mijn keuze en nu moet ik op de blaren zitten. Ik eet alleen op het dakterras van een restaurantje tegenover het hotel. Het eten is goed, maar ik vind het niet lekker. Het getoeter gaat ook maar door en mijn hoofdpijn wordt erger. Ik ga terug naar het hotel en vind mijn kamer stom. Er is geen raam te bekennen, er zijn geen kussentjes of een stoel en ik hoor nog steeds getoeter omdat ik aan de straatkant zit. Verslagen ga ik op het bed zitten en dan begint het. Mijn hoofd.

Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.

Als ik dit ongeveer 87 keer heb gedacht, begin ik ineens te lachen. Keihard. Mijn buik schudt ervan, ik voel me de lachende boeddha. Een vrolijk mantra zoals ‘Moge ik gemak ervaren’ raak ik in mijn meditaties veel en vaak kwijt, maar een ‘Ik wil naar huis’ lukt wél. Grappig eigenlijk. Schattig, vind ik het zelfs. Ik adem diep in, kijk voor een laatste keer rond in deze ongezellige kamer en pak mijn spullen. Bij de receptie vraag ik om een upgrade. Ik ben lief en mag een gezelligere kamer van mezelf. De nieuwe kamer zit niet aan de straatkant, er staan twee stoeltjes in, er ligt een sprei en wat kussentjes op het bed, ik heb een waterkoker en een zelfs aquarium.

De volgende dag sluit er nog een dame aan, een vrij fantastische, waarmee ik samen wel een stukje door de straten van Delhi durf te lopen. De dames die volgen zijn stuk voor stuk fantastisch, op hun eigen manier. Met de nachttrein reist dit – voor Indiërs bijzondere lange en witte – gezelschap van Delhi naar Bodghaya, waar de Boddhi boom staat waaronder de boeddha is verlicht en waar nu ook een prachtige tempel staat. We zien monniken en pelgrims (hé, ik ben ook een pelgrim!) die van over de hele wereld daar naartoe zijn gekomen, om te mediteren, om bloemen neer te leggen, om te zijn. We reizen door naar Varanasi, waar kalfjes midden op een kruispunt bij hun moeder drinken en ik met mijn slipper in een koeienvlaai sta, we lopen langs de trappen aan de Ganges, aanschouwen het verbrandingsritueel van overledenen. We praten, lachen, eten taart, geven fruit aan kinderen die bedelen, pingelen af (laat mij in godsnaam nooit meer afpingelen, ik zeg al gauw “Ah joh, 300 roepie, heeft die man ook wat…” en dan verpest ik de hele deal) en delen verdriet, kennis en verbondenheid. Het is een reis die we echt samen maken, de vrouwen maken deel uit van mijn ontwikkeling en ik uit die van hen.

Toen kwam de laatste dag voordat de stilteretraite zou beginnen. Ik neem een moment voor mezelf om het allemaal op een rijtje te zetten. Eén besef voert de boventoon: hoe vrolijk ik was de afgelopen tijd. Ik voel het heel helder, hoe anders het is dan in Nederland. Ik was blij, open en kalm, zelfs terwijl mijn oren suisden van het getoeter, terwijl wc’s en straten vies waren en de douches koud. Ik had vertrouwen, in de dag, in het land, in mezelf. Ik huil. De hele reis had ik nog niet gehuild.

Ik huil omdat ik besef dat ik een vrij negatieve kijk op het leven heb. Ik ben vrolijk en positief aan de buitenkant en dat is niet gespeeld maar toch is het in mijn hoofd vaak anders. In mijn hoofd is het ‘dat lukt toch niet’ of ‘dit zal nooit gebeuren’ of ‘zie je nou wel dat…’ Ik ga de negatieve gedachten na die ik de afgelopen tijd heb gehad. Want het is niet dat ze verdwenen in India hoor, o god nee, maar ze werden wel ontkracht. Ik werd ziek en dacht ‘ja hoor, nu heb ik niks meer aan mijn vakantie’. Maar de reisjuf bracht saliethee en de volgende dag was ik er bovenop. Ik had mijn schoenen laten staan bij een hotel en dacht: ‘die dure Nikes zie ik nooit meer terug’. De hoteleigenaar zette de schoenen in een tuktuk en liet ze brengen naar het hotel waar ik nu verbleef. De tranen blijven lopen. Niet meer omdat ik een negatieve kijk op het leven heb, maar omdat ik me er nu bewust van ben en het kan, en mag, veranderen. Langzaam zal ik mezelf eraan herinneren dat ik vertrouwen in het leven mag hebben, dat het me geeft wat ik nodig heb en met humor en zachte ogen mag ik naar mezelf kijken. Zoals één van de dames het verwoordde: “Het is allemaal al goed hè.” En dat is zo. Het is allemaal al goed en er is dus vertrouwen en humor, wat mooi. Ik hoop dat ik er voldoende van heb om die stilteretraite mee door te komen. Gelukkig kan ik daarop bouwen tijdens de stilteretraite.

Hier lees je hoe de stilteretraite was!

Foto: Met dank aan Carin – ik hou van badslippers – Walraven
Reis: Live Mindfully

Verkouden vagina

Zelfgebakken oliebollen liggen op een zilveren schaal, toastjes met kaasjes ernaast en twee flessen champagne staan klaar. Op mijn werkplek – een ruimte die ik deel met nog veertien creatievelingen – hebben we een nieuwjaarsborrel. Een beetje laat, maar dat geeft niet. Er wordt gegeten, gepraat, gegeten, gepraat en gepraat en gepraat. Hier merk ik weer eens dat hoe langer je praat, des te groter de kans is dat het gesprek uiteindelijk over seks zal gaan. Ooit las ik ergens dat naarmate een discussie op internet vordert, de kans steeds groter wordt dat één van de betrokkenen Hitler erbij haalt. Ik vond dat altijd raar, maar nu ik merk dat we live altijd over seks moeten praten, vind ik de online Hitler ook iets minder vreemd.

