Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.

Verkouden vagina

Zelfgebakken oliebollen liggen op een zilveren schaal, toastjes met kaasjes ernaast en twee flessen champagne staan klaar. Op mijn werkplek – een ruimte die ik deel met nog veertien creatievelingen – hebben we een nieuwjaarsborrel. Een beetje laat, maar dat geeft niet. Er wordt gegeten, gepraat, gegeten, gepraat en gepraat en gepraat. Hier merk ik weer eens dat hoe langer je praat, des te groter de kans is dat het gesprek uiteindelijk over seks zal gaan. Ooit las ik ergens dat naarmate een discussie op internet vordert, de kans steeds groter wordt dat één van de betrokkenen Hitler erbij haalt. Ik vond dat altijd raar, maar nu ik merk dat we live altijd over seks moeten praten, vind ik de online Hitler ook iets minder vreemd.

Na een uur of twee normale praat, ontstaat er dus de seksgespreksronde. Wanneer heb jij voor het laatst seks gehad? is de vraag en nu ben ik aan de beurt. “In de zomer en dat wil ik graag zou houden,” is mijn antwoord. De hoofden om mij heen kijken verbaasd, verward en een enkeling lijkt te zijn geschrokken. Daar word ik dan weer bang van en even overweeg ik om over Hitler te beginnen. Ik besluit mezelf uit te leggen, ik vertel dat ik de laatste maanden druk bezig ben met mij. Met mijn boek, met mindfulness, met veranderen van een gejaagde, strenge vrouw, naar een kalmere, lievere versie van mezelf. En dat is best wel alles absorberend. Ik heb dus simpelweg geen behoefte aan seks. Ik moet er niet aan denken eigenlijk. Er wordt geknikt, maar ik zie aan het overgrote deel dat ze me toch een beetje vreemd vinden.

De volgende dag moet ik een uitstrijkje laten maken. Hoewel ik altijd achtentwintig blijf, ben ik toch al een tijdje 30+. Onderweg naar de dokter bel ik mijn zus op. Na de borrel had ik mezelf in gedachten veranderd in een onmenselijk seksloos monsterlijk ijskonijn en er was niet tegenop te mediteren, zo bleek vanochtend. Mijn zus is heerlijk nuchter.
“Vind je mij een monsterlijk ijskonijn omdat ik geen seks wil?” vraag ik.
“Gatver, jij bent mijn zusje. Jij hebt geen seks.”
“Ja, nou, zeg nou…”
Ze zucht. “Je bent overspannen geweest en volgens mij ben je dat nog steeds een beetje, je werkt zestig uur per week, je zit in dat mindfulness ding om jezelf te veranderen, wat erg goed is trouwens denk ik, dus nee, je bent geen seksloos monsterkonijn.”
“Nee?”
“Nee. En ik weet niet in wat voor wereld jij leeft, maar volgens mij probeert drie kwart van de vrouwen in Nederland er altijd onderuit te komen. Jij hebt niet eens een relatie, dus waar maak je je druk om.”
“Ja. Weet niet.”
“Weet je,” zegt mijn zus dan, “misschien moet je niet altijd alles vertellen. Ik weet dat je open bent en dat ook wil zijn… maar je zit zo vol nu, er kan geen mening meer bij. Je hoeft niet altijd alles te vertellen.”
“Oké, ik moet hangen.” Dat zeg ik vaker als mijn zus gelijk heeft. “Nu gaat er even iemand wél aan mijn flamoes zitten.”
“Wat?” roept ze.
“De doktersassistente.”

