Een prachtige kuttijd

Het is de nachtmerrie van elke schrijver. Leeg zijn. Kwijt. Opgedroogd zijn. Ik kon een tijd lang niet meer schrijven, er was niks meer. Maar het is nooit helemaal weg. Ik kliederde stiekem in mijn schriftje en onderging een enorme kuttijd tot ik weer iets op papier kreeg. Dat is er nu. Er is heel veel om over te schrijven, maar eerst moet dit, daarna komen er weer mooie dingen, blije dingen, dat beloof ik, want zelfs na een bizar lange, donkere onweersbui, breekt altijd weer de zon door.

Zoals misschien wel bekend, was mijn taalnazi twee jaar geleden ineens bibliothecaris geworden. Ik wist niet dat ze nog bestonden maar hij vond ze fantastisch. Mijn taalnazi wilde zelfs jasjes van tweet met van die lappen op zijn ellenbogen gaan dragen, en dacht na over een leesbril aan een koortje. Hij schreef in de nacht en overdag wist hij precies welke boeken hij aan moest raden, of je nu 9 jaar bent of 99. Die baan paste hem  zoals maggi past op mijn frietjes. Maar eind januari dit jaar werd hem verteld dat zijn contract niet zou worden verlengd. Kut. Klote. Debiel ook want iedereen was blij met hem. Collega’s, klanten, alleen heb je soms een baas die het niet begrijpt. Dat was ongelofelijk zwaar voor hem. Toen hij het nieuws hoorde, werden er drie flessen wijn gekocht – terwijl hij eigenlijk helemaal niet graag drinkt – en die gingen er in één avond doorheen. Ik snapte dat. Ik herkende dat en dronk een glaasje mee. Regelmatig heb ik mijn ellende verzopen in wijn of bier en dat helpt tot ellende een zwemdiploma haalt.

Ondertussen gebeurde er bij mij ook van alles. Mijn moeder schoot in een halve depressie omdat ze moest verhuizen, en uitgevers stonden niet met confettikanonnen klaar om Dood ga je toch uit te geven*. Vier jaar geschreven, tussen het werken door, achter de sociale verplichtingen langs, in de nacht, in de ochtend, met schurft en koortslip, samen en alleen. En nu had ik het naar vier uitgevers gestuurd, mijn vier favorieten en was er niet één die zei: JA IK WIL DIT (met aanpassingen en dingen en weet ik veel, dat had ik allemaal prima gevonden maar er was er dus niet een die zei IK WIL DIT). Het was pijnlijk. Ik voelde het tot in mijn tenen. De afgelopen jaren moest ik geloven dat uitgevers wel met confettikanonnen klaar zouden staan, omdat ik anders niet door kon gaan. Ik had het simpelweg niet afgemaakt als ik mezelf had toegestaan om iets anders te denken. En nu stond ik met niks. Ja, een handjevol afwijzingen. Het hele schrijven kon in de stront zakken en ik wilde mee zakken.

We kwamen in een soort kwadratische depressie en gingen samen aan de wijn. Ik huilde, hij troostte en andersom. Tot het voor mij genoeg was. Hij moest solliciteren en mijn boek moest naar andere uitgevers gestuurd worden dan de vier die het hadden afgewezen. Het was klaar, had ik voor ons beiden besloten. Tranen drogen. Hopsa. De rek van het verdriet was er bij mij uit, en het maakte niet uit dat mijn taalnazi nog niet zo ver was.

Zo donderde ik ons dieper het verdriet in, alleen waren we nu niet meer samen. We stonden niet meer samen op, gingen niet meer samen naar bed. Ik ging veel werken. Ook in mijn hoofd. We kregen andere ritmes. Ik schreef niet meer. Hij trok zich terug en schreef alleen maar. We waren alleen. Elke ruzie een beetje meer.

