Zo’n liefde

Als ik de wachtkamer van de dokter in loop, hoor ik zacht gehuil. Vorige week had ik in mijn vinger gesneden, er moest een hechting in en nu moet die eruit. De wachtkamer is groot en de bankjes zijn leeg. Op één bankje na. Op die plek zit een vrouw van in de zestig te huilen, ze wordt omarmd door haar man. Hij wrijft zachtjes met zijn duim over haar bovenarm. De vrouw heeft een rood gezicht en dept haar tranen met een nat propje papier, dat ooit een zakdoekje was. Haar hoofd rust op de schouder van de man en af en toe verstopt ze haar gezicht in zijn nek. Hun handen met oude aderen zijn in elkaar verstrengeld en liggen op zijn knie. De vrouw huilt door merg en been. Ze huilt op zo’n manier dat ik het voel. Soms heb ik dat bij een kind ook. Wat een verdriet, denk ik dan. Zulk verdriet bij een oude vrouw zien, is extra droevig. 

Ik bedenk wat er kan zijn gebeurd. Wat ze van de dokter gehoord heeft, om zo van slag te zijn. Ik zie het stel zitten voor het bureau van de dokter. Zij nog niet huilend, hij nog niet over haar bovenarm wrijvend. Wel die handen op dezelfde manier verstrengeld op zijn knie.
U heeft Alzheimer, het spijt me.
U heeft kanker, uw borsten moeten eraf.
Nee, dat is niet wat de dokter zegt. De dokter kijkt hèm aan. Het is zijn ziekte. Dat moet het zijn. Hij heeft kanker en zij heeft verdriet. Er is tegen hem gezegd dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft en zij is bang. Dat is het.

Ik denk dat dit het is, omdat het bij mij zo zal zijn.

Als de hechting eruit is gehaald, loop ik terug naar de wachtkamer. De vrouw zit nu alleen, kijkt naar de vloer, een stille traan loopt over haar wang. Ik voel dat er ook bij mij tranen opkomen. Het zijn tranen voor mij. Tranen voor de liefde.
Ik loop naar haar toe, leg mijn hand op haar rug. ‘Mevrouw?’ zeg ik. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik wilde u even veel sterkte wensen.’
‘Dank je,’ zegt ze. ‘Wat lief.’
Ik klop op haar rug, ze begint heviger te snikken. ‘Zal ik even bij u komen zitten?’ vraag ik dan. ‘Tot uw man terug is?’
‘Ja,’ fluistert ze. Met haar propje veegt ze over haar ogen, ze zijn dik.
‘Gaat het een beetje?’ vraag ik. Domme vraag, maar ik vraag het.
‘Ik ben voor alles zo bang,’ zegt ze. ‘Voor alles.’
Ze kijkt naar haar handen. ‘Ik ben bang om naar de supermarkt te gaan, ik ben bang om naar de bakker te gaan, zelfs voor het uitlaten van de hond ben ik bang.’
Straatvrees. Och jee. Dat dat je nog op zo’n leeftijd kan overvallen. ‘Wat naar voor u zeg.’

Dan komt haar man binnen, hij blijft even voor ons staan en kijkt liefdevol naar zijn vrouw. Ik sta op. ‘Gaat u maar zitten.’
Dat doet hij, precies op dezelfde manier als net. De vrouw vouwt zich moeiteloos tegen hem aan, zo zitten deze mensen al jaren. Binnen, dat wel.
‘Hij heeft een paar maanden geleden een hartinfarct gehad begrijp je wel,’ zegt ze. ‘Hij was bijna dood.’
‘Och jee,’ zeg ik tegen de man. De man maakt een wegwuifgebaar met zijn hand, hij kijkt of het hartinfarct een bezoekje aan de bloemenboer was.
‘Bijna dood en nu kan ik hem niet alleen laten.’
Geen straatvrees, ziek van angst, ziek van liefde.
‘Ja, dat lijkt me heel moeilijk,’ zeg ik. ‘U bent natuurlijk bang dat er weer wat gebeurt.’
‘Nee,’ zegt de vrouw, ‘Nee, ja dat ook natuurlijk. Maar ik wil gewoon zo graag bij hem zijn.’
Ze tilt haar hoofd op, ze kijken elkaar aan. Hij doet zachtjes een pluk haar, nat van de tranen, achter haar oor. Hij glimlacht naar haar. Zij reageert met een snik.

