Tarrel

Tarrel

Mijn angst voor het laten van scheten waar mannen bij zijn, zit diep en gaat lang terug. Denk aan het jaar 2001, ik ben een puber, een nerveuze puber. Ik zit in een zwart-wit geblokte tuinbroek verlegen aan mijn bureau en naast mij zit Peter. Het is de eerste jongen die bij ons thuis komt, het is mijn eerste liefde en we maken wiskundehuiswerk. We kijken stiekem naar elkaar op, nemen slokjes van de gazeuse die mijn moeder ons bracht en soms glimlachen we even en naar elkaar.
Het is mooi, het is lief. Totdat mijn maag begint te borrelen.
En nee, het zijn niet de vlinders.
Het zijn mijn darmen.
Ze beginnen nu ook geluid te maken.
O god. Niet nu.
Ik leg een hand op mijn buik. De druk stapelt zich op.
Het doet pijn. Ik denk: als ik nu beweeg, laat ik er een vliegen. En het kan ook nog weleens een natte zijn.
Niet bewegen. Niet bewegen. Alsjeblieft niet bewegen. Ik ga nog liever dood dan dat ik beweeg.
Ik voel een druppel pijnzweet langs mijn slaap sijpelen. Ik wil niet ruften. Dat mag niet. Maar jullie weten ook wel, als je het te lang inhoudt, ga je op een gegeven moment dood van de pijn. Dan moet je wat doen. Dus ik probeer er nog het beste van te maken en zeg quasi interessant tegen Peter: ‘Ik moet even gaan liggen. Krampen. Ik denk dat het menstruatie is.’ Altijd goed om op je zestiende aan te geven dat je vruchtbaar bent natuurlijk.

Ik strompel met een hand in mijn rug naar het bed. Niet omdat de pijn echt niet te harden is, maar omdat ik mijn billetjes bij elkaar probeer te houden.
Peter is lief en komt bij me zitten.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij haalt een pluk haar uit mijn gezicht.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij aait me over mijn buik.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Ik denk aan wat hij zou doen als hij wist dat hij eigenlijk alleen een grote drol aaide, waar een stuk buik tussen zat.
Hij wrijft wat harder.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij probeert de krampen weg te duwen, net iets te hard en ik…
Kan mijn billetjes niet meer bij elkaar houden. Jullie weten wat er toen gebeurde. Het was een stille en die stinken het ergst.
Ik houd mijn adem in, natuurlijk omdat ik weet wat voor godschruwelijke stank eruit me is gekomen, maar ook uit angst. Zou Peter me nu verlaten?
Ik was trouwens wel opgelucht dat het geen natte was.
Ik kijk Peter aan, hij moet dit ook ruiken, Franse schimmelkaasjes zijn er niks bij.
Maar hij doet niks. Hij blijft aaien, stoïcijns.
Ondanks dat Peter de scheet die dag niet erkende en er nooit meer op terug is gekomen, is de scheet altijd tussen ons in blijven staan. Na die dag is Peter nooit meer huiswerk komen maken, sterker nog: Peter werd zelfs homoseksueel.

Tussen Peter, mijn eerste liefde, en de ontmoeting met wat mijn laatste liefde kon zijn, zat een hoop tijd. In die tijd had ik alleen amoureuze ontmoetingen van een nacht en dan weten jullie hoe dat gaat: voor poepen wacht je tot je thuis bent en scheten laat je als je ‘even de wijn gaat pakken.’ Deze laatste liefde ontmoette ik op een schrijversavond in Delft. We lazen vieze verhaaltjes voor, dronken samen Chouffe biertjes, aten shoarma en belanden bij elkaar in bed. Ik vond ‘m wel leuk, die grote taalnazi, maar ik wist ook dat de shoarma een schetenfanfare in mij zou aanwakkeren, die zijn weerga niet kende. Ik vroeg me af of hij me – net als Peter – om stanktechnische redenen zou verlaten. Ik wist eigenlijk wel zeker dat het antwoord op die vraag ja was, want naast de shoarma had ik ook een hoop bier gehad en dat soort scheten zijn het ergst. De taalnazi zou naakt met zijn handen heftig zwaaiend boven zijn hoofd, mijn huis uitrennen van die lucht.

