Verdriet met schurft III

IMG_0103

Vandaag het slot van mijn schurfttrilogie. Als je niet helemaal bij bent, is het verstandig om eerst de ellende van deel I en deel II te lezen.

De zon schijnt als de taalnazi en ik hebben afgesproken op het terras. Hij zit er al, met een zonnebril op en hij rookt een sigaret. Twee biertjes staan op tafel en ik ben zenuwachtig. Ook ik heb een zonnebril op. We kussen elkaar op de wang, wat vreemd is maar fijn.
“Ik ben nerveus man,” zeg ik. Snel neem ik een slok van mijn bier. Het is mijn eerste biertje sinds de prednison kuur en hij smaakt verdrietig.
“Ik ook,” zegt hij. “Hoe is het met je?”
“Ik ben moe,” zeg ik. “Heel moe.”
“Ik zie het.”
Trots rol ik dan de mouw van mijn truitje op. “Maar de schurft is weg.”

We kijken beiden naar mijn arm. “Het ziet er mooi uit,” zegt hij. De zalf en de prednison hebben hun werk gedaan. Ik heb geen jeuk meer, de blaasjes zijn weg en de korstjes zijn kleiner.
“Ja,” zeg ik. Ik wrijf over de kleine plekjes die de korsten hebben achter gelaten. Alles lijkt verdwenen en nu vind ik dat toch een beetje naar. “Maar ik houd wel kleine littekens, volgens de dermatoloog.”

Even zijn we stil. Dat mag ook. Verdriet, schuldgevoel, verwijten, vragen, onbevredigende antwoorden… we hebben ze al uitgewisseld over de mail en de telefoon de afgelopen maand. Nu, een maand na het uitgaan en de schurft, is alles iets lichter, al lijkt het soms nog net zo zwaar. De dermatoloog is in ieder geval tevreden want de schurft is voorbij. Al het was geen schurft, geen leukemie, het was ook geen sweet syndrome of lupus. Het bleek EEM (Erythema Exsudativum Multiforme). Of althans, dat dacht het team toen ze ‘er met z’n allen nog eens naar hadden keken’. Een acuut optredende huiduitslag, een soort allergische reactie op een infectie met een virus of een bacterie. Meestal is een koortslip de oorzaak. Maar misschien reageert EEM ook op aften, dacht ik. Of misschien was het stress en verdriet en overspannenheid; en dat mijn lijf dat zo uit. Ik zou het niet raar vinden. Mijn moeder vond me altijd al een theatraal type.

“Ben je blij dat het voorbij is?” vraagt de taalnazi.
“Ja,” zeg ik, zonder dat ik precies weet waar hij op doelt. Ik neem nog een slokje bier en kijk omhoog. De zon verdwijnt achter een wolkendek en ik houd mijn zonnebril op omdat de taalnazi anders mijn natte ogen ziet. Ik wil hem mijn verdriet niet tonen, ik heb geen recht op verdriet: ik ben degene die geen wij meer wil zijn. Maar soms is er toch het gemis. De dansjes door de supermarkt, mijn hoofd dat zich laaft aan zijn schoot en de pastamaaltijden met veel te veel creme fraiche en witte wijn.

“Hoe is het met jou?” vraag ik dan.
“Beter,” glimlacht hij.
“Fijn.” We zoeken naar woorden en dat is gek want dat hoefden we nooit. Maar alles is nu anders.
“Ik begrijp het alleen nog niet.” Hij lacht harder. “Ik heb er veel over nagedacht en ik begrijp het niet, maar het is goed zo.”
Ik knik, blij dat het goed is en opgelucht dat ik het niet hoef uit te leggen. Ik heb ook nagedacht. Gedacht en gehuild. Geschreven en gedacht. Gedacht en gepraat. En ik kan het niet uitleggen. Ik weet het zelf ook niet. Het enige dat ik weet is dat ik moe ben en dat ik niet samen wil zijn. Dat ik wil rusten, alleen. Dat ik wil slapen en soep maken. Dat ik Heel Holland Bakt wil kijken en niemand wil zien. Dat ik wil lezen en wil schrijven. En dan misschien nog iets wil bakken.

We drinken onze biertjes en praten over schrijven. We praten over Giphart die we binnenkort gaan ontmoeten op een literaire middag, over Nietzsche waar hij nu over schrijft en over mijn nieuwste lievelingsboek Kom hier, dat ik u kus.
“Ik zal dit missen,” zeg ik.
“Ik ook,” zegt hij.
“Zullen we vrienden blijven?” Het is het meest clichématige dat ik ooit heb gezegd.
“Misschien,” zegt hij. “Laten we elkaar maar eerst even niet zien.”
“Ja, dat is beter.” Ik vraag me af of we het kunnen en ik vraag me af of we het echt willen. Een schrijver die ik ken schreef eens over relaties die uitgaan: ‘Je geeft elkaar even het beste dat je hebt, komt tot de conclusie dat het niet genoeg is en gaat elkaar dan maar minder geven. Dat werkt zelden.’ Het leest alsof het waar is.

