Vies grietje

Oma

Aan haar muur hangen tegeltjes met teksten als Van het concert des levens heeft niemand een program, op haar tafel staat een boeketje kunstbloemen, haar lievelingskoekjes; bokkepootjes haalt ze uit een koekjestrommel en ze drinkt koffie uit kopjes waar bloemetjes op staan. Dit zijn de enige gelijkenissen die mijn oma heeft met normale oma’s.

“Zullen we even naar buiten gaan oma?” vraag ik. Ik ben 21.
“Best,” zegt oma. Ze zet een zonnebril met grote glazen op en kijkt even naar het hondje van mijn moeder dat ik bij me heb. Ze haalt haar gerimpelde handen versierd met gouden ringen en armbanden door haar korte, rood geverfde haar en pakt het looprek. Oma zit in een bejaardenhuis, omdat ze geen trappen meer kan lopen en alleen wonen moeilijk is. Haar dochter; mijn moeder gaat een keer per week een bakkie bij haar doen. Ik ga soms alleen. Oma en ik stiefelen naar buiten, door het park. De blaadjes zijn oranje en knisperen onder haar looprek. De zon schijnt zachtjes.
“Herfst is mijn favoriete seizoen,” zeg ik.
“Ik vind er geen reet aan,” zegt oma.
We komen aan bij snackbar Huisman en ik haal twee softijsjes.
“Wel met snoepies erop,” zegt oma.
Ik geef haar een softijsje met snoepies erop en we gaan zitten op een bankje.
“Lekker?”
“Ja.”
“Heb je je rijbewijs al?” vraagt ze.
“Nee, nog niet.”
“Ik zou maar stoppen met die lessen. Als je het nu nog niet kan, kan je het nooit.”
De hond ligt in de zon. Oma heeft haar ijs op.
“Ik wil naar huis. En die hond ook.”

Oma zagen we vroeger eigenlijk nooit, af en toe kwam ze langs om haar nieuwe vlam of armband te laten zien. Ze tikte met haar vingers op tafel, de sieraden maakten geluid. Oma vertelde hoe ze aan haar nieuwste man was gekomen. “Ik heb een advertentie geschreven voor in het Dagblad,” zei ze. “En ik heb er wel mooi ingezet dat ‘ie niet impotent mocht wezen. Ik ben dan wel in de zestig, maar toch.” Mijn moeder keek weg. Ik was jong en wist niet precies wat impotent zijn betekende, maar het leek me goed dat je ook in de zestig nog eisen had. Ik vond mijn oma tof.

“Ma, zullen we even boodschappen doen?” zegt mijn moeder. Ik ben 24 en oma heeft een grote, grijze uitgroei bovenop haar hoofd.
“Waarvoor?” zegt oma.
“Nou, ik lust wel een koekje bij de koffie,” zegt mijn moeder, “en je hebt niks in huis.”
“Best,” zegt oma. Ze trekt een deken van de bank, legt die op schoot en gaat in haar rolstoel zitten. We rollen naar de Nettomarkt. Oma heeft niet meer zoveel ringen om. Haar armbanden heeft ze sowieso afgedaan. We gaan naar binnen en oma zegt niks. Ik kijk naar oma en oma kijkt naar niks. Ik pak bokkepootjes uit een schap en oma kan niks.
“Ik wil naar huis,” zegt oma, “ik vind hier geen reet aan.”
“Oké,” zeg ik.
“En ik ga nooit meer mee ook.”

Mijn moeder vond het niet leuk dat oma nooit naar ons toe kwam toen wij nog kinderen waren. Dat ze onze verjaardagen vergat en met kerst op vakantie was. Als we naar oma toe gingen, omdat ze borrel of feestje gaf, zei mijn moeder ook nooit: “we gaan naar oma,” nee, ze zei: “we gaan naar m’n moeder.” Dat vond ik zielig voor mijn moeder. En ik begreep het niet. Oma was chagrijnig, maar goed gezelschap. Ze was zo eerlijk, dat je constant moest lachen, ook al was je zelf de grap.

“Ha oma,” zegt mijn zus.
Mijn oma lacht. Dat doet ze niet vaak tegenwoordig. Tegenwoordig ben ik achtentwintig en is oma echt oud. Haar haren zijn grijs, haar gouden ringen liggen nu ook in een doosje en ze vergeet steeds meer.
“Hoe is het met jou? Jou heb ik lang niet gezien,” ze kijkt naar mijn zus.
“Goed, het gaat goed hoor oma.”
“En hoe is het op je werk?”
“Ook goed.”
Oma vergeet dat ik er ben. Geeft niet. Oma is dement.

