Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Verdriet met schurft III

IMG_0103

Vandaag het slot van mijn schurfttrilogie. Als je niet helemaal bij bent, is het verstandig om eerst de ellende van deel I en deel II te lezen.

De zon schijnt als de taalnazi en ik hebben afgesproken op het terras. Hij zit er al, met een zonnebril op en hij rookt een sigaret. Twee biertjes staan op tafel en ik ben zenuwachtig. Ook ik heb een zonnebril op. We kussen elkaar op de wang, wat vreemd is maar fijn.
“Ik ben nerveus man,” zeg ik. Snel neem ik een slok van mijn bier. Het is mijn eerste biertje sinds de prednison kuur en hij smaakt verdrietig.
“Ik ook,” zegt hij. “Hoe is het met je?”
“Ik ben moe,” zeg ik. “Heel moe.”
“Ik zie het.”
Trots rol ik dan de mouw van mijn truitje op. “Maar de schurft is weg.”

We kijken beiden naar mijn arm. “Het ziet er mooi uit,” zegt hij. De zalf en de prednison hebben hun werk gedaan. Ik heb geen jeuk meer, de blaasjes zijn weg en de korstjes zijn kleiner.
“Ja,” zeg ik. Ik wrijf over de kleine plekjes die de korsten hebben achter gelaten. Alles lijkt verdwenen en nu vind ik dat toch een beetje naar. “Maar ik houd wel kleine littekens, volgens de dermatoloog.”

Even zijn we stil. Dat mag ook. Verdriet, schuldgevoel, verwijten, vragen, onbevredigende antwoorden… we hebben ze al uitgewisseld over de mail en de telefoon de afgelopen maand. Nu, een maand na het uitgaan en de schurft, is alles iets lichter, al lijkt het soms nog net zo zwaar. De dermatoloog is in ieder geval tevreden want de schurft is voorbij. Al het was geen schurft, geen leukemie, het was ook geen sweet syndrome of lupus. Het bleek EEM (Erythema Exsudativum Multiforme). Of althans, dat dacht het team toen ze ‘er met z’n allen nog eens naar hadden keken’. Een acuut optredende huiduitslag, een soort allergische reactie op een infectie met een virus of een bacterie. Meestal is een koortslip de oorzaak. Maar misschien reageert EEM ook op aften, dacht ik. Of misschien was het stress en verdriet en overspannenheid; en dat mijn lijf dat zo uit. Ik zou het niet raar vinden. Mijn moeder vond me altijd al een theatraal type.

“Ben je blij dat het voorbij is?” vraagt de taalnazi.
“Ja,” zeg ik, zonder dat ik precies weet waar hij op doelt. Ik neem nog een slokje bier en kijk omhoog. De zon verdwijnt achter een wolkendek en ik houd mijn zonnebril op omdat de taalnazi anders mijn natte ogen ziet. Ik wil hem mijn verdriet niet tonen, ik heb geen recht op verdriet: ik ben degene die geen wij meer wil zijn. Maar soms is er toch het gemis. De dansjes door de supermarkt, mijn hoofd dat zich laaft aan zijn schoot en de pastamaaltijden met veel te veel creme fraiche en witte wijn.

“Hoe is het met jou?” vraag ik dan.
“Beter,” glimlacht hij.
“Fijn.” We zoeken naar woorden en dat is gek want dat hoefden we nooit. Maar alles is nu anders.
“Ik begrijp het alleen nog niet.” Hij lacht harder. “Ik heb er veel over nagedacht en ik begrijp het niet, maar het is goed zo.”
Ik knik, blij dat het goed is en opgelucht dat ik het niet hoef uit te leggen. Ik heb ook nagedacht. Gedacht en gehuild. Geschreven en gedacht. Gedacht en gepraat. En ik kan het niet uitleggen. Ik weet het zelf ook niet. Het enige dat ik weet is dat ik moe ben en dat ik niet samen wil zijn. Dat ik wil rusten, alleen. Dat ik wil slapen en soep maken. Dat ik Heel Holland Bakt wil kijken en niemand wil zien. Dat ik wil lezen en wil schrijven. En dan misschien nog iets wil bakken.

We drinken onze biertjes en praten over schrijven. We praten over Giphart die we binnenkort gaan ontmoeten op een literaire middag, over Nietzsche waar hij nu over schrijft en over mijn nieuwste lievelingsboek Kom hier, dat ik u kus.
“Ik zal dit missen,” zeg ik.
“Ik ook,” zegt hij.
“Zullen we vrienden blijven?” Het is het meest clichématige dat ik ooit heb gezegd.
“Misschien,” zegt hij. “Laten we elkaar maar eerst even niet zien.”
“Ja, dat is beter.” Ik vraag me af of we het kunnen en ik vraag me af of we het echt willen. Een schrijver die ik ken schreef eens over relaties die uitgaan: ‘Je geeft elkaar even het beste dat je hebt, komt tot de conclusie dat het niet genoeg is en gaat elkaar dan maar minder geven. Dat werkt zelden.’ Het leest alsof het waar is.