Na een uur of twee normale praat, ontstaat er dus de seksgespreksronde. Wanneer heb jij voor het laatst seks gehad? is de vraag en nu ben ik aan de beurt. “In de zomer en dat wil ik graag zou houden,” is mijn antwoord. De hoofden om mij heen kijken verbaasd, verward en een enkeling lijkt te zijn geschrokken. Daar word ik dan weer bang van en even overweeg ik om over Hitler te beginnen. Ik besluit mezelf uit te leggen, ik vertel dat ik de laatste maanden druk bezig ben met mij. Met mijn boek, met mindfulness, met veranderen van een gejaagde, strenge vrouw, naar een kalmere, lievere versie van mezelf. En dat is best wel alles absorberend. Ik heb dus simpelweg geen behoefte aan seks. Ik moet er niet aan denken eigenlijk. Er wordt geknikt, maar ik zie aan het overgrote deel dat ze me toch een beetje vreemd vinden.

De volgende dag moet ik een uitstrijkje laten maken. Hoewel ik altijd achtentwintig blijf, ben ik toch al een tijdje 30+. Onderweg naar de dokter bel ik mijn zus op. Na de borrel had ik mezelf in gedachten veranderd in een onmenselijk seksloos monsterlijk ijskonijn en er was niet tegenop te mediteren, zo bleek vanochtend. Mijn zus is heerlijk nuchter.
“Vind je mij een monsterlijk ijskonijn omdat ik geen seks wil?” vraag ik.
“Gatver, jij bent mijn zusje. Jij hebt geen seks.”
“Ja, nou, zeg nou…”
Ze zucht. “Je bent overspannen geweest en volgens mij ben je dat nog steeds een beetje, je werkt zestig uur per week, je zit in dat mindfulness ding om jezelf te veranderen, wat erg goed is trouwens denk ik, dus nee, je bent geen seksloos monsterkonijn.”
“Nee?”
“Nee. En ik weet niet in wat voor wereld jij leeft, maar volgens mij probeert drie kwart van de vrouwen in Nederland er altijd onderuit te komen. Jij hebt niet eens een relatie, dus waar maak je je druk om.”
“Ja. Weet niet.”
“Weet je,” zegt mijn zus dan, “misschien moet je niet altijd alles vertellen. Ik weet dat je open bent en dat ook wil zijn… maar je zit zo vol nu, er kan geen mening meer bij. Je hoeft niet altijd alles te vertellen.”
“Oké, ik moet hangen.” Dat zeg ik vaker als mijn zus gelijk heeft. “Nu gaat er even iemand wél aan mijn flamoes zitten.”
“Wat?” roept ze.
“De doktersassistente.”

In het kamertje doe ik mijn broek uit en ga op de stoel liggen die de doktersassistente aanwijst. Ze doet de deur op slot en legt uit wat ze gaat doen. De eendenbek gaat even onder warm water, dan bij me naar binnen, vervolgens gaat ze met een borsteltje langs mijn baarmoedermond en dat schraapsel doet ze in een bakje en dit bakje gaat naar het lab. Het zal geen zeer doen, maar misschien voelt het onprettig. Even ben ik de innerlijke worsteling omtrent mijn seksloos monsterkonijn vergeten. Het verbaast me. Ik was niet bang voor dit onderzoek, ik keek er niet tegenop, maar als ik hier zo lig met alleen een truitje aan, ben ik ineens ouder dan ik ben, vatbaarder voor ziektes dan ik dacht, kwetsbaarder dan normaal. De werkelijkheid vult de ruimte. De werkelijkheid is dat ik een brief kreeg voor een onderzoek naar baarmoederhalskanker. Die kreeg ik niet toen ik achtentwintig werd. Ik word ouder, mijn leven korter.

De doktersassistente doet precies wat ze heeft uitgelegd en het doet inderdaad geen pijn, het is inderdaad wel onprettig.
“En nu maar hopen dat ik geen kanker heb.” Ik lach, zij niet. Zij heeft hier waarschijnlijk vaker vrouwen liggen die plotseling voelen dat het leven eindig is.
“Meestal is er echt niks aan de hand,” zegt ze. “We delen de onderzoeksresultaten in klassen in. Pap 1, 2, 3A, 3B, 4 en 5. Pap 1 en 2 is niks om je zorgen om te maken. Pap 3A is een lichte afwijking, je kunt het zien als een verkoudheidje van je vagina. Pap 3B tot 5, dat zijn ernstige afwijkingen en dan verwijzen we je door.”
Ik grinnik bij het verkoudheidje. In gedachten zie ik een vagina die rilt van de kou, haar ogen dichtknijpt en zo haar haren snel probeert te laten groeien, als ware een dekentje tegen een aankomend griepje. Ik glimlach. De verkouden vagina redt me in deze kamer van PAP 5.

Als ik terug naar huis loop, denk ik aan wat er eigenlijk overblijft als je ouder wordt. Ik kom maar op één ding uit. Naarmate tijd verstrijkt, is tijd ook het enige dat overblijft. Tijd is kostbaarder dan oordelen, dan geld, dan schaamte. Als ik volgende week bij een volgend seksrondje weer aan de beurt ben, zal ik weer zeggen dat ik er geen behoefte aan heb. Of misschien niet. Misschien zeg ik dat ik een verkouden vagina heb. En anders kan ik altijd nog over Hitler beginnen.

PS. Normaal schrijf ik niet zoveel over Hitler, maar ik heb een zeer fantastische Hitlerkomedie gezien. Er ist wieder da.