Het haar van de taalnazi

 

Er was eens een taalnazi*. De mijne. Een grote, mooie, sterke man met een baard, en haar op zijn borst. Groene ogen, een rechte neus, en het mooiste was misschien wel zijn haar. Donkerblond haar, in de schemer was het donker en in de zon bijna blond. Kort, nonchalant, wild, met een slag. Hij hoefde zijn haren nooit te kammen, het viel zoals het viel en het was prachtig. Het was een prachtige taalnazi. De mooiste die ik ooit had gezien.

En toen kwam er een olifant met een hele grote snuit en die blies zo het sprookje uit. Want de taalnazi besloot om zijn haar te laten groeien.
‘Als het lang is, ga ik het heel goed verzorgen.’ Hij aaide zijn haar. We zaten op de bank. ‘En het krult straks ook heel mooi,’ glunderde hij.
‘Maar, schat,’ zei ik twijfelachtig. ‘Ik denk niet dat het nog gaat. Lang haar. Dat het nog mooi is.’ Subtiel probeerde ik hem te wijzen op zijn terugtrekkende haargrens.
‘Jawel, het is wel mooi.’ Hij aaide zijn haar zoals ik nog nooit een man zijn haar had zien aaien. Horrorscenario’s van strakke paardenstaarten en inhammen tot aan zijn achterhoofd doemden op in mijn hoofd. Ik nam een slok wijn en spoelde zo de griezelfoto’s weg. Hij mag dit zelf weten. Ik hou van hem, ik wil leven zonder oordeel. Hij mag dit. Hij mag levensgrote inhammen hebben en erbij lopen als een zwerver. OMG. Nog een slok. Zonder oordeel. Hij mag dit.

Het haar groeide en groeide. Het kwam op zo’n rot lengte waar allerlei vrouwen die hun haar kort hebben geknipt ook doorheen moeten als ze het weer lang willen. Ik had steeds meer moeite om mijn reserveringen weg te stoppen.
‘Wat vind je er zelf van?’ vroeg ik.
‘Ik vind het mooi,’ antwoordde hij.
Hij vroeg niet wat ik vond. Waarschijnlijk omdat mijn gezicht KNIP HET AF! gilde.
‘Ik laat het lang groeien en als het lang is en je vindt het niet mooi, dan knip ik het af.’
‘Dat is goed,’ zei ik.
Het is een eigenwijze man. Ik hou van hem omdat hij zelfs in december op slippers loopt, omdat hij er schijt aan heeft dat zijn lievelingsbroek vol gaten zit, omdat hij mij leert dat ik schijt moet hebben en van mezelf moet houden.

Maar ik houd niet van lang haar en ik kon het steeds moeilijker verbergen. Mijn prachtige taalnazi verloor aan glans, er kwam iets dakloosachtigs over hem heen. Vrienden en familie vielen me bij.
‘Gast, je wordt ook ouder. Die inhammen, man,’ zei zijn beste vriend.
‘Je bent echt knapper met kort haar,’ zei mijn zus.
‘Och jongen, ga toch naar de kapper,’ zei zijn moeder.
‘Heb je een midlife crisis?’, vroeg mijn moeder.
De taalnazi hoorde het aan, keek het aan, aaide zijn haar weer en verzonk in een wereld waarin zijn manen dansen in de wind en glanzen in de zon.

Ik deed mijn ogen dicht en mediteerde. Hij mag zijn wie hij is. Hij mag dit haar houden. Ik deed mijn ogen open en wilde gillen dat hij het af moest knippen. Ik deed mijn ogen dicht en wilde hem accepteren, wie hij ook zou worden. Ik deed mijn ogen open en dacht: o mijn god, straks wil ik nooit meer met hem naar bed. Kan ik nog met hem naar bed als hij een paardenstaart heeft en eruitzien alsof hij met drie halve literblikken bier in het park heeft overnacht?

Ik besloot een milde aanpak en pakte mijn telefoon. Ik liet hem een foto zien van hem op onze vakantie op Texel. Hij staat in de duinen, heeft zijn lichte spijkerbroek aan, een zwarte jas daarboven. Hij heeft een zonnebril op, zijn haar is mooi en kort en verwaaid en hij staart de verte in, alsof hij James Dean is.
‘Hier ben je supergeil. En de mooiste. De mooiste die er is.’
‘Met lang haar, ben ik nog mooier.’
Ik verbeet me, maar het lukte niet. ‘Ik wil dat je het afknipt.’
‘Wat?’
‘Ik meen het. Ik kan er niet tegen. Ik vind het niet mooi. Straks wil ik niet meer met je naar bed. Jij wil toch ook niet dat ik mijn haar af knip?’ Ik ratelde. ‘Vind je mij dan nog mooi?’ gilde ik.
‘Doe eens normaal,’ zei hij zachtjes. Hij aaide zijn haar. Zelfs zijn fret aait hij niet op deze manier.
Ik stak mijn telefoon hysterisch in de lucht – of liever gezegd in zijn gezicht – en riep: ‘Ik wil mijn taalnazi terug! Terug!’ Het huilen stond me naderbij dan het lachen. ‘Waarom knip je het nou niet af, voor mij? Ik zou het ook voor jou doen.’
‘Echt,’ zei hij streng. ‘Doe. Normaal.’

Hij had gelijk. Het was niet normaal en ik voelde me een verschrikkelijk dom, vervelend, onaangenaam mens die eigenlijk niet eens meer een kusje van de taalnazi verdiende. Ik zei dat ik erover zou zwijgen. Een week later zat ik er toch weer over te zeuren. Ik wilde dat hij het zou knippen, voor mij. Dat hij het belangrijk vond wat ik vind. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij bij zichzelf zou blijven. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij het zou knippen, voor mij. Maar ik vond het ook belangrijk…

Zaterdag was ik bij mijn moeder. Ik kreeg een appje kreeg met een foto. De taalnazi had een selfie gemaakt. Hij had kort haar en stak zijn middelvinger naar me op. Erbij stond: ‘Ik ben heel boos, maar dit is mijn beslissing. Je moet weten dat ik aan de hele wereld schijt heb, maar het minst aan jou. Ik hou van je. En deze woede… dat is niks dat een paar blote billen van jou niet kan verhelpen.’

*de taalnazi is de bijnaam die mijn vriend heeft verdiend door op een ontzettend strenge wijze mijn teksten te controleren.

2 gedachtes over “Het haar van de taalnazi

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s