Als alle woorden die we voor nu hebben op zijn, nemen we afscheid. We delen de rekening, dat is iets wat vrienden doen, bedenk ik me. Hij pakt me vast, even verdwijn ik in zijn baard en ik kijk hem aan, met mijn zonnebril nog op. Er sijpelt een kleine traan onder het donkere brillenglas vandaan. Ik wrijf het weg en glimlach. “Tot over een tijdje,” zeg ik. “Tot over wanneer we vrienden zijn.” Deze keer hoop ik dat clichés waar zijn. Ik hoop echt dat we elkaar over een paar maanden zien en dat we kunnen praten en lachen, zonder onze zonnebrillen op. Een diepe ademhaling ontglipt de taalnazi en ook hij toont zijn ogen niet, zelfs niet voor het afscheid. “Tot over een tijdje,” zegt hij. We lopen weg, ieder een andere kant op.

USP

USP

Meester Dambruin leerde mij lezen met het legendarische rijtje Boom Roos Vis Vuur Mus Pim Kees Miep Bel Boek Raam School. Ik was zes en meester Dambruin de baas. Hij had lang donkerbruin, golvend haar, hele rechte tanden en elke kleine pauze las hij de sterren van de hemel. Niks Boom Roos Vis Vuur, nee Saskia en Jeroen of de Heksen. Hij las beter voor dan mijn moeder en als je zes bent, zegt dat wat.

Afgelopen weekend stond ik op een literair festival. Ik moest voorlezen in het café. Er zaten mensen op stoelen die misschien niet van mijn stukjes zouden houden. Er zaten mensen op stoelen die überhaupt niet van stukjes hielden, alleen van bier. Het was mijn eerste keer en normaal gaat van eerste keren zweet in mijn handen staan. Maar ik mocht zitten in een aparte ruimte voor schrijvers en kreeg daar wijn. Al had ik nog geen zin voorgelezen, ik voelde me helemaal meester Dambruin.

De meester leerde mij iets dat ik nog veel vaker zou merken in de jaren die volgden; dat het moment van louter toeschouwer zijn, altijd van korte duur is. Het moment van klassikaal lezen in groep 3 was aangebroken. De meester las een paar zinnen, daarna was een kindje aan de beurt, daarna nog een ander kind en elke keer hoopte ik vurig dat ik niet aan de beurt zou komen. Met mijn vinger volgde ik feilloos de woorden en ik knikte heftig, zodat ik niet aan de meester hoefde te bewijzen dat ik kon lezen. Hij keek mijn richting op. “Ga jij even verder?” vroeg hij. Het zweet stond in mijn handen. Een droge keel. Ik wilde wel beginnen, maar ik kon niet. Alle hoofden waren op mij gericht, vingertjes nog trouw bij het laatst uitgesproken woord. Ik haalde diep adem. En toen gebeurde er iets dat me nog nooit eerder was overkomen. De woorden bleven bij de eerste klank hangen. Ik stotterde. “Ga maar door,” zei meester Dambruin. “Rustig aan.” Ik stotterde. Ik bleef stotteren.

Het ging zo een paar jaar door. Ik werd onzekerder. Want, ik werd ook een beetje een dik meisje en vond alle andere meisjes mooier. Ik vond mijn haar gek en ook de spleetjes tussen mijn tanden. Ik vond de knik in mijn neus stom. Ik had dikke, stugge wenkbrauwen. Ik wilde niet dat er naar me werd gekeken tijdens het lezen. Kijk. Niet. Naar. Mij. Pas aan het einde van de basisschool ging het beter. In groep 7 praatte ik met meester Dambruin op het schoolplein over mijn probleem, een beetje als volwassenen onder elkaar. “Het maakt niet uit hoe je eruit ziet,” zei hij. “Het gaat erom wat je doet, wat je kunt. Jij kunt voorlezen.” Het was de meest geruststellende gedachte die ik ooit hoorde (en heb gehoord): het doet er niet toe hoe je eruit ziet. Dus ik oefende me thuis te pletter, zonder spiegel. Het maakte niet uit wie mooier was, beter, knapper, ik zou de sterren van de hemel lezen. En ik deed het. Ik werd in groep acht zelfs Voorleeskampioen van mijn school, met een voor ons revolutionair stukje uit Met de groeten van groep van Jacques Vriens, dat ging over zoenen.