Als alle woorden die we voor nu hebben op zijn, nemen we afscheid. We delen de rekening, dat is iets wat vrienden doen, bedenk ik me. Hij pakt me vast, even verdwijn ik in zijn baard en ik kijk hem aan, met mijn zonnebril nog op. Er sijpelt een kleine traan onder het donkere brillenglas vandaan. Ik wrijf het weg en glimlach. “Tot over een tijdje,” zeg ik. “Tot over wanneer we vrienden zijn.” Deze keer hoop ik dat clichés waar zijn. Ik hoop echt dat we elkaar over een paar maanden zien en dat we kunnen praten en lachen, zonder onze zonnebrillen op. Een diepe ademhaling ontglipt de taalnazi en ook hij toont zijn ogen niet, zelfs niet voor het afscheid. “Tot over een tijdje,” zegt hij. We lopen weg, ieder een andere kant op.

Verdriet met schurft II

IMG_0014

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je eerst natuurlijk de ellende van deel I lezen.

Samen met mijn zus pak ik mijn spulletjes in. Ik ga bij haar op zolder in quarantaine. De schurftshampoo heeft de jeuk wel iets tot bedaren gebracht, maar ik ben zo moe en duizelig en verdrietig dat ik niet verder kom dan boeken en onderbroeken, dus het is fijn dat ze er is. Ze aait me over mijn hoofd omdat mijn haar het enige is dat veilig is aan mij momenteel. Als de tas volgens mijn zus klaar is, kijk ik rond in mijn huis, waar ik de laatste acht maanden veel met de taalnazi samen was. Hij is overal. Mijn ogen gaan van de boekenkast naar de vensterbank, van de foto’s aan de muur naar de keuken. Elke keer dat hij hier was had hij tussen mijn spullen stiekempjes iets van zijn spullen gezet. Lief. Er was een tijd dat we dachten hier ooit samen te wonen. “Zijn boeken, zijn staafmixer, zijn slakom,” som ik op, “zijn theelepeltjes, zijn ovenschalen, zijn kussen, zijn aanstekers.” Mijn zus trekt haar wenkbrauwen naar me op. “Je lijkt de moeder van Jan Smit wel,” zegt ze. We lachen even en rijden naar mijn nieuwe huis.

Als ik bij het huis van mijn zus en schoonzus aankom, wil iedereen me omhelzen, maar dat mag niet van de schurft. Mijn nichtje wil me een kus geven op mijn mond, maar daar zijn ook gekke blaasjes aan het ontstaan dus dat mag ook niet. Wel zijn er frietjes waar ik vandaag extra maggi op doe en zijn er op zolder schone lakens om op te huilen.

De volgende ochtend staat mijn zus aan het aanrecht koffie te maken. Ze draait zich om, kijkt naar me en slaat haar hand voor haar mond. “O mijn god,” roept ze. “Wat heb jij nou? Hoe kan dat nou? De kinderen, de kinderen mogen het niet zien!” Ik ren naar de spiegel en zie dat mijn lippen en kin onder het bloed zitten. Het zijn korsten en er zitten verse stukjes bij. Nu proef ik het ook. De blaasjes zijn gesprongen. Ik zie eruit als een vampier, eentje die slecht heeft geslapen want mijn ogen zijn nog dik. Terwijl ik mijn mond spoel en er rood water in de wasbak verdwijnt, zie ik dat mijn schurft erger is geworden. Fuck dit. Mijn verdriet wordt boos. Mijn leven is een zooitje maar hier blijf ik niet mee lopen. Fuck dit. Ik ga naar het ziekenhuis!

De dermatoloog is duidelijk. “Dit is geen schurft en je had meteen naar het ziekenhuis verwezen moeten worden.” Onmiddellijk worden er foto’s gemaakt, ik moet in een potje plassen, ze tappen vijf buisjes bloed af en er wordt een stukje van mijn huid afgesneden voor onderzoek. “Voor zover ik het kan zien, is dit het sweet syndrome,” zegt de dermatoloog. Mijn opgedroogde bloedlip begint te trillen, terwijl ik niet eens weet wat het is. “Het is een huidaandoening die spontaan kan ontstaan, maar die ook een andere oorzaak kan hebben,” zegt ze. Ik ben zo overweldigd door de serieusheid waarmee de dermatoloog dit aanpakt dat ik midden in haar kantoortje begin te snikken. “Is het niet gewoon stress?” vraag ik. “Het is net uit met mijn vriend en dat heb ik zelf gedaan en ik sta erachter, maar ik vind het ook erg en ik ben nu weer alleen en ik vind het ook heel erg voor hem.” Deze dokter heeft misschien wel een soort van minor psychologie gedaan, want ze pakt een stoel en komt naast me zitten. Ze klopt op mijn rug en zegt dat de uitslag zo hevig is, dat het niet stress gerelateerd kan zijn. “Ik schrijf een recept uit voor zalf, prednison, lidocaïne voor je lip en ik bel je straks als ik de uitslag van het bloed heb.” Ze geeft me een keukenpapiertje aan voor mijn tranen en ik pak mijn tas. “Ik zou even niet gaan googlen,” zegt ze. “Dan vind je alleen maar enge dingen en het is nergens voor nodig om dat nu te zien.” Ik knik. Gedwee loop ik weg.

