De Kutdagen

img_3720

Dat ik iemands vriendin ben, vind ik nog steeds raar. Het is al best een tijdje zo, maar er zijn nog altijd momenten dat ik eraan moet wennen. Nog steeds kan ik me beter identificeren met de vriendin die in haar zoektocht naar een geschikte vent verschrikkelijke en hilarische dates heeft, dan met stellen die om de week een datenight inplannen.

Ik moest uitvinden hoe een relatie werkt, dat moest ik leren. Als je 30 jaar vrijgezel bent geweest, is dat nogal moeilijk. Het lastigste vind ik de kutdagen. Op vrolijke dagen is een relatie makkelijk, de gezamenlijke bubbel is fantastisch. Ik wist niet dat iemand mij zo gelukkig kon maken, zittend op de bank, ruikend aan zijn baard, thee slurpend, rug aaiend. Er is dan geen meditatie nodig om in het hier en nu te blijven. Ik ben er, hij is er en ik hou van onze bubbel.

Jaja, terug naar die kutdagen (want gelukkige mensen vind ik ook nog steeds om te kotsen). Die kutdagen zijn er. Als ik verdrietig ben omdat ik ruzie met mijn moeder heb gehad, of omdat ik moet janken omdat ik mega ongesteld ben of gewoon, zomaar omdat ik een dal in mijn dag heb. Toen ik nog vrijgezel was, zette ik op dat soort dagen een grote kan thee, pakte een dekentje, ging op de bank liggen en keek Pretty Little Liars.  Nu is dat anders, nu is een dal in mijn dag confronterend. Ik merk het meteen als ik thuis kom na een lange, vermoeiende rotdag.

‘Hoi schatje!’ roept de taalnazi vanuit de studeerkamer. Altijd maar dat ‘geschatje’.
‘Hoi.’ Zonder een kus loop ik naar de meditatiekamer. ‘Ik moet mediteren.’
‘Oké!’
Gejaagd steek ik mijn kaarsjes aan. En die pokke wierook moet ook. Ik ga zitten op mijn kussen, trek een kleedje over me heen en ervaar het gehele half uur geen zachtheid of ontspanning. Het enige pluspuntje is dat ik ben blijven zitten.

Ik sta op en ben boos. Op mezelf, op mijn moeder, op hem omdat hij geen klote opruimt of schoonmaakt. Zou hij vandaag wel wat hebben gedaan? Nee zeker. Nee, zij doet het wel. Ik laat het voor haar wel liggen. Ik ga wel lekker in mijn studeerkamer zitten. Sjonge. Ik loop naar de woonkamer, langs de studeerkamer zonder naar hem te kijken.

Tot mijn teleurstelling is de woonkamer niet heel vies. Hij heeft gestofzuigd. Maar de kussens liggen niet recht en er staat een fles ijsthee op de grond en de chipszak van gisteren ligt nog op de salontafel. Hij weet dat ik het opgeruimd wil. Is het nou zo moeilijk om even op te ruimen? Ik heb een drukke dag gehad. Het moet opgeruimd zijn.

De keuken is goor. Echt heel goor. Dit moet gepoetst. Ik ga hem laten zien dat ik poets (en hij niet!). Ik maak een sopje en haal alle spullen uit de koelkast. De hele keukentafel staat vol. De glazen planken haal ik er ook uit. Ik sop en boen. Daarna schrob ik het gasstel. Daarna de keukenkastjes. Ook zo vies. Behalve die ene die hij pas heeft schoongemaakt en opnieuw ingericht. Eentje maar verdomme. Als ik de honing uit het kastje probeer te krabben, hoor ik iets achter me. Als ik me omdraai, staat de taalnazi in de deuropening.
‘Kan ik wat doen?’ vraagt hij zachtjes.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Kijk hoe vies dit is.’ Ik wijs naar, nou ja, de hele keuken.
‘Zal ik het schoonmaken?’
‘Nee. Ik doe het wel weer.’

