Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.

Het is allemaal al goed hè

Het is allemaal al goed he

Met hoofdpijn zit ik in het vliegtuig. Het is druk geweest. Ik ben moe. Ik ben zo moe dat ik niet eens merk dat we opstijgen. Ik zit bij het raam, maar ik heb de mensjes op de grond niet zien verdwijnen, ik heb de huizen niet kleiner zien worden, ik heb niet kunnen zien dat ik de wereld zoals ik hem ken achter me liet. Ik slaap door twee vliegtuigmaaltijden heen en als ik wakker word, ben ik in Delhi.

Hoewel de spirituele reis met de rest van de vrouwen vrijdag pas begint, en het nu woensdag is, haalt de reisjuf me op van het vliegveld. Gelukkig maar, want als we Dehli in lopen, ben ik onmiddellijk het anker in mezelf kwijt. Ik weet dat mijn anker nog maar een ankertje is, maar dat vijf minuten Delhi het zou doen verdwijnen, had ik niet verwacht. Terwijl tuktuk’s langs me flitsen, meneren op riksja’s roepen dat ze ons weg kunnen brengen, mensen naast ons op blote voeten door de viezigheid lopen, een kar die door een os wordt getrokken voorbij moet, een vrouw met een kind bedelt om ‘chapati’ en er aan één stuk door wordt getoeterd schreeuwen mijn gedachten om hulp. Ik verlies hier mijn anker en ook mijn verstand!

De reisjuf gaat deze avond naar een concert en ik besluit in het hotel te blijven. Toen ik mijn reis boekte dacht ik; ‘ik ga even een paar dagen eerder om te acclimatiseren en om tijd voor mezelf te hebben voor de reis met het kippenhok van acht vrouwen van start gaat’. En nu, zo alleen, wil ik eigenlijk niets liever dan dat de vreemde vrouwen er al zijn. Maar dit was mijn keuze en nu moet ik op de blaren zitten. Ik eet alleen op het dakterras van een restaurantje tegenover het hotel. Het eten is goed, maar ik vind het niet lekker. Het getoeter gaat ook maar door en mijn hoofdpijn wordt erger. Ik ga terug naar het hotel en vind mijn kamer stom. Er is geen raam te bekennen, er zijn geen kussentjes of een stoel en ik hoor nog steeds getoeter omdat ik aan de straatkant zit. Verslagen ga ik op het bed zitten en dan begint het. Mijn hoofd.

Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.

Als ik dit ongeveer 87 keer heb gedacht, begin ik ineens te lachen. Keihard. Mijn buik schudt ervan, ik voel me de lachende boeddha. Een vrolijk mantra zoals ‘Moge ik gemak ervaren’ raak ik in mijn meditaties veel en vaak kwijt, maar een ‘Ik wil naar huis’ lukt wél. Grappig eigenlijk. Schattig, vind ik het zelfs. Ik adem diep in, kijk voor een laatste keer rond in deze ongezellige kamer en pak mijn spullen. Bij de receptie vraag ik om een upgrade. Ik ben lief en mag een gezelligere kamer van mezelf. De nieuwe kamer zit niet aan de straatkant, er staan twee stoeltjes in, er ligt een sprei en wat kussentjes op het bed, ik heb een waterkoker en een zelfs aquarium.

De volgende dag sluit er nog een dame aan, een vrij fantastische, waarmee ik samen wel een stukje door de straten van Delhi durf te lopen. De dames die volgen zijn stuk voor stuk fantastisch, op hun eigen manier. Met de nachttrein reist dit – voor Indiërs bijzondere lange en witte – gezelschap van Delhi naar Bodghaya, waar de Boddhi boom staat waaronder de boeddha is verlicht en waar nu ook een prachtige tempel staat. We zien monniken en pelgrims (hé, ik ben ook een pelgrim!) die van over de hele wereld daar naartoe zijn gekomen, om te mediteren, om bloemen neer te leggen, om te zijn. We reizen door naar Varanasi, waar kalfjes midden op een kruispunt bij hun moeder drinken en ik met mijn slipper in een koeienvlaai sta, we lopen langs de trappen aan de Ganges, aanschouwen het verbrandingsritueel van overledenen. We praten, lachen, eten taart, geven fruit aan kinderen die bedelen, pingelen af (laat mij in godsnaam nooit meer afpingelen, ik zeg al gauw “Ah joh, 300 roepie, heeft die man ook wat…” en dan verpest ik de hele deal) en delen verdriet, kennis en verbondenheid. Het is een reis die we echt samen maken, de vrouwen maken deel uit van mijn ontwikkeling en ik uit die van hen.

