Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Kerstwens

Kerstwens

In een groot huis ergens in Nederland, woont een meisje van elf zonder haar ouders. Ze zit op de gang en heeft net met een ongelooflijk harde trap het glas uit een deur geschopt. Negen andere kinderen zonder ouders zijn in de woonkamer kerststukjes aan het maken als ik binnen kom. Ik geef schrijfles op residentiële opvangcentra door het hele land. Het is een mooie term voor een kindertehuis.

“Hallo knapperds,” roep ik en ik knik naar de begeleider die ook aan tafel zit.
“Hoi juf,” zegt een van de jongetjes die fantastische verhalen kan schrijven. “Kijk eens naar mijn kerststukje!”
“Snotverdikkeme nog aan toe,” zeg ik. “Wat mooi.” De kinderen grinniken altijd om snotverdikkeme.

In de tuin horen we geschreeuw. Het meisje dat op de gang zat, rent naar buiten. Een begeleidster rent erachteraan. We kijken naar het tafereel. “Ga eens verder met de stukjes,” zegt de begeleider. Braaf gebeurt het. Ook ik pak maar een stukje oase en prik er mos in. Dan een takje hulst. Wat slingers. Er zijn ook zijn kleine kerstballen, takjes met besjes, paddenstoeltjes en glitters. Maar geen kaarsen, ze mogen geen kaarsen in hun stukjes.

Tien kinderen wonen er hier. Maar in Nederland wonen duizenden kinderen meer in residentiële opvang omdat ze thuis worden mishandeld, omdat hun ouders in een afkickcentrum zitten, psychisch niet in orde zijn of om… bedenk het maar. Ik heb de vreemdste dingen gehoord. Het is verdrietig. Elke keer als ik lesgeef, bedenk ik hoe zwaar het is om jong te zijn zonder ouders. En dan is het nu godverdomme ook nog eens kerstmis.

Ik weet niet of het aan kerst ligt, maar iedereen om me heen heeft zwangerschapsambities. Sommigen zijn al zwanger, sommigen doen hard hun best. Sommigen hebben er net al één uit geworpen. Normaal maak ik ongepaste grappen tegen baby’s die nog in buiken zitten. Eet ik hele borden beschuit met muisjes leeg. Maar nu stoort het me.

Het meisje is weer rustig geworden, de begeleider zegt dat ik even met haar mag praten, kijken of ze nog met de les mee wilt doen. En anders moet ik gewoon zonder haar beginnen. Het meisje, dat slim is en mooi en schrijft alsof ze met een pen in haar hand is geboren, zit onder de trap op een grote zitzak. Het is het ‘rustig worden plekje’ van de opvang. Ik ga bij haar zitten en leg mijn hand op die van haar. Niks weet ik te zeggen.
“Hoe is het nou?” vraag ik uiteindelijk.
“Ik ben zo verdrietig,” zegt ze.
Mijn hand aait die van haar.
“Ik had zulke slechte cijfers gehaald op school en hier is het gewoon stom, ik wil hier niet wonen en ik mis mama maar ik weet dat het niet goed voor me is om bij mama te wonen. Maar ik ben zo alleen.”

Ik knik en ik weet niet of het mag als juf, maar ik ga staan en open mijn armen. Zonder iets te zeggen, legt ze haar hoofd op mijn borst en haar armen om mijn rug. Ze ademt uit en laaft zich aan me. Ik streel haar haren en moet mezelf ervan weerhouden om een kus op haar hoofd te geven. Ze houdt me stevig vast. Lang. Ik heb nog nooit iemand zo lang vast gehad. Niet mijn moeder, noch mijn vriendjes.

Als ze me loslaat, zijn de kerststukjes af en kunnen we aan de schrijfles beginnen. Het meisje is weer vrolijk, net als de rest van de kinderen.

Ik denk aan de babyshower die er volgende maand op het programma staat. Babynamen raden. Roze spekjes eten. Ik kijk naar de kerststukjes die af zijn. Het jongetje dat ook zo mooi kan schrijven, wil dat ik die van hem mee naar huis neem. Ik mag er wel een kaars in doen, zegt hij en daar is het stukje toch eigenlijk voor.