Ik zie angst in zijn ogen. Toch waagt hij het om binnen te komen. Inmiddels weet hij dat hij me nu niet moet vastpakken of kroelen of aaien. Hij grijpt met zijn hand in het gootsteenkastje. Hij weet volgens mij niet wat hij pakt maar loopt met zijn staart tussen zijn benen (en de allesreiniger) de keuken uit. Ik ga zitten op de stoel en hoor hem lopen. Met zijn allesreiniger. Ik laat het even gaan, laat mezelf denken. En dan roep ik hem (ik weet dat ik eigenlijk naar hem toe moet lopen maar dat kan nog niet).
‘Ik ben aan het schoonmaken, schatje,’ zegt hij zacht.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Ehm.’
‘Omdat je bang voor me bent he?’
‘Eh, ja, doodsbang.’
‘Dat is eigenlijk niet goed of fijn ofzo,’ zeg ik. ‘Kom je zitten?’
Hij gaat zitten. We zwijgen. Ik heb een dal in mijn dag en hij is er. Ik zou dankbaar moeten zijn, in zijn baard vliegen, huilen op zijn borst, me laten zeggen dat het goed komt, me laven aan zijn slechte grappen, maar ik kan het niet. Niet nu, nu niet meteen.

Het is de kutste dag van het jaar (oké, van de maand, oké van de week) en ik wil het alleen doen. Nee. Ik ben gewend om het alleen te doen. Dat is ook wat ik tegen hem zeg.
‘Ik weet niet goed hoe het moet, verdrietig zijn bij een ander.’
‘Dat maakt niet uit he.’ Als ik me open stel, heeft hij iets om mee te werken, zijn kalmte is terug. ‘Ik geef je alle tijd. Je doet hoe je het doet.’
‘Ik heb het nooit gedaan,’ zeg ik. ‘Ik ben dat niet gewend.’
‘We hebben de tijd,’ herhaalt hij.
‘Je bent een spiegel.’ Ik stomp hem op zijn knie. ‘Je bent een kutspiegel ook nog. Vroeger ging ik gewoon op de bank liggen met een deken en dan merkte ik niet eens dat ik een kutdag had.’
‘Dan: ga op de bank liggen met een dekentje.’
‘En Pretty Little Liars kijken?’ vraag ik.
‘Ik weet niet wat dat is, maar ga lekker Pretty Little Liars kijken. En dan breng ik je een kopje thee en dan ga ik weer in mijn studeerkamer zitten.’
‘Is dat niet raar?’
‘Een beetje wel maar jij bent raar en ik ben raar, dus is het goed.’
Ik trek hem omhoog en knuffel hem. Heel even. ‘En nou oprotten,’ zeg ik.
‘Ja jij!’ Hij steekt zijn middelvinger op, geeft me een duwtje richting de woonkamer en zet de televisie aan.
En weer ben ik een klein beetje meer gewend. Ik ben iemands vriendin.

Met een hele schone koelkast.

Verdriet met schurft

IMG_9952

Het is heet in de wachtkamer van de dokter. Ik trek de lange mouwen van mijn trui nog net iets verder over mijn handen en ril. Van de jeuk. Mijn armen zien eruit alsof ik een besmettelijke ziekte heb, dus ik krab netjes op mijn trui. Het jeukt zo verschrikkelijk dat ik eigenlijk al mijn kleren uit wil doen, in mijn nakie wil rondspringen in die wachtkamer en me helemaal het ongans wil krabben. Het liefst krabben alle patiënten mee. Maar dat kan natuurlijk niet. Dus al krabbend, kijk ik rond. Mijn jeuk verdwijnt heel even als ik aan mijn taalnazi denk, die sinds eergisteren niet meer mijn taalnazi is. Mijn ogen blijven hangen bij een stapel tijdschriften, bovenop ligt Psychologie magazine. Op de cover staat de zin Liefdeslessen: inzicht in je hechtingsstijl verandert alles. Ik pak het tijdschrift op en blader, op zoek naar een beetje inzicht dat mij vertelt waar het is mis gegaan.