Ik vertel mijn vader, mijn moeder, mijn zus en een goede vriendin dat ze niet mogen googlen. Binnen tien minuten hebben mijn vader, mijn moeder, mijn zus en de goede vriendin gegoogled. Ze zeggen allemaal hetzelfde: sweet syndrome is helemaal niet erg. Veel vrouwen tussen de 30 en 35 jaar krijgen het zomaar en het gaat ook zomaar weer over. Ze verzwijgen denk ik het enge waar de dokter het over had, maar dat maakt niet uit. Ik ga niet googlen. Ik kan het niet weerstaan om 389 keer te Facebooken op een dag, maar ik kan mezelf wel weerhouden om ‘sweet syndrome’ te googlen. Denk ik.

Mijn vader belt om ‘even te kletsen’. Ik google niet. De vriendin komt op visite om me een hart onder de riem te steken. Ik google nog steeds niet. Mijn schoonzus maakt mijn favoriete eten. Ondanks dat ik niet heb gegoogled, begin ik me toch af te vragen of ik niet doodga aan sweet syndrome. Ook vraag ik me af hoe het met de taalnazi gaat. Hij is verdrietig, dat weet ik. Ik vind het niet eerlijk van mezelf dat ik alleen maar aan mezelf denk, terwijl hij aan ons denkt. Maar nu kan ik even niet anders. Dan hoor ik mijn telefoon, hij ligt in de tuin. Mijn zus werpt zich op de telefoon en neemt op alsof ze mij is. We hebben dezelfde stem. Ik kan niet horen wat ze zegt, maar ze komt met een grote glimlach binnen.

“Je hebt geen leukemie!” roept ze.
“Wat?” zeg ik.
“Je bloed is goed!” roept ze weer.
“Kon het leukemie zijn?”
“Ja,” zegt ze zachtjes. “Hele kleine kans maar hoor.”

Ik ga zitten en haal opgelucht adem. “Het bloed duidt ook niet op sweet syndrome,” vertelt mijn zus, “maar ze moeten even de urine en het stukje huid afwachten. Volgende week terug naar het ziekenhuis. Maar je bloed is goed! Helemaal goed!” Ik weet even niks te zeggen en vraag een biertje aan mijn zus om het te vieren, maar dat mag niet met mijn prednison. Dan weet ik het niet hoor. O ja. Ik bel iedereen om te vertellen dat ik geen leukemie heb. Iedereen is blij. Ik ook, want ook al heb ik een bloedbek, geen vriend, ben ik lichtelijk overspannen en zit ik onder de schurft waarvan niemand weet wat precies is… ik ben er wel gewoon. En over een paar weken is alles ietsje beter en over een paar maanden is alles weer goed en is er weer bier. Het komt gewoon goed en dat vier ik. Met een grote kop muntthee dan maar.

Over tijdloze hemden en goede koffie – Gastblog

De gastblogger van deze maand is misschien wel de Carrie van de Lage Landen te noemen. Simone Dolk, freelance schrijver maar vooral ook dromer, woont in Amsterdam en geniet daar van goede kopjes koffie, biertjes in foute barren, haar vriendinnen, haar schrijverij en natuurlijk; af en toe een leuke vent. Voor Achtentwintiger schreef ze een raar verhaal met een hoog waarheidsgehalte dat zo in Sex and the City zou kunnen. De clichés van de liefde die o zo waar zijn, lees je in Over tijdloze hemden en goede koffie.

Over tijdloze hemden en goede koffie

Daar lig ik dan. Starend uit het slaapkamerraam en mijn dekbed tot onder mijn neus opgetrokken. Ik beweeg niet en adem een beetje. Mijn hoofd voelt zwaar en mijn buik weeïg. Vanuit mijn ooghoek zie ik een berg dekbed naast me en daar ligt hij onder. Ik weet wie hij is en ook dat hij zo snel mogelijk mijn bed uit moet.

Een diepe zucht, een kuchje en kippenvel over mijn lijf.
“Yo, ben je al wakker.” Mijn stem klinkt nog roestig van het bier en de rook. Ik draai me naar hem toe en tik met mijn wijsvinger op zijn schouder. Hij bromt. Ik glimlach naar zijn rug onder mijn dekens en wil het liefst verdwijnen in mijn matras. Waarom dacht ik dat dit een goed idee was? Door de waas in mijn hoofd heen spelen de beelden van gisteren in slow motion door mijn hoofd. Zomaar, ineens stond hij voor mijn neus in de kroeg. Hij keek me aan, recht in mijn ogen, gaf me een vluchtige zoen op mijn wang terwijl zijn hand in mijn nek lag en zei “Dat is lang geleden, dame.” Dat ene woord, met die ene blik. Die godvergeten blik. Die gódvergeten blik… En dan ook nog die glimlach. Alle goede voornemens, alle beloftes om ver bij hem vandaan te blijven, verdwenen als sneeuw voor de zon.

Hij. Hij was degene die mijn dagen kleurde. Hij maakte mijn dagen zo veel leuker dan ik dacht dat ze zouden kunnen zijn. Hij zorgde voor de glimlach op mijn gezicht, ook al viel er niets te lachen. Soms lijkt dat allemaal een leven geleden. Het werkte niet, wij samen. Het was onze tijd niet, weet ik het. Blijkbaar voelde het allemaal niet goed genoeg. En nu ligt hij weer in mijn bed. “Terug bij af,” denk ik dramatisch. Mijn telefoon trilt onder mijn kussen, ik knipper met mijn ogen en slik de opkomende tranen weg. Anna in de lucht.