Normaal snap ik dat wanneer je samen bent met een partner, je een baby van elkaar wilt. Dat je dik wilt worden en dat het bijzonder is dat er een mensje uit je komt. Dat je iets van elkaar samen wenst. Maar nu is het godverdomme kerst. En dan wensen we andere dingen. Dan wensen we dat het overal sneeuwt of dat we de hele wereld te eten kunnen geven. Ik heb ook een kerstwens. Ik wens dat we stoppen met baby’s produceren en eerst de mooie exemplaren opmaken die we al hebben. Ze maken de prachtigste kerststukjes.

Huisje, Boompje, Douchegordijn – Gastblog

Merel Lamboo (achtentwintig min twee) is overdag schoenenverkoper, maar ’s avonds kruipt ze in haar pen. Op haar eigen website schrijft ze over wat ze haar dagelijks leven, met een positieve insteek. Merel gelooft dat geluk een keuze is en dat levert bemoedigende stukjes op. Voor Achtentwintiger schreef ze Huisje, Boompje, Douchegordijn: een steunbetuiging aan alle achtentwintigers die net als Merel nog helemaal niet klaar zijn voor koophuizen, baby’s en alle andere ongein die de maatschappij je lijkt op te leggen. Een hart onder de riem dat ik kan waarderen. We zijn leuk en fantastisch, ook single, in een huurhuis en babyloos. Hoezee!

Huisje boompje douchegordijn

Ineens zijn ze overal. Poepluiers, trouwdagbudgetten, doorzonwoningen en oefenbaby’s (lees: alles met een vacht). Hoort bij de leeftijd, zeggen ze.

En ik? Ik hang nog net de vlag niet uit als ik weer ongesteld geworden ben. Ik ren het liefst zo hard mogelijk de andere kant op als ik een rammelende eierstok hoor en mijn zenuwen slaan op hol bij het idee van hoeveel geld je uit zou moeten geven voor je bruiloft. Als dit is wat “volwassen worden” is wil ik het nog niet. Dan vind ik volwassen worden heel stom.

Ik betaal dan wel belasting en de huur van een grote-mensen-appartement, maar ik word veel blijer van krokodillenonesies (die zijn er in mijn maat ja), de kieteldood en de kroeg (niet perse in combinatie). Ik doe niet aan plannen, hou het liefst met zo min mogelijk mensen rekening en wil graag de wereld zien – en ja, ik ben er zo één die gelooft dat dat allemaal een stuk lastiger wordt wanneer je vastzit aan een huisje, een boompje of een beestje. Ik vind namelijk dat je, wanneer je aan kinderen begint, je geluk als het ware doorschuift naar dat van hun. Nee, zover ben ik nog niet. Ik heb net pas ontdekt waar ik zelf gelukkig van word, laat me hier alsjeblieft nog even van genieten.

Maar het hoort dus bij de leeftijd. Volgende maand word ik 27. Vroeger, toen ik nog jong en naïef was, riep ik altijd dat ik op mijn 27e mijn eerste baby wilde krijgen. Nu, een maand van 27 en gevoelsmatig lichtjaren van een baby verwijderd, piep ik wel anders. Ik moet er niet aan denken. Voorlopig niet, maar misschien wel nooit niet. Ook niet (en misschien wel juist niet) omdat het bij de leeftijd hoort.
En toch kan ik er niet omheen. Ineens zijn ze overal. Ineens krijg je met kerst de vraag “wanneer jij aan de beurt bent”. Ineens moeten je vriendinnen eerder naar huis omdat de hond moet plassen. Ineens zit je in je eentje een hele fles wijn leeg te drinken omdat zij in de vruchtbare dagen zitten. Ineens staan er op je Facebook-tijdlijn alleen nog maar foto’s van de trouwjurk, de hond en de eerste lachjes, tandjes en stapjes.

Begrijp me niet verkeerd hoor: ieder zijn ding. Mijn missie is om iedereen bewust te maken van het feit dat geluk een keuze is, dus als jij blij wordt van een huisje, een boompje of een beestje dan moet je daar lekker voor kiezen. Ik zal ook echt wel smelten op het moment dat ik je baby voor het eerst in mijn armen houd en ik wil ook echt wel komen verven in je nieuwe koophuis of dansen op je bruiloft. Nogmaals, als jij daar blij van wordt hoop ik dat je er voor gaat en ben ik er om je geluk met je mee te vieren.
Er is alleen één klein probleem.