Tot we op een dag naar een huisje in Drenthe reden en weer ruzie kregen. Mijn taalnazi parkeerde de auto bij een benzinestation en zocht op zijn telefoon naar het eerste de beste treinstation. Schreeuwen was er niet meer bij vandaag. Hij kon niet meer. Ik ook niet. Zijn mimiek stond op wanhopig. En toen schoot het door mijn hoofd: godver, hoe kan het dat als je zoveel van elkaar houdt als wij doen dat je dan zo van elkaar verwijderd raakt als het moeilijk is? Hoe kan het dat je elkaar zo waardeert, dat je door omstandigheden buiten jezelf, van elkaar afgekeerd raakt? Wij tellen. Niet een baan of een boek. Banen behouden en boeken uitgeven hebben geen enkele waarde als wij er niet zijn. En wij waren er nu niet, we waren een winkel waarvan de eigenaar even met lunchpauze was. Het licht brandde wel, maar er was niemand thuis. Op dat moment werd ik weer bewust. Ik was er weer. Ik zag wat ik heb, wie wij zijn. Mijn taalnazi is warrig en lief, slim en zorgzaam, theatraal en nuchter, grappig en serieus. Maar het belangrijkste: hij accepteert mij, precies zoals ik ben. Ik hoef me niet in te houden, aan te sporen, op te kalefateren. Er zijn geen restricties in hoe hij van mij houdt. Dat is zo fucking bijzonder. De taalnazi is iets bedachtzamer dan ik, en hij mag ook precies zijn zoals hij is. Zo was het altijd geweest en zo is het eigenlijk nog steeds. Als we door de externe ellende heen kijken. Als we dichterbij kijken, zo dichtbij dat we zien dat alleen wij tellen.

Ik pakte zijn hand en zei: ‘Ik mis je zo erg.’
‘Ik jou ook,’ zei hij. ‘Ik mis ons.’
En toen durfde ik te zeggen wat ik eigenlijk al eerder had moeten zeggen. ‘Ik wil dat we weer voor elkaar gaan zorgen.’
Hij knikte.

Vanaf toen was het niet meteen lang en gelukkig. Lang en gelukkig zit wat mij betreft in momenten. In samen een pizza eten vier hoog achter op ons balkon. Een arm op mijn rug als we in slaap vallen. Iemand laten lachen als de wereld stom doet. We hebben na die dag nog wel meer ruzies gehad, maar bleken nooit ‘op’ te zijn. De gelukkige momenten stapelden zich langzaam weer op en we beseften; wat er ook gebeurt, wij gaan nooit op; er zal altijd een flink stuk koek overblijven. Achteraf was het een prachtige verschrikking om dat te ontdekken. Stukje bij beetje werden we weer meer onszelf en begonnen we voor elkaar te zorgen. De taalnazi bereidde mijn lievelingseten of liet een gedichtje op de spiegel als ik opstond om te gaan werken. Ik hielp met sollicitatiebrieven en in de auto bereidden we gesprekken voor. Inmiddels werkt mijn taalnazi weer bij een nieuwe bieb overigens, een bieb in Brabant, waar volgens hem toch alles beter is, vooral de worstenbroodjes. Hij is weer blij, voelt zich gewaardeerd en ik ben trots.

Dit is het eerste dat ik sinds zeven maanden heb geschreven en hoewel ik mooiere dingen heb gemaakt, is het de moeite waard geweest om op te schrijven. Na een kuttijd breekt altijd de zon door.

*Er is tot op heden nog geen uitgever gevonden maar niet getreurd: inmiddels ligt Dood ga je toch bij drie nieuwe fantastische uitgevers en wacht ik op hun confettikanonnen.

8 Comments

  1. Eef

    Mooi verhaal Lian en jeetje ik word er ook een beetje emo van. Fijn dat het zonnetje weer terug is en hoop je snel weer te zien (op kantoor of in de koffietent ernaast), 😉 xx

  2. laura

    Je schrijft heel mooi, zelfs dit stukje al waarvan je zelf zegt dat je mooiere dingen hebt gemaakt. Ik hoop dat je boek een uitgever vindt die de waarde ervan ziet en dat ik het ooit mag verkopen in de boekhandel 🙂

  3. Lisa

    Delen van je verhaal lijken op mijn leven de laatste tijd. Als in: zoooooo lang aan je manuscript werken, er allemaal dingen voor laten, en dan keihard afgewezen worden met een standaardbrief. Ik ben inmiddels op het punt dat ik maar even zit na te denken over andere potentiële carrières :’)

    Afgezien daarvan heb ik niet zo’n rottijd gehad als jij. Fijn dat het weer beter gaat. En ik vind het altijd zo stom om ‘je schrijft heel mooi’ te zeggen, maar dat is wel zo, dus laat die confettikanonnen maar komen vind ik.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.