Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Floortje

IMG_3062

Sinds kort heb ik een hond: Floortje. Floortje is eigenlijk de hond van mijn moeder, maar die kan niet meer voor haar zorgen. Floortje is eigenlijk ook geen hond, ze is meer een soort grote, harige rat die is opgevoed als een mensje.

Floortje mocht bij mijn moeder op bed slapen. ’s Ochtends at ze – net als mijn moeder – pap. Floortje hield niet van wandelen of buiten poepen. Floortje vond slagroomsoesjes heel erg lekker en Floortje luisterde niet als ze daar geen zin in had. Als ik op bezoek kwam, ging ze naast mijn moeder zitten en keek me aan. Bizar lang. Zonder te knipperen. Ik vond Floortje eigenlijk niet zo leuk.

Toch hoorde ze ineens bij mij (en ook een beetje bij de taalnazi natuurlijk). Vanaf het moment dat we haar aan een roze riempje meenamen en de taalnazi een half uur na thuiskomst haar eerst drol opruimde, hoorde ze bij ons. Het is nogal een verantwoordelijkheid. Ik moet haar eten geven en uitlaten, ik moet met haar spelen en haar opvoeden, ik moet voor haar zorgen.

Het tweede weekend dat Floortje bij ons was, lieten we haar alleen om naar een eetafspraak met vrienden in Amsterdam te gaan. Floortje had die dag nog niks binnen gedaan en ik vond het zielig om haar alleen te laten. ‘Het is een hond, schatje,’ zei de taalnazi. Ik keek naar haar, zij staarde terug zoals alleen zij kan en pieste toen voor me op de grond. ‘Floortje!’ riep ik boos. Ze kwispelde. We vertrokken.

De vrienden hadden pas een kindje gekregen. Nou ‘pas’, het kon al bijna fietsen maar ik ben nu eenmaal niet zo snel met die dingen. Ik was er nu in ieder geval en had versterking meegenomen. Ik keek naar het meisje dat in zo’n ding lag dat je met je voet kon wiegen en ik lachte ernaar. Het lachte terug en ik vond het wel aardig, maar ik werd er niet wild van. Ik vond het niet aandoenlijk. Sommige vrouwen veren op bij elk babyscheetje dat eruit komt, maar ik heb dat niet zo. De vrienden waren altijd net als ik geweest: zij waren ook mensen die niet perse kinderen wilden. Het meisje was een ongelukje. En nu waren ze dolblij met haar. Het meisje lachte en gromde, kotste en boerde en de vrienden lachten alleen. Verlekkerd. Ik zag het nu goed: mijn vrienden waren geen mensen meer, maar ouders. Ook nadat het meisje naar bed was, bleef ze eigenlijk in haar wiegding aanwezig. Kleine gesprekken over het meisje sijpelden langs de tafelpoot omhoog de grote mensen gesprekken in. Een moment viel het stil en de mama verontschuldigde zich. ‘We praten alleen maar over de baby, sorry. We hebben het er steeds over. We zijn echt geobsedeerd, ik geef het gewoon toe. Volledig geobsedeerd. Zou het ooit over gaan?’ Dat vond ik het meest aandoenlijke van de avond.

Toen we thuis kwamen, was Floortje intens gelukkig. Ze stond bij de deur te wachten en toen we binnen kwamen, draaide ze rondjes om zichzelf, zo blij was ze dat we er weer waren. Ik liep door naar de woonkamer, keek goed rond en aaide haar toen. Ze had niet binnen gepoept en dat vond ik eigenlijk heel erg knap van haar.

De weken gingen voorbij. Floortje luisterde beter. Floortje ging in haar mand liggen als dat van mij moest tijdens het eten. Floortje rende, Floortje vond wandelen leuk. Floortje poepte niet meer in de woonkamer. Floortje plaste nog alleen maar uit protest binnen als ze op bed wilde en dat niet mocht van de taalnazi. Floortje wilde me altijd zoenen in de ochtend. Floortje ging bij mij liggen op de bank, als ik alleen televisie keek. Floortje wachtte me altijd op bij de deur als ik thuis kwam.