Daardoor moet mijn moeder van haarzelf meer op bezoek. Dat is haar taak en die voert ze uit. Ze schenkt zonder morren koffie in en trekt plichtmatig de koekjestrommel open, maar ik zie dat ze hier eigenlijk niet wil zijn. Inmiddels gaan mijn zus en ik niet naar oma voor ons of voor oma, maar voor onze moeder. En zo erg vinden wij het niet.

“Hoe is het met de mannen?”
“Ehm…” zegt mijn zus.
Mijn zus heeft geen man. Ze heeft een vrouw. En twee kinderen. Oma weet blijkbaar niet dat mijn zus met een vrouw is, al hebben we dat nooit bewust voor haar verzwegen.
“Nou?” zegt oma.
Mijn zus zegt niks.
“Oma,” roep ik enthousiast, “ik heb nog steeds geen rijbewijs.”
“Heb je al verkering?” zegt ze tegen mijn zus.
“Oma,” zeg ik, “ik heb geen verkering. En ook al heel lang niet gehad!”
Oma rolt zich om, kijkt door haar dikke glazen naar mij en zegt:
“Dat weet ik toch, kind. Jij bent van de verkeerde kant.”
Mijn zus en ik kijken elkaar aan. Oma haalt ons door elkaar.
“Ik weet heus wel dat jij een vies grietje bent.”

Eerst lachen we. Dan zijn we verbaasd. Daarna verdrietig. En dan snappen we onze moeder. Mijn zus zegt de tekst die ze mij zo vaak heeft horen zeggen: ‘ik ben niet zo goed in de liefde en de juiste man is ook nog niet voorbij gekomen,’ en ik zeg niks. Mijn ogen prikken voor m’n zus en het liefst loop ik nu weg en kom ik niet meer terug. Maar ik blijf. Zonder morren schenk ik koffie in en plichtmatig trek ik de koekjestrommel open.
“Gatver. Bokkepootjes. Daar vind ik geen reet aan,” zegt oma.

Klontborsten II

Tietkiek

Voordat je dit gaat lezen, lees eerst even Klontborsten I.

Uit mijn ondergoedlade pak ik de netste bh die ik kan vinden. Ik doe mijn klontborst en mijn normale borst in een keurige witte, met een beetje kant. Perfect voor de fotoreportage. Met de keurige bh onder mijn kleding sta ik – met een vriendin – een kwartier te vroeg op de rode linoleumvloer van het Diakonessenziekenhuis. We drinken een vies kopje koffie, ik vertel haar dat ik van de zenuwen aan de diarree ben en vraag of ze denkt dat ze hier wijn verkopen. Zij zegt dat het tien voor elf ’s ochtends is. Daarna volgen we route 222 naar de Röntgenafdeling, die eindigt in wachtkamer G. Er zitten alleen maar vrouwen: jong, oud en op de helft. Sommigen ogen zenuwachtig en anderen kijken of ze net een nummertje hebben getrokken bij de groenteboer. Ik hoor bij de eerste groep. Eén voor één worden ze door een kordate mevrouw met kort haar en een grote bril een kamertje binnen geroepen. Ze gaan allemaal met hun borsten op de foto. Met hun hand over hun borsten wrijvend, komen ze eruit en gaan weer zitten. Even later komt de mevrouw naar buiten, zegt “De foto’s zijn in orde,” waarop de vrouwen gerust gesteld weglopen. Makkelijk zat.

Ik mag nu naar binnen van de mevrouw. Ik mag van haar mijn bovenkleding uittrekken, dan mag ik bij het apparaat komen staan en dan mag ik mijn linkerborst op de plaat van het apparaat leggen. Ze is vriendelijk. Omdat ik mijn borst nog nooit eerder ergens op heb gelegd, ben ik er geen expert in. Voordat de foto kan worden gemaakt, tilt de mevrouw mijn borst op, duwt een beetje naar links, trekt ‘m omhoog, legt ‘m dan neer op de plaat en geeft nog een zacht tikje naar rechts. Ze kijkt ernaar, knikt tevreden: de perfecte compositie, mijn borst lijkt er klaar voor. Het apparaat gaat aan en langzaam komt er een andere plaat naar beneden die mijn borst plat lijkt te gaan drukken. Het gaat weer niet goed want hij floept er tussenuit. Met haar koude handen propt ze mijn borst terug tussen de platen totdat er weinig meer overblijft dan een te dikke mislukte pannenkoek met een tepel erop. Au. Ik vind het jammer dat mijn borst niet zo fotogeniek is. “Je mag nu terug naar de wachtkamer, wij bekijken even of de foto technisch in orde is en dan zullen we de uitslag morgen naar je huisarts doorbellen,” zegt ze terwijl ik nog steeds alleen in mijn spijkerbroek sta, maar wel met mijn armen over elkaar. Het moet een gek gezicht zijn.