Vanaf die tijd heb ik me altijd een soort van uitverkoren gevoeld omdat ik ‘slim’ ben. En een tikkeltje anders. Slim en een beetje anders dan de rest is voldoende. Ik hoef niet mijn haar niet te verven, geen uren voor de spiegel te staan om me op te maken, geen acrylnagels aan mijn vingers. Ik ben bij de hand en bij de pinken en dat is genoeg. (O wacht even, mijn ego belt: ik zie er nu ook een stuk beter uit dan in groep 8. Slanker en gewoon, bijgetrokken. Dat jullie het weten).

In de schrijversruimte keek ik rond. Er waren veel schrijvers, het waren niet hun eerste keren. Ze keken allemaal alsof ze slim waren. Wat ook naar was, was dat mooi hier werd verruild voor uniek. Alle schrijvers hadden een soort van Unique Selling Point (USP). De ene vond zijn USP in warrig blond haar en een jasje waar je over zou kunnen dromen in een LSD trip, een meisje had gitzwart golvend haar en bloedrode lippen en de laatste jongen had lang, bruin haar, nog langer dan meester Dambruin.

Toen brak het moment van klassikaal lezen aan. Ik wist dat ik als laatste aan de beurt zou zijn, dus ik kon goed luisteren. Ik wreef over de knik in mijn neus toen mijn verse klasgenoten aan de beurt waren, want deze grote kinderen lazen als meester Dambruin, maar ieder op de eigen manier. Ritmisch, hard of gevoelig. Ze lazen over seks en soa’s en ook over andere dingen, maar van seks en soa’s ging het zweet weer in mijn handen staan. Ik schreef nooit literaire porno. Mijn stuk ging nog steeds over zoenen, alleen zat ik niet meer in groep 8. In de pauze ging ik naar de wc en trok de staart uit mijn haar. Het was raar haar. Ik probeerde los. Toen weer vast. Los, vast, lost, vast, wijn.
“He, ik heb helemaal geen seksstukje,” zei ik tegen de organisator toen ik van de wc kwam.
Hij keek me vragend aan.
“Ja, ik doe wel aan porno, hoor,” verontschuldigde ik me, “maar ja, ik heb er gewoon nog nooit over geschreven.”
Hij lachte en ik besefte me dat iedereen heus wel weet dat wanneer je zegt dat je aan porno doet, je eigenlijk zegt dat je dit niet doet. Ik raakte nu ook mijn slimheid kwijt. Een stapje verwijderd van hetgeen waar ik zo bang voor was dat terugkwam.

Ik was aan de beurt. Nog een keer nam ik een slokje van mijn wijn. Nog een keer knipoogde mijn nieuwe literaire vriendin naar me dat het goed kwam. Nog een slokje. Oké. Wat je schreef is goed, zeg ik tegen mezelf. Je kan schrijven. Nu voorlezen. Ik liep de trap af, het werd iets stiller in het café. Ik ging zitten, pakte de microfoon, haalde diep adem, keek de zaal in, opende mijn mond en deed hem weer dicht. Ik glimlachte zonder de spleetjes van mijn tanden te laten zien. Ik ging verzitten, haalde nog eens adem en toen hoorde ik weer meester Dambruin: “Het gaat erom wat je kunt.”

En daar ging ik. Zonder te stotteren. In een keer las ik ‘m uit. Op gevoel. Op hoe slim ik ben. Op het gebrek aan USP wat mijn USP bleek te zijn.
“Wat was het mooi,” zei een van de schrijvers toen ik weer in onze ruimte kwam.
“Echt?” vroeg ik.
“Ja, echt,” zei hij. “Ik ben fan.”
O mijn god. Een voorleesfan. Dankjewel meester Dambruin.

Hip

Hip

Er zijn momenten in mijn leven in Utrecht dat ik me onzeker voel. Over hoe ik eruit zie voornamelijk; dat heb ik vaak in het café. Ik kijk om me heen en zie mensen met brillen die bijna hun hele gezicht bedekken, vlechten die heel nonchalant lijken te zijn ingezet, maar wel mooi over de schouder hangen en zulke grote truien dat ik vermoed dat het eigenlijk jurken zijn. In eerste instantie denk ik dan: ‘kind, die spullen doen niks voor je. Je wordt er niet knapper van. Doe ze uit en normaal.’ Mijn vriendin die bij een groot modeconcern werkt, zegt echter altijd: ‘het gaat hen er niet om dat ze knap zijn, maar dat ze hip zijn.’ Ik herken iets hips dus niet, laat staan dat ik het kan implementeren in mijn kledingkast… en daar word ik onzeker van.

Laatst was zo’n moment wederom daar. Ik keek naar de barman, een jaartje of 22 moest hij zijn geweest, hij had zijn blonde krullen een soort van ‘opgekroest’, waardoor het haar vrij hoog de lucht in ging. Het oogde mij vreemd. Hij droeg ook nog eens een donkerrode corduroy broek met een zwart-wit gemêleerde, gebreide trui erop. Ik vond de combinatie niet mooi en zelfs een beetje raar.
“Dat is heel erg hip,” zei mijn vriendin. “Die stoffen en dan zo bij elkaar.”
“Echt?” vroeg ik. “Ik vind het raar.”
“Als jij iets raar vindt, is het überhip.”