In het kamertje doe ik mijn broek uit en ga op de stoel liggen die de doktersassistente aanwijst. Ze doet de deur op slot en legt uit wat ze gaat doen. De eendenbek gaat even onder warm water, dan bij me naar binnen, vervolgens gaat ze met een borsteltje langs mijn baarmoedermond en dat schraapsel doet ze in een bakje en dit bakje gaat naar het lab. Het zal geen zeer doen, maar misschien voelt het onprettig. Even ben ik de innerlijke worsteling omtrent mijn seksloos monsterkonijn vergeten. Het verbaast me. Ik was niet bang voor dit onderzoek, ik keek er niet tegenop, maar als ik hier zo lig met alleen een truitje aan, ben ik ineens ouder dan ik ben, vatbaarder voor ziektes dan ik dacht, kwetsbaarder dan normaal. De werkelijkheid vult de ruimte. De werkelijkheid is dat ik een brief kreeg voor een onderzoek naar baarmoederhalskanker. Die kreeg ik niet toen ik achtentwintig werd. Ik word ouder, mijn leven korter.

De doktersassistente doet precies wat ze heeft uitgelegd en het doet inderdaad geen pijn, het is inderdaad wel onprettig.
“En nu maar hopen dat ik geen kanker heb.” Ik lach, zij niet. Zij heeft hier waarschijnlijk vaker vrouwen liggen die plotseling voelen dat het leven eindig is.
“Meestal is er echt niks aan de hand,” zegt ze. “We delen de onderzoeksresultaten in klassen in. Pap 1, 2, 3A, 3B, 4 en 5. Pap 1 en 2 is niks om je zorgen om te maken. Pap 3A is een lichte afwijking, je kunt het zien als een verkoudheidje van je vagina. Pap 3B tot 5, dat zijn ernstige afwijkingen en dan verwijzen we je door.”
Ik grinnik bij het verkoudheidje. In gedachten zie ik een vagina die rilt van de kou, haar ogen dichtknijpt en zo haar haren snel probeert te laten groeien, als ware een dekentje tegen een aankomend griepje. Ik glimlach. De verkouden vagina redt me in deze kamer van PAP 5.

Als ik terug naar huis loop, denk ik aan wat er eigenlijk overblijft als je ouder wordt. Ik kom maar op één ding uit. Naarmate tijd verstrijkt, is tijd ook het enige dat overblijft. Tijd is kostbaarder dan oordelen, dan geld, dan schaamte. Als ik volgende week bij een volgend seksrondje weer aan de beurt ben, zal ik weer zeggen dat ik er geen behoefte aan heb. Of misschien niet. Misschien zeg ik dat ik een verkouden vagina heb. En anders kan ik altijd nog over Hitler beginnen.

PS. Normaal schrijf ik niet zoveel over Hitler, maar ik heb een zeer fantastische Hitlerkomedie gezien. Er ist wieder da.

Als er een God is

Als er een god is

Een mevrouw van rond de 65 staat voor een kerk in België. Ze kijkt alsof ze moe is. Niet alleen van deze dag, maar van alle dagen die eraan vooraf gingen. In de ene hand heeft ze een droog broodje, in de andere een stuk kaas. Ze neemt een hap van het ene en daarna van het andere. Zonder te kijken naar wat ze in haar hand heeft. Wakend. Snel propt ze het naar binnen, omdat het moet.

Omdat het vakantie is en je in de vakantie dingen bekijkt die je thuis niet zult zien, loop ik de kerk in. Ik leef een leven zonder God, maar God, het is vakantie. En de stilte die in een kerk woont, overtreft elke meditatiesessie in welke yogaschool dan ook. Het is binnen bijna net zo koud als buiten. Toch zitten er in een hoek twee vrouwen met verwaaid haar te schuilen. Met zwarte jassen aan zitten ze dicht tegen elkaar. Ze zien eruit alsof zij ook brood en kaas eten zoals de mevrouw voor de kerk dat doet. Een van de dames rookt een shaggie. Stiekem. Twee andere bezoekers van de kerk wijzen afkeurend naar het rode, gloeiende puntje. Het doet de vrouwen niks. Het is te koud om je iets van een ander aan te trekken. Ik denk aan God. Als er een God is, gooit ze een dekentje op de vrouwen.