In de wachtkamer vertel ik de vriendin dat mijn borsten beurs zijn en neem een kauwgompje. De mevrouw doet na een paar minuten alweer de deur open, kijkt me aan en zegt: “De foto is in orde, maar we zien een plekje. Dus we willen nu meteen een echo maken. Je kunt doorlopen naar wachtruimte…”
Ik slik mijn kauwgompje per ongeluk door en sta op.
“Welke wachtruimte moeten we nou?” zeg ik tegen de vriendin, “ik hoorde alleen maar ‘plekje’.” Zij weet het ook niet. Zij hoorde ook plekje. Een andere mevrouw, maar ook met bril steekt haar hoofd uit een ander kamertje en roept mijn naam al. We hoeven niet eens te zoeken.

“Doe je truitje uit en ga daar maar liggen,” zegt ze. Ik ga liggen. Ze knikt geruststellend en kijkt naar een klein vierkant beeldscherm met blauw-zwarte kleuren, dat ik eigenlijk alleen maar ken uit films waarin een baby wordt geboren. De mevrouw smeert lichtblauwe gel op het ding met die ronde kop dat normaal over de buik gaat.
“Het is even koud hoor,” zegt ze.
Ik had mijn eerste kennismaking met een echo apparaat toch iets anders voorgesteld. Bij voorkeur met een leuke vent naast het bed en dat we naar iets kijken dat leeft in mijn buik en niet in mijn tiet.
Ze rolt met de gel over mijn borst. Het is echt koud. Met gespleten ogen kijkt ze naar het beeldscherm, ook net als in de film.

“Kijk, daar is ‘ie,” zegt ze en wijst naar iets blauws. Ik kijk, maar waarnaar weet ik niet precies.
“Het gaat helemaal goed,” ze lacht een beetje.
Ik krijg het idee dat er een mini baby in mijn linkerborst aan het groeien is.
“Kijk, dit is je klier,” haar wijsvinger tikt een blauw plekje aan, “en hier is ‘ie ontzettend opgezwollen.”
“Mijn klier?”
“Ja, hij ziet er goed uit, er is niks aan de hand. Maar ik snap wel dat je wat voelde.”
“Het is dus niks?”
“Het is niks, je klier is onrustig, het zijn hormonen. Hij wordt vanzelf weer normaal.”
“Jezus, wat fijn,” gooi ik eruit. “Sorry, maar ik ben zo opgelucht.”
“Maar blijf wel borstonderzoeken doen. Elke maand. Vanaf jouw leeftijd is dat echt belangrijk.”

Het is geen klontkanker. Ik adem diep in, mijn klier is gewoon onrustig en adem uit. Het wordt vanzelf weer normaal. Ik hoef niet meer te denken aan mijn gebrek aan verzekering, aan bij mijn ouders wonen of aan mooie en verdrietige liedjes. Dat is fijn. Maar als je achtentwintig bent, moet je dus regelmatig je borst onderzoeken. Gatverdamme. Dat is naar. Maar ik zal het wel doen, elke maand. Gelukkig weet ik wel hoe een onrustige klier nu voelt.

Klontborsten I

Heere m'n tiet

Mannen zitten voor de ontspanning weleens met hun hand in de broek. Ik heb daar geen oordeel over, want ik zit voor de ontspanning regelmatig met mijn hand in mijn bh. Gisteravond keek ik Dr. Phil – omdat hoe laat het ook is, Dr. Phil is altijd op tv – en legde mijn rechterhand in mijn linkercup.