‘Ik ben te kort bij hem geweest,’ zegt ze. ‘Zeventwintig jaar, we hebben alles gedeeld samen, kinderen, kleinkinderen, trouwpartijen, vakanties, mensen die dood gingen, er gingen ook zoveel mensen dood. Maar er is nog zoveel meer. Ik wil gewoon bij hem zijn. Hij mag nog niet dood.’ Ze pakt zijn hoofd beet en zoent hem. Het is een droge, harde zoen en ik moet huilen.
‘Ik begrijp het,’ zeg ik. ‘Wat mooi en verdrietig tegelijk.’
Dit zijn mensen die elkaar leerden kennen en die de mooie en de lelijke dingen aan elkaar lieten zien. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die van elkaar houden, zelfs als ze niet van elkaar houden. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die doorleven in elkaars leven, nadat ze zijn gestorven. Dat is iets waar ik niet aan wil denken.
De vrouw snuit haar neus.
Ik zeg zachtjes ‘dag’ tegen de man en wens de vrouw veel sterkte, dan loop ik naar buiten en ik huil. Eventjes, zachtjes. Omdat ik dit kan zijn. Omdat ik geloof dat ik zo’n liefde heb gevonden. Hij mag niet doodgaan, niet voor mij, niet na mij, nooit. Ik lach. Ik heb zo’n liefde.

Verdriet met schurft II

IMG_0014

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je eerst natuurlijk de ellende van deel I lezen.

Samen met mijn zus pak ik mijn spulletjes in. Ik ga bij haar op zolder in quarantaine. De schurftshampoo heeft de jeuk wel iets tot bedaren gebracht, maar ik ben zo moe en duizelig en verdrietig dat ik niet verder kom dan boeken en onderbroeken, dus het is fijn dat ze er is. Ze aait me over mijn hoofd omdat mijn haar het enige is dat veilig is aan mij momenteel. Als de tas volgens mijn zus klaar is, kijk ik rond in mijn huis, waar ik de laatste acht maanden veel met de taalnazi samen was. Hij is overal. Mijn ogen gaan van de boekenkast naar de vensterbank, van de foto’s aan de muur naar de keuken. Elke keer dat hij hier was had hij tussen mijn spullen stiekempjes iets van zijn spullen gezet. Lief. Er was een tijd dat we dachten hier ooit samen te wonen. “Zijn boeken, zijn staafmixer, zijn slakom,” som ik op, “zijn theelepeltjes, zijn ovenschalen, zijn kussen, zijn aanstekers.” Mijn zus trekt haar wenkbrauwen naar me op. “Je lijkt de moeder van Jan Smit wel,” zegt ze. We lachen even en rijden naar mijn nieuwe huis.

Als ik bij het huis van mijn zus en schoonzus aankom, wil iedereen me omhelzen, maar dat mag niet van de schurft. Mijn nichtje wil me een kus geven op mijn mond, maar daar zijn ook gekke blaasjes aan het ontstaan dus dat mag ook niet. Wel zijn er frietjes waar ik vandaag extra maggi op doe en zijn er op zolder schone lakens om op te huilen.

De volgende ochtend staat mijn zus aan het aanrecht koffie te maken. Ze draait zich om, kijkt naar me en slaat haar hand voor haar mond. “O mijn god,” roept ze. “Wat heb jij nou? Hoe kan dat nou? De kinderen, de kinderen mogen het niet zien!” Ik ren naar de spiegel en zie dat mijn lippen en kin onder het bloed zitten. Het zijn korsten en er zitten verse stukjes bij. Nu proef ik het ook. De blaasjes zijn gesprongen. Ik zie eruit als een vampier, eentje die slecht heeft geslapen want mijn ogen zijn nog dik. Terwijl ik mijn mond spoel en er rood water in de wasbak verdwijnt, zie ik dat mijn schurft erger is geworden. Fuck dit. Mijn verdriet wordt boos. Mijn leven is een zooitje maar hier blijf ik niet mee lopen. Fuck dit. Ik ga naar het ziekenhuis!