Het probleem zit ‘m in de blikken die je krijgt als je zegt dat je (nog) geen kinderen wilt. Het probleem zit ‘m in de mensen die naar je kijken alsof je het leven niet begrepen hebt als je zegt dat het vinden van een man/vrouw niet het allerbelangrijkste is. Het probleem zit hem in diegene die ooit bedacht heeft dat huren zonde van je geld is, dat een bruiloft van begin tot eind gechoreografeerd moet worden, dat je single (zeker als vrouw) per definitie zielig en alleen bent. Het probleem zit hem in het feit dat mensen nog steeds denken dat dit de geheime sleutels zijn naar geluk: een huisje, een boompje en een beestje. En het probleem zit hem vooral in de mensen die tegen je zeggen “dat het bij de leeftijd hoort.”

Daar wil ik vanaf. Ik wil geen dingen wel of niet doen “omdat het bij de leeftijd hoort.” Ik wil me niet schamen voor het feit dat ik mijn zaterdagavonden liever onder de bar doorbreng dan gekluisterd aan de babyfoon. Ik wil me niet hoeven verantwoorden voor het feit dat ik zenuwachtig word van de Prénatal en de H&M Mama. Ik wil niet hoeven uitleggen dat reizen, nieuwe mensen ontmoeten en urenlang met je tenen in het zand naar de sterren kijken hoger op mijn lijstje staan dan een koophuis of een hond. En ik wil af van het gevoel dat ik moet vechten voor mijn recht om “anders” te zijn. Ik wil af van die blikken, van die meningen en van die mensen die maar blijven zeggen “dat het vanzelf wel komt.”

Want wat als het nooit komt? Wat als er, met mij, een heleboel (bijna-) achtentwintigers zijn die net pas ontdekken waar ze gelukkig van worden en er niet aan toe zijn om dat op te geven voor wat de samenleving bij de leeftijd vindt horen? Zullen wij dan ons dan altijd moeten blijven verantwoorden, blijven uitleggen waarom je bepaalde keuzes wel of niet maakt, ons schuldig voelen omdat we de naam niet doorgeven? Ik weet zeker dat ze er zijn, namelijk. Ik weet zeker dat er een hele groep (bijna-)achtentwintigers is die niet zo’n haast heeft met het vinden van een partner, die lekker in z’n huurhuis wil blijven wonen omdat ‘ie daar ook zo weer weg kan en die niet zit te wachten op poepluiers.

Misschien moeten we “wat bij de leeftijd hoort” gewoon een beetje moderniseren. Een beetje relaxter worden in wat we allemaal maar verwachten van elkaar. Lekker iedereen z’n ding laten doen en hopen dat ‘ie daar gelukkig van wordt. Huisje, boompje, beestje of niet.

Ps. Voor al die mensen die zich afvragen waar ik mijn sporadische moedergevoelens op botvier: dit is mijn flamingo. Sinds een kleine twee jaar woon ik samen en ja, als het dan toch ooit gaat gebeuren, dan met deze graag. Dat samenwonen is best leuk, hoewel ik 3 jaar geleden van het idee alleen al misselijk werd. Dat ik het toch zo leuk vind komt voornamelijk doordat hij de leukste man is die ik ken – mensen die zeggen dat verliefdheid na een tijdje “over gaat”
kletsen uit hun nek! – en door onze flamingo. Onze douchegordijn-flamingo, welteverstaan.

Mijn lief is namelijk een enthousiaste hobbykok en heeft me er al meerdere keren voor gewaarschuwd dat alle puppies, kittens en minivarkens die ik in huis wil halen (omdat ik ze leuk vind, niet om te oefenen!) nu eenmaal het risico lopen geflambeerd en geserveerd te worden. Dus hebben we een douchegordijn-flamingo en ik vind hem fantastisch. Die kan ik tenminste een keer te heet wassen, of gewoon weggooien als ik ‘m niet meer leuk vind.

Huisje, boompje, douchegordijn.

Ik ben gelukkig.

O ja! Je kunt Merel natuurlijk volgen. Op Facebook en op Twitter.

Mijn stad

Mijn stad

19 jaar was ik toen ik Rotterdam verliet. De stad waar mensen hun mouwen opstropen, waar je zegt wat je denkt. De stad waar mijn eerste vriendschappen geboren zijn, waar ik voor het eerst verliefd werd, waar ik mijn diploma haalde en waar ik na het uitgaan bij Jaffa kapsalon ging eten.

