Gelukkig zijn

Ze is er. Mijn Rosie*. Ze ligt in mijn armen en toch kan ik het niet geloven. De afgelopen 9 maanden zag ik mijn buik groeien, voelde haar bewegen, voelde ik dat ze de hik had… maar dat zij het al die tijd was, kan ik niet bevatten. Nu ik haar zie, haar kan ruiken, haar kan aanraken en kussen, heb ik het gevoel dat er iemand getoverd heeft.

De zusters hebben de randen van het bed omhoog gezet zodat ik haar de hele nacht kan vasthouden, zelfs wanneer ik in slaap val. Ik ben uitgeput, maar laat haar niet los. Ik bedenk dat ik haar wil leren kennen, nu, deze nacht, ik wil haar het liefst helemaal leren kennen.

Mijn taalnazi vraagt of hij Rosie even mag vasthouden. Ik grom. Eigenlijk wil ik haar bij me houden, maar ja, hij is wel de papa. Hij pakt haar heel voorzichtig uit mijn armen en een warme golf gaat door mijn lijf. Ze is bij mijn grote, lieve, gekke man heel erg klein. Nog kleiner dan bij mij en zeker kleiner dan haar geboortegewicht van 4040 gram doet vermoeden. Hij houdt zijn gezicht heel dicht bij het hare, kust haar op haar neusje en ik voel mijn hart. Die heeft nog nooit zo blij gebonsd.

Mijn taalnazi kijkt naar me alsof ik het meest bijzondere schepsel ben dat hij ooit zag. Zonder woorden zeggen we dat we blij zijn, maar moe, dat we dankbaar zijn, dat we van elkaar houden en van haar. Met onze ogen vertellen we elkaar hoe gelukkig we zijn.

‘Wil je haar weer terug?’ vraagt hij.
Willen wel, maar ik voel dat ik moet rusten. Ik ben bebloed, moe en leeg en moet eventjes slapen.
‘Leg haar maar in het bedje.’
Dat doet hij. In onze familiekamer in het geboortecentrum hebben we allebei een eenpersoonsbed en het bedje van de kleine Roos staat tussen ons in.
Mijn taalnazi dekt haar toe, doet haar mutsje goed.
We staren naar haar in stilte.
Ze ligt er tevreden bij, rustig. Twee kleine handjes naast haar hoofdje.
‘Kijk eens naar buiten schatje,’ zegt mijn taalnazi dan.
Ik kijk en ben ontroerd. Later kan ik haar zeggen dat het sneeuwde op de nacht dat ze geboren werd.

Ik doe hazenslaapjes in mijn nieuwe wereld en word van een wekker wakker.
‘Wat is er aan de hand?’ roep ik. Als mijn lijf minder pijn deed, zou ik rechtop zitten. ‘Is dat een wekker?’ vraag ik verward.
‘Ja, ze moet weer eten,’ zegt mijn taalnazi. ‘Het is drie uur later. Ze moet om de drie uur eten. Dat heb ik gelezen.’
‘Heb je daar je wekker voor gezet?’ vraag ik. ‘Dat kind is vier kilo!’
Mijn taalnazi lacht.
‘Ze komt wel als ze honger heeft,’ zeg ik.
‘Je hebt gelijk,’ zegt hij. Het is aardedonker in de kamer, maar ik voel dat hij verliefd naar me kijkt. ‘Je bent nou al een ontspannen mama,’ zegt hij.
Ik wil hem een kusje geven, maar daarvoor ligt hij te ver weg. Daarom glimlach ik mijn liefste glimlach en ik hoop dat hij dat ook voelt. Ik denk het wel.
‘We wachten tot ze komt,’ zegt hij. ‘Ga maar weer lekker slapen.’

Rosie komt inderdaad als ze honger heeft. Voordat de ochtend echt begint, leg ik haar aan de borst en ze hapt, ze drinkt. Ik moet huilen. Van gezelligheid. Ze hapt goed, en ze is dichterbij dan ik me kan voorstellen, ze voelt dichterbij dan ons aangezicht doet vermoeden. We zijn zo samen. Ik wist niet zeker of ik borstvoeding kon geven, maar het is er. Althans, er is wat. Het is niet genoeg, want na elke borstvoeding krijgt ze ook een flesje, maar dat maakt me geen reet uit. We zijn zo samen.

Na de voeding, willen de zusters dat ik ga plassen.
‘Het is tijd om te plassen, meissie.’
‘Ja, maar ik hoef niet,’ sputter ik tegen.
‘Probeer het toch maar.’
‘Maar ik heb tijdens de bevalling in bad geplast,’ probeer ik nog.
‘Je moet binnen zes uur na de bevalling plassen, anders krijg je een katheter, het is echt tijd.’
Oké. Missie plassen. Ik ga voorover zitten, schuif langzaam uit bed en ga op de grond staan. Er valt een enorme plas bloed uit me. Het schijnt normaal te zijn, want niemand komt bezorgd met een zak bloed aanzetten, dus ik zet mijn plasavontuur door. Mijn taalnazi loopt mee. Ik frommel die bevallingsonderbroek uit, ga op de bril zitten en weer gutst er bloed uit me. Dan ben ik ineens nat. Mijn haar, mijn gezicht, zelfs in mijn hoofd is het nat. Ik val flauw.
‘Schatje! Schatje!’ De taalnazi slaat me zachtjes in mijn gezicht.
‘Straks slikt ze d’r tong in,’ zegt hij tegen iemand.
Iemand houdt mijn mond open.
‘Schatje!’ Ik voel zachte klapjes op mijn wang en open mijn ogen. Mijn lieve man heeft natte oogjes van de schrik, en ik heb ongeveer een liter bloed verloren.
‘Jezus,’ zegt hij. ‘Ik schrok. Jezus. Ik schrok echt.’
Ik plas.
Hij lacht.
‘Ik moest toch plassen…’
Mijn taalnazi ondersteunt me terug naar bed. Ik word gewassen, heb pijn, krijg hele oorlogsverbanden in mijn onderbroek geprakt en val hier en daar nog eens weg. Het geeft niet. Ik ben lijkwit en moe, maar het geeft echt niet. Ik heb geplast en nu kunnen we weer verder met elkaar vasthouden en naar Rosie staren.

We blijven nog drie dagen in de familiekamer van het geboortecentrum. We slapen, we voeden, we lachen, we kussen, we kroelen zachtjes (want au, lijf) en we huilen van plezier. Alles wat we nodig hebben, bevindt zich in de kamer. Bedden, een koelkast en wij. De taalnazi, de kleine Roos en de mama. Wij zijn het, besef ik nu, wij zijn de roze wolk waarvan ik dacht dat hij niet voor mij bestemd was.

In onze roze wolk komen opa’s en oma’s langs, zussen en schoonzussen en vrienden die dichtbij staan. Ze verblijven even in onze bubbel en brengen kleertjes, en rode wijn en carpaccio. Ze zitten tussen onze bedden, lachen en huilen ook van plezier, net als wij. Tussendoor slapen we. Alle drie slapen we hazenslaapjes. Ik slaap diep en droomloos. En ik snap waarom. Slapen is rusten en dromen is wakker zijn.

Ik was bang voor alles. Ik was bang voor een kapotte punani. Ik was bang voor een postnatale depressie. Ik was bang dat ik niet van haar zou houden. Ik was voor meer bang dan ik hier ooit zou op kunnen schrijven. We waren voorbereid, we hebben besproken wat we moesten doen als ik een depressie zou krijgen, wat hij moest doen, wat we mij niet moesten laten doen. We waren op alles voorbereid. Echt op alles. Behalve op zo gelukkig zijn.

*Rosie’s officiële naam is Anne-Rosie Beppie Marijke

8 Comments

  1. Laurie Dool

    Hoi! Ik volg je al jaren en wil je nu toch laten weten hoe fijn ik je posts vind. En jullie feliciteren met jullie dochter. Delen van je gevoel, gedachten en ervaringen in welke vorm dan ook (praten, schrijven, schilderen etc) is waardevol. Voor jezelf èn voor anderen. Dankjewel.

    Groet, Laurie

  2. Eva

    Ook ik volg je alweer een hele tijd, zelfs nu ik ook geen 28 meer ben, en ook dit is weer prachtig geschreven! Wat heerlijk lijkt me zo’n geboortecentrum (of is dat een codewoord voor ziekenhuis), waar je lekker samen kunt bijkomen! Geniet nog van je roze wolk!

    1. ***

      Thanks Eva! Geboortecentrum… nee is geen codewoord hoor! Het is echt een heerlijke plek, met lieve kraamverzorgsters (gaat van je kraamzorg thuis af) waar je echt samen kan relaxen (dus niemand hoeft koffie te zetten, eten te koken, op te ruimen; ik raad het iedereen aan!)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.