Ik ga zitten op de houten stoeltjes die niet gemaakt zijn voor lange sessies. Als er een God is, heeft ze het blijkbaar druk. Niemand zal hier lang blijven, behalve als je nergens anders mag zijn. Ik heb vakantie, dus ik blijf niet lang. Er moet nog gewinkeld en Belgisch bier gedronken. Ik zie de ramen waar in aqua blauw glas in lood verhalen zijn afgebeeld. Het is mooi, het heeft iets hips. De bloemen in de kerk zijn gesorteerd als rouwboeketten en de kaarsjes lijken van de Xenos te komen. Als er een God is, is ze geen interieurarchitect.

Als er een God is, ben jij nu bij haar tante Annie. Jij en zij kunnen het goed vinden, want net als God, was jij ook geen interieurarchitect, maar je hield wel van shaggies. Misschien hebben jij en God wel dezelfde gele vingertoppen van het draaien. Misschien luisteren jij en God wel samen naar Wooden Heart van Elvis en eten jullie witte puntjes met jong belegen kaas, jouw lievelings. Misschien lachen jullie samen tot je hoest van het roken. Want als er een God is, bestaat er waar jij nu bent, helemaal geen longkanker.

In het begin, drie jaar geleden, zag ik je grijze kat nog in de vensterbank liggen als ik langs je huis reed. Verwachtte ik je op de verjaardag van mijn zus. Liep ik langs je portiek en rook ik de geur van Kanis en Gunnik. Maar de laatste tijd denk ik niet meer aan je. Niet elke dag, zoals in het begin. Misschien niet eens elke week. De afgelopen tijd dacht ik niet eens aan je op speciale dagen. Niet met kerst en ook niet met Oud & Nieuw. Zelfs niet op de datum waarop jij vertrok. Maar soms ben je er ineens. Nu. Hier. In de kerk. Nu ik voel dat ik mijn mondhoeken naar beneden trek, precies zoals jij dat altijd deed.

De kaarsjes staan te wachten op een tafel. Ik overweeg er eentje voor mijn liefdesleven op te steken, maar als God zo’n slechte smaak heeft als deze kerk doet vermoeden, kan ze zich er beter niet mee bemoeien. Ik gooi vijftig cent in het daarvoor bestemde bakje en hoor je zeggen dat God een afzetter is. Ik denk dat ze lacht en je koffie bijschenkt. Het kaarsje steek ik aan en ik denk aan hoe ik je nog elke dag zou kunnen missen, als de snelheid van het leven me dat zou toelaten. Maar als er een God is, ben je daar beter op je plek. De wereld en haar maker kunnen wel wat oprechtheid gebruiken, wat Rotterdamse humor en wat van jouw zelf gebakken tulbandcake.

Als ik naar buiten loop, staat de mevrouw er nog steeds. Haar broodje is bijna op. Ze probeert haar leven voorbij te eten. Haar kaken gaan sneller. Hoe sneller ze eet, hoe korter ze leeft. De vrouw steekt de kaas in haar jaszak en loopt de kerk in. Ik kijk haar na. Mild belegen kaas, denk ik, dat krijgt u na dit leven. Als Annie en God wat voor je over laten.

Leven

Leven

Grote bruine ogen kijken terug vanuit de spiegel. Ze lachen. Ze stift haar lippen donkerroze en haalt de krullers uit haar warme haren. Ze kijkt de tuin in en haar buik maakt een vrolijk sprongetje, alsof ze over een heuvel rijdt. De lichtjes zijn al opgehangen, haar vriendinnen versieren de stoelen. Het wordt een kleine plechtigheid in de buitenlucht, waar iedereen bij is van wie ze houdt.

