Verdriet met schurft

IMG_9952

Het is heet in de wachtkamer van de dokter. Ik trek de lange mouwen van mijn trui nog net iets verder over mijn handen en ril. Van de jeuk. Mijn armen zien eruit alsof ik een besmettelijke ziekte heb, dus ik krab netjes op mijn trui. Het jeukt zo verschrikkelijk dat ik eigenlijk al mijn kleren uit wil doen, in mijn nakie wil rondspringen in die wachtkamer en me helemaal het ongans wil krabben. Het liefst krabben alle patiënten mee. Maar dat kan natuurlijk niet. Dus al krabbend, kijk ik rond. Mijn jeuk verdwijnt heel even als ik aan mijn taalnazi denk, die sinds eergisteren niet meer mijn taalnazi is. Mijn ogen blijven hangen bij een stapel tijdschriften, bovenop ligt Psychologie magazine. Op de cover staat de zin Liefdeslessen: inzicht in je hechtingsstijl verandert alles. Ik pak het tijdschrift op en blader, op zoek naar een beetje inzicht dat mij vertelt waar het is mis gegaan.

Er zijn mensen die een angstige hechtingsstijl hebben; ze hebben verlatingsangst, zijn onzeker, willen veel samenzijn en veel lichamelijk contact. Mensen met een vermijdende hechtingsstijl hebben bindingsangst, ze idealiseren een zelfvoorzienend leven en kijken neer op afhankelijkheid. Er zijn ook mensen die normaal hechten, ze hechten ‘veilig’. De veilige hechters leiden een stabiel en voorspelbaar leven van samenwonen, werken, trouwen, op vakantie en op bezoek bij pa en ma. Ik krabbel nog even op mijn trui en bedenk dat ik eigenlijk veilig wil hechten, maar dat ik zowel angstig als vermijdend ben. Dat kan ook, vertelt het artikel. 5% van de bevolking hecht angstig en vermijdend. Dat is misschien waarom het is misgegaan.

De dokter roept mijn naam, ik mag naar binnen.
“Je hebt jeukende uitslag op je armen en romp?” vraagt ze.
“Ja, dat heb ik.” Ik wil eraan toevoegen; “En mijn relatie is afgelopen en ik wilde het zo graag en nu is het niet gelukt en dat vind ik kut en ik zie er ook nog eens zo goor uit.” Maar de dokter is geen psycholoog, dus ik doe mijn trui uit en laat haar kijken.
“Zo.” Ze trekt haar neus op en haar witte handschoentjes aan. “Dat is niet mis.” De dokter bekijkt mijn armen, die vol zitten met grote rode plekken, bulten en korstjes. Als ik er zelf naar kijk, moet ik bijna kotsen. En ik kijk er al twee dagen naar. De dokter raakt één van de vele blaasjes die er ook tussen zitten.
“Kijk.” Ik trek het vel van het blaasje. Er loopt water uit. “Het zijn net blaren,” zeg ik.
“Ik denk dat het schurft is,” zegt ze.
Nu voel ik me echt vies. “Schurft?”
De dokter googlelt ‘schurft’ op haar computer en laat me plaatjes zien. Het lijkt er inderdaad  op.
“Ik geef je shampoo tegen schurft en dan wil ik je woensdag weer zien, goed? Als het niet verbetert, stuur ik je door naar een dermatoloog.”

Met mijn schurftshampoo ga ik naar huis. Onderweg alarmeer ik mijn familie, die krijgen ook spontaan jeuk. Thuis pak ik mijn laptop en typ ook ‘schurft’ in op Google. Vieze plaatjes proberen me tegen te houden, maar ik lees dapper door. Ik ontdek dat schurft wordt veroorzaakt door schurftmijt, een miniscuul spinachtig insect dat leeft in de bovenste laag van je huid. Hij graaft gangetjes in je huid en legt daar eitjes waar meer van die gore beestjes uitkomen. Tegen de eieren en uitwerpselen van die beesten reageert je huid. Gatverdamme. Ik kan wel janken, maar dat kan niet want de bel gaat. Mijn vader en moeder staan samen op de stoep, terwijl ze gescheiden zijn. Dan weet je dat je echt zielig bent.

“Hallo!” roept mijn vader vrolijk.
“Hallo!” roept mijn moeder ook vrolijk.
Van deze ongemakkelijk vrolijk hallo’s moet ik nog meer huilen, maar ik ben een meisje van dertig en die huilen niet. Dus ik omhels ze dankbaar en ga douchen. De schurftshampoo moet immers toch worden aangebracht op een schone, vetvrije huid.