Dit weekend was Floortje bij mijn schoonouders omdat ik weg was met vriendinnen.
Ik bel de taalnazi.
‘Hoi, ben je bij je ouders?’ vraag ik.
‘Ja.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Wat?’ Hij doet net of hij me niet goed verstaat.
‘Zeg nou gewoon.’
‘Het is je hondje.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Goed hoor,’ zegt hij dan, ‘het is goed met je hondje, schat.’
‘Mag ik d’r even?’ vraag ik.
‘Mag ik d’r even?!’ herhaalt hij.
‘Kun je me even op luidspreker zetten?’
‘Ja, hoor.’ Een zucht. ‘Je staat op luidspreker.’
‘Floooooooortje,’ roep ik op hoge toon. Even is het stil. ‘Wat doet ze?’ vraag ik. ‘Wat doet ze?’
‘Ze doet niks,’ zegt de taalnazi. ‘Ze is een hondje.’
‘Floooooooortje!’ doe ik weer. ‘Wat doet ze nu?’
‘Kijk nou,’ zegt de taalnazi. ‘Ze hoort je, ze kwispelt. Doe nog eens.’
‘Floooooooortje!’
Nu lacht hij. ‘Ja, haar oortjes gaan omhoog. Aaaah.’

En daar was het. Ik besefte het meteen. Een oergevoel waar ik me voor geneer omdat ik het over een hond heb, maar who cares, ik zeg het gewoon.
Floortje is mijn kindje. Ons ongelukje en we houden van haar.

Overspannen zijn is net als zwanger zijn

IMG_0303

Ze zijn overal. Ik zit met een kop thee op de bank en ze hebben me omsingeld. Op whatsapp krijg ik foto’s binnen van pasgeboren baby’s, op Facebook zie ik collega’s met bolle buiken geposeerd tegen bomen staan en de enige vriendin die niet zwanger is of bezwangerd wil worden belt op om te vertellen wie er nog meer bijna moeder is. Er is geen ontsnappen meer aan. Ze zijn overal. De zwangere vriendinnen.

Zelf ben ik niet zwanger (op de foto heb ik gewoon serieus teveel gegeten). Maar ik ben wel overspannen. En als ik zo naar mijn vriendinnen luister, is overspannen zijn bijna hetzelfde als zwanger zijn. Als je zwanger bent, schijn je een emotioneel monster te worden (de vriendinnen geven het zelf toe). Dat ben ik op dit moment ook, ik kan al huilen als het verkeerslicht op groen gaat (en dat doe ik ook: o, lief verkeerslicht) en ben woedend als mijn merk kwark in de supermarkt op is (als wraak besluit ik nooit meer kwark te eten). Ochtendmisselijkheid, daar heb ik ook last van, alleen de hele dag door. Als ik gestressed ben, is mijn eerste symptoom duizeligheid. Maar nu ik overspannen ben, moet ik er ook bij kotsen. Of liever gezegd: bijna kotsen. Ik ben steeds aan het kokhalzen, zomaar. En daar word ik dan weer misselijk van. Maar dat ben ik dan zo weer vergeten, want ik heb ook last van zwangerschapsdementie. Zo stond ik gisteren de droge was af te halen en ik leek dat tijdens de handeling zelf al vergeten te zijn. De wc moest plotseling schoon. Een minuut later zat ik op mijn knieën op de vloer van het toilet, omringd door schone onderbroeken. Er lag trouwens ook een ananas naast de wc borstel. Waar die vandaan kwam, weet ik eigenlijk nog steeds niet.