De man die haar gelukkig zou maken, had haar nog moeten vragen. Ze zou verbaasd zijn geweest over hoe snel ze verliefd op hem was geworden en hij zou nooit eerder zijn huissleutel als kerstcadeau hebben geschonken. Ook toen zou ze het sprongetje hebben gevoeld. Ze zouden praten. Wat konden ze goed praten. Ze zouden ook ruzie maken. Ze zouden lachen en vrijen en natuurlijk, nog meer ruzie maken. Maar, na al die jaren zouden ze af en toe nog steeds heel verliefd zijn.

Hij zou haar steunen in haar werk. Beloofde misschien ooit huisvader te worden. Want zij zou carrière maken. En niet zo maar carrière. We zouden van haar horen. Van hier tot in Afrika. Ze zou van de wereld een betere plek maken.

Ze zou met haar vriendinnen nog elk jaar weg gaan: met z’n tienen op stap. Zonder mannen, met rugtassen. Thailand. Scandinavië. Australië. Haar favoriete biertje zou Singha blijken te zijn. De meisjes die vrouwen werden zouden net zo lang met elkaar op vakantie gaan tot de kindjes kwamen. Vanaf toen zouden het weekenden worden.

Haar bevalling zou ze een hel vinden, maar ze zou zeggen dat ze de pijn was vergeten zodra het kindje op haar borst lag. Ze zou lachen door haar tranen heen en haar man loste zijn belofte in om huisvader te worden. Na haar werk zouden ze eten in de tuin en daar zou het kindje zijn eerste stapjes zetten. Later zou ze met hem naar de speeltuin gaan. Ze zou zich ervan moeten weerhouden om achter hem aan te lopen, om hem op te vangen als hij zou vallen. Ze zou hem helpen met zijn wiskunde huiswerk, daarna zijn spullen naar een studentenkamer verhuizen en hem stimuleren om net zo veel van de wereld te zien als zij had gedaan.

Ze zou spreken op de begrafenis van haar vader en later op die van haar moeder en ze zou hun graven verzorgen. Ze zou met pensioen gaan en zich verbazen over het feit dat ze nu ook ineens van kruiswoordpuzzels hield. Altijd zou ze betrokken blijven bij het werk wat ze vroeger had gedaan, al wilde haar man nu gewoon samen met haar puzzels maken. De puzzels maakten ze in de tuin, terwijl ze nog een paar jaar van de rozenstruik kon genieten die haar man geplant had. De geur van rozen vervulden de tuin toen ook haar kleinzoon zijn eerste stapjes zetten. Het was goed. Het einde zou komen op een leeftijd waarop een einde past. Ineens bleef ze voor altijd slapen en werd ze uitgestrooid onder de rozen.

Nooit heeft ze de warmte gevoeld van haren die ze uitrolde voor haar bruiloft. Ze zat op vlucht MH17. Ze zat tussen vele anderen die nog een leven hadden moeten meemaken. Het waren onze vaders, moeders, vrienden, ooms, tantes die erin zaten. Het waren onze buurmeisjes.

Men zegt weleens dat je leven aan het einde in een flits aan je voorbij gaat. Dat de mooiste momenten nog een keertje langs komen. Ik hoop dat jullie in die flits wat anders zagen. Dat lippen werden gestift, tranen gedroogd, lachen gehoord, graven bezocht, puzzels gemaakt en rozenstruiken geroken. Als het waar is dat je leven aan je voorbij flitst, hoop ik dat jullie in die flits de toekomst zagen die er nooit zal komen. Wat zouden het volle levens zijn geweest.

Papa

Papa

De afgelopen tijd heb ik steeds dezelfde droom: nacht na nacht sta ik achter een katheder. Ik kijk de zaal in en herken zwart geklede ooms en tantes, neven en nichten en vrienden van mijn vader. Mijn handen beven. Ik wil beginnen met lezen. Het blad dat ik vast houd, trilt en de letters zweven. Ik neem een slokje water en haal diep adem. Ik wil het goed doen: mooi lezen, zonder huilen, zonder schokken in mijn stem. Mijn zus knikt naar me. Begin maar. Je kunt het, denk ik. Ik wil dat je trots op me bent papa.

