De moed om lief te zijn

Het is een goede dag als ik met mijn taalnazi de trein in stap. Niet eens omdat we samen naar het van Gogh museum zijn geweest of omdat we fantastische pizza hebben gegeten. Het is een goede dag omdat ik mezelf aan het aanleren ben om structureel naar vreemden te glimlachen. En dan niet op de creepy manier. Nee, het zit anders. Ik merk dat ik op straat, in de supermarkt, tijdens de hond uitlaten veel oogcontact maak met vreemden. Per ongeluk. Mijn natuurlijke reactie – of wat is natuurlijk; mijn aangeleerde reactie – is om weg te kijken of om mijn ogen neer te slaan. Sinds een paar weken probeer ik te glimlachen als ik de ogen van een vreemde ontmoet. De reacties zijn meestal positief. Er wordt altijd terug gelachen, al vermoed ik dat sommigen zich er ook bijzonder vreemd bij voelen. Alsof ik hem of haar aan het versieren ben. Maar dat is het niet. Het is simpelweg een erkenning van dat wij hier samen leven op deze aardkloot. Het klinkt een beetje zweverig, maar het is een fijne manier om te zijn in een supermarkt. Of in de trein dus.

Het is druk als we in Amsterdam op de trein naar huis stappen. We staan in een halletje waar maar twee zitplekken zijn. Daar zitten twee gesluierde vrouwen op, ze praten zachtjes met elkaar. De rest van de mensen staat. Een student. Wij. Een jong, verliefd stelletje, en een Engelse man met een vrouw en een baby in de kinderwagen en een zoontje van een jaar of drie. De baby huilt, mama probeert het kindje te sussen, terwijl papa het jongetje van drie afleidt met een spelletje. De baby stopt niet met huilen. De mama kijkt op en ik glimlach naar haar. Ze glimlacht terug.
‘What you gonna do?’ zegt ze.
‘Nothing,’ zeg ik. ‘It’s nature.’
‘Maybe this will help.’
Ze rijdt haar kinderwagen hele kleine stukjes heen en weer, zodat de baby wat rustiger wordt.  Het lukt. Ik zoek de ogen van mijn taalnazi want hoe klein dit momentje ook is, ik vind het een lieve.

Op Schiphol stappen er meer mensen in, ze verdwijnen in de coupés of minder drukke halletjes even verderop. Een paar minuten later komt er vanuit de coupé links beneden een bejaard echtpaar naar boven. Ze blijven staan op het trappetje, hijgen uit, de vrouw moppert, de man staart. Er is geen plek.
‘Nergens is er plek,’ zegt het omaatje, half tegen mij, half tegen hem. Meer tegen mij denk ik. Ik loer de coupé in waar het stel vandaan komt. Deze zit vol met jonge mensen. Vier jongens die net wel of net niet van de middelbare school af zijn. Twee meiden van in de twintig met oordopjes in die kijken op hun telefoon. Eentje met zwart haar, eentje met blond haar. Vier mensen van in de veertig. En nog een paar mensen, maar iedereen is jonger dan dit opaatje en omaatje. En het opaatje moet echt zitten. Dat ziet een blind paard zelfs. Ik glimlach naar de oudere dame, maar daar heeft ze niks aan. Ik moet de coupé in, vragen of iemand op wil staan. Lief, of dwingend, het maakt niet uit. Iemand moet opstaan. Maar ik vraag geen reet. Ik loop passief agressief naar binnen, doe alsof ik kijk of er nog een plekje is en roep naar het gangetje: ‘Nee, er is geen plek.’ In de hoop dat iemand me ziet, dat iemand hen ziet. Maar niemand staat op. Nog passief agressiever loop ik terug naar het halletje. Ik loop naar de coupé erboven. Daar zijn nog twee lege plekken. Opgelucht breng ik de opa en oma er naartoe. ‘Verschrikkelijk hoor, dat niemand voor jullie opstond,’ zeg ik voor ik weg ga. De oma knikt instemmend.

