Angst

Angst

Vroeger had angst een functie. Als je met je oerknots door het woud liep en voelde dat een sabeltandtijger je besloop, deed de angst je terugrennen naar je grot. Tegenwoordig hoef je niet meer bang te zijn voor wilde beesten en daarmee heeft angst een deel van zijn functie verloren. Angst is voor kleine kinderen en als grote mensen het over hun angsten hebben, doen ze dat in de vorm van leuke anekdotes op feesten en partijen. Als je op een verjaardag vertelt dat je bibbert van angst bij de geur van Franse kazen of alleen al bij het lezen van het woord ‘spin’ van je stoel springt, heb je makkelijk de lachers op je hand. Zelf doe ik het op verjaardagen goed met mijn angst voor haaien. Ik ben bang voor haaien in de zee, in het zwembad en soms zelfs in de douche, waar een witte haai mijn kop eraf bijt. Wel in één keer gelukkig.

Op mijn achtste gingen we met het gezin naar Scheveningen. Mijn zus en ik liepen de kleine golven van de donkergroene Noordzee in. We lieten ons meevoeren met de stroming, doken tegen het water in en verslikten ons in het zout. Mijn zus had meer diploma’s en zwom verder. Ik dook achter haar aan, maar zou het niet winnen. Ze zwom richting de pilaren die de pier van Scheveningen droegen. Ik zwom harder en harder en mijn zus liet zich inhalen. Lachend zwom ik haar voorbij en zegevierend zwaaide ik naar haar bij de pilaren. Daar was het water donkerder. Er zwom verder niemand en schaduwen cirkelden rond alsof ze nergens aan vast zaten. Ik zocht naar de geruststellende blik van mijn zus, maar ze zette een ernstig gezicht op en gilde: “Daar zijn haaien!” Ze deed alsof ze bang was: “Kom terug! Kom terug! Haaien!” Ik plaste in mijn zwempakje van angst en spartelde terug. Huilend, krijsend en uiteindelijk kotsend van angst. Zeemeeuwen namen dankbaar hapjes. Het bleek een grapje, maar toen was het al te laat. Mijn zus rende door kots en zee om me vast te pakken, sorry te huilen en te fluisteren over nieuwe kibbeling.

Op een partijtje vertel ik lachend dat ik de zee sindsdien oversla. Ik loop wel over het strand. Ga pootje baaien. Maar tors mij niet de zee in, want ik krab je ogen uit. Mensen lachen met me mee terwijl ze een zalmrolletje in hun mond proppen of een toastje filet americain. Daarna neem ik de toehoorders mee naar het zwembad bij mij om de hoek. Want een baantje trekken durf ik nog net wel. Ik weet natuurlijk dat er geen haaien in het zwembad zitten, maar – en dit vertel ik zachtjes – heel af en toe denk ik dat er een mogelijkheid bestaat dat er ineens een haai in het zwembad wordt gegooid, precies op het moment dat ik mijn baantjes trek. Mensen gniffelen en met mijn handen maak ik een haaienbek gebaar. Ik gil erbij. Er wordt gelachen. Als we vervolgens een slokje bier nemen, vertel ik dat als mijn douche ineens koud wordt en ik mijn ogen dicht heb, er in gedachten een haaienbek uit mijn douchekop kan komen. Hup! Kop eraf. In mijn eigen douche.

Terwijl het gelach door woonkamers echoot, is het meisje van acht een grote mevrouw geworden. De mevrouw heeft een andere, oprechte angst. Natuurlijk weet ik dat haaien niet in de Noordzee zwemmen, ook niet in het zwembad om de hoek en ik snap dat mijn douchekop niet verandert in een bloeddorstige vis. Dat is allemaal grappig, maar voor mij vooral geruststellend want misschien is mijn echte angst dan ook niet waar. Die angst van nu is net zo eng als de haai van toen in Scheveningen. Enger nog misschien. Groter in ieder geval. Deze angst is er altijd. Ik eet, ik drink, ik vrij en ik leef met die angst samen.

Ik ben bang dat ik geen schrijver ben.

Het leest leeg. Het is geen angst om te sterven of om dat alleen te moeten doen. Mijn angst heeft niks te maken met leven of dood of liefde. Ik ben bang dat ik niet goed genoeg ben. Dat mensen wat ik schrijf niet leuk vinden of niet mooi of niet grappig genoeg. Maar de angst is groter. Ik ben bang dat ik op een dag wakker word en op ben. Dat er ineens niets meer is. Geen goede ideeën, geen gekke personages, geen mooie zinnen.

Deze angsten verstopte ik achter denkbeeldige haaien. Maar nu ik het heb opgeschreven, is er niks meer te verstoppen. Vier keer lees ik dit verhaal terug. Langzaam dringt het tot me door. Tijdens het lezen hoor ik zeemeeuwen krijsen, voel de plas langs mijn benen lopen en zie de kleine versie van mij richting mijn zus spartelen. Zoute druppels lopen over haar neus; het zeewater vermengd zich met haar tranen. Dit verhaaltje las wel fijn. Er zaten ook best mooie zinnen in. En nu snap ik het. De angst om geen schrijver te zijn, is toch een functionele, omdat hij me telkens terug drijft naar mijn grot. Waar ik zal blijven schrijven tot mijn angsten zijn verdwenen. Tot ik echt een schrijver ben.

PS. Tegenwoordig is mijn zus niet meer zo’n monster. Hier is het bewijs.

6 gedachtes over “Angst

  1. Angst is een ongrijpbaar en onredelijk iets. Gelukkig kan hij niet tegen sterke drank. Succes.

  2. Ik geniet nog steeds van je verhalen. Zijn leuk, reeël en gevoelig. Ga gewoon zo door en de angst dat het nu niet meer lukt, het is op is herkenbaar! Maar het komt steeds weer goed.Lekker doorgaan want je doet veel mensen een plezier!

  3. Ach, weet je, iedereen kan schrijven. Er is alleen verschil in kwaliteit. De één kan beter alleen voor zichzelf schrijven in een dagboek, de ander boeit de lezers vanaf de eerste zin en heeft het gewoon in zijn vingers. Bij die laatste hoor jij, twijfel daar maar niet over!!!

  4. Mooi verhaal!
    Ik lees je verhalen graag, want als je schrijft, is het in elk geval boeiend!

  5. Herkenbare angst, maar als ik jou was zou ik me geen zorgen maken 🙂

  6. Ken je de TED-talk van Brené Brown, over kwetsbaarheid? Aanrader.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s