De dermatoloog is duidelijk. “Dit is geen schurft en je had meteen naar het ziekenhuis verwezen moeten worden.” Onmiddellijk worden er foto’s gemaakt, ik moet in een potje plassen, ze tappen vijf buisjes bloed af en er wordt een stukje van mijn huid afgesneden voor onderzoek. “Voor zover ik het kan zien, is dit het sweet syndrome,” zegt de dermatoloog. Mijn opgedroogde bloedlip begint te trillen, terwijl ik niet eens weet wat het is. “Het is een huidaandoening die spontaan kan ontstaan, maar die ook een andere oorzaak kan hebben,” zegt ze. Ik ben zo overweldigd door de serieusheid waarmee de dermatoloog dit aanpakt dat ik midden in haar kantoortje begin te snikken. “Is het niet gewoon stress?” vraag ik. “Het is net uit met mijn vriend en dat heb ik zelf gedaan en ik sta erachter, maar ik vind het ook erg en ik ben nu weer alleen en ik vind het ook heel erg voor hem.” Deze dokter heeft misschien wel een soort van minor psychologie gedaan, want ze pakt een stoel en komt naast me zitten. Ze klopt op mijn rug en zegt dat de uitslag zo hevig is, dat het niet stress gerelateerd kan zijn. “Ik schrijf een recept uit voor zalf, prednison, lidocaïne voor je lip en ik bel je straks als ik de uitslag van het bloed heb.” Ze geeft me een keukenpapiertje aan voor mijn tranen en ik pak mijn tas. “Ik zou even niet gaan googlen,” zegt ze. “Dan vind je alleen maar enge dingen en het is nergens voor nodig om dat nu te zien.” Ik knik. Gedwee loop ik weg.

Ik vertel mijn vader, mijn moeder, mijn zus en een goede vriendin dat ze niet mogen googlen. Binnen tien minuten hebben mijn vader, mijn moeder, mijn zus en de goede vriendin gegoogled. Ze zeggen allemaal hetzelfde: sweet syndrome is helemaal niet erg. Veel vrouwen tussen de 30 en 35 jaar krijgen het zomaar en het gaat ook zomaar weer over. Ze verzwijgen denk ik het enge waar de dokter het over had, maar dat maakt niet uit. Ik ga niet googlen. Ik kan het niet weerstaan om 389 keer te Facebooken op een dag, maar ik kan mezelf wel weerhouden om ‘sweet syndrome’ te googlen. Denk ik.

Mijn vader belt om ‘even te kletsen’. Ik google niet. De vriendin komt op visite om me een hart onder de riem te steken. Ik google nog steeds niet. Mijn schoonzus maakt mijn favoriete eten. Ondanks dat ik niet heb gegoogled, begin ik me toch af te vragen of ik niet doodga aan sweet syndrome. Ook vraag ik me af hoe het met de taalnazi gaat. Hij is verdrietig, dat weet ik. Ik vind het niet eerlijk van mezelf dat ik alleen maar aan mezelf denk, terwijl hij aan ons denkt. Maar nu kan ik even niet anders. Dan hoor ik mijn telefoon, hij ligt in de tuin. Mijn zus werpt zich op de telefoon en neemt op alsof ze mij is. We hebben dezelfde stem. Ik kan niet horen wat ze zegt, maar ze komt met een grote glimlach binnen.

“Je hebt geen leukemie!” roept ze.
“Wat?” zeg ik.
“Je bloed is goed!” roept ze weer.
“Kon het leukemie zijn?”
“Ja,” zegt ze zachtjes. “Hele kleine kans maar hoor.”