De hel die zwanger zijn heet, levert de vriendinnen ‘iets moois’ op. Althans, dat vinden zij. Als ik een baby uit mijn vagina moest duwen en daar 18 jaar aan vast zou zitten, zou ik hard huilen met veel snottebellen erbij. Mijn hel levert weinig op. Mijn lijf is gewoon boos op me. Het is boos omdat ik mezelf al die tijd voorbij ben gelopen, dat ik mijn zorgen en mijn angsten heb weggestopt, onder een laagje eten en een laagje series. Maar ik kan het mezelf niet kwalijk nemen, want wegstoppen is fijn. Het is een kunst ook, die ik goed beheers. Als je het goed doet namelijk, merk je het zelf niet eens. Je hoeft even niet te voelen, even hoef je niet aan het bakje ellende dat je verstopt, maar naarmate je het langer verstopt, groeit het en nu zit ik met een hele grote bak ellende en een ontzettend groot bewustzijn. Ik zie alles, hoor alles en voel mezelf.

Wat ik hoor en voel is niet gezellig. Waarom is dit mislukt? Waarom deed ik dat niet anders? Wat ga ik doen om alles te veranderen? Hoe ga ik zorgen dat ik debuteer? Doe ik het wel goed genoeg? Het zijn vragen die ik vroeger wel vaag herkende, waar ik af en toe mee te maken had. Maar de afgelopen weken, in het dal der dalen worden deze vragen negatief beantwoord en worden de antwoorden de waarheid. Gelukkig kan ik mezelf af en toe herpakken. Dat komt ook door de vriendinnen die zichzelf tijdens hun zwangerschap niet altijd serieus nemen. Ze hebben een ‘pregnancy brain’. Het zijn de hormonen die praten. Ik heb een ‘extremely stressed out brain’. Het zijn de hormonen van de overspannenheid die praten. En eigenlijk is dat ook zo. Ik kom er wel uit, ik ben niet dit. Het wordt weer anders. Heel af en toe voel ik het al, het zijn kleine schopjes van dat het beter gaat.

Want ook al is het donker in de krochten van het bijna kotsen, de duizeligheid en de dementie, ergens daarbinnen is er ook een plekje waar het lichter is. Het is een warm hoekje in mijn gedachten en mijn lijf; het is er niet altijd en ik kan het alleen vinden als ik goed zoek. Zoals een hond die heen en weer beweegt in zijn mandje, totdat hij precies de juiste houding heeft om te gaan slapen, beweeg ik me door de slechte momenten, totdat ik mijn plekje heb gevonden. Soms is het maar een paar minuten, soms is het iets langer. Ik laaf me aan het alleen zijn, aan de gedachte dat ik niks hoef te doen, geen deadline hoef te halen, niemand hoef te doen lachen of ervoor te zorgen dat iets goed komt. Ik hoef dan niet eens te zorgen dat het met mij goed komt. In die paar minuutjes lig ik in mijn eigen mandje en wéét ik dat het goed komt. Dan besef ik dat ik er ook ‘iets moois’ voor terug krijg. Ik voel dat ik groei, dat ik door het overspannen zijn mezelf weer net een beetje beter ken en dan wordt het warm en licht en ben ik blij met wie ik aan het worden ben.

Kerstwens

Kerstwens

In een groot huis ergens in Nederland, woont een meisje van elf zonder haar ouders. Ze zit op de gang en heeft net met een ongelooflijk harde trap het glas uit een deur geschopt. Negen andere kinderen zonder ouders zijn in de woonkamer kerststukjes aan het maken als ik binnen kom. Ik geef schrijfles op residentiële opvangcentra door het hele land. Het is een mooie term voor een kindertehuis.

“Hallo knapperds,” roep ik en ik knik naar de begeleider die ook aan tafel zit.
“Hoi juf,” zegt een van de jongetjes die fantastische verhalen kan schrijven. “Kijk eens naar mijn kerststukje!”
“Snotverdikkeme nog aan toe,” zeg ik. “Wat mooi.” De kinderen grinniken altijd om snotverdikkeme.

