Loslaten

Loslaten

“Wanneer kom je nou weer in Rotterdam wonen, joh?” roept mijn tante Annie lachend, terwijl ze in m’n kopje koffie roert. Ze weet precies hoe ik mijn koffie drink, hoe iedereen zijn koffie drinkt. Mijn bakkie met melk en twee zoetjes zet ze neer en ze gaat zitten op haar zalmroze bank.
“Dat weet ik niet, An,” antwoord ik, “als jij dat gouden hert wegdoet,” ik knik naar het vergulde hertenbeeld dat op haar glazen salontafel staat.
“Ja, doei,” zegt ze en pakt haar shag om een peukie te draaien.
Mijn familie begint bij mijn tante Annie. Annie is de vrouw die ons allemaal bindt, met haar gastvrijheid en haar koffie. Ze is de spil van mijn Rotterdam. 19 jaar lang woonde ik 50 meter bij Annie vandaan, totdat ik naar Utrecht verhuisde. Ik zag haar vanaf toen minder, maar telkens als ik op de zalmroze bank zat, de gouden beeldjes zag en de geur van sigaretten vermengd met koffie rook, dan wist ik weer dat ik er was: thuis.

Ik stapte uit de metro toen ik het hoorde: “Annie heeft kanker.” Dat vertel je toch niet terwijl iemand de metro uitstapt, dacht ik. Mijn moeder wist niet waar ik was toen ze door de telefoon huilde dat haar zus kanker had. Kanker, wat een rotwoord eigenlijk. En zo doodgewoon. Iedereen heeft tegenwoordig kanker, bedacht ik. Maar het gaat ook altijd weer weg. Snijden, bestralen, hopen, kotsen en dan ben je weer de oude. Mijn moeder moest zich niet aanstellen, “ja ma, ze heeft kanker. Ze gaat niet dood of zo,” zei ik. “Dus ik ga nu ophangen, ik moet werken. Doei.” Ik hing op, slikte de kanker weg en ging werken. Kanker is te gewoon voor Annie om aan dood te gaan.

Terwijl ze in haar shag peutert, vraagt mijn tante met een grijns: “hoe is het met de knullen?”
“Nou, beroerd,” zeg ik.
Ze moet lachen, net zo hard als ik dat doe. “Knullen houden van lang haar, dat weet je toch,” ze knijpt haar ogen tot spleetjes en steekt haar shaggie aan, “laat het nou toch eens groeien.”

Nooit eerder maakte ik kanker van zo dichtbij mee. Het sloeg snel en hard om zich heen. Daardoor dacht ik na over doodgaan, over wat dat eigenlijk zou betekenen. Het betekende nog weinig. De eerste crematie die ik meemaakte, was van mijn oma. Ik was tien en er waren geen tranen. Wat ik me er nog van kon herinneren, was de cake die ik niet lustte. Die ik eigenlijk nooit meer at na die eerste keer. Want er kwamen meer crematies, we hebben er ‘een hoop weggebracht’, zoals Annie dat zegt. Mijn andere oma ging dood, Bep, Gradus, opa, mijn stiefopa, een oom die ik nooit zag, een tante, de buurvrouw. Dat mensen doodgingen, werd normaal. Ik vroeg me niet af naar welke plek ze zouden gaan, of daar gras zou groeien en of ze er lekkere koffie zouden hebben. Of ze hun zoon of nicht zouden missen en hoe ze dan huilden. Ik dacht er ook nooit over na hoe het is om iemand los te laten; hoe het voelt om achter te blijven met een gat in je dag of in je hart.

“Je gaat lekker naar huis,” zeg ik tegen Annie. Het is drie weken nadat ik hoorde dat ze kanker had. Ze ligt in een vierpersoonskamer in het Ikazia ziekenhuis en het raam staat op een kiertje. Van de dokter mocht ze even snel roken. Ik leg mijn dikke worstenvingers op haar dikke worstenvingers: “hup, in de benen,” grap ik, “we gaan naar je gouden beeldjes. We gaan naar huis.”
“Ja, om te sterven,” zegt ze.
Ik aai wat haar uit haar gezicht en probeer te glimlachen.
“Nou An, thuis krijg je tenminste fatsoenlijke koffie en hoef je ook niet stiekem te roken.”

Toen ze thuis kwam, kon Annie geen shaggies meer draaien of in mijn kopje koffie roeren. De kanker had alles aangetast. Een week later stierf ze. En dan is een crematie ineens heel nieuw. Er werd me ook gezegd dat het nu anders was, dat ik echt afscheid moest nemen. Alles heb ik gedaan om afscheid te nemen: ik heb gesproken op de plechtigheid, at cake, heb gehuild. Maar ze was er nog. Annie is eigenlijk nog heel lang bij me gebleven. Ik hoorde haar lach nog in mijn hoofd, kon de rimpeltjes boven haar lip nog voor de geest halen en rook haar parfum. Dat had ik met Bep en Gradus niet. Die waren weg zodra de rook uit de schoorsteen kwam. Maar Annie bleef.

Tot nu, anderhalf jaar na haar dood. Ik kon nog altijd beelden, geuren en geluiden oproepen, om terug te gaan naar haar, naar thuis. Vandaag niet. Voor het eerst weet ik niet meer hoe haar lach had geklonken.

Dit is mijn afscheid van Annie. Mijn eerste afscheid überhaupt; er zullen meer van dit soort verliezen volgen. Dat is een raar besef, het doet zeer, het beangstigt. Dit is hoe loslaten voelt. Toch ben ik dankbaar, dat ik haar nog zo lang bij me heb gehouden. Ik kijk in de spiegel en zie waterige ogen. Maar ik zie ook dat mijn haar sinds jaren niet zo lang is geweest als dat het vandaag is. Mijn waterige ogen lachen. Ik hoop dat Annie op een plek is waar ze me kan zien. En dat ze er een lekkere kop koffie op drinkt.

12 gedachtes over “Loslaten

  1. Een brok in mn keel, Annie is zeker weten tering-trots!

  2. :)……….. Ja, zo is het inderdaad…

    Heel geboeid zitten lezen, geweldig gedaan!

    Je bent een kanjer!!

  3. Tot tranen toe geroerd, zo herkenbaar dit, mooi geschreven weer.

  4. Wat een mooi en oprecht verhaal, ben er stil van.

  5. Mooi geschreven, met liefde en recht voor Annie.

  6. Ik weet niet wat ik er van moet zeggen. Je verhaal is natuurlijk heel mooi verwoord maar ik kan al mijn dierbaren lastig achter me laten. Zij hebben hun impact op mijn dagelijks leven en functioneren en zo is het goed.

  7. Ik had hem al eens gelezen, maar nu ik weet dat jij achter dit pseudoniem zit doet het me nog meer! Keep it up!

  8. Bedankt lieve allemaal, voor jullie fijne reacties. Doet me heel goed!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s