Ik ga zitten en haal opgelucht adem. “Het bloed duidt ook niet op sweet syndrome,” vertelt mijn zus, “maar ze moeten even de urine en het stukje huid afwachten. Volgende week terug naar het ziekenhuis. Maar je bloed is goed! Helemaal goed!” Ik weet even niks te zeggen en vraag een biertje aan mijn zus om het te vieren, maar dat mag niet met mijn prednison. Dan weet ik het niet hoor. O ja. Ik bel iedereen om te vertellen dat ik geen leukemie heb. Iedereen is blij. Ik ook, want ook al heb ik een bloedbek, geen vriend, ben ik lichtelijk overspannen en zit ik onder de schurft waarvan niemand weet wat precies is… ik ben er wel gewoon. En over een paar weken is alles ietsje beter en over een paar maanden is alles weer goed en is er weer bier. Het komt gewoon goed en dat vier ik. Met een grote kop muntthee dan maar.

Verdriet met schurft

IMG_9952

Het is heet in de wachtkamer van de dokter. Ik trek de lange mouwen van mijn trui nog net iets verder over mijn handen en ril. Van de jeuk. Mijn armen zien eruit alsof ik een besmettelijke ziekte heb, dus ik krab netjes op mijn trui. Het jeukt zo verschrikkelijk dat ik eigenlijk al mijn kleren uit wil doen, in mijn nakie wil rondspringen in die wachtkamer en me helemaal het ongans wil krabben. Het liefst krabben alle patiënten mee. Maar dat kan natuurlijk niet. Dus al krabbend, kijk ik rond. Mijn jeuk verdwijnt heel even als ik aan mijn taalnazi denk, die sinds eergisteren niet meer mijn taalnazi is. Mijn ogen blijven hangen bij een stapel tijdschriften, bovenop ligt Psychologie magazine. Op de cover staat de zin Liefdeslessen: inzicht in je hechtingsstijl verandert alles. Ik pak het tijdschrift op en blader, op zoek naar een beetje inzicht dat mij vertelt waar het is mis gegaan.

Er zijn mensen die een angstige hechtingsstijl hebben; ze hebben verlatingsangst, zijn onzeker, willen veel samenzijn en veel lichamelijk contact. Mensen met een vermijdende hechtingsstijl hebben bindingsangst, ze idealiseren een zelfvoorzienend leven en kijken neer op afhankelijkheid. Er zijn ook mensen die normaal hechten, ze hechten ‘veilig’. De veilige hechters leiden een stabiel en voorspelbaar leven van samenwonen, werken, trouwen, op vakantie en op bezoek bij pa en ma. Ik krabbel nog even op mijn trui en bedenk dat ik eigenlijk veilig wil hechten, maar dat ik zowel angstig als vermijdend ben. Dat kan ook, vertelt het artikel. 5% van de bevolking hecht angstig en vermijdend. Dat is misschien waarom het is misgegaan.

De dokter roept mijn naam, ik mag naar binnen.
“Je hebt jeukende uitslag op je armen en romp?” vraagt ze.
“Ja, dat heb ik.” Ik wil eraan toevoegen; “En mijn relatie is afgelopen en ik wilde het zo graag en nu is het niet gelukt en dat vind ik kut en ik zie er ook nog eens zo goor uit.” Maar de dokter is geen psycholoog, dus ik doe mijn trui uit en laat haar kijken.
“Zo.” Ze trekt haar neus op en haar witte handschoentjes aan. “Dat is niet mis.” De dokter bekijkt mijn armen, die vol zitten met grote rode plekken, bulten en korstjes. Als ik er zelf naar kijk, moet ik bijna kotsen. En ik kijk er al twee dagen naar. De dokter raakt één van de vele blaasjes die er ook tussen zitten.
“Kijk.” Ik trek het vel van het blaasje. Er loopt water uit. “Het zijn net blaren,” zeg ik.
“Ik denk dat het schurft is,” zegt ze.
Nu voel ik me echt vies. “Schurft?”
De dokter googlelt ‘schurft’ op haar computer en laat me plaatjes zien. Het lijkt er inderdaad  op.
“Ik geef je shampoo tegen schurft en dan wil ik je woensdag weer zien, goed? Als het niet verbetert, stuur ik je door naar een dermatoloog.”