In de tuin horen we geschreeuw. Het meisje dat op de gang zat, rent naar buiten. Een begeleidster rent erachteraan. We kijken naar het tafereel. “Ga eens verder met de stukjes,” zegt de begeleider. Braaf gebeurt het. Ook ik pak maar een stukje oase en prik er mos in. Dan een takje hulst. Wat slingers. Er zijn ook zijn kleine kerstballen, takjes met besjes, paddenstoeltjes en glitters. Maar geen kaarsen, ze mogen geen kaarsen in hun stukjes.

Tien kinderen wonen er hier. Maar in Nederland wonen duizenden kinderen meer in residentiële opvang omdat ze thuis worden mishandeld, omdat hun ouders in een afkickcentrum zitten, psychisch niet in orde zijn of om… bedenk het maar. Ik heb de vreemdste dingen gehoord. Het is verdrietig. Elke keer als ik lesgeef, bedenk ik hoe zwaar het is om jong te zijn zonder ouders. En dan is het nu godverdomme ook nog eens kerstmis.

Ik weet niet of het aan kerst ligt, maar iedereen om me heen heeft zwangerschapsambities. Sommigen zijn al zwanger, sommigen doen hard hun best. Sommigen hebben er net al één uit geworpen. Normaal maak ik ongepaste grappen tegen baby’s die nog in buiken zitten. Eet ik hele borden beschuit met muisjes leeg. Maar nu stoort het me.

Het meisje is weer rustig geworden, de begeleider zegt dat ik even met haar mag praten, kijken of ze nog met de les mee wilt doen. En anders moet ik gewoon zonder haar beginnen. Het meisje, dat slim is en mooi en schrijft alsof ze met een pen in haar hand is geboren, zit onder de trap op een grote zitzak. Het is het ‘rustig worden plekje’ van de opvang. Ik ga bij haar zitten en leg mijn hand op die van haar. Niks weet ik te zeggen.
“Hoe is het nou?” vraag ik uiteindelijk.
“Ik ben zo verdrietig,” zegt ze.
Mijn hand aait die van haar.
“Ik had zulke slechte cijfers gehaald op school en hier is het gewoon stom, ik wil hier niet wonen en ik mis mama maar ik weet dat het niet goed voor me is om bij mama te wonen. Maar ik ben zo alleen.”

Ik knik en ik weet niet of het mag als juf, maar ik ga staan en open mijn armen. Zonder iets te zeggen, legt ze haar hoofd op mijn borst en haar armen om mijn rug. Ze ademt uit en laaft zich aan me. Ik streel haar haren en moet mezelf ervan weerhouden om een kus op haar hoofd te geven. Ze houdt me stevig vast. Lang. Ik heb nog nooit iemand zo lang vast gehad. Niet mijn moeder, noch mijn vriendjes.

Als ze me loslaat, zijn de kerststukjes af en kunnen we aan de schrijfles beginnen. Het meisje is weer vrolijk, net als de rest van de kinderen.

Ik denk aan de babyshower die er volgende maand op het programma staat. Babynamen raden. Roze spekjes eten. Ik kijk naar de kerststukjes die af zijn. Het jongetje dat ook zo mooi kan schrijven, wil dat ik die van hem mee naar huis neem. Ik mag er wel een kaars in doen, zegt hij en daar is het stukje toch eigenlijk voor.

Normaal snap ik dat wanneer je samen bent met een partner, je een baby van elkaar wilt. Dat je dik wilt worden en dat het bijzonder is dat er een mensje uit je komt. Dat je iets van elkaar samen wenst. Maar nu is het godverdomme kerst. En dan wensen we andere dingen. Dan wensen we dat het overal sneeuwt of dat we de hele wereld te eten kunnen geven. Ik heb ook een kerstwens. Ik wens dat we stoppen met baby’s produceren en eerst de mooie exemplaren opmaken die we al hebben. Ze maken de prachtigste kerststukjes.

Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.