Anna: Schatje! Gaarne een update. Bart? Serieus?! Meld je je zo voor koffie bij Two for Joy op de Haarlemmerdijk? Kan je me alles vertellen 😉 PS Julia en Cath zijn er ook bij.
Ik: Hij. Moet. Hier. Weg. Nog tips uit eigen repertoire?
Anna: Bied hem geen koffie aan. Ik herhaal. Geen koffie.
Ik: Ok 🙂 Ik ben er om 1300. Zie je dan xx

Ik schraap mijn keel en zeg zo nonchalant mogelijk tegen hem: “Hey, ik moet er zo vandoor. Dus spring nu onder de douche.” Zonder zijn antwoord af te wachten, gooi ik zijn overhemd op mijn bed en vis ik een handdoek, ondergoed, spijkerbroek en hoodie uit mijn kledingkast. Terwijl ik naar de badkamer loop, doe ik een schietgebedje dat hij het veld heeft geruimd als ik terugkom. Beter voor iedereen.
Ik heb nog een uur om me toonbaar te maken. Mijn gezicht zit in de kreukels, mijn make up zit tot aan mijn kin en mijn haar lijkt het meest op een warzone, zie ik als ik in de spiegel kijk. Mijn hersens bonken mijn hoofd uit, het licht doet pijn aan mijn ogen en om over het gevoel in mijn buik nog maar te zwijgen. Ellende. Een grote, fakking ellende. In stilte spreek ik met mezelf af dat ik nooit meer een druppel alcohol drink. En deze keer écht nooit meer. Ik stap onder de douche, hoor na een paar minuten dat hij de deur achter zich dichttrekt en leun met mijn voorhoofd tegen de tegeltjes. Machteloos en verslagen.

Hij is echt weg als ik weer in mijn slaapkamer sta. En hij heeft mijn bed opgemaakt: alsof hij er nooit is geweest. Ik laat mezelf in een zeesterpositie op bed vallen, adem zijn geur in en glimlach. Maar het doet een beetje pijn.

In spijkerbroek en hoodie sta ik even later voor de spiegel en ik zie er net zo uit als ik me voel: afgrijselijk. Laat ik in ieder geval doen alsof ik me kiplekker voel. Hoodie uit, zijden bloesje aan. Nikes uit, hakken aan. Even in de make-up voor de herstelwerkzaamheden: crèmepje, mascara, wenkbrauwen, nog een laag mascara en wat gloss op de lippen. Als ik mijn mondhoeken omhoog trek, is het net echt.

Two for Joy. Behalve de heerlijke koffie, industriële inrichting, staat deze tent ook symbool voor mijn leven als vrijgezel meisje. Vergaderingen over de ondoorgrondelijke gedachtegangen van mannen, werksores en de vragen des levens worden hier belegd. De geur van geroosterde koffiebonen, vers gebakken granola en bananenbrood komt me tegemoet als ik naar binnen stap.
“Hi there,” zegt de barista. Hij ziet eruit zoals een barista eruit hoort te zien: een baard, een kunstige, quasi-nonchalante coupe en armen onder de tattoos. “Would you like to have your latte?” vraagt hij alsof ik hier al jaren kom. En eigenlijk kom ik dat ook. Ik knik en glimlach: “Yes please.”
“Ok great. And I was wondering… if maybe we could get together outside this place one day? I mean we could just go for a beer somewhere around here.”
Ik frons mijn wenkbrauwen en kantel mijn hoofd. Voor mijn gevoel staar ik hem tien volle secondes aan terwijl ik het probeer te verwerken. Hoor ik dit goed? Word ik hier, nu op klaarlichte dag ouderwets mee uitgevraagd door een barista? Als in, een date?

“Uhm?! What? A beer?” is het enige wat ik uit kan brengen. Maar hij heeft zich al omgedraaid en doet zijn trucjes met zijn piston en andere attributen. Hij lijkt zich vol overgave toe te leggen op de coffee art en ik speel de laatste minuut tien keer opnieuw in mijn hoofd af. Stel hè, hij bedoelde wat ik denk dat hij bedoelde… Hoe lang is het geleden dat iemand mij die vraag gesteld heeft? Nuchter als de pastoor en in het echt? Niet met een Tinder berichtje? Met een pistool tegen mijn kop zou ik het echt niet weten.

Hij gaf me mijn koffie verkeerd met een ongemakkelijke glimlach “Here you go”. Ik glimlach terug, zo mogelijk nog ongemakkelijker. En ik heb werkelijk geen idee wat ik moet zeggen en kraam een onverstaanbaar “Ok. Thank you. Bye.” uit en loop naar mijn vriendinnen. Onderweg zie ik dat hij een hartje heeft gemaakt van de warme melk in mijn koffie. Wow. Ik draai mijn hoofd nog een keer om en lach naar hem. Breeduit. Hij knipoogt. Hij ziet er zo anders uit dan mijn crushes van afgelopen tijd. Geen tijdloos overhemd, geen lange mat van haar in zijn nek en al helemaal niet van die degelijke gaatjesschoenen.