Met mijn schurftshampoo ga ik naar huis. Onderweg alarmeer ik mijn familie, die krijgen ook spontaan jeuk. Thuis pak ik mijn laptop en typ ook ‘schurft’ in op Google. Vieze plaatjes proberen me tegen te houden, maar ik lees dapper door. Ik ontdek dat schurft wordt veroorzaakt door schurftmijt, een miniscuul spinachtig insect dat leeft in de bovenste laag van je huid. Hij graaft gangetjes in je huid en legt daar eitjes waar meer van die gore beestjes uitkomen. Tegen de eieren en uitwerpselen van die beesten reageert je huid. Gatverdamme. Ik kan wel janken, maar dat kan niet want de bel gaat. Mijn vader en moeder staan samen op de stoep, terwijl ze gescheiden zijn. Dan weet je dat je echt zielig bent.

“Hallo!” roept mijn vader vrolijk.
“Hallo!” roept mijn moeder ook vrolijk.
Van deze ongemakkelijk vrolijk hallo’s moet ik nog meer huilen, maar ik ben een meisje van dertig en die huilen niet. Dus ik omhels ze dankbaar en ga douchen. De schurftshampoo moet immers toch worden aangebracht op een schone, vetvrije huid.

Als ik in mijn onderbroek binnen kom (want mijn rug moet ook ingesmeerd worden) hebben mijn ouders ontdekt dat blijkbaar het totale universum zich tegen me heeft gekeerd: mijn televisie doet het niet en ik heb ook geen warm water. En dan komen daar toch de waterlanders, ook al ben ik dertig. “Het is uit en ik heb schurft en beesten lopen in mij te schijten!” roep ik huilend. Mijn moeder klopt op mijn rug en begint spontaan te zingen. Iets uit het Schaep met de vijf poten. Mijn vader maakt er een klein dansje bij. Het ziet er zo raar uit dat mijn ogen van verbazing stoppen met huilen.

Als mijn moeder mijn rug insmeert, haal ik het Psychologie magazine dat ik van de dokter heb gestolen uit mijn tas. Ik herlees het artikel. Misschien kan ik niet goed hechten of misschien waren wij gewoon niet voor elkaar bestemd. Misschien wilde ik het te graag, misschien ging het te snel, misschien was ik bang, misschien voelde ik niet genoeg. Mijn hoofd tolt. Ik weet het niet. Het enige dat ik wel weet, is dat ik voor nu de goede beslissing heb genomen. Er is rust in mijn hoofd.

Mijn ouders gaan weg als de boiler is bij gevuld en ik analoog televisie kan kijken. Ik zwaai ze na alsof ze me voor het eerst achterlaten op de kleuterschool. Dan was ik mijn dekbedovertrek, alle kussenhoezen en handdoeken op zestig graden. Als ik weer ga zitten, kijk ik naar buiten, over de bomen heen. Daar ben je weer Achtentwintiger. Weer alleen. Ik zucht. Het geeft niet. Het komt weer goed. Je kunt het alleen. Alles komt altijd weer goed. Dan gaat mijn telefoon. Een bericht van mijn zus. “Ik kom je morgen ophalen schurftlijer. Je gaat in quarantaine op zolder, maar we gaan wel voor je zorgen.” Fijn. Nog even niet alleen.

PS. Benieuwd hoe dit afloopt? Heb ik echt schurft en belangrijker; hoe kom ik van hen en hun poep en eieren af? Volgende week lees je deel 2.

PPS. Sorry voor deze meest vieze cliffhanger aller tijden.

Aftenterreur

Ik ben gloednieuw! Er moest wat af, dus ik ging gezond eten. Zo van, zelfgemaakte smoothie met komkommer, bosbes, kwark en paprika als ontbijt, kikkererwtensalade mee naar het werk, zelfgemaakte havermoutkoekjes tussendoor en courgettespaghetti met zelf gemaakte pesto als diner en water, heel erg veel water (met citroen), gezond eten. Ook startte ik met drie keer per week rondjes hardlopen om de Kralingse plas. Ja, dat is vijf kilometer. Dus. Ik steek mijn armen in de lucht! Gezond! En zwaai ze heen en weer. Energiek! En ren even op mijn plek. Gloednieuw ben ik!