Als ik in mijn onderbroek binnen kom (want mijn rug moet ook ingesmeerd worden) hebben mijn ouders ontdekt dat blijkbaar het totale universum zich tegen me heeft gekeerd: mijn televisie doet het niet en ik heb ook geen warm water. En dan komen daar toch de waterlanders, ook al ben ik dertig. “Het is uit en ik heb schurft en beesten lopen in mij te schijten!” roep ik huilend. Mijn moeder klopt op mijn rug en begint spontaan te zingen. Iets uit het Schaep met de vijf poten. Mijn vader maakt er een klein dansje bij. Het ziet er zo raar uit dat mijn ogen van verbazing stoppen met huilen.

Als mijn moeder mijn rug insmeert, haal ik het Psychologie magazine dat ik van de dokter heb gestolen uit mijn tas. Ik herlees het artikel. Misschien kan ik niet goed hechten of misschien waren wij gewoon niet voor elkaar bestemd. Misschien wilde ik het te graag, misschien ging het te snel, misschien was ik bang, misschien voelde ik niet genoeg. Mijn hoofd tolt. Ik weet het niet. Het enige dat ik wel weet, is dat ik voor nu de goede beslissing heb genomen. Er is rust in mijn hoofd.

Mijn ouders gaan weg als de boiler is bij gevuld en ik analoog televisie kan kijken. Ik zwaai ze na alsof ze me voor het eerst achterlaten op de kleuterschool. Dan was ik mijn dekbedovertrek, alle kussenhoezen en handdoeken op zestig graden. Als ik weer ga zitten, kijk ik naar buiten, over de bomen heen. Daar ben je weer Achtentwintiger. Weer alleen. Ik zucht. Het geeft niet. Het komt weer goed. Je kunt het alleen. Alles komt altijd weer goed. Dan gaat mijn telefoon. Een bericht van mijn zus. “Ik kom je morgen ophalen schurftlijer. Je gaat in quarantaine op zolder, maar we gaan wel voor je zorgen.” Fijn. Nog even niet alleen.

PS. Benieuwd hoe dit afloopt? Heb ik echt schurft en belangrijker; hoe kom ik van hen en hun poep en eieren af? Volgende week lees je deel 2.

PPS. Sorry voor deze meest vieze cliffhanger aller tijden.

Kruimels in bed – Gastblog

Halve glazen is deze week gastschrijver voor Achtentwintiger. Ken je haar blog nog niet? Check de site dan snel, want op Halve glazen lees je hilarische stukken van deze 30 jarige psycholoog en schrijfster, over de hel die nagels lakken is, hoge latten, onmindfull leven, ins- and outs van kaasschaven en nog veel meer. Voor Achtentwintiger schreef ze een neurotisch, typisch Halve glazen verhaal. Over het hebben van een relatie. Want dat is niet per se heel fantastisch hoor. Echt niet.

Kruimels in bed

Sinds anderhalf jaar ben ik, zoals de mensen dan zeggen, onder de pannen. Ik warm mijn ijskoude voeten op aan een manspersoon, kan ongestelde onredelijkheid op iemand botvieren en lig lepelend in bed in plaats van diagonaal in m’n eentje. De hoofdtoon is roze.

Er was een tijd dat een laptop, chocola en stapels tijdschriften me gezelschap hielden in de slaapkamer in plaats van een goed stel XY chromosomen. Ik werd geplaagd door doemscenario’s waarin ik zag dat vrienden en familie elk jaar overlegden over ‘wie aan de beurt was’ de vrijgezel met kerst uit te nodigen. Ik moest mijn voeten de rest van mijn leven warmen aan een kat in plaats van een kacheltje met borsthaar. Om de angst te verbloemen dat ik eeuwig vrijgezel zou blijven oefende ik vol overgave op het ‘happy single’ toneelstuk, en na een mislukte date zond ik de hele avond rooksignalen met Lucky Strikes om de leuke mannen te laten weten dat ik weer beschikbaar was.

Angst zorgt voor een kokervisie, zo blijkt maar weer, want een belangrijk voordeel heb ik al die tijd over het hoofd gezien. Wat gebeurt er namelijk als je niet meer alleen bent? Juist, je bent niet meer alleen. Er is nu dus een extra paar ogen en oren dat vastlegt wat jij doet en je eigen gekheid valt in sommige gevallen dan moeilijk meer te ontkennen. Enkele voorbeelden:

Graag eet ik, sinds jaar en dag, cracottes. Van die luchtige alles-blijft-tussen-je-tanden-plakken crackers. Want ze kosten geen reet en er zitten drie calorieën in dus je hoeft geen maat te houden. Die eet ik dan met smeerkaas sambal. Dat is smeerkaas met stukjes rood erin die sambal moeten voorstellen. Ik begin met drie, en dan smeer ik er nog drie en dat herhaalt zich een aantal keer. Met zes stuks kun je immers net een holle kies vullen. Je kunt ze eten aan de tafel of op de bank, maar ik eet ze graag in bed. Terwijl ik de cracottes aan het bingen ben, binge ik ook een favoriete serie, eet ik nog een tony’s chocolonely en maak wat vlekken hier en daar. Ik kan me nog goed het afgrijzen op het gezicht van de wederhelft herinneren toen ik mijn laptop + series, een zak chips, een pak crackers en kuipje smeerkaas meetoog naar zijn slaapkamer. Want dan kwamen er kruimels in bed en ‘we hadden toch net geluncht?’
Ja hallo, beroof me niet van mijn ineffectieve coping wil je?

