Op straat – Gastblog

Met trots presenteren we de gastschrijver van deze maand: Nicole van den Berg. Ze is schrijver van het korte verhalencollectief slenteraar.nl en won met haar verhaal Modeltreinenhemel (waarin, mind you, 14 keer het woord frikadel zit) de Lowlands Schrijfwedstrijd 2013. Nicole schrijft het liefst over ongemakkelijke situaties en de knulligheid van alledag. Zo ook voor Achtentwintiger. Mocht je denken, goh, ik wil haar wel ontmoeten; hup naar Leeuwarden, want daar organiseert ze elke maand Shut up and Write!

op straat

Het is donker en koud wanneer ik met mijn hond naar buiten stap voor de ochtendronde. Achter de huiskamerramen waar al licht brandt, zie ik mensen in badjassen en kinderen die aandachtig televisie kijken voordat ze zich naar school moeten haasten. Bord pap op schoot, de rugtas half ingepakt op tafel. Een enkeling leest de krant, maar de meeste mensen staren wezenloos wat voor zich uit. Bij sommige huizen hoor ik gestommel in de badkamer of het slurpen van een doucheputje. De stad ontwaakt. Ik zie dat graag.

Ik loop langs de rand van het park, waar een oude man woont die altijd in zijn schuurtje aan het klussen is, hoe vroeg of laat ik ook voorbij kom. Over zijn muffige trui draagt hij bretels met daarop streepjes, getallen en tekeningetjes van moersleutels en hamers. De perfecte accessoire voor een klusjesman van de oude stempel; het ziet eruit alsof hij een fashionable meetlint om zijn bovenlichaam gewikkeld heeft. Mijn hond heeft een uitgesproken voorkeur voor dit soort types: werklui met eeltige handen en versleten broeken. Hij begint hevig te kwispelen en aan de riem te trekken, klaar om geaaid te worden.

“Dag Nico, was je daar alweer…” mompelt de man. Hij waggelt zijn schuurtje uit en veegt zijn handen af aan zijn werkbroek. Ooit heb ik wel eens uitgelegd dat mijn hond eigenlijk ‘Yuko’ heet – en niet, nou ja, ‘Nico’ – maar de beste man wil er niets van weten. Tijdens het stoeien met de hond mompelt hij onverstaanbare dingen. Eens het feest weer voorbij is, verklaart hij: “En nu weer met de vrouw mee, Nico. De vrouw wil verder! Doei Nico.”

Dus ga ik verder. Ik zie de kunstenaar met zijn bejaarde Schapendoes, ze sjokken twijfelachtig door de blubber in het park. Zijn tweede Schapendoes, weet ik inmiddels. Het eerste exemplaar overleed veel te jong en onverwachts, een jaar of twaalf geleden. In die tijd was het vreselijk stil en eenzaam op zijn atelier, vertrouwde hij mij tijdens een eerdere wandeling eens toe. Het oprakelen van het verhaal emotioneerde hem zichtbaar, zelfs na al die tijd. Het scheelde niet veel of hij was in huilen uitgebarsten, daar midden op het veld, terwijl onze honden druk aan elkaars achterwerk snuffelden. Ik weet nog goed dat ik me die dag net ellende-magnaat Joris Linssen voelde, maar dan met een nieuw en allesvernietigend format: Joris’ Uitlaatronde. Een gouden concept, vrees ik. Eerder die week was er ook al een wildvreemde bejaarde speciaal van zijn fiets afgestapt om mij kenbaar te maken dat zijn Stabij was weggelopen en zijn Duitse herder – ‘dat kon er ook nog wel bij’ – onder een tractor was gekomen.

Zoveel drama. Niet vandaag.
Ik steek vluchtig mijn hand op naar de kunstenaar en wandel verder.
Terwijl ik de verhalen in mijn hoofd opnieuw afspeel, moet ik zomaar denken aan Sigmund Freud, de grondlegger van de psychoanalyse. Ik heb eens gelezen dat hij in zijn spreekkamer professioneel werd bijgestaan door een Chow Chow genaamd Jofi. De hond stelde de patiënten op hun gemak. De aanwezigheid van het dier veranderde de hele atmosfeer in de kamer: het werkte kalmerend en maakte de tongen los, meende Freud. Een halfjaar en eindeloze wandelingen later begrijp ik dat wel. Ga maar eens met zo’n beest aan je zijde wandelen zónder een warm contact te maken met de vele mensen die je pad kruisen.

Het is onmogelijk.
Op de terugweg tref ik bouwvakkers met een eerste bakje koffie en een sjekkie, mede-hondenbezitters, verre buren, mensen die wachten op de bus, nieuwsgierige kinderen in fietszitjes, gestreste moeders. Ze knikken en groeten. Het is bijna licht. Vlakbij mijn huis passeer ik een magere man met een plastic tas. In zijn gezicht staan diepe groeven.

“A goeie,” mompelt hij. Ik ken hem niet, maar kom hem wel regelmatig tegen. Hij wandelt veel – net als ik – maar dan zonder hond en ogenschijnlijk ook zonder echte bestemming. Ik vermoed dat hij dakloos is. Dat vind ik verdrietig. Het is een kleine troost om te weten wat ik weet sinds ik zelf parttime onderdeel ben van het straatmeubilair: dat ‘thuis’ niet per definitie een huis hoeft te zijn. Soms is thuis juist voorbij de voordeur. De buurt, de straat of het bekende gezicht van een frequente passant. Soms is thuis een vertrouwde stad die ongemerkt ontwaakt, van helemaal donker naar toch-weer-licht, iedere dag weer.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s