Dat is een hele ware belediging. Ik weet niet wat hip is. Of ik wil het niet weten. Of ik kan er niet aan meedoen. Mijn benen zien eruit als kleine rollades in skinny jeans, dus dat heb ik nooit gedaan. Ik weet niet wanneer je BAM! hoort te zeggen of anders whoop whoop, dus ik zeg niks. Ik was de laatste die instagram installeerde op mijn telefoon en gebruik het nu nog steeds alleen voor fotobewerking (al is het dus echt een communicatiemiddel).

De vriendin is wel hip, maar loopt daar niet mee te koop, zoals de jongere hippe mensen dat wel doen. Want de regel lijkt te zijn: hoe jonger je bent, hoe hipper je moet zijn. Als ik in het café ben, voel ik me het tegenovergestelde van hip. Ik weet niet goed welk woord daar bij past, maar laten we zeggen antiek. Lijdzaam zit ik in een spijkerbroek met hakken en een colbertje erboven (daar sla je nooit de plank mee mis, zei mijn vriendin van het modeconcern drie jaar geleden en daar hou ik nog steeds aan vast) te kijken naar een meisje met een heel klein roze riempje om haar zwarte spijkerbroek en een grote blouse er nonchalant ingepropt. Hip. Naar een jongen met een pet op die niet goed op z’n hoofd lijkt te zitten (want heel hoog, het doet me denken aan de film Coneheads). Maar ook dit is hip. Ik schud wanhopig mijn hoofd. Weten die mensen wel wat ze te wege brengen bij mensen zoals ik, met hun petten en riempjes? Zien ze me kijken en getraumatiseerd mijn colbertje dichtknopen? Een meisje met een beige ‘hoog water’ broek komt binnen. Dat kan niet hip zijn. Mijn moeder droeg vroeger broeken met hoog water.
“Is dat ook hip?” vraag ik.
“Ja,” zegt de vriendin. “Hoog water broeken komen terug, je kunt weer print op print dragen en neon kleuren doen het ook erg goed.”
“Neon wordt de shit?” vraag ik ongelovig.
“De shit is niet meer.”
“O.” ‘De shit’ zeggen alleen maar antieke mensen blijkbaar. Ik snap er niks van. Jaloezie borrelt op. Jaloers ben ik op de riempjes, de petjes, de jurktruien en hoog waterbroeken. Ik wil ook hip zijn.

Hoe ouder ik word, hoe jonger Utrecht lijkt te zijn. Hipper. Er zijn ook momenten dat ik niet in Utrecht ben. Dan ben ik vaak in Zwijndrecht, waar mijn zus met haar vriendin en twee kinderen woont. Ik drink daar geen wijn in het café, wel op de bank met de meiden. Soms kook ik, ik praat met mijn neefje van negen over Feyenoord of oefen zijn dictee en ik probeer het eten van mijn nichtje van anderhalf dat ze op mijn kin uitspuugt, terug in haar mond te proppen.

Vaak probeer ik die kinderen ook van school of opvang te halen, zoals vandaag. Ik sta op het schoolplein met heel veel moeders en een enkele vader om me heen. De vader knipoogt. De moeders kijken me aan, met blikken die bekend voelen. De ene moeder draagt een legging als broek met een slobbertrui erover. De ander een spijkerbroek met zo’n wit-rode jas uit de ANWB folder. Ze kijken naar me met schuine ogen. Nog een moeder staat gewoon te wachten in haar paarse huispak. Ze bekijkt me goed. Haar ogen beginnen bij mijn hakken, gaan via mijn spijkerbroek naar boven, zien de bloemetjes op mijn shirt, hoe het colbertje getailleerd is en kijken dan naar de losse staart op mijn hoofd die er misschien nonchalant uitziet (maar wat ik echt niet zo heb bedoeld!). En dan kijken de ogen weg. Het is mijn eigen blik, zoals ik kijk in het café en het wegkijken is jaloezie.

Ineens begrijp ik het. In Zwijndrecht ben ik hip.

Als mijn neefje naar buiten komt, loop ik vol zelfvertrouwen naar hem toe. Hij wuift mijn hand weg, hij is immers te oud om hand in hand te lopen, maar dat geeft even niet want ik ben hip. Met een ingetogen lach (ik wil het er niet in wrijven) loop ik door de schoolpleinzee aan moeders. Ik probeer oogcontact te maken, zoals ik altijd doe tegen mensen die – net als ik – niet hip zijn. Ik glimlach, zoals ik altijd doe. Maar de moeders praten met elkaar en kijken langs me heen. Ik blijf even staan en vang welgeteld één lach. Vast een vrouw die net zo hip wil zijn als ik. Ik zwaai naar haar, wat raar is omdat ze mij niet kent en ze loopt weg.