Ik app een vriendin met mijn zorgen.
Ze appt HAHAHA terug en zegt dat ik me beter zorgen kan maken over wat er zich in zijn onderbroek afspeelt. De vriendin is regelmatig opgeschrikt door remsporen in onderbroek en tarrels in bilharen.
Tarrels? Nooit van gehoord.
Ik google het woord. Het urban dictionary vertelt me die nacht iets dat ik voor altijd met me mee zal dragen.
“A tarrel is a piece of shit that gets stuck in your butt hair. It can also be a dried up piece of shit that you find in your underwear.”
Gruwelijk. Gruwelijker nog dan stille stinkscheten.
Ik til de dekens op en kijk naar de blauwe onderbroek van de taalnazi. Even overweeg ik om zijn onderbroek naar beneden te trekken, om te zoeken naar rempsoren of tarrels, maar ik doe het niet. Ik draai me op mijn buik zodat ik zeker weet dat alle bier-en-schoarma-scheten precies blijven waar ze zijn.

De volgende ochtend zit de taalnazi in zijn blauwe boxer in mijn keuken.
“Koffie?” vraag ik in mijn flanellen bloemetjespyama.
“Lekker.”
Ik draai de kraan open en laat water in de koffiekan lopen.
“Ik heb wat geleerd vannacht,” zegt hij.
“O? Wat dan?”
“Dat meisjes ook scheten laten.”
“Nee.” Ik zet de koffie aan en hap naar adem. “Nee toch?”
“Jawel.” Hij lacht en toch schaam ik me dood.
“Ik laat geen scheten,” jok ik.
“O nee?” Met zijn tong uit zijn mond maakte hij een kort scheetgeluid, een wat langer scheetgeluid en een heel lang scheetgeluid.
Ik word rood. “Hou op!”
Hij lacht weer. Ik ken deze lach niet. Ik weet niet of het betekent ‘haha ok, goor wijf, doei.’ Of : ‘haha ik houd wel van kleine viezerikjes.’ Hij lacht en lacht en als hij even bijkomt, vertelt hij het allerergste. ‘En toen,’ zegt hij, ‘na de derder scheet ofzo, je was al  half in slaap, zei je: ‘dit is echt de laatste.’
Ik wil door de grond zakken en uit pure wanhoop vraag ik hem of hij weet wat een Tarrel is. De taalnazi weet ook niet wat een tarrel is maar leest mijn gene en stopt met lachen. Een beetje beschaamd.
“Wat is dat dan een Tarrel?” vraagt hij.
“Volgens het Urban Dictonary is het a piece of shit that gets stuck in your butt hair.”
Hij steekt een sigaret op. “Klinkt vast nog ranziger in het Nederlands.”
“Een Tarrel is een stukje stront dat in je konthaar blijft hangen.” Ik schenk hem koffie in. “Is inderdaad ranziger.”
Hij neemt een slok. “Ik vind het een interessant fenomeen.”
Vraag me niet hoe of waarom maar blijkbaar zie ik dit als een aanmoediging voor poeppraat want ik zeg: “Ik heb weleens op een wc-bril gepoept.”
Ik schrik van mijn eigen ontboezeming. De Taalnazi schrikt ook een beetje, maar hij herpakt zich. En biecht ook. “Ik heb wel eens tweehonderd kilometer vanuit Luxemburg gereden terwijl ik in mijn broek had gescheten. Ik dacht dat ik een scheet liet en toen zat mijn hele broek vol.”
Van zijn ontboezeming moet ik dan een beetje kokhalzen. De taalnazi is nog een grotere smeerlap dan ik. Maar wel leuk.
We drinken nog een kopje koffie en we praten over spetterpoep en vieze stinkscheten en drollen die te groot zijn om doorgespoeld te worden. Dat was het begin. Daar in die keuken overwon ik mijn poepfobie en ik merkte dat de taalnazi eigenlijk al een beetje van mij hield en volgens mij ook een beetje van mijn scheetjes.

PS. Zin in nog meer poep- en plashumor? Lees dan gauw Proppen of vouwen.

2 gedachtes over “Tarrel

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s