Ik moet van mezelf de hele dag miljard dingen doen. Pietje appen, truusje bellen, mientje mailen, de beste therapie van de wereld geven aan veel mensen op één dag, de lekkerste maaltijd koken, me aan voornemens houden (geen cracottes meer eten, geld sparen, hardlopen, geen impulsaankopen doen) en als ik dan aaallllees heb gedaan chill ik even op de bank, tot de boyfriend thuis komt. Laten we zeggen, dat is een kwartier. Maar hij ziet mij dus slapend als hij weg gaat en hangend als ik thuis kom. Sinds ik een relatie heb moet ik dus noodgedwongen een klus veinzen vlak voor hij binnen komt, want anders is mijn klaagzang over de drukte niet meer geloofwaardig.

Ik begroot mijn uitgaven doorgaans iets te optimistisch en vergeet elke maand om rekening te houden met de factor ‘impulsiviteit’. Zodra t-shirts, sneakers, en ideeën opkomen als poep, hang ik al in de onlinecatalogi te speuren naar die specifieke puma’s of een ticket naar Kenia. Het komt regelmatig voor dat ik naar de stad ga voor tandpasta, ondertussen een kledingwinkel passeer en me prompt bedenk, omdat ik een meisje in een leuk outfitje zie, dat precies zó’n rok nog mist in de kledingkast. En dan kom ik thuis met tandpasta, een andere rok en 24 shirts. Eerst had ik vooral te dealen met mijn eigen cognitieve dissonantie, en psychologische term voor ‘goedpraterij’, in de poging mijn eigen schuldgevoel te temmen. Nu moet ik slinkse listen uithalen om te voorkomen dat hij ontdekt dat ik iets nieuws heb, want anders rijmt het niet met het begin van de week; toen stortte ik namelijk nog m’n armoedzaaierige hart klagend bij hem uit omdat “ik nooit uitkom met mijn geld”. Tegelijkertijd moet hij natuurlijk wel altijd zien dat ik iets nieuws heb, maar dat is zijn probleem.

Zelf begrijp ik mijn eigen hersenspinsels volkomen. Al is het maar dat ik begrijp dat ik veel gedachten heb en subgedachten en subsubgedachten en daar weer metagedachten over. Zo kan het voorkomen dat ik zo blij als een kind ben omdat de zon schijnt, maar bij de ontdekking van een minispatader stampvoetend als een baby voor de spiegel sta. Een specifieke ‘hm’ van mijn baas doet mij doemscenario’s bedenken tot ik een ons weeg en aan het eind van de dag ben ik aan het anticiperen op mijn ontslag. Een ‘hoi’ van de boyfriend op een gewone hoi-manier terwijl ik graag een ‘hoi liefde van mijn leven’ wil horen verandert me in een kattekop. Zelf ben ik er volkomen aan gewend maar nu ik in zo’n bui vaak in de vragende, verwarde of verbaasde ogen van de boyfriend kijk realiseer ik me dat andere mensen me wellicht rijp achten voor het gesticht. Wat weer reden is om 18 cracottes te eten.

Vrijgezello’s, ook al vraagt die tante de hele tijd of je dit jaar wél iemand meeneemt met kerst, zitten er volgens jan en alleman meervissenindezee en komtjouwtijdnogwel, hou nog even vol. Dans er liever nog op los in je onderbroek op de spicegirls, bestel een gezinszak patat zonder gezin en mét 2 dikke vette snacks, huil als een kind bij een nieuwe rimpel, rook je te pletter en doe honderd impulsaankopen. Voor je het weet moet je normaal doen.

Rouwfasebehang

Rouwfasebehang

Je kent het vast wel. Dat moment dat een man en een vrouw met verfrollers in hun hand een muur staan te witten. Ze praten terwijl ze hun ogen op de muur gericht hebben. Er wordt gegiecheld. Per ongeluk komt er wat verf op haar lange haren terecht. Ze lacht en piekt een spatje verf naar de man. Hij grijnst en met zijn vinger witte vinger zet hij een streep op haar neus. Er ontstaat een romantisch verfgevecht dat eindigt met kleren die uitgaan en blote lijven onder de witte vegen. Ja, dat ken je vast wel.

Nou ik niet. Ik sta in mijn nieuwe huis een muur te witten en spat mijzelf lekker onder. Ik vergeet de latjes af te plakken zodat ik die weer moet schuren straks. Ik heb per ongeluk over het stopcontact heen geverfd. En ik heb mijn dure gympen aan. En dan. Wanneer ik de eerste laag erop heb zitten en van een afstandje kijk, denk ik. O. Mijn. God. Je kunt helemaal niet over behang heen verven.

Uit nijd prop ik een suikerwafel in mijn mond. Een manmens zou toch verdomd handig zijn nu. Niet alleen voor amoureuze verfmomenten. Nee, een manmens zou mij hebben verteld dat ik niet over dit behang heen kan verven. En hij zou antwoord hebben op allerlei vragen die tijdens het klussen in mij op komen. Hoe komt het dat ik geen heet water heb? Hoe zorg ik ervoor dat ik licht heb? Hoe doe ik een nieuw velletje papier om mijn schuurmachine? Wat is een kruiskopschroevendraaier?

Een dag later werden mijn spullen verhuisd. Een lichte depressie had zich ondertussen van mij meester gemaakt (ik at een half pak suikerwafels leeg), want dit mooie huis in Rotterdam (jawel!) had vier kamers. Die allemaal nog behangen waren met bloementjesbehang en onder de bloemen kwamen vogels en daaronder wit behang en daaronder lichtbruin behang. Hoe zou ik dit hele huis kunnen opknappen? Mijn vrienden en familie – voornamelijk bestaand uit vrouwmensen – probeerden mij te helpen. Zoals ze mij met veel dingen willen helpen. De vrouwmensen weten waarom ik geen verkering heb, ze weten hoe mijn meubels moeten komen te staan, wat voor raamdecoratie ik moet kiezen en ook wat ik moet doen met al die muren die niet verfbaar zijn.

De beste oplossing zou zijn: platen er tegenaan en dan stucen. Maar daar heb ik het geld niet voor. Dus, na lang beraad, veel koffie, veel aaien over mijn bol en ‘och och och wat haal je je toch op je hals’ (en nog meer suikerwafels, het pak is nu op), werd rouwfasebehang geopperd. Al het behang eraf en rouwfasebehang er tegenaan. En dat dan weer verven. Misschien kwam het doordat ik echt in een rouwfase zat en het heel normaal voelde dat daar behang bij hoorde, dat ik dacht dat je het zo zou schrijven. Maar toen Google vroeg of ik ‘Rauhfaser behang’ bedoelde, las dat logischer.

Nu kan ik je vertellen, Rauhfaser behang is de hel. Heb ik me laten vertellen, want ik kan natuurlijk niet behangen. Mijn schoonzus is bijna een hele dag met de keuken bezig geweest en ik heb haar minimaal twaalf keer tegen zichzelf horen zeggen “Ik kan behangen.” Ik geloof haar echt. Terwijl zij verder ging met het behang, dacht ik: ik kan twee dingen doen. Ik kan of echt in een rouwfase terecht komen of ik kan een soort vrouwelijke equivalent worden van Thomas van Eigen Huis en Tuin (da’s immers ook een Rotterdammer). Ik heb dus lopen kiezen voor het laatste.

Het was geen lastige keuze. Er viel namelijk niks te kiezen. Als je alleen leeft, sta je alleen voor klusmomenten. Al wilde ik niet klussen, ik wilde wachten op amoureuze verfmomenten. Op mannen die schroefjes uit de muur konden halen. Die muren konden schuren. Die licht brachten in de duisternis. Maar ik moest het zelf doen en dan houd ik ook niet van zeiken. Al youtubend heb ik mezelf door mijn huis geklust. Met een kruiskopschroevendraaier heb ik inmiddels alle latjes die de vorige bewoner tegen de grond had geschroefd, eruit gehaald. Met een geleende schuurmachine heb ik muren glad gemaakt (nadat er eerst 87 lagen behang onder vandaan gestoomd waren natuurlijk) en ik heb door de draadjes van de lamp te verbinden met de draadjes die uit het plafond bungelden, zelf voor licht gezorgd.

Nu is het echt mijn huis en we zijn beiden rouwfasevrij. Het is nog niet af, maar straks is het mooi en kan ik die vier kamers helemaal vullen met mijn vrouwmensen en af en toe een manmens natuurlijk. Amoureus of vriendschappelijk. Want een aantal van mijn mannelijke vrienden zijn er natuurlijk ook bij geweest. En gelukkig vinden die niks van dat ik geen verkering heb, hebben ze geen meningen over meubels, raamdecoratie of behang. Die manmensen vullen gewoon mijn ketel zodat ik warm water heb en maken microfoonpiemels van karton (zie foto). Dat is bijna even leuk als een verfgevecht. In ieder geval grappiger.