Toen kwam de laatste dag voordat de stilteretraite zou beginnen. Ik neem een moment voor mezelf om het allemaal op een rijtje te zetten. Eén besef voert de boventoon: hoe vrolijk ik was de afgelopen tijd. Ik voel het heel helder, hoe anders het is dan in Nederland. Ik was blij, open en kalm, zelfs terwijl mijn oren suisden van het getoeter, terwijl wc’s en straten vies waren en de douches koud. Ik had vertrouwen, in de dag, in het land, in mezelf. Ik huil. De hele reis had ik nog niet gehuild.

Ik huil omdat ik besef dat ik een vrij negatieve kijk op het leven heb. Ik ben vrolijk en positief aan de buitenkant en dat is niet gespeeld maar toch is het in mijn hoofd vaak anders. In mijn hoofd is het ‘dat lukt toch niet’ of ‘dit zal nooit gebeuren’ of ‘zie je nou wel dat…’ Ik ga de negatieve gedachten na die ik de afgelopen tijd heb gehad. Want het is niet dat ze verdwenen in India hoor, o god nee, maar ze werden wel ontkracht. Ik werd ziek en dacht ‘ja hoor, nu heb ik niks meer aan mijn vakantie’. Maar de reisjuf bracht saliethee en de volgende dag was ik er bovenop. Ik had mijn schoenen laten staan bij een hotel en dacht: ‘die dure Nikes zie ik nooit meer terug’. De hoteleigenaar zette de schoenen in een tuktuk en liet ze brengen naar het hotel waar ik nu verbleef. De tranen blijven lopen. Niet meer omdat ik een negatieve kijk op het leven heb, maar omdat ik me er nu bewust van ben en het kan, en mag, veranderen. Langzaam zal ik mezelf eraan herinneren dat ik vertrouwen in het leven mag hebben, dat het me geeft wat ik nodig heb en met humor en zachte ogen mag ik naar mezelf kijken. Zoals één van de dames het verwoordde: “Het is allemaal al goed hè.” En dat is zo. Het is allemaal al goed en er is dus vertrouwen en humor, wat mooi. Ik hoop dat ik er voldoende van heb om die stilteretraite mee door te komen. Gelukkig kan ik daarop bouwen tijdens de stilteretraite.

Hier lees je hoe de stilteretraite was!

Foto: Met dank aan Carin – ik hou van badslippers – Walraven
Reis: Live Mindfully

Aftenterreur

Ik ben gloednieuw! Er moest wat af, dus ik ging gezond eten. Zo van, zelfgemaakte smoothie met komkommer, bosbes, kwark en paprika als ontbijt, kikkererwtensalade mee naar het werk, zelfgemaakte havermoutkoekjes tussendoor en courgettespaghetti met zelf gemaakte pesto als diner en water, heel erg veel water (met citroen), gezond eten. Ook startte ik met drie keer per week rondjes hardlopen om de Kralingse plas. Ja, dat is vijf kilometer. Dus. Ik steek mijn armen in de lucht! Gezond! En zwaai ze heen en weer. Energiek! En ren even op mijn plek. Gloednieuw ben ik!

Tja.
Het waren twee mooi weken.

Afgelopen donderdag had ik eens ontzettende dorst. Vrijdagochtend werd ik wakker met een aantal schrale plekjes op mijn lippen. Zaterdag ging ik met vier bruine blaasjes op mijn onderlip naar een festival. En zondag was het afgelopen. Mijn hele mond zat onder de aften. Maar dan ook helemaal. Het waren er zoveel, dat als ik Oprah was, ik ze aan het publiek kon uitdelen. “Jij een aft! Jij een aft. Iedereen een aft!”

De impact van een aftenleger in je mond is enorm. Je kunt op de eerste plaats niet eten. Ja, koude kwark (kill me now). Je kunt niet goed praten. Lachen doet zeer. Kussen kan niet want aften zijn besmettelijk (een andere tong dan de mijne in mijn mond zou overigens een marteling zijn: ik zou elke misdaad onmiddellijk bekennen). O, en ook leuk. Als je wilt dat aften verdwijnen, spoel je je mond met een zoutoplossing. Zout in open wonden strooien. Het gezegde is tot leven gekomen aan de binnenkant van mijn lip.