Mijn vader is goed in grafredes. Hij heeft er inmiddels zoveel geschreven, dat hij er een verhalenbundel van kan maken. We verloren er veel, verdrietig genoeg bleek kanker in onze familie gulziger dan ouderdom. Keer na keer stond mijn vader daar, krachtig en sterk: voor zijn moeder, broer, zijn zwager, zijn schoonzus, zijn kleine broertje en zijn papier trilde niet. Er was niemand die naast hem stond om het over te nemen als hij toch moest huilen. Hij had geen slokje water nodig voordat hij kon beginnen. Mijn vader opende zijn stuk met een mooie zin, vertelde prachtige anekdotes en sloot af zonder te huilen. Keer op keer. En elke keer was ik zo trots op hem.

De eerste maal dat de dood dichtbij ons gezin kwam, vond ik dat eng. Ik mocht nog niet mee naar de crematie, zo jong was ik. Al zag ik toen niet hoe hij sprak, ik zag wel wat het betekent om iemand kwijt te raken. Het werd stil in ons huis, mijn vader keek verdrietig en geruisloos gingen kleine hapjes bloemkool bij ons naar binnen. Er bleef veel over. Morgen konden we weer bloemkool eten.
“Papa, ga ik ook dood?” vroeg ik nadat we de griesmeelpudding hadden laten staan. Mijn vader keek nog steeds verdrietig. “Nee toch?” zei ik.
Zijn blik werd zachter. “Nee, jij niet.”
“En jij?”
“Nee, ik ook niet.” Hij gaf een kus op mijn hoofd en zei: “Jij en ik gaan nooit dood.”

Er kwam een moment dat ik de dood niet meer eng vond, ik moet begin twintig zijn geweest. Mijn vader was er ook aan gewend geraakt. Op een gegeven moment kreeg hij een hand van herkenning van de eigenaar van het crematorium. “Hoe is het?” vroeg de man dan. “Redelijk,” zei mijn vader. “De koffie is vandaag beter dan anders. Ik zou toch eens overwegen om een biertje in je assortiment op te nemen.” De man lachte en mijn vader liep naar de katheder.

Twee jaar geleden stond ik er zelf, na het verliezen van mijn tante. Het leek logisch dat ik zou spreken: ze was voor mij de liefste.
“Weet je het zeker?” had mijn vader gevraagd, “het is geen kattenpis.”
“Nee, dat weet ik,” zei ik. “Maar als jij het kan, kan ik het toch ook?”
“Ik ga wel dichtbij je zitten,” zei hij. “Als het dan niet lukt, kan ik het overnemen.”
Misschien was het de gedachte dat hij het zou kunnen overnemen, dat ervoor zorgde dat het niet hoefde. Ik sprak, huilde niet en was blij dat ik het gedaan had, maar het was inderdaad geen kattenpis. Het was moeilijk, het kost wat. Ik dacht aan mijn vader: hij had dit al zeker tien keer gedaan, het had veel gekost en ik vond het mooi geweest. Hij mocht alleen nog maar naar zielige liedjes luisteren en huilen. Want huilen kan niet als je moet spreken.

Ik kan natuurlijk niet zeggen dat mijn vader niks meer mag zeggen. Hij zou niet luisteren ook, al zei ik het wel. Maar nu ik weet wat het betekent als je niet mag huilen, toon ik hem wel hoe bezorgd ik ben. “Pas je op jezelf?” vraag ik als er weer iemand overleden is. “Laat anderen eens wat doen, denk nou om jezelf. Je gaat zeker wel spreken? Weet je het zeker? Ja, je moet het zelf weten. Zeg je tegen je vriendin dat ze voor je zorgt? Bel je me als je je rot voelt? Ik hou van je he. Je kan me altijd bellen. God, ik ga janken pa. Nou niet doodgaan. Doei.”