Mijn hand ontdekte iets raars in mijn borst. Het voelde als een klont taartdeeg, dat te lang op het aanrecht had gestaan en toen in een pudding was gestopt. De klont maakte me bang. Ik zette Dr. Phil af en voelde nauwkeuriger. Dit hoort niet in mijn borst thuis, voelde ik. Mijn gedachten gingen meteen naar het ergste wat er kan zijn met je borsten en daarna gingen mijn gedachten en ik naar bed. Dat leek me beter.

De volgende dag ben ik wakker voor de wekker en mijn hand grijpt naar mijn borst. De klont zit er nog steeds. Niet groter, niet kleiner, maar gewoon, nog steeds. Klontkanker, denk ik. Gatver. Ik bel de huisarts en moet bij een vervangende dokter komen. Plukkend aan mijn haar wacht ik tot de receptioniste mijn naam verkeerd uitspreekt, dat is het sein dat ik naar binnen mag. De vervangend arts blijkt één van de knapste mannen onder de 35 te zijn die ik ooit heb gezien. Gemillimeterd bruin haar, grote blauwe ogen en brede schouders. Het blauwe blokjesoverhemd is het enige dat aan hem schort. Shit. Moet jij nu aan mijn…

“Ik heb een klont gevoeld in mijn borst,” zeg ik.
“En wanneer heb je dat gevoeld?”
“Gisteren.”
“Daarvoor niet?”
“Nee, daarvoor niet. Is dat erg? Of juist niet?”
Ik wil medisch wenselijke antwoorden geven, zodat ik weg kan. Het liefste heb ik dat hij keihard lacht en zich hardop afvraagt waarom ik in hemelsnaam met dit klontje naar hem ben toegekomen.
“Zullen we even kijken?”
“Het zal wel niks zijn,” zeg ik, “ik moet ook ongesteld worden en dan zijn je borsten altijd rommelig,” kraam ik uit.
“Loop maar mee naar achter.”

Ik loop mee naar achter, doe mijn trui uit, hang mijn bh over de stoel. Die had ik wel zorgvuldiger uit kunnen kiezen, want zelfs voor Satine uit de Moulin Rouge is dit nog een pittig bovenstukje. De dokter wrijft zijn handen tegen elkaar en voelt. Eerst de goede, zonder klonten, zodat hij kan vergelijken. Hij duwt zachtjes met zijn vingertoppen. Ik hoop dat er in de goede borst toch ook klonten zitten, dat ik gewoon rare borsten heb, dat hij zegt: “Ja, ik voel het. Je hebt klontborsten. Het is lullig, het voelt raar, maar het is onschuldig.” Helaas, hij zegt dat niet.
“Deze borst voelt normaal, nu ga ik even naar de andere.” Hij duwt weer zachtjes en gaat over de klont heen.
“Het zal wel niks zijn,” zeg ik weer.
“Als je iets in je lichaam voelt waarvan jij denkt dat het er niet hoort, dan klopt dat instinct vaak hoor,” zegt hij.
Goh. Mijn instincten kloppen regelmatig niet. Ik vraag me af of ik dan eigenlijk ook heel goed kan auto rijden.
“Ik voel het. Ja hier, onder de tepel. Doe je vaker borstonderzoeken?”
“Nee, niet echt.”
“Ik raad aan om toch één keer per maand je borsten te onderzoeken.”
“Ik ben pas achtentwintig.”
“Steeds meer vrouwen van rond de dertig krijgen ook borstkanker, ik zie het vaker.”
“Ik ben pas achtentwintig,” herhaal ik met een hoog stemmetje.

Hij gaat terug naar de gespreksruimte. Ik trek mijn Moulin Rouge bh aan en loop – m’n trui over mijn hoofd heen trekkend – achter hem aan. Mijn mond is droog.
“Ik wil graag zo snel mogelijk foto’s laten maken,” zegt hij.
Mijn ogen prikken.
“Kun je morgen of anders vandaag?”
“Wat, wat is er dan precies?”
“Wat het precies is, weet ik niet, maar foto’s geven altijd uitsluitsel.”
“Ja. Ik kan, morgen of vandaag. Ik ben een freelancer met te weinig werk.”

De dokter zegt dat ik me niet te druk moet maken. Dat hij zelf het ziekenhuis zal bellen voor een afspraak, want dan is het ’t snelst geregeld. Maar het kan alsnog van alles zijn, zegt hij, we nemen het zekere voor het onzekere. Rationeel weet ik dat het van alles kan zijn, maar de pest is dat ik zo’n levendige fantasie heb. Terwijl ik de dokterspraktijk uitloop, denk al aan mijn gebrek aan verzekering en dat ik straks noodgedwongen weer bij mijn ouders moet wonen. En aan mooie, verdrietige liedjes.