Aftslachtoffers kunnen niet op veel sympathie rekenen. Een aft is hoogstens ongemakkelijk, maar om nou liggend op de bank te schreeuwen dat je pijn hebt en vragen om een scheermesje, dat zou overdreven zijn. De taalnazi wilde me dan ook geen scheermesje geven toen ik dinsdag met al mijn aften prikkend op mijn lip, sommigen zelfs bloedend wakker werd. Ik moest huilen. “Kijk nou, ik heb een bloedbek,” snikte ik naar hem. Hij duwde mijn gezicht (lees: mijn aften) tegen zijn borst, ik gilde van de pijn en wilde hem laten ombrengen. Toen vond ik dat iets moest doen. Ik belde de dokter en mocht langs komen.

Ze deed witte, plastic handschoenen aan en ik trok mijn onderlip naar beneden. Dat deed op zich zeer, maar het houten staafje dat zij in haar hand had, zou me nog meer pijnigen. Toch wilde ze het staafje gebruiken. Ze legde ‘m op de binnenkant van mijn lip. Bewoog. Ik wilde haar op haar bek slaan. Pijnscheut na pijnscheut werd de aft ingestuurd en ik plaste bijna in mijn broek, zo zeer deed het.

“Het zijn er wel heel veel,” zei ze. “Dat moet zeer doen.”
“Het doet heel erg veel zeer.”
“Is er iets veranderd de afgelopen twee weken?”
“Nee, niet echt.”
“Nou, je dieet toch?” zei de taalnazi. Hij moest mee naar binnen omdat bejaarden en ik altijd iemand mee moet nemen die kan onthouden wat de dokter zegt. “Ze eet bijvoorbeeld helemaal geen vlees meer.”
“Ja omdat ik nu gezond eet, hoor,” zei ik.
“Geen vlees?” vroeg de dokter. Ze klonk verbaasd. “Vlees is gezond. Je moet wel echt vlees eten hoor. Of een vervanger. Wat heb je nog meer veranderd?”
“Nou, ’s avonds zette ik havermout met amandelmelk klaar in de koelkast. Dat at ik dan ’s ochtends met wat bosbessen. Samen met een zelf gemaakte smoothie natuurlijk. Had ik dan ook al klaargezet: komkommer, paprika en iets zoets. Naar mijn werk had ik dan noodlesoep mee, thuis had ik dan wat groenten gebakken en in tupperware meegenomen. Die deed ik op het werk er dan in. Of ik had een kikkererwtensalade van tevoren al gemaakt om mee te nemen. ’s Avonds maakte ik dan spaghetti van courgette ofzo en zalm. Of een soep van gele paprika’s met gember. Zoiets.”
“Dat is een hoop geplan,” zei de dokter.
“Ja en dan tussen het eten bereiden door ging ik dan hardlopen.” Ik glom van trots. “Drie keer per week moet dat.”
“Heb je ook weleens een koortslip?” vroeg ze.
“Ja,” zei ik. “Als ik gestressed ben en weinig weerstand heb.”
“Aften zijn eigenlijk net zoiets,” zei ze. “Heb je stress ervaren?”
“Nee, niet echt.”
“Nou,” zei de taalnazi. “Het is best dwangmatig allemaal.”
“Nee heel gezond juist toch!” Hoopvol keek ik naar de dokter.
“Het klinkt wel alsof het stressvol is,” zei ze. “Dat in combinatie met geen vlees eten… Ik denk dat het daar wel vandaan komt. Het is de manier waarop jouw lijf de stress uit.”
“Ja?” De aften in mijn mond knikken. Ik kijk naar mijn handen. Ze trillen een beetje. Mijn aften en mijn taalnazi hebben gelijk. Dwangmatig. Ja. Het is zo. Perfectie is mijn valkuil. Dwangmatigheid mijn middel.

De dokter schrijft me lidocaïne voor, een middel dat ik op de aften moet smeren dat ze plaatselijk verdoofd. Terwijl ze op een blaadje krabbelt, vraag ik me af waarom ik altijd zo doorsla. Jezus, waarom moet je altijd zo snél doorslaan, klinkt er meteen daarna. Het is een oordeel op mijn oordeel en dat is niet zen en daar word ik ook weer boos om. Compassie had ik mij ooit beloofd. Zeuren op jezelf haalt niks uit. Er is geen antwoord. Ik ben wie ik ben en als er dan een aftenleger zich in mijn mond stationeert, geeft dat eigenlijk niet. Er zijn vrouwen die doorslaan met eten, met sporten, waartegen niks of niemand ‘ho’ zegt. Er zijn vrouwen met anorexia en boulimia. Ik doe twee weken aan een obsessief dieet en zit vervolgens met een bloedbek vol aften. Dat is eigenlijk een zegen. Bedankt, zeg ik tegen de dokter, maar eigenlijk ook tegen mijn aften. En bedankt lidocaïne, want nu kan ik heel even zonder helse pijnen op een zacht bolletje kaas sabbelen.