Anna, Cath en Julia waren verwikkeld in een zeer vermakelijke analyse van een whatsappgesprek van Anna en een vriend van haar als ik aan kom lopen. “Dit is toch niet normaal!” Verongelijkt betoogt Anna dat hij met haar aan het flirten is, ook al heeft ze hem opgedragen dat niet te doen. Cath denkt er iets anders over: “Vriendschap tussen man en vrouw is echt onmogelijk. Hoe vaak heb ik dat al gezegd? Ik zeg het je. Ik heb echt al te veel verontrustende verhalen over gehoord. Maar onze slettebak is gearriveerd! Dus dame,” en ze richt zich tot mij, “vertel even. Bart? Waarom precies?” En hun aandacht verplaatst zich naar mij met een vragenvuur. Blijkbaar heeft Anna al een goede teaser gegeven. Hoe kon ik in hemelsnaam me weer hebben ingelaten met Bart? Ik wist toch dat hij… en dat ik dan… en dat wij nooit… Mijn toelichting is kort: “Gisteren leek het echt een supergoed idee. En ik ben echt te brak voor diepgaande analyses en gepreek.”

Anna ziet dan dat er een kaartje op mijn schotel ligt, pakt het en kijkt mij met grote ogen aan: “Zeg? Had je dit wel gezien?” Anna begint te giechelen en ik ben in complete verwarring. “Het is een geheime boodschap van de barista. Hij vraagt of je een keertje met hem wilt afspreken.” fluistert Anna. “En daaronder staat zijn telefoonnummer.” Er breekt totale hysterie uit: Cath en Julia uiten hun enthousiasme met een synchroon “Whaa!”, grissen het kaartje uit Anna’s handen, vallen nog net niet flauw van opwinding en lezen zijn tekst voor: “I was serious. Let’s grab a beer together one day.” Gênant. Drie paar ogen kijken mijn vragend aan. En ik? Ik denk dat er te weinig te gekke dingen in mijn comfort zone gebeuren.

Meisjes

Meisjes

Het is vrijdagavond en mijn eettafel staat vol. Met tequila biertjes, nagellak, bolognese chips, wimperkrullers, veertien verschillende soorten oorbellen, make-up doekjes, thee en meer. Veel meer om op te noemen want ik heb een meisjesavond. Een avond met meisjes van in de dertig. Vandaag ben ik met mijn 29 jaar zelfs de jongste, al was ik de enige die bij het bier halen mijn identiteitsbewijs niet hoefde te laten zien.

Een van de mooiste kenmerken van vrouwen en hun avonden, is dat alles door elkaar wordt vertelt en dat iedereen in de kamer – lees: met een vagina – het begrijpt.
“Wat heb jij een mooie wimperkruller.”
“Je moet wel nagellak op hoor.”
“Ik wil nog een biertje.”
“Gewoon bij het Kruidvat.”
“Volgens mij zijn deze glitters teveel.”
“Is er nog bier?”
“Godver kijk dit nou.”
“Is dit too much?”
“Burp. Waar is het bier.”

Meisjes zijn meisjes die zich soms gedragen als jongens. Dat vind ik leuk aan ons. Maar op sommige avonden, zonder piemels; zijn we anders. Dan zijn we Een En Al Vrouw. Niet te verwarren met Een En Al Gezeik. Het begint als je vijftien bent en je voor het eerst naar de kroeg gaat. Opmaken. Praten. Breezers. Nog meer praten. Nagels doen. En daarna naar de Skihut, althans daar ging ik heen op mijn vijftiende met mijn meisjes. Als prachtige wezens dansten we vrolijk om onze berg tasjes heen. Waarom dat precies was, weet ik niet.

Pas als je ouder bent, merk je dat dit soort rituelen zich sporadisch ontvouwen. De meisjesavond is een avond waarin wij ons vormen. Hier bespreken we de angst van het niet-genoeg-zijn. Of het niet durven luisteren naar ons onderbuikgevoel op het werk. Hier spreken we uit dat we geen moeder willen worden. En leggen we de angst bloot die we hebben om het moederschap te missen als we echt besluiten niet te baren. Dit doen we tijdens het aanbrengen van foundation en het lakken van onze nagels. Deze handelingen dragen de woorden, ze zijn net zo belangrijk als het gesprek zelf.

Terwijl we deze vrijdag onze jassen aandoen om naar een nieuw feestje te gaan in een club die we niet kennen, roept een van mijn vriendinnen: “ja hallo. We nemen toch wel een BVO’tje mee?” Er wordt gelachen. Even vijftien. Het biertje voor onderweg gaat in onze tasjes. Het is een kwartier lopen. De kou is te koud voor onze benen in panty’s, maar onze lippen glanzen. Terwijl onze gympen grote stappen maken, denk ik aan volgend jaar. Heb ik dan nog meisjesavonden? Ja. Het jaar erop? Ja. Het jaar daarop? Ja.