Er zijn mensen die een angstige hechtingsstijl hebben; ze hebben verlatingsangst, zijn onzeker, willen veel samenzijn en veel lichamelijk contact. Mensen met een vermijdende hechtingsstijl hebben bindingsangst, ze idealiseren een zelfvoorzienend leven en kijken neer op afhankelijkheid. Er zijn ook mensen die normaal hechten, ze hechten ‘veilig’. De veilige hechters leiden een stabiel en voorspelbaar leven van samenwonen, werken, trouwen, op vakantie en op bezoek bij pa en ma. Ik krabbel nog even op mijn trui en bedenk dat ik eigenlijk veilig wil hechten, maar dat ik zowel angstig als vermijdend ben. Dat kan ook, vertelt het artikel. 5% van de bevolking hecht angstig en vermijdend. Dat is misschien waarom het is misgegaan.

De dokter roept mijn naam, ik mag naar binnen.
“Je hebt jeukende uitslag op je armen en romp?” vraagt ze.
“Ja, dat heb ik.” Ik wil eraan toevoegen; “En mijn relatie is afgelopen en ik wilde het zo graag en nu is het niet gelukt en dat vind ik kut en ik zie er ook nog eens zo goor uit.” Maar de dokter is geen psycholoog, dus ik doe mijn trui uit en laat haar kijken.
“Zo.” Ze trekt haar neus op en haar witte handschoentjes aan. “Dat is niet mis.” De dokter bekijkt mijn armen, die vol zitten met grote rode plekken, bulten en korstjes. Als ik er zelf naar kijk, moet ik bijna kotsen. En ik kijk er al twee dagen naar. De dokter raakt één van de vele blaasjes die er ook tussen zitten.
“Kijk.” Ik trek het vel van het blaasje. Er loopt water uit. “Het zijn net blaren,” zeg ik.
“Ik denk dat het schurft is,” zegt ze.
Nu voel ik me echt vies. “Schurft?”
De dokter googlelt ‘schurft’ op haar computer en laat me plaatjes zien. Het lijkt er inderdaad  op.
“Ik geef je shampoo tegen schurft en dan wil ik je woensdag weer zien, goed? Als het niet verbetert, stuur ik je door naar een dermatoloog.”

Met mijn schurftshampoo ga ik naar huis. Onderweg alarmeer ik mijn familie, die krijgen ook spontaan jeuk. Thuis pak ik mijn laptop en typ ook ‘schurft’ in op Google. Vieze plaatjes proberen me tegen te houden, maar ik lees dapper door. Ik ontdek dat schurft wordt veroorzaakt door schurftmijt, een miniscuul spinachtig insect dat leeft in de bovenste laag van je huid. Hij graaft gangetjes in je huid en legt daar eitjes waar meer van die gore beestjes uitkomen. Tegen de eieren en uitwerpselen van die beesten reageert je huid. Gatverdamme. Ik kan wel janken, maar dat kan niet want de bel gaat. Mijn vader en moeder staan samen op de stoep, terwijl ze gescheiden zijn. Dan weet je dat je echt zielig bent.

“Hallo!” roept mijn vader vrolijk.
“Hallo!” roept mijn moeder ook vrolijk.
Van deze ongemakkelijk vrolijk hallo’s moet ik nog meer huilen, maar ik ben een meisje van dertig en die huilen niet. Dus ik omhels ze dankbaar en ga douchen. De schurftshampoo moet immers toch worden aangebracht op een schone, vetvrije huid.

Als ik in mijn onderbroek binnen kom (want mijn rug moet ook ingesmeerd worden) hebben mijn ouders ontdekt dat blijkbaar het totale universum zich tegen me heeft gekeerd: mijn televisie doet het niet en ik heb ook geen warm water. En dan komen daar toch de waterlanders, ook al ben ik dertig. “Het is uit en ik heb schurft en beesten lopen in mij te schijten!” roep ik huilend. Mijn moeder klopt op mijn rug en begint spontaan te zingen. Iets uit het Schaep met de vijf poten. Mijn vader maakt er een klein dansje bij. Het ziet er zo raar uit dat mijn ogen van verbazing stoppen met huilen.