Tja.
Het waren twee mooi weken.

Afgelopen donderdag had ik eens ontzettende dorst. Vrijdagochtend werd ik wakker met een aantal schrale plekjes op mijn lippen. Zaterdag ging ik met vier bruine blaasjes op mijn onderlip naar een festival. En zondag was het afgelopen. Mijn hele mond zat onder de aften. Maar dan ook helemaal. Het waren er zoveel, dat als ik Oprah was, ik ze aan het publiek kon uitdelen. “Jij een aft! Jij een aft. Iedereen een aft!”

De impact van een aftenleger in je mond is enorm. Je kunt op de eerste plaats niet eten. Ja, koude kwark (kill me now). Je kunt niet goed praten. Lachen doet zeer. Kussen kan niet want aften zijn besmettelijk (een andere tong dan de mijne in mijn mond zou overigens een marteling zijn: ik zou elke misdaad onmiddellijk bekennen). O, en ook leuk. Als je wilt dat aften verdwijnen, spoel je je mond met een zoutoplossing. Zout in open wonden strooien. Het gezegde is tot leven gekomen aan de binnenkant van mijn lip.

Aftslachtoffers kunnen niet op veel sympathie rekenen. Een aft is hoogstens ongemakkelijk, maar om nou liggend op de bank te schreeuwen dat je pijn hebt en vragen om een scheermesje, dat zou overdreven zijn. De taalnazi wilde me dan ook geen scheermesje geven toen ik dinsdag met al mijn aften prikkend op mijn lip, sommigen zelfs bloedend wakker werd. Ik moest huilen. “Kijk nou, ik heb een bloedbek,” snikte ik naar hem. Hij duwde mijn gezicht (lees: mijn aften) tegen zijn borst, ik gilde van de pijn en wilde hem laten ombrengen. Toen vond ik dat iets moest doen. Ik belde de dokter en mocht langs komen.

Ze deed witte, plastic handschoenen aan en ik trok mijn onderlip naar beneden. Dat deed op zich zeer, maar het houten staafje dat zij in haar hand had, zou me nog meer pijnigen. Toch wilde ze het staafje gebruiken. Ze legde ‘m op de binnenkant van mijn lip. Bewoog. Ik wilde haar op haar bek slaan. Pijnscheut na pijnscheut werd de aft ingestuurd en ik plaste bijna in mijn broek, zo zeer deed het.

“Het zijn er wel heel veel,” zei ze. “Dat moet zeer doen.”
“Het doet heel erg veel zeer.”
“Is er iets veranderd de afgelopen twee weken?”
“Nee, niet echt.”
“Nou, je dieet toch?” zei de taalnazi. Hij moest mee naar binnen omdat bejaarden en ik altijd iemand mee moet nemen die kan onthouden wat de dokter zegt. “Ze eet bijvoorbeeld helemaal geen vlees meer.”
“Ja omdat ik nu gezond eet, hoor,” zei ik.
“Geen vlees?” vroeg de dokter. Ze klonk verbaasd. “Vlees is gezond. Je moet wel echt vlees eten hoor. Of een vervanger. Wat heb je nog meer veranderd?”
“Nou, ’s avonds zette ik havermout met amandelmelk klaar in de koelkast. Dat at ik dan ’s ochtends met wat bosbessen. Samen met een zelf gemaakte smoothie natuurlijk. Had ik dan ook al klaargezet: komkommer, paprika en iets zoets. Naar mijn werk had ik dan noodlesoep mee, thuis had ik dan wat groenten gebakken en in tupperware meegenomen. Die deed ik op het werk er dan in. Of ik had een kikkererwtensalade van tevoren al gemaakt om mee te nemen. ’s Avonds maakte ik dan spaghetti van courgette ofzo en zalm. Of een soep van gele paprika’s met gember. Zoiets.”
“Dat is een hoop geplan,” zei de dokter.
“Ja en dan tussen het eten bereiden door ging ik dan hardlopen.” Ik glom van trots. “Drie keer per week moet dat.”
“Heb je ook weleens een koortslip?” vroeg ze.
“Ja,” zei ik. “Als ik gestressed ben en weinig weerstand heb.”
“Aften zijn eigenlijk net zoiets,” zei ze. “Heb je stress ervaren?”
“Nee, niet echt.”
“Nou,” zei de taalnazi. “Het is best dwangmatig allemaal.”
“Nee heel gezond juist toch!” Hoopvol keek ik naar de dokter.
“Het klinkt wel alsof het stressvol is,” zei ze. “Dat in combinatie met geen vlees eten… Ik denk dat het daar wel vandaan komt. Het is de manier waarop jouw lijf de stress uit.”
“Ja?” De aften in mijn mond knikken. Ik kijk naar mijn handen. Ze trillen een beetje. Mijn aften en mijn taalnazi hebben gelijk. Dwangmatig. Ja. Het is zo. Perfectie is mijn valkuil. Dwangmatigheid mijn middel.