Rotterdam was mijn stad, maar toch wilde ik een nieuw avontuur. Ik ging naar Utrecht en op kamers. Utrecht, waar ik mijn eerste vriendje kreeg en mijn eerste baan. Waar mijn hart talloze keren werd gebroken en bier het heelde. Waar ik vrienden ontmoette op een steiger of stoep en waar ik zoveel meer mee deelde. Utrecht was van mij en werd ook mijn stad. Ik was er begonnen zonder hulp van anderen en was er groot geworden. Nu is het bijna tien jaar later en ben ik echt een van de grote mensen, zoals je vroeger altijd had willen zijn.

Het gekke van nu is dat velen die ik hier ontmoette, de stad ook weer verlaten. Het is tijd, zeggen ze dan. Vaak gaan ze naar Amsterdam. Ik niet. Ik ben loyaal, dat is misschien het Rotterdamse in mij. Of misschien kan ik gewoon niet naar Amsterdam. Dat klinkt ook logisch. Maar hoe dan ook, ook in mij kriebelt het om iets te veranderen.

Toen ik op mijn 19e naar Utrecht verhuisde, verliet ik niet alleen de stad, ik verliet ook mijn vriendinnen. Het waren er drie. Drie meiden die ik op mijn veertiende ontmoette op de plaatselijke handbalvereniging en vanaf toen was het goed. We gingen op vakantie, maakten ruzie, kotsten onze longen leeg na het drinken van Blue Curaçao en maakten het weer goed. Het was goed. Toen ik vertrok, was het ’t moeilijkste om hen te verlaten. Want niet elke vriendschap is eeuwig en het is een risico om weg te gaan bij wat je kent. Maar ik hoopte dat ze zouden blijven.

En… ze zijn er nog. Ze zijn vrouwen geworden met een baan, een partner, een kind en ik ben geworden wie ik ben. In die tien jaar zagen ze mij worstelen met mezelf of mijn schrijven, ik zag hen worstelen met gebroken nachten en verkeerde hechtingen. Ze zijn vrouwen geworden die ik soms ook wil zijn en af en toe zien ze iets in mij dat zij ambiëren. Dat Rotterdam nog steeds mijn stad is, dat is zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat weet ik niet. Dat mijn vriendinnen er nog steeds zijn, dat is ook zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat wist ik ook niet toen we afgelopen vrijdag voor het eerst in tien jaar een weekend weggingen. Houden we het wel uit, een heel weekend bij elkaar, tien jaar, drie baby’s en vier ontwikkelde karakters verder? Is er nog genoeg basis om 48 uur bij elkaar te zijn?

In de auto kwamen herinneringen boven. En het eerste gelach. Over de gans die ons huisje binnen liep toen we het eerste weekend weggingen in de pubertijd. Over jongens die werden gezoend zonder dat we hun naam wisten een vakantie later. Over het bezoek van mijn vriendinnen met de grootste teddybeer die er bestaat toen ik in het ziekenhuis had gelegen. Later, met een paar shotjes Blue Curaçao spraken we over baby’s – gelukkig niet het hele weekend – maar ook over relatieperikelen, over therapie, over seks, over mijn boek en over onze toekomst.

Toen kwam er het moment dat de hoedanigheid zich onthulde. De foto die ik een half jaar geleden had doorgestuurd kwam ter sprake. Mijn vriendje had het uitgemaakt, ik had de dikste ogen ooit en stuurde een foto van mezelf over de groepsapp. Ik kreeg geen ‘o wat ben je zielig’. Ik kreeg een ook een foto. Een van de vriendinnen maakte een kiek van haar hoofd en zette die op de app. Ze had net zulke rode, opgezwollen ogen als ik, alleen had niemand het met haar uitgemaakt. Een chronisch gebrek aan nachtrust te danken aan haar nieuwbaken baby was de oorzaak. En toen wist ik het. We kunnen nog zoveel verschillen, maar we hebben dezelfde humor, dezelfde basis. Dat is het Rotterdamse. We zijn anders, maar hebben nog steeds dezelfde ogen.

Dit weekend maakte de beslissing makkelijker. Er moest iets veranderen en nu weet ik wat. Ik hou van Utrecht om zoveel redenen, maar ik moet terug naar Rotterdam om één reden: het is thuis. De vriendschappen in Rotterdam heb ik kunnen behouden, zo bleek dit weekend. Ik hoop dat ik over tien jaar met de Utrechtse vrienden, die ik op een stoep of steiger heb ontmoet, ook zo kan zitten in een bungalow. Want ook deze vrienden zijn anders, maar ook wij hebben een basis. Een ding moet ik ze nog wel leren voordat ik terug ga, al wat ik niet precies wanneer dat is. Blue Curacao drinken.

Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.

Imponerende weetjes

Haar

Eén van de leuke dingen van ouder worden, is dat je dingen leert. Gewoon, weetjes, waar je op verjaardagen anderen mee kan imponeren. Zo kwam ik er onlangs achter dat de nek van een pas geboren baby het niet doet. Wist ik niet. Een baby fungeert de eerste paar weken van haar leven als zo’n Chinees hondenbeeldje waarvan het hoofd op en neer gaat als je er met je vinger op tikt. Ik leerde ook dat frikandel tot 2005 gespeld diende te worden als frikadel. Nooit geweten. En ik hoorde tot mijn verbazing dat een vaginale schimmelinfectie helemaal geen SOA is. Dit zijn weetjes waar ik bij het vertellen ervan, een ‘O echt?’ moment realiseer bij mijn toehoorder. Dat vind ik leuk.

Ik heb een vriend die vaak bij mij op visite is. Je kunt het eigenlijk geen visite noemen, want hij is hier bijna vaker dan ik. Daarom doe ik ook gewoon de dagelijkse dingen, de dingen die voor mij heel normaal zijn. Zoals mezelf opmaken. En dan mijn snor signaleren.
“Hè, mijn snor is er weer,” zeg ik.
“Wat? Een snor? Heb jij een snor?”
“Nou, zo meteen niet meer.”
“Yoooo,” zijn beide handen maken een stop gebaar, “scheer jij je?”
“Nee, gek.”
“Maar hoezo heb jij een snor? Je bent een meisje.”
“Ik heb last van kleine haartjes op mijn bovenlip. Dat hebben heel veel vrouwen.”
De vriend knijpt zijn ogen tot speeltjes, ziet de haren en trekt zijn neus op. En zo leert de vriend dat meisjes snorren hebben.

“Ik hars ze met gezichtstrips.”
Hij kijkt raar bij het woord gezichtstrips. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. De vriend komt er vervolgens achter hoe we onze snorren verwijderen, want hij kijkt naar me terwijl ik de strip, die de lengte heeft van een pleister, in mijn handen opwrijf (sorry voor dit woord), zodat de wax warm wordt. Dan haal ik het bovenste papiertje eraf en plak de strip met wax op mijn snor.
“En nu?” vraagt de vriend.
“Twintig seconden wachten.”
Hij telt. We wachten. Ik trek het ding eraf. Ik gil.
“Jezus,” zegt hij, “kijken?”
Hij kijkt en zegt dat de snor weg is.

“Hebben jullie op nog meer plekken haar?” vraagt ‘ie.
Ik vraag of hij laagbegaafd is, want natuurlijk hebben we op meer plekken haar.
“Ja, je oksels, je benen, schaamhaar, maar nog ergens anders? Want dat van die snor wist ik niet.”
“Sommige vrouwen hebben haar op hun tenen,” zeg ik.
Zijn gezicht trekt een grimas dat het beste te omschrijven is als een combinatie tussen een lach en een lichte walging. “Je lult.”
“Nee, echt,” zeg ik, een beetje schuldbewust tegenover de rest van het vrouwelijk geslacht dat ik dit verklapt heb.
“Gatver. Hars je dat ook?”
“Nee,” en voordat ik het er over na heb gedacht, zeg ik: “dat scheer ik.”
Grote ogen kijken me aan. “Nu weet ik zeker dat je lult,” zegt hij, “wie scheert er nou zijn tenen?” Hij lacht hard.
Mijn tenen kriebelen, vanochtend heb ik ze geschoren. Dat doe ik één keer per week. Ik scheer van mijn been door naar mijn teen.
“Ja, ik lul,” zeg ik.
Sommige dingen die je ontdekt wanneer je ouder wordt, zijn leuk om te weten; dat de nek van een baby niet functioneert, dat frikandel vroeger frikadel was en dat een vaginale schimmelinfectie geen SOA is. Maar sommige weetjes moeten verborgen blijven. Ik denk dat ik op geen enkele verjaardag iemand imponeer als ze vertel dat ik mijn tenen scheer.