Als mijn moeder mijn rug insmeert, haal ik het Psychologie magazine dat ik van de dokter heb gestolen uit mijn tas. Ik herlees het artikel. Misschien kan ik niet goed hechten of misschien waren wij gewoon niet voor elkaar bestemd. Misschien wilde ik het te graag, misschien ging het te snel, misschien was ik bang, misschien voelde ik niet genoeg. Mijn hoofd tolt. Ik weet het niet. Het enige dat ik wel weet, is dat ik voor nu de goede beslissing heb genomen. Er is rust in mijn hoofd.

Mijn ouders gaan weg als de boiler is bij gevuld en ik analoog televisie kan kijken. Ik zwaai ze na alsof ze me voor het eerst achterlaten op de kleuterschool. Dan was ik mijn dekbedovertrek, alle kussenhoezen en handdoeken op zestig graden. Als ik weer ga zitten, kijk ik naar buiten, over de bomen heen. Daar ben je weer Achtentwintiger. Weer alleen. Ik zucht. Het geeft niet. Het komt weer goed. Je kunt het alleen. Alles komt altijd weer goed. Dan gaat mijn telefoon. Een bericht van mijn zus. “Ik kom je morgen ophalen schurftlijer. Je gaat in quarantaine op zolder, maar we gaan wel voor je zorgen.” Fijn. Nog even niet alleen.

PS. Benieuwd hoe dit afloopt? Heb ik echt schurft en belangrijker; hoe kom ik van hen en hun poep en eieren af? Volgende week lees je deel 2.

PPS. Sorry voor deze meest vieze cliffhanger aller tijden.

Liefde in tijden van liedjes II

Liefde in tijden van liedjes II

Inmiddels weet ik dat ik stuk ben. In Liefde in tijden van liedjes bekende ik dat ik bijna 30 was en nog nooit van iemand gehouden had. Nu weet ik waarom. Ik heb een te leuk gevuld leven met veel te veel vrienden die ik heb gemaakt doordat ik altijd alleen was. Ik ben kritisch en heb een passie die makkelijk het gemis van een partner opvult, wat zeg ik: mijn schrijven vult met gemak het gat op van drie partners. Daardoor ben ik in een samenzijn enorm gesteld om mijn eigen tijd, maar o wee als je me verlaat. Bovendien is jarenlang loeren naar stellen niet perse bevorderlijk naar het verlangen om een stel worden. Ik heb dingen gehoord en gezien waardoor ik oprecht happy single was. Vrouwen die tegen hun mannen zeggen: “Ik heb geen zin om uit eten te gaan hoor. Zit ik jou heel de avond aan te kijken.” Mannen die verdommen te koken, zelfs als ze lang en breed thuis zijn voor hun vrouw binnenkomt. Stellen die simpelweg langs elkaar heen praten. Ze luisteren louter naar zichzelf en de stroom woorden die ze hun partner toesnauwen verdwijnt in een ruimte waar alleen vreemden hun oren spitsen.

Nee. Niet dat voor mij. Ik ben vrij. Vrij om mijn vrienden te zien. Vrij om bier te drinken wanneer ik dat wil. Vrij om bang te zijn. Vrij om kritisch te zijn. Vrij om te schrijven. Vrij om te vrijen. Vrij om stuk te zijn en niemand zich daarmee te laten bemoeien. En toen kwam ik de schrijver tegen waar ik eerder over schreef. De taalnazi die mijn dt’s veranderde. Met zijn gele bril, vreemde bakkebaarden en een houding die zich niet liet plaatsen, paste hij in geen enkel liedje. Net zoals ik zelf niet in liedjes pas. Wij waren beiden rare vogels zei mijn zus, dus als er iets in mij was dat ooit iets van een relatie wilde, moest ik volgens haar nu toch echt doorbijten.