De dokter schrijft me lidocaïne voor, een middel dat ik op de aften moet smeren dat ze plaatselijk verdoofd. Terwijl ze op een blaadje krabbelt, vraag ik me af waarom ik altijd zo doorsla. Jezus, waarom moet je altijd zo snél doorslaan, klinkt er meteen daarna. Het is een oordeel op mijn oordeel en dat is niet zen en daar word ik ook weer boos om. Compassie had ik mij ooit beloofd. Zeuren op jezelf haalt niks uit. Er is geen antwoord. Ik ben wie ik ben en als er dan een aftenleger zich in mijn mond stationeert, geeft dat eigenlijk niet. Er zijn vrouwen die doorslaan met eten, met sporten, waartegen niks of niemand ‘ho’ zegt. Er zijn vrouwen met anorexia en boulimia. Ik doe twee weken aan een obsessief dieet en zit vervolgens met een bloedbek vol aften. Dat is eigenlijk een zegen. Bedankt, zeg ik tegen de dokter, maar eigenlijk ook tegen mijn aften. En bedankt lidocaïne, want nu kan ik heel even zonder helse pijnen op een zacht bolletje kaas sabbelen.

Klontborsten I

Heere m'n tiet

Mannen zitten voor de ontspanning weleens met hun hand in de broek. Ik heb daar geen oordeel over, want ik zit voor de ontspanning regelmatig met mijn hand in mijn bh. Gisteravond keek ik Dr. Phil – omdat hoe laat het ook is, Dr. Phil is altijd op tv – en legde mijn rechterhand in mijn linkercup.

Mijn hand ontdekte iets raars in mijn borst. Het voelde als een klont taartdeeg, dat te lang op het aanrecht had gestaan en toen in een pudding was gestopt. De klont maakte me bang. Ik zette Dr. Phil af en voelde nauwkeuriger. Dit hoort niet in mijn borst thuis, voelde ik. Mijn gedachten gingen meteen naar het ergste wat er kan zijn met je borsten en daarna gingen mijn gedachten en ik naar bed. Dat leek me beter.

De volgende dag ben ik wakker voor de wekker en mijn hand grijpt naar mijn borst. De klont zit er nog steeds. Niet groter, niet kleiner, maar gewoon, nog steeds. Klontkanker, denk ik. Gatver. Ik bel de huisarts en moet bij een vervangende dokter komen. Plukkend aan mijn haar wacht ik tot de receptioniste mijn naam verkeerd uitspreekt, dat is het sein dat ik naar binnen mag. De vervangend arts blijkt één van de knapste mannen onder de 35 te zijn die ik ooit heb gezien. Gemillimeterd bruin haar, grote blauwe ogen en brede schouders. Het blauwe blokjesoverhemd is het enige dat aan hem schort. Shit. Moet jij nu aan mijn…

“Ik heb een klont gevoeld in mijn borst,” zeg ik.
“En wanneer heb je dat gevoeld?”
“Gisteren.”
“Daarvoor niet?”
“Nee, daarvoor niet. Is dat erg? Of juist niet?”
Ik wil medisch wenselijke antwoorden geven, zodat ik weg kan. Het liefste heb ik dat hij keihard lacht en zich hardop afvraagt waarom ik in hemelsnaam met dit klontje naar hem ben toegekomen.
“Zullen we even kijken?”
“Het zal wel niks zijn,” zeg ik, “ik moet ook ongesteld worden en dan zijn je borsten altijd rommelig,” kraam ik uit.
“Loop maar mee naar achter.”

Ik loop mee naar achter, doe mijn trui uit, hang mijn bh over de stoel. Die had ik wel zorgvuldiger uit kunnen kiezen, want zelfs voor Satine uit de Moulin Rouge is dit nog een pittig bovenstukje. De dokter wrijft zijn handen tegen elkaar en voelt. Eerst de goede, zonder klonten, zodat hij kan vergelijken. Hij duwt zachtjes met zijn vingertoppen. Ik hoop dat er in de goede borst toch ook klonten zitten, dat ik gewoon rare borsten heb, dat hij zegt: “Ja, ik voel het. Je hebt klontborsten. Het is lullig, het voelt raar, maar het is onschuldig.” Helaas, hij zegt dat niet.
“Deze borst voelt normaal, nu ga ik even naar de andere.” Hij duwt weer zachtjes en gaat over de klont heen.
“Het zal wel niks zijn,” zeg ik weer.
“Als je iets in je lichaam voelt waarvan jij denkt dat het er niet hoort, dan klopt dat instinct vaak hoor,” zegt hij.
Goh. Mijn instincten kloppen regelmatig niet. Ik vraag me af of ik dan eigenlijk ook heel goed kan auto rijden.
“Ik voel het. Ja hier, onder de tepel. Doe je vaker borstonderzoeken?”
“Nee, niet echt.”
“Ik raad aan om toch één keer per maand je borsten te onderzoeken.”
“Ik ben pas achtentwintig.”
“Steeds meer vrouwen van rond de dertig krijgen ook borstkanker, ik zie het vaker.”
“Ik ben pas achtentwintig,” herhaal ik met een hoog stemmetje.

Hij gaat terug naar de gespreksruimte. Ik trek mijn Moulin Rouge bh aan en loop – m’n trui over mijn hoofd heen trekkend – achter hem aan. Mijn mond is droog.
“Ik wil graag zo snel mogelijk foto’s laten maken,” zegt hij.
Mijn ogen prikken.
“Kun je morgen of anders vandaag?”
“Wat, wat is er dan precies?”
“Wat het precies is, weet ik niet, maar foto’s geven altijd uitsluitsel.”
“Ja. Ik kan, morgen of vandaag. Ik ben een freelancer met te weinig werk.”

De dokter zegt dat ik me niet te druk moet maken. Dat hij zelf het ziekenhuis zal bellen voor een afspraak, want dan is het ’t snelst geregeld. Maar het kan alsnog van alles zijn, zegt hij, we nemen het zekere voor het onzekere. Rationeel weet ik dat het van alles kan zijn, maar de pest is dat ik zo’n levendige fantasie heb. Terwijl ik de dokterspraktijk uitloop, denk al aan mijn gebrek aan verzekering en dat ik straks noodgedwongen weer bij mijn ouders moet wonen. En aan mooie, verdrietige liedjes.

Ik bel een vriend op en vertel over de klont, de knappe dokter en dat je borsten altijd rommelig doen als je ongesteld moet worden.
“Ben je bang?” vraagt hij.
“Best wel.”
“Snap ik. Maar het kan ook niks zijn. De kans is groot dat het niks is.”
“Dat is zo.”
“Het zijn maar foto’s.”
“Ja.”
“En, weet je, in ieder geval heeft er een lekkere vent aan je tiet gezeten.”
Ik lach en veeg een traantje weg. Dat is waar, in ieder geval heeft er een lekkere vent aan mijn tiet gezeten. En nu maar wachten op de tietkiek.

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees dan Klontborsten II