Hij lacht om me en zegt dat hij nog lang niet doodgaat. Nee, dat weet ik ook wel. Die ouwe van mij fietst nog zestig kilometer per dag, denkt aan de slanke lijn, tennist, houdt niet van chips en snoep en rookt steeds minder. En toch die droom. Ik weet wel waar het vandaan komt. Ik ben niet bang voor de dood en mijn vader ook niet, maar het is vermoeiend als je steeds niet huilen mag. Het is verdrietig als je steeds mensen wegbrengt. Het komt dichterbij ook al weet je dat je nog lang niet gaat. Ook al weet je dochter dat je nog lang niet gaat.

De droom duurt en duurt maar. Het is zo’n droom waarvan je weet dat je droomt, maar je kunt jezelf niet wakker maken. Mensen staren naar me, ik neem nog een slokje water, ik haal diep adem, maar het lukt me niet om te spreken. Mijn zus pakt het bevende papiertje uit mijn handen, schraapt haar keel en leest wat ik schreef. Ze doet het goed. Ik kon het niet zonder hem, hij moest het kunnen overnemen. Als de liedjes zijn gespeeld en ik denk; wakker worden nu, gaan we ook nog eens naar de koffieruimte. Nee, mijn wangen zijn nat, het is genoeg, wakker worden, denk ik. En dan is ineens iedereen verdwenen. De leegte is in mijn buik te voelen. Er staan wel veel kopjes koffie op tafel, de plakken cake die door niemand wordt gegeten, liggen te wachten. Uren zit ik alleen naar de cake te staren. Ik ben op. En dan, als ik echt niet meer kan, als ik me heb neergelegd bij het feit dat ik voor altijd blijf slapen en dromen en in dit crematorium moet wonen… op het moment dat ik hem precies nodig heb, komt hij binnen.
“Wat een ballentent,” lacht mijn vader. “Is er geen bier?”
“Verdomme,” zeg ik, boos en blij tegelijk. “Ben je niet dood?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Hoe kan dat nou?”
“Wij gaan toch niet dood.”

Meisje met rode haren – gastblog

Ik stel jullie graag voor aan Isabelle Smit (achtentwintig plus drie): gastblogger #2. Isabelle is een Rotterdammer pur sang die advertenties verkoopt en schrijft in haar vrije tijd. Haar verhalen kun je hier vinden. Voor Achtentwintiger schreef ze een stuk over de persoon die ze lange tijd haar beste vriend heeft kunnen noemen; haar vader.

Meisje met rode haren

Vandaag ben ik weer bij je in het Laurens Verpleeghuis aan de Nieuwe Binnenweg. De beste locatie denkbaar: tegenover mijn werk en schuin tegenover je tweede huis; Melief Bender, de oudste kroeg van Rotterdam. Hoewel het een mooi verpleeghuis is – voor hoever je het ‘mooi’ kunt noemen – blijf ik het een gekkenhuis vinden. Ik betreed de donkere hal die vol zit met bejaarden. De één kwijlt nog smakelozer en mompelt met nog meer consumptie dan de ander. Kunstgebitten klapperen, of liggen naast het hoofdkussen, in een smotsig glas met een bruistabletje. Zodra je door de eerste schuifdeuren heen bent, word je omringt door een geur van incontinentie, en ontbinding. Ze kunnen er ook niks aan doen, maar mijn maag draait zich toch nog een keer om. Wat blijft dit naar, ik voel me schuldig; dit kan ik een intelligente man als mijn vader toch niet aan doen.

Ik loop de gang in en zie je al zitten, op een smal houten bankje met je rollator voor je. Je draagt een grijze Hugo Boss coltrui; je hebt ze in de kleuren donker blauw, zwart en grijs. Sobere kleuren, passend bij je persoonlijkheid. Van onder draag je je nieuwe broek, een beige exemplaar van de H&M, vorige week heb ik deze voor je bij de plaatselijke naai-Turk korter laten maken.

Mijn vader is een nogal gedrongen mannetje, klein en dik, een kaboutertje met rode wangen. Liefkozend zou ik het een gezonde blos willen noemen, anderzijds is het gewoon couperose, ontstaan door jaren lang drank misbruik. Hij zou het prima doen in de tuin, met een rode punt muts en harkje in de hand.

Ik geef je een kus. “Zo Bellemuis,” zeg je, “Zullen we gaan eten?” Samen lopen we naar de kantine. Het is een lopend buffet, eigenlijk een rare benaming voor een plek waar de meesten, het zij rollend, strompelend, hinkelend, of soms zelfs liggend voor bij gaan.
Wat er onder de warmtelampen ligt ziet er meestal nog mistroostiger uit dan de patiënten zelf. Dit komt omdat alles zoutarm is, en koken voor grote groepen schijnt nogal een opgave te zijn. Je hebt menig discussie gevoerd om de dagelijkse prak wat meer jeu te geven, maar daar is helaas tot op heden nog geen gehoor aan gegeven. Vandaag kies je voor doperwtjes met worteltjes, en een saucijsje erbij, met van die schietaardappeltjes er naast. Je weet wel, die bij iedere poging, wanneer je je vork in deze aardappel probeert te prikken van je bord afrolt, met de textuur van een rotte kiezel, en bovendien ook nog eens melig smaakt.

Nadat je yoghurt op is, deze komt godzijdank gewoon uit een plastic verpakking van ‘t Boer’n land, lopen we naar de lift. Op de vierde verdieping stappen we uit, en slenteren we naar je slaapkamer. Het is een tweepersoonskamer, jouw bed staat tegen de muur. Je gaat erop zitten, terwijl ik ondertussen een blik werp in je kledingkast. Elke dag krijg je het voor elkaar er een nog grotere teringzooi ervan te maken. Gedwee zoek ik je vuile was weer bij elkaar. Een combinatie van pis, eten en snot zal er weer uitgewassen moeten worden. Met twee vingers probeer ik alles in mijn roze bloemetjes tas te moffelen.
Hoeveel ik ook van je houd, ik walg van dit klusje, je kunt er niks aan doen, dat weet ik. En toch, iedere dag gaat het mij steeds meer tegen staan.

Als je kleren allemaal in mijn tas zitten kom ik naast je op bed zitten.
Je bent vrolijk vandaag. Veel vrolijker dan de afgelopen week valt me op. Ik ben blij je weer te zien, en ik zeg het dit keer ook. Nog steeds heb je die godvergeten pijn, maar met mokken kom je er ook niet.
“Kom kabouter,” zeg je, “ik ga je veilig naar buiten brengen, dan kan je nog Goede tijden kijken.”

We gaan weer naar beneden. Onderweg passeert een schone dame ons. Een kort zwart rokje met een paar in zwarte panty gehulde benen en een paar fuck-me-boots is alles wat mijn vader ziet.
Op je Clarks versnel je het tempo om nog even van dit uitzicht te genieten.
Dan gaan we nog even zitten op het houten bankje bij de deur.
“En, is het wat?” vraag ik je, terwijl ik je ogen zie oplichten.
“Ik vind het een verademing tussen al die huidkleurige steunkousen.”
“Maar eerlijk, ik zie die benen toch wat steviger hoor.” En je knijpt mij liefkozend in mijn bovenbeen.
We geven elkaar een kus, en spreken af voor donderdag.
Met de vuile was aan mijn stuur stap ik op mijn roze fiets.

Op tijd voor de begin tune van GTST nestel ik mij op de bank, steek een sigaret op, en schenk mezelf een glas witte wijn in. Een rustig avondje ligt voor me, en met m’n benen languit kijk ik naar het Ja-woord van Ludo en Janine. Ik keutel wat na afloop, en stop de was met tas en al in de wasmachine. De ooit zo zwarte tