Liefde in tijden van liedjes

Liefde in tijden van liedjes

Ik ben bijna 30 jaar en heb nog nooit van iemand gehouden. Mijn blote voet schuift langzaam over het lichtblauwe hoeslaken dat los ligt. Het laken is gerimpeld en nattig, mijn lijf is ontspannen en in mijn haar zitten klitten. Mijn blote lijf ligt in een vreemd huis met een niet meer zo vreemde man in een bed dat vertrouwd raakt. Ik staar naar het plafond dat ooit wit geweest moet zijn. Nooit hield ik van iemand. Wel ben ik verliefd geweest op mannen die ik in mijn hoofd gemaakt had, gebaseerd op een exemplaar dat even mijn hand vast had.

De man die steeds minder vreemd is, zit op de wc. Ik moet ook zo, omdat ik blaasontsteking wil vermijden. Hij is echt lief en ik noem hem liefje. Velen gingen de man op de wc voor. Ik heb wat gevoeld voor een gepijnigde muzikant, gelonkt naar een cabaretier zonder reukvermogen, een timmerman met baard en staart, een theatrale man die zwom in verdriet. Elke keer duurde het ‘ons’ kort; tot het beeld werd ingehaald door de man. De liedjes die in mijn hoofd hoorden bij het gevoel dat ik zocht, bleven precies dat; liedjes die mijn werkelijkheid niet pasten.
Dromen bleken ’s ochtends altijd toch bedrog.
Nooit was ik iemands zon en maan tegelijk.
En niemand deed me lopen over water.

Liedjes zijn mijn standaard in de liefde. In het leven ben ik mijn eigen standaard en dat is erger. Het is geen pretje als je overal goed in moet zijn en dat dit ook meteen moet. Mijn eerste baan was een hel omdat ik mezelf moest leren monteren, filmen en interviewen. Ik kon dat niet op de eerste dag, of eerste maand. Hel, zeg ik je. Als ik op mijn nichtje pas, wil ik haar moeder vervangen. Ik moet voor haar kunnen zorgen of ze van mij is, ze moet me lief vinden, er mag geen plas langs haar luier lopen. Als ik schrijf, moet het mooi zijn zodra mijn vingers de letters van het toetsenbord loslaten. In bed probeer ik klaar te komen tegen de klok en als ik kook, moet ik een ster.

Liefde is iets anders dan werk. Of schrijven of seks. Mensen die wel lief hebben gehad zeggen dat het echt gaat zoals de liedjes doen geloven.
Er was een donder, een bliksem, een slag toen ik je zag.
Geen zorgen dus; zodra ik die ene in de ogen kijk, zal ik weten. Maar ik heb het nog nooit geweten en heb er ook niet voor doorgeleerd, de liefde. Als dat kon, had ik het gedaan. Het enige dat ik kan is vermoeden, vermoeden dat liefde voor mij iets is dat moet groeien, maar daar geloven de liedjesmensen niet in. Liefde wordt voor mij daarom lichte waanzin. Mijn gedachten en mijn lijf zijn constant in dialoog en die praten ook nog eens tegen de gedachten en het lijf van de man die mijn hand vasthoudt.

“Schijt aan,” zegt hij als hij zich ook op het losse hoeslaken vlijt. Hij leest mijn lijf en mijn gedachten. Maar nu vertelde ik gewoon dat ik niet goed ben in de liefde. “Ga eens in het moment leven,” zegt hij. “Nu is het leuk en als het volgende maand niet meer leuk is, dan merken we dat dan wel.”
Hij aait een pluk haar uit mijn gezicht. Even zie ik zijn ogen duidelijker. Groen zijn ze geloof ik.

Ik stap uit bed en loop door zijn rommelige slaapkamer naar de badkamer. Mijn billen nemen plaats op de koude wc pot. Liefde maakt me banger dan werk. Misschien vind ik hem morgen niet meer leuk. Misschien hij mij overmorgen niet meer. Ik ben bang dat het niet groeit of te snel groeit. Ik ben bang dat ik niet geschikt ben als duo. Ga ik nog wel schrijven als ik een ons ben? Blijft hij wel wie hij is? Blijf ik bij mezelf? En zouden we een stelletje zijn dat bij elkaar blijft, ook al willen we elkaars hand niet meer vast houden?

De plas drupt met kleine drupjes de wc pot in. Ik denk aan de man die in het bed is achter gebleven. Aan de afschuwelijke gele bril die hij op had toen ik hem voor het eerst ontmoette. Aan hoe hij als taalnazi de dt’s in mijn teksten aanpast. En aan hoe hij vanaf het begin af aan weigerde om in liedjes te horen. Misschien kan ik van hem wel gaan houden. Ik rol wc papier van de rol af. Misschien ook wel niet. Ik trek door.

Als ik mijn onderbroek weer aan heb, kijk ik in de spiegel. Na de eerste drie maanden van mijn eerste baan werd ik verliefd op de camera en verslaafd aan Final Cut Pro. Hoe vaak ik die eerste drie maanden niet wilde stoppen, mijn baas uitschelden, hoe vaak ik niet huilde en dacht dat ik het niet kon. Maar ik werd er goed in. Ik doe mijn haar in een knot en blaas de pluk die hij net vast had, uit mijn gezicht.

Ik kijk naar de wc waar ik net op zat. Ik heb over zijn remsporen heen geplast. Heel veel remsporen. Die hadden de muzikant, cabaretier, timmerman en de verdrietzwemmer onmiddellijk de das om gedaan. Ik trek nog een keer door en lach zonder dat hij het hoort. Ik loop terug naar zijn slaapkamer waar geen klok hangt. Schijt aan. Dit is het moment en ik leef mijn eigen liedje.

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees Liefde in tijden van liedjes II.

3 gedachtes over “Liefde in tijden van liedjes

  1. Liedjesschrijvers weten niks. Ja hoe ze liedjes moeten schrijven, maar niks over de liefde. Die donder en bliksem kondigt wel vaak het einde aan.

    De rest groeit. De ene keer wat sneller dan de andere. En soms ook niet. En dan plant je weer opnieuw een zaadje 🙂

  2. Dat is mooi gezegd. En zo waar. En een hart onder de riem.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s