Ik beet door omdat ik zag dat hij en ik samen iets zouden kunnen hebben wat mooi was. Wat de moeite waard zou zijn. Maar verliefd werd ik niet. Maand na maand na maand probeerde ik. Ik vond hem lief. We hadden het fijn. Ik moest om hem lachen en hij inspireerde me. Maar het gevoel dat ik zocht, kwam niet. Het gevoel dat bij de liedjes hoorde. En ik wilde het zo graag. Twijfels. Doordaten. Lachen. Huilen. Mijn zus bellen. Doordaten. Praten. Uit eten. Samen slapen. Twijfels.

Voel ik wel genoeg?
Is dit het?
Kan ik dit wel?
Wil ik dit wel?

Het is niet het begin waar je van droomt. Het is een begin waarvan mensen zeggen ‘dat is niet goed hoor’ of ‘zo hoort dat niet’. In het begin hoor je te genieten. Maar in mijn hart wist ik dat als ik het ooit echt zou proberen, het zo zou verlopen. Het was het begin waar ik jaren tegenop had gezien. Maar de taalnazi met de gele zonnebril had geduld. We dronken biertjes en aten bitterballen. We skypten drie uur op een avond. Ik kreeg lieve berichtjes maar niet teveel. Als ik een avond alleen wilde zijn, mocht ik mijn telefoon uitzetten. Maar ik bleef twijfelen en kon wel huilen. Dat deed ik en het enige wat ik wilde was mijn hoofd neerleggen op de behaarde borst van mijn taalnazi. Ik had verdriet om het gebrek aan gevoel maar wilde alleen door hem getroost worden.

Dat was hetgene dat ervoor zorgde dat ik doorging. Ik had een beeld van ons als stel en voor het eerst in mijn leven was het een realistisch beeld. Een fijn beeld. Ik zou hem niet een avond niet aan willen kijken. Met de gedeelde passie hadden we altijd wat te bepraten. Hij zou wél eten voor me maken als hij eerder thuis was. Wij zouden nooit langs elkaar heen praten, omdat we op dezelfde golflengte zitten. Dus als het gevoel nu gewoon kwaaaham, dacht ik.

Na drie maanden liet ik hem los. Ik had mijn best gedaan en ging huilend naast hem zitten. Mijn hoofd in zijn nek. “Ik wil het niet uitmaken, echt niet, maar ik weet het niet,” zei ik. Hij zat een verhaaltje te tikken, keek rustig op en zei niks over het uitmaken. Hij sprak de legendarische woorden: “Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zoveel moeite doet om bij mij te zijn.” Mijn natte ogen waren nooit eerder zo snel droog. Hij pakte mijn hand, we gingen naar het bos, liepen langs het water en hij wist het zeker genoeg voor ons tweeën.

De volgende ochtend was ik zo blij dat hij er nog was toen ik wakker werd. Ik keek naar hem en toen naar mezelf. Ik ben kritisch. Ik heb bindingsangst gecombineerd met verlatingsangst. Vaak denk ik dat ik krankzinnig ben. Bipolair denk ik soms. Ik ben bang. Maar hij is lief en gek genoeg om met mij samen te zijn. Ik keek naar de bakkebaarden die ik de afgelopen drie maanden in een baard had doen veranderen en bedacht, ik ben verliefd op je aan het worden.

Een week lang verzweeg ik het. Ik denk immers soms dat ik bipolair ben, dus met dit soort beweringen moet ik altijd even wachten. Na die week zaten we samen in het kunstgras op mijn balkon. Door het warme weer zweette hij als een otter. Ik kuste hem door zijn zweetdruppels heen en sprak toen de legendarische woorden.
“Ik ben denk ik verliefd op je aan het woorden.”
“Zo,” zei hij lachend. “Lekker op tijd.”
“Sorry,” zei ik. “Bedankt dat je bij me bent gebleven.”
“Ik wil alleen een krankzinnige vriendin,” zei hij. “Als je normaal wordt, maak ik het uit.”

Op dat moment hoorde ik een liedje in mijn hoofd. De melodie was mij vreemd. Het was geen liedje dat ik eerder hoorde. En dat klopt eigenlijk wel. Mijn gevoel past ook bij geen enkel liedje dat al bestaat. Ik hoorde een nieuw liedje. Het liedje van mij en de taalnazi.