We lopen in duo’s. Arm in arm, vlak achter elkaar. Af en toe wordt er wat geroepen. “Doordrinken!” of “Zijn we er al man?” Later zit in mijn hoofd. Wat gebeurt er als zij kinderen krijgen, ik geen moeder word, wat gebeurt er als ik wel moeder word of wij allemaal besluiten kinderloos te blijven? Verdwijnen de meisjesavonden met de komst van gezinnen of met de komst van een leeftijd waarop we niet meer naar feestjes mogen; wanneer dat dan moge zijn. In mijn hoofd is dat zo ongeveer veertig, maar ja, dat is makkelijk praten als je nog niet eens dertig bent. Ik knijp in de arm van de vriendin die mijn arm vast houdt. Ze is de oudste, 32 jaar.

Het feestje blijkt een Oud & Nieuw feestje te zijn, gewoon in november. Er lopen mensen rond van 18 jaar, maar ook van 38 en misschien nog wel ouder (of misschien zag de drank dat). Mannen en vrouwen dragen glitterjasjes en ik heb spijt dat ik mijn truitje met gouden pailletten niet aan heb. Er worden oliebollen uitgedeeld en mijn hoofd zit onder poedersuiker. Om 12.22 uur wordt er afgeteld van 10 naar 0. Iedereen wenst elkaar een gelukkig nieuwjaar.

Wanneer onze champagne op is, haal ik biertjes voor de meisjes en mij. Als ik met mijn dienblad van de bar wegloop, zie ik vier vrouwen. Zij zijn als wij, alleen 15 jaar ouder. Oubolliger haar, slechter opgemaakt, lievere kleren, maar dezelfde lach. Ze mogen nog op feestjes. Ze dansen rondjes en zwaaien met hun armen. Als ik goed kijk, zie ik dat ze rondjes lopen om hun tassen. Vrolijk dansen ze er omheen.

Poespas

Poespas

Zoals verwacht, kan ik geen laminaat leggen. Daarom kwam Johnny Hellevoet langs. Johnny Hellevoet is het Marktplaats pseudoniem van John van 32 die in Hellevoetsluis woont en goedkoop laminaat legt. Hij zou in één dag mijn hele huis van laminaat voorzien. Omdat mijn huis ‘zo scheef als een hoer’ bleek te zijn, was het meer werk dan hij had verwacht. John vroeg om drie uur ’s middags of ik het erg vond dat hij er ‘een mannetje’ bij belde. Hij had vele mannetjes.

Om half vier ontmoette ik zo Adil. Je sprak zijn naam uit als Adi, maar omdat alle Hollanders toch altijd Adil zeggen, mocht ik die L er ook bij doen als ik wilde. Adi van 26 had een trainingsbroek aan en een wit t-shirt. Hij had een lichtbruin petje op met van die Louis Vuitton achtige tekens die ik vaak zie op petten van jongens die buiten op een bankje zitten met een sigaret in de hand.
“Zo John! Dankjewel dat je belde, man,” zegt Adi. “Ik was wel net wakker. Ik heb even niet gedoucht en die hele poespas. Omdat ik snel wilde komen.”
John vertelt Adi dat hij de groene ondervloer moet leggen in de gang en ik loop met hem mee.
“U denkt zeker dat ik Marokkaans ben dame?” vraagt hij wanneer we in de gang staan.
“Ja,” antwoord ik.
“Dat is een belediging weet u dat.”
“Sorry,” zeg ik. “Hoezo eigenlijk?”
“Hoezo?” Adi snijdt met een stanleymes een pak ondervloeren open. “Omdat je Noord Afrikanen nooit kan vertrouwen. Niet alleen Marokkanen, ook Tunesiërs en Algerijnen. U ziet ze ook wel door de straat rijden dame. Heen en weer. Muziek aan, ramen open, leren stuur en dat soort poespas. Mooi he, die auto. Ik zeg u, die is gehuurd. Weet u hoe ik dat weet? Ik huur soms ook zo’n auto.”
“Dat wist ik niet. Maar dat is toch niet erg.”
Hij haalt de groene planken eruit en gaat verder. “En als ze aardig voor je zijn, dingen voor je doen, je helpen en andere poespas, een keer moet je het terugbetalen. Ik ben zo niet. Ze zijn niet te vertrouwen die Noord Afrikanen. Ik kom uit Albanië.”
John roept dat Adi moet doorwerken en Adi start met het leggen van de groene planken. Tot zijn telefoon gaat.

“He leuk dat je belt moppie,” horen we. “Je was vrijgezel toch?”
John en ik lachen. Ik weet niet wat John denkt, maar ik denk Goed zo Adi, altijd even checken. Ik vergeet dat weleens. Het gesprek gaat verder, ik probeer niet te luisteren en kijk hoe scheef mijn vloer is. John zaagt een plank bijna diagonaal door midden.
“He maar schatje, bel me later. Ik moet werken,” zegt Adi.

Even later zet ik zoute sticks in de vensterbank en geef Johnny en Adi limonade. Als je klust, moet je zoute sticks in huis hebben. Die passen goed in plastic bekertjes. “He John, ik heb een probleem,” zegt Adi. “Mijn vrouwtje. Ze vindt dat ik te weinig dingen met haar doe.”
“Doe je te weinig met haar?” vraagt John.
“Ik weet niet,” zegt Adi. “Vroeger deed ik toch veel dingen met haar. In het begin. Maar nu heb ik haar. Dus wat moet je nog doen? Snap je?”
“Ik zou eens beginnen met geen andere vrouwen bellen,” zegt John.
Adi kijkt me aan, alsof hij bijval zoekt.
“Ik ben ook niet voor het bellen van andere vrouwen,” zeg ik dan.
“Mag ik open praten van u dame? Of vindt u dat onbeleefd.”
“Nee, hoor,” zeg ik. “Praat gerust.”
“Kijk, ik kan er niks aan doen dat die vrouwen me willen. Ik zit gewoon op een datingsite met een foto. En ik zeg niks van hobby’s of eigenschappen of van die poespas, maar toch mailen ze me. Wat kan ik doen?”
John eet de zoutkorrels van een zout stickie en ik frons mijn wenkbrauwen.
“Wat denkt u dame?” lacht Adi. “Waarom vallen ze op mij?”
“Mag ik open praten?” vraag ik. We lachen allemaal. Het mag.
“Veel vrouwen vallen op verkeerde mannen. Omdat ze denken dat ze die kunnen temmen. Als hij met mij is, verandert ‘ie wel, denken ze dan. Dat is het. Ze denken dat ze je kunnen temmen en dat jij hen daarna gelukkig maakt.”
“Ik ben een verkeerde man?” lacht Adi. “Kan u mij temmen?”
“Zo kan ‘ie wel weer,” zegt John en hij gooit zijn limonade achterover.

Ik heb te weinig latjes gekocht voor tegen de muur. John zou ook de latjes leggen. Maar als ik geen latjes heb, kan hij ze ook niet leggen. Ik ben te moe om naar de bouwmarkt te gaan, dus ik zet weer nieuwe koffie en pak de gevulde koeken. Als je klust, moet je ook gevulde koeken hebben, dat is gewoon zo. De telefoon van Adi gaat weer.
“He moppie. Ik ben werken schatje. Nee, vanavond ga ik naar mijn vriendin gewoon. Bel je later oké.”
Ik geef Adi zijn koffie aan. Hij is nog steeds bezig met de ondervloer in de gang.
“Dame heeft u eigenlijk een man?”
“Nee.”
“Een vriend?”
“Nee.”
“Een minnaar?”
“Nee.”
Adi neemt een slok van zijn koffie. Hij wil geen gevulde koek.

Om half negen ’s avonds ligt al het laminaat erin. Ik vraag of Adi en John bier willen. John vindt dat onprofessioneel dus die neemt nog koffie. Adi pakt voor hem en mij bier uit de koelkast.
“Zou u mij kunnen temmen?” hij klikt zijn blikje open.
“Je mag wel je zeggen,” antwoord ik.
Met zijn vingers tikt hij op het metaal van het blikje. “Zou je mij kunnen temmen?”
Ik neem een slokje van mijn bier. “Sommige mannen zijn niet te temmen en dan moet je het niet proberen ook.”
“Ik geloof wel dat je mij zou kunnen temmen.” Hij glimlacht. “Zou je jouw nummer geven aan mij?”
Ik zet grote ogen naar hem op. “Nee.”
Hij neemt nog een slok. “Facebook?”
Ik zeg tot mijn eigen verbazing niks.
“Misschien dat ik bij jou geen andere vrouwen meer nodig heb.”
Nu moet ik lachen. “Je bent niet te vertrouwen Adi,” zeg ik.
Adi zet zijn bier neer en kijkt boos. “Hoe bedoel je? Ik werk. Ik verdien mijn geld eerlijk. Ik kom wanneer John me belt. Ik ben te vertrouwen.”
“Dat is zeker waar,” zeg ik. “Maar in de liefde ben je niet te vertrouwen. In de liefde ben je een Noord Afrikaan. Dat is teveel poespas voor mij.”
John lacht.
“Maar ik ben wel heel blij met het laminaat.”

Papa

Papa

De afgelopen tijd heb ik steeds dezelfde droom: nacht na nacht sta ik achter een katheder. Ik kijk de zaal in en herken zwart geklede ooms en tantes, neven en nichten en vrienden van mijn vader. Mijn handen beven. Ik wil beginnen met lezen. Het blad dat ik vast houd, trilt en de letters zweven. Ik neem een slokje water en haal diep adem. Ik wil het goed doen: mooi lezen, zonder huilen, zonder schokken in mijn stem. Mijn zus knikt naar me. Begin maar. Je kunt het, denk ik. Ik wil dat je trots op me bent papa.

Mijn vader is goed in grafredes. Hij heeft er inmiddels zoveel geschreven, dat hij er een verhalenbundel van kan maken. We verloren er veel, verdrietig genoeg bleek kanker in onze familie gulziger dan ouderdom. Keer na keer stond mijn vader daar, krachtig en sterk: voor zijn moeder, broer, zijn zwager, zijn schoonzus, zijn kleine broertje en zijn papier trilde niet. Er was niemand die naast hem stond om het over te nemen als hij toch moest huilen. Hij had geen slokje water nodig voordat hij kon beginnen. Mijn vader opende zijn stuk met een mooie zin, vertelde prachtige anekdotes en sloot af zonder te huilen. Keer op keer. En elke keer was ik zo trots op hem.

De eerste maal dat de dood dichtbij ons gezin kwam, vond ik dat eng. Ik mocht nog niet mee naar de crematie, zo jong was ik. Al zag ik toen niet hoe hij sprak, ik zag wel wat het betekent om iemand kwijt te raken. Het werd stil in ons huis, mijn vader keek verdrietig en geruisloos gingen kleine hapjes bloemkool bij ons naar binnen. Er bleef veel over. Morgen konden we weer bloemkool eten.
“Papa, ga ik ook dood?” vroeg ik nadat we de griesmeelpudding hadden laten staan. Mijn vader keek nog steeds verdrietig. “Nee toch?” zei ik.
Zijn blik werd zachter. “Nee, jij niet.”
“En jij?”
“Nee, ik ook niet.” Hij gaf een kus op mijn hoofd en zei: “Jij en ik gaan nooit dood.”

Er kwam een moment dat ik de dood niet meer eng vond, ik moet begin twintig zijn geweest. Mijn vader was er ook aan gewend geraakt. Op een gegeven moment kreeg hij een hand van herkenning van de eigenaar van het crematorium. “Hoe is het?” vroeg de man dan. “Redelijk,” zei mijn vader. “De koffie is vandaag beter dan anders. Ik zou toch eens overwegen om een biertje in je assortiment op te nemen.” De man lachte en mijn vader liep naar de katheder.

Twee jaar geleden stond ik er zelf, na het verliezen van mijn tante. Het leek logisch dat ik zou spreken: ze was voor mij de liefste.
“Weet je het zeker?” had mijn vader gevraagd, “het is geen kattenpis.”
“Nee, dat weet ik,” zei ik. “Maar als jij het kan, kan ik het toch ook?”
“Ik ga wel dichtbij je zitten,” zei hij. “Als het dan niet lukt, kan ik het overnemen.”
Misschien was het de gedachte dat hij het zou kunnen overnemen, dat ervoor zorgde dat het niet hoefde. Ik sprak, huilde niet en was blij dat ik het gedaan had, maar het was inderdaad geen kattenpis. Het was moeilijk, het kost wat. Ik dacht aan mijn vader: hij had dit al zeker tien keer gedaan, het had veel gekost en ik vond het mooi geweest. Hij mocht alleen nog maar naar zielige liedjes luisteren en huilen. Want huilen kan niet als je moet spreken.

Ik kan natuurlijk niet zeggen dat mijn vader niks meer mag zeggen. Hij zou niet luisteren ook, al zei ik het wel. Maar nu ik weet wat het betekent als je niet mag huilen, toon ik hem wel hoe bezorgd ik ben. “Pas je op jezelf?” vraag ik als er weer iemand overleden is. “Laat anderen eens wat doen, denk nou om jezelf. Je gaat zeker wel spreken? Weet je het zeker? Ja, je moet het zelf weten. Zeg je tegen je vriendin dat ze voor je zorgt? Bel je me als je je rot voelt? Ik hou van je he. Je kan me altijd bellen. God, ik ga janken pa. Nou niet doodgaan. Doei.”

Hij lacht om me en zegt dat hij nog lang niet doodgaat. Nee, dat weet ik ook wel. Die ouwe van mij fietst nog zestig kilometer per dag, denkt aan de slanke lijn, tennist, houdt niet van chips en snoep en rookt steeds minder. En toch die droom. Ik weet wel waar het vandaan komt. Ik ben niet bang voor de dood en mijn vader ook niet, maar het is vermoeiend als je steeds niet huilen mag. Het is verdrietig als je steeds mensen wegbrengt. Het komt dichterbij ook al weet je dat je nog lang niet gaat. Ook al weet je dochter dat je nog lang niet gaat.

De droom duurt en duurt maar. Het is zo’n droom waarvan je weet dat je droomt, maar je kunt jezelf niet wakker maken. Mensen staren naar me, ik neem nog een slokje water, ik haal diep adem, maar het lukt me niet om te spreken. Mijn zus pakt het bevende papiertje uit mijn handen, schraapt haar keel en leest wat ik schreef. Ze doet het goed. Ik kon het niet zonder hem, hij moest het kunnen overnemen. Als de liedjes zijn gespeeld en ik denk; wakker worden nu, gaan we ook nog eens naar de koffieruimte. Nee, mijn wangen zijn nat, het is genoeg, wakker worden, denk ik. En dan is ineens iedereen verdwenen. De leegte is in mijn buik te voelen. Er staan wel veel kopjes koffie op tafel, de plakken cake die door niemand wordt gegeten, liggen te wachten. Uren zit ik alleen naar de cake te staren. Ik ben op. En dan, als ik echt niet meer kan, als ik me heb neergelegd bij het feit dat ik voor altijd blijf slapen en dromen en in dit crematorium moet wonen… op het moment dat ik hem precies nodig heb, komt hij binnen.
“Wat een ballentent,” lacht mijn vader. “Is er geen bier?”
“Verdomme,” zeg ik, boos en blij tegelijk. “Ben je niet dood?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Hoe kan dat nou?”
“Wij gaan toch niet dood.”