Verward loop ik met mijn neefje naar huis, eenmaal binnen doe ik een trainingsbroek aan en drinken we chocolademelk. De volgende keer dat ik die kinderen van school ga halen, ga ik dus sowieso in een trainingsbroek. En in Utrecht houd ik het bij mijn colbertje. Hip zijn, wat een afknapper. Ik had het kunnen weten, want hip rijmt op kip. Dat is toch gek.

Op zoek naar de knuffelrebound II

Op zoek naar de knuffelrebound II

Voordat je deel II van dit verhaal leest, moet je eerst even deel I lezen.

Ik sta voor het raam van het café en druk met mijn wijsvinger m’n bril omhoog. Ik ben toch een beetje in de war van de zoektocht naar de reboundknuffel die zo start en duw mijn neus tegen het raam. Ik zie nog geen potentiële knuffelman, wel twee vrouwen van in de dertig die met hun rug tegen de bar leunen. De een heeft een kort, donkerbruin kapsel dat haar hoekige kaaklijn accentueert. Ze draagt een strakke spijkerbroek met bruine enkellaarsjes eronder en op de riem van haar broek valt een gebroken wit, los topje. In dezelfde bruine kleur als haar laarsjes, glijdt een ketting met een azuurblauwe steen langs haar sleutelbeen. Het lijntje boven haar ogen is kaarsrecht en haar nagels zijn op z’n Frans verzorgd. Alles klopt. Ze is mooi. Of ze mooi genoeg is voor vanavond, weet ze niet. Haar ogen zoeken. Naast haar staat een blonde variant. Net zo mooi gemaakt. In principe zien ze eruit alsof ze leuke vriendinnen zouden kunnen zijn. Alsof ze een fijne avond kunnen hebben. Alsof ze kunnen lachen om elkaars opmerkingen. Maar dat is niet wat ze doen. Ze kijken rond en vergeten elkaar. Ze zijn mooi, nemen kleine slokjes wijn en wachten.

“Ik wil dit niet,” zeg ik tegen m’n vriendin. “Ik wil terug naar huis, kaasjes eten, films kijken, scrabble spelen.”
“Nee. We gaan naar binnen.”
“Moet je nou kijken,” ik wijs naar de vrouwen die ooit ook meisjes van achtentwintig waren. “Die speuren de kroeg af naar een man.”
“Ja en als je nou niet naar binnen gaat, word jij ook zo.”
Dat was de juiste snaar. Ik wil niet zo zijn. Ik wil altijd in het café staan om te lachen met vrienden. Of om te huilen, dat is soms ook nodig. Maar niet om te wachten.
“Kom, we gaan een baard voor je zoeken.”
Ik doe de pootjes van mijn bril goed achter mijn oren en we gaan naar binnen. Om te zoeken maar niet zoals zij dat doen.

Ik krijg een wodka-7up van de vriendin en zij neemt een wijntje. We kijken en ik heb sjans. Veel. Ik weet niet of ik voor mannen aantrekkelijker ben door mijn bril of dat ik het nu gewoon daadwerkelijk zie als er oogcontact wordt gezocht, maar er is animo. Het doet me weinig. Ik glimlach veel maar naar niemand in het bijzonder.
“Ik ben trots op je,” zegt de vriendin.
“Ja hoor.”
“Ja en nu wordt het beloond. Kijk, een leuke baard voor je,” ze wijst.
“Mwah.”

Normaal vind ik ze leuk. Normaal vind ik jongens met baarden mannen. En dan heb ik het natuurlijk niet over de hipsterbaard. Nee, mijn baarden zijn mooi en stoer tegelijk en drinken donker bier. Ze hebben bruine of groene broeken aan met grote zakken, waar een hamer of tang uit kan komen zodat ze ter plekke alles kunnen repareren. Tafels, lampen, m’n hart. Baarden hebben mooie, grote mannenhanden die beschermen, borsthaar komt boven het t-shirt uit en ze houden van honden. Sommige baarden nemen hun oerman zijn iets te serieus en zijn daardoor een beetje onhygiënisch, maar dat vergeef ik ze, want zelf houd ik ook niet van schoonmaken en bij de baard voel ik me een meisje.

“Echt niet?” de vriendin is verbaasd. “Hij heeft ook nog eens een staart.”
“Niks aan.”
“Wil je nog wat drinken?”