Terug bij mijn taalnazi sta ik te trillen op mijn benen. Mijn zweverige ‘we leven samen op deze aardkloot’ instelling hebben ze daar in die coupé flink naar de knoppen geholpen.
‘Waarom zei ik niks?’ vraag ik me hardop af. ‘Waarom ging ik niet gewoon naar binnen en vroeg ik ‘Hé lieve mensen, er staan daar een opa en een oma en die moeten echt zitten man, is er iemand die voor hen wil staan?’ Jezus. Wat ben ik nou voor iemand?’
‘Waarom zei je dan niks?’ vraagt de taalnazi.
‘Waarom zij jíj niks?’ bijt ik hem toe.
‘Ik ben woedend,’ zegt hij. ‘Ik had een van die gastjes een klap voor z’n bakkes verkocht. Ik ben niet vriendelijk genoeg. Daar waren we niet vrolijk van geworden.’
‘Ik ben geloof ik laf,’ zeg ik. ‘Ik durfde het niet. Niet echt. Ik was bang dat ik een grote bek zou krijgen, bang dat ze me gewoon zouden laten lullen,’ zeg ik. ‘En nu ben ik ook nog woedend: op die debielen die bleven zitten in de coupé en op mezelf.’

Ondertussen naderen we station Leiden en het meisje van in de twintig met zwart haar en oordopjes in komt voor de deur staan. Ze doet de oordopjes in haar tas. Dat is mijn teken. ‘Wat een fucking asociale mensen man, in die coupé,’ zeg ik keihard tegen de taalnazi, maar heel dicht bij haar oor. ‘Ze moesten hun ogen uit de kop schamen dat ze niet opstonden voor dat bejaarde stelletje.’ Het meisje kijkt me aan, ik hoop dat ze weet dat deze opmerking voor haar bedoeld is en ik glimlach. Een gemene deze keer. Het meisje vertrekt geen spier en stapt uit. Mijn venijn heeft niks geholpen.

Natuurlijk helpt het niet; woede en passieve agressiviteit zijn altijd contraproductief. Het enige wat helpt, is lief zijn, dat weet ik. En ik baal omdat ik vandaag niet de moed had om lief te zijn. Op mijn meditatiekussen kan ik van mijn wereld een zachtere plek maken. Dat is makkelijk, in mijn uppie, in de rust. Maar het werk moet elders worden gedaan. Het wordt gedaan door in een supermarkt te glimlachen naar een vreemde die eruitziet alsof ze net een kutdag heeft. Door iets liefs te zeggen tegen je moeder, op het moment dat je normaal ruzie zou maken. Door te knipogen naar de bakker als hij niet weet wat hij aan moet met die bejaarde die niet op zijn beurt wacht. Vandaag had ik de wereld een heel klein beetje zachter kunnen maken door op een vriendelijke, open manier iemand aan te spreken om op te staan voor een opa.

Ik kijk sip voor me uit.
‘Je kan niet alles tegelijk,’ zegt de taalnazi. ‘Je hebt toch een plekje voor ze gevonden?’
Het baby’tje begint weer te huilen.
‘There, there,’ zegt mama.
‘Maybe he needs a change,’ zegt papa.
Ik kijk om me heen en besluit lief te zijn, ik ga deze mensen een plek geven om de baby te verschonen, al is het ’t laatste wat ik doe. Maar het hoeft niet. Een van de gesluierde vrouwen die op het enige zitplekje in het halletje zit, staat op, zonder dat haar iets gevraagd is. Ze pakt de andere vrouw bij de hand om plaats te maken voor de verschoning van de baby.
‘Are you sure?’ zegt papa.
De vrouw knikt vastberaden en komt bij ons in het halletje staan.
Ik vind haar ogen. En ik glimlach.

Een gedachte over “De moed om lief te zijn

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s