Ik bel een vriend op en vertel over de klont, de knappe dokter en dat je borsten altijd rommelig doen als je ongesteld moet worden.
“Ben je bang?” vraagt hij.
“Best wel.”
“Snap ik. Maar het kan ook niks zijn. De kans is groot dat het niks is.”
“Dat is zo.”
“Het zijn maar foto’s.”
“Ja.”
“En, weet je, in ieder geval heeft er een lekkere vent aan je tiet gezeten.”
Ik lach en veeg een traantje weg. Dat is waar, in ieder geval heeft er een lekkere vent aan mijn tiet gezeten. En nu maar wachten op de tietkiek.

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees dan Klontborsten II

Ik ben nog lang niet jarig

Ik ben nog lang niet jarig
Langgerekte, blauwe walmen bewegen door de lucht. Mijn vader blaast rook uit na een trek van zijn shaggie, het dwarrelt naar mijn zus die naast hem zit en naar de vriend die weer naast haar zit. De volgende vier vriendinnen maken met hun stoeltjes een mooie bocht. De buurman sluit aan, een vriendin en haar man maken weer een bocht en mijn moeder maakt de rij af. Ze zitten om mijn salontafel heen. Een salontafel waar toastjes met filet americain, brie, pittige kipsalade, nootjes, chips, dipsaus en kaasstengels op liggen. Alleen de leverworst ontbreekt.

Ik was jarig. En als je je afvraagt, waarom begint ze hierover? Nou. Als je een blog begint over je achtentwintigste levensjaar, lijkt deze verjaardag het juiste begin. Nu houd ik niet van mijn verjaardag en daarom vier ik ‘m nooit. Het hierboven beschreven Hollandse rondje stoelen is eigenlijk precies de reden dat ik het niet vier. Ik haat het. Ik ben bang dat mensen het niet leuk hebben in zo’n vaste opstelling en ook dat mijn zelf gebakken taart niet lekker is. Een andere reden is dat ik steeds ouder word en toch minder lijk te bereiken, dat geheel terzijde. Mijn vrienden vinden het onzin, de rondjes ontstaan overal, zeggen ze. “Dit jaar vier je het dus echt wel,” zei één van die vrienden en toen de woordgrap, “als je het dit jaar weer niet viert, ben je nog lang niet jarig!”

Dus ik vierde het, op zondagmiddag. De haat voor Hollandse verjaardagen mocht niet baten. Ik stond erbij en keek ernaar: een rondje stoelen. Er ontstonden kringgesprekken over aardappels en wat je daarbij kon eten, mijn gebrek aan gordijnen, baby’s (ben je voor of tegen?), en de voordelen van fietsvakanties. Ik was zelf veel bezig met de toastjes, de wijn en doekjes pakken. Maar, ik moet eerlijk zijn, het was niet onprettig. Mijn appeltaart viel in de smaak, er werd lekker geouwehoerd, ik hoorde regelmatig gelach en iedereen vertrok in ieder geval net zo vrolijk als dat ze waren binnen gekomen.

Toen de laatste was vertrokken, ging ik niet stofzuigen, ook al was het wel nodig. Ik haalde wat boterhammen uit de vriezer en deed de tv aan. Hé, ik heb eigenlijk niemand gesproken. Er is ook niet voor me gezongen. En ik ben vergeten mijn kaarsjes op de appeltaart te zetten. Als ik niet dacht wat ik hierna op schrijf, had mijn verjaardag makkelijk de trigger kunnen zijn voor een lichte winterdepressie.

Ik ben nu 28 en dan gebeuren er mooie dingen. Dat weet ik toevallig. Toen zij 28 was, ontmoette Maxima haar Willem-Alexander. Marco Borsato brak op diezelfde leeftijd door met Dromen zijn Bedrog. En Irene Moors, die scoorde op haar achtentwintigste haar grootste hit tot nog toe, met de smurfen: No Limit.

Zo, de boterhammen waren inmiddels ontdooid, ik strooide rijkelijk met de hagelslag – het was immers mijn verjaardag – en stak m’n kaarsjes aan. Fuck it, dacht ik, ik ben een achtentwintiger en heb een heel jaar om van alles te bereiken. Ik ben nog lang niet jarig. En toen blies ik.