Ik pak mijn drankje aan en bedenk dat de baarden niet beter worden. Ik vraag me af of een vroegtijdig stoppen met het rouwproces zou kunnen resulteren aseksualiteit. Nee. Het moet iets anders zijn. Een slokje wodka loopt door mijn keel en ik kijk nog één keer rond. Maar nu, neem ik me voor, scan ik de ruimte zonder de baarden. Misschien is dat het, moet ik me openstellen voor jongens zonder gezichtsbeharing. De baarden doen niet meer mee. Ik kijk. En zie een jongen die ik eigenlijk heel de tijd al zag, maar niet bekeek. Hij heeft zich twee dagen niet geschoren, maximaal. Een zwarte broek zonder zakken heeft ‘ie aan en aan zijn voeten zitten Nike air max. Hij draagt een zwart truitje zonder uitstekend borsthaar en daarop een Adidas jasje met paarse en roze accenten. Door zijn zwarte bril met hip montuur kijkt hij me aan. Hij trekt zijn mondhoek omhoog, ik doe het terug. En voordat we iets naar elkaar kunnen seinen, stapt zijn vriend in mijn gezichtsveld en begint een gesprek. Onze bebrilde ogen missen elkaar.

Even later staat hij aan de bar.
“20 seconds,” zegt mijn vriendin met een beetje Matt Damon.
“Je hebt gelijk. Misschien is de bril de nieuwe baard.”

Ik loop richting de bar.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds, hoor ik in mijn hoofd.
Ik ga naast hem staan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
De barmevrouw geeft hem zijn drie biertjes aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
Ik kijk hem aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
“Ik vind jou een leuke vent.”
Hij kijkt me aan, trekt een wenkbrauw op en loopt snel langs me heen.

“Goed geprobeerd,” zegt de vriendin als ik met een gebogen hoofd terug loop.
“Ja, goed geprobeerd. Misschien was het toch geen tijd,” ik doe mijn bril af.
“Misschien niet, maar je bent er wel uit geweest,” ze aait over mijn rug. “Zullen we lekker gaan? De zoektocht even opgeven?”
“Ja, ik ben moe.”

Ik trek mijn jas aan en loop richting de deur. De dames van in de dertig zijn ook nog alleen en lopen voor me het café uit. Ik vind het droevig dat ze zo mooi waren voor niks en wil ze bijna een knuffel geven. Maar zij zoeken natuurlijk ook naar een omhelzing van iemand iemand anders. Dan voel ik een kort, zacht tikje, van twee vingers misschien, op mijn schouder. Ik draai me om.
De baardloze, bebrilde man.
“Sorry,” zegt hij zachtjes. “Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, net. Dus zei ik maar niks. Stom. Maar, ja, ik vind jou ook een leuke vrouw.”
Wat leuk! Wil ik zeggen. Wil je mijn nummer? Wil ik zeggen.
“O,” is wat ik daadwerkelijk zeg.
Tja. Matt heeft niet vertelt wat je na die 20 seconds moet doen.

Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.

De Digitale Datingscene

De digitale dating scene

Na een theatervoorstelling ergens in Brabant zie ik in de foyer een leuke jongen met zwart piekhaar en blauwe ogen aan de bar staan. Per ongeluk raken we aan de praat, de leuke jongen en ik. Waarover weet ik niet precies, maar het gesprek duurde een aanzienlijk aantal minuten waarin hij lachte en ik aan mijn haar plukte: er was chemie. Hij woonde ook in Utrecht, dus ik verzamelde moed en stelde een mooie slotvraag.
“Hé maar heb je dan soms een lift nodig? Ik rij in een gammel, zwart Twingotje en je bent van harte welkom.”
“Nou,” hij blaast wat piekhaar uit zijn oog, “dat wil ik in principe wel, maar ik blijf hier al bij een vriend slapen.”
“Ook goed natuurlijk,” zeg ik.
“Had wel gezellig geweest anders.”
“Ja. Misschien zie ik je dan eens in Utrecht. Zwaai maar als je me ziet rijden.”
“Doe ik,” een kleine glimlach.
Dat was het. Hij vroeg mijn nummer niet. Gaf geen drie zoenen. Hij zei Dag. Ik had ijdele hoop dat hij het net zo een leuk gesprek had gevonden als ik. Maar met het schouderklopje dat hij me bij het afscheid gaf, hielp ‘ie me meedogenloos uit mijn droom.

Eerst stond hier een uitgebreide alinea over hoe stom ik online daten vond en dat ik door een goede vriend toch ben overgehaald om me in te schrijven op een site. Omdat dit een beetje las als een pubermeisje dat op het politiebureau zegt “mam, ik wilde echt geen lippenstift jatten bij het Kruidvat, maar het moest van Cheryl” heb ik deze alinea weg gelaten. Bovenstaande situatie was wel het zoveelste schouderklopjes-moment, dus hopsakee, daar ging ik, de digitale datingscene in. Waarvan de voordelen zijn:
1. Je kijkt online, dus in het café kun je gewoon relaxed bier drinken met je vrienden.
2. Je kunt gesprekken terug lezen, zodat je achteraf weet wat je hebt gezegd (en je kunt langer nadenken over het bedenken van grappige of intelligente opmerkingen).
3. Je kunt ‘shoppen’ op de bank.

De digitale datingscene is niet de makkelijkste om in te vertoeven. Het is bijvoorbeeld moeilijk om een leuk verhaaltje over jezelf te schrijven: ik kwam niet verder dan zorgzaam, grappig en lief maar wel een pittig ding. Daar kwamen niet zulke hele aantrekkelijke jongens op af met namen als Pretwin, Probeerheteens82, I_Can_Feel en Elmo2000. De digitale datingscene is ook een beetje eng dus. Toen kreeg ik een mail van Koen. Koen was kok in Rotterdam, leek tof en na twee berichtjes spraken we af in een café.

“Hé, hallo,” Koen gaf me een hand en kwam met zijn hoofd naar voren om te zoenen.
“Hé, goedemiddag,” ik stak mijn hand uit en m’n hoofd bleef achter. Koen was tien kilo zwaarder dan ik had gedacht en tien centimeter kleiner. Hij droeg een lichtblauw overhemd.
“Zo, eerste keer voor jou, dit?” vroeg hij.
“Ja, eerste keer.”
“Hopelijk meteen de laatste,” hij knipoogde. Ik wist niet wat ik met dat knipoog moest en bestelde een koffie. Koen knipoogde tijdens het gesprek dat twee uur zou duren, dwangmatig veel. Hij was vooral ook zelf aan het woord, al zei hij 15 keer dat hij mij echt ook wat zou vragen, dat hij er helemaal niet van houdt om over zichzelf te praten. Koen vroeg hoe oud ik ook alweer was. De andere 14 vragen houd ik denk ik nog tegoed. Met een van tevoren bedachte slotvraag rondde ik het gesprek af.

“Ik moet zo wel echt weg, maar ik ben benieuwd naar wat jouw lievelingsgerecht is.”
“Dat moet je eigenlijk zien.”
“Je kunt het toch ook vertellen?”
“Wacht maar,” en zijn linkerhand gaat naar zijn rechtermouw. Hij maakt de knoopjes van zijn blauwe overhemd los en stroopt het omhoog. Er komt een champignon onder vandaan. Getatoeëerd. De mouw gaat verder omhoog. Ik zie peterselie en een kippenbout, knoflook, tijm en meer ingrediënten.
“Zo, eh…” stamel ik. “Dus je houdt van kip?”
“Coq au vin,” zegt hij.
Koen en ik hebben het bij deze ene date gelaten.

Na deze afspraak wilde ik tegen de vriend van wie ik digitaal moest daten, zeggen dat ik deze twee uur van mijn leven nooit meer terug zou krijgen en dat ik eigenlijk liever lippenstiften zou jatten bij het Kruidvat dan nog zo’n date te moeten ondergaan. Maar dat deed ik niet. Ik keek nog een keer rond op de datingsite. En schrok. Ik zag dat de leuke jongen – met het piekhaar en blauwe ogen – op mijn profiel had gekeken. Dit moest het lot zijn.

Hallo, wat is het fijn om in de digitale datingscene iemand tegen te komen van wie je op voorhand al weet dat hij normaal is. En toen wij elkaar hadden gesproken laatst, vond ik je ook nog leuk en grappig. Alleen jammer dat je geen lift wilde van mij in m’n zwarte Twingo…

Ik drukte op Verstuur bericht. Mijn hart zat in mijn keel. Ik kreeg een pop-up. Je kunt dit member geen bericht sturen. Je staat op zijn blacklist. Mijn hart bleef in mijn keel hangen. Ik wist niet dat je iemand kon blacklisten of wat blacklisten überhaupt was. Het bleek een tool te zijn waardoor je ervoor zorgt dat iemand jou niet kan zien, ik zag ‘m dus per ongeluk. Gatverdamme. In de kroeg heb ik ook wel eens een blauwtje gelopen, maar dit is een blauwtje op topniveau. Ik sta op iemands’ zwarte lijst.

Ik heb je de voordelen van online daten gegeven, de nadelen krijg je nu ook in een handig rijtje.
1. De persoon die je online ontmoet lijkt niet perse op de persoon die je in het echt ontmoet.
2. Geblacklist worden door iemand is best wel vernietigend voor je ego. En erger: de volgende dag kun je dat je ook nog herinneren.
3. Het hele derde seizoen van Game of Thrones is te downloaden. Veel leuker dan kijken naar Pretwin en zijn kornuiten.

Ik weet niet wat jullie doen, maar ik zet de digitale datingscene op mijn blacklist van het leven en ga naar de kroeg. Normale blauwtjes lopen. Dag.

Het tragische verhaal van de hipsterliefde

Het tragische verhaal van de hipsterliefde

“Ik werk nu eenmaal het beste ’s nachts. Sociaal is dat onhandig, maar het is wat ik moet doen,” zegt een jongensstem twee barkrukken van mij af.
“Dat is inderdaad lastig.” Een meisjesstem.
“Vooral voor anderen. Want ja, ik kan niet anders, het zit in mijn lijf. Snap je.” Hij drinkt een espresso en zijn kopje verdwijnt bijna in z’n baard. Zijn lange haar zit in een knot, hij heeft een zwarte skinny jeans aan en draagt er een zwart-wit geblokt overhemd boven dat tot zijn adamsappel is dicht geknoopt. Het is een hipster.
“Ik snap het,” knikt het meisje begripvol; het is de vrouwelijke variant van de hipster. Ze heeft een grote, blonde knot bovenop haar hoofd en een iets te grote bril met zwart montuur op haar neus. Net als de mannelijke variant heeft ze een zwarte skinny jeans aan, draagt er grote bergschoenen onder en heeft een wijd shirt met een uil erop in haar broek gepropt.

De hipster is niet meer zo nieuw, maar intrigeert nog steeds. Naast de ballen, de alto’s, de gothics, de yuppen, zijn ook de hipsters niet meer weg te denken uit het café. Ik zag deze twee varianten echter nooit in een romantische scene verwikkeld. Maar het is logisch. Soort zoekt soort, dat is de regel. Als dat niet zo is; als een Nederlands goudlokje verliefd wordt op een Thaise armbandjesmaker, worden ze onmiddellijk gebeld om mee te doen aan een televisie programma. Normaal worden hockeymeisjes verliefd op jongens in oranje corduroy broeken, marktmannen trouwen met vrouwen die werken bij de zonnebank en meiden met zwart haar en zwarte lippen gaan met jongens met zwart haar en zwarte lippen. Hoewel ik het niet eerder zag, klopt het dus toch. Hipster met hipster: de baard hoort bij het uiltje.

“Ik woon op een plek waar allemaal creatieven wonen. Dus zij zijn het wel gewend,” zegt de baard, terwijl hij in zijn espresso kopje kijkt.
“Dat is chill,” zegt het uiltje terwijl ze ook naar zijn espressokopje kijkt. En naar zijn baard en naar zijn groene ogen met grote wimpers en zijn grote handen waar hij ‘dingen’ mee maakt.
“Ja, dat is chill,” zijn ogen gaan naar haar knot. En dan naar de bril. En dan nergens naar. Hij zet zijn kopje op tafel en staart. Het uiltje trekt haar mondhoeken lief omhoog, maar de baard ziet het niet.

“Soms leef ik twee weken van diepvriespizza,” zucht hij, “maar dat moet je er voor over hebben.” Het uiltje is niet af te schrikken, al houdt ze niet van diepvriespizza, maar van biologische hummus.
Ze leunt naar voren en zegt zachtjes: “ik kook graag zelf, met producten die niet bewerkt zijn.”
De baard is niet onder de indruk. Hij trekt zijn hoofd naar achteren, zijn rug gaat mee en zijn lippen blijven onbewogen. Het uiltje leunt nu naar niemand.
“Maar ik heb niks tegen mensen die van eten houden dat wel bewerkt is,” probeert ze.

Op dat moment gaat de deur van het café open, een stroom koude lucht komt binnen. Met de kou komt een bloemenmeisje mee. Het bloemenmeisje is iets te slank, heeft blond haar en ze heeft een bloem in haar kapsel of op haar gebroken witte, wijde blouse gespeld. Ze draagt het liefst slippertjes en vorige zomer had ze zo’n indianentouwtje om haar voorhoofd geknoopt. Het uiltje kijkt naar het bloemenmeisje. Het bloemenmeisje kijkt naar de baard.

Het uiltje zet haar bril af en kijkt ook naar de baard. Het is te laat. “Ik ga even naar de wc,” zegt de baard. Het uiltje knikt vriendelijk, legt haar bril op tafel en laat haar hoofd zachtjes zakken. Wanneer de baard terugkomt van de wc stapt hij, zoals het uiltje verwachtte, op het bloemenmeisje af. Verslagen neemt ze een slokje van haar verse muntthee en kijkt verdrietig voor zich uit. Haar variant gaat er vandoor met een andere soort. Hoe moet dat nu. Als hockeymeisjes met oranje broeken eindigen, marktmannen met zonnebankvrouwen, zwart haar met zwart haar en hipsterbaarden met bloemenmeisjes… met wie eindigt het uiltje dan?

Het uiltje en de baard kwamen niet meer samen deze avond. Het uiltje zit thuis aan verse muntthee. Ze heeft haar bergschoenen uitgedaan en wacht op de ware baard. Dus mocht je nu een vrijgezelle vriend hebben die op uiltjes valt of een Thaise armbandjesmaker kennen die ook houdt van blonde knotten, laat het me weten. Mail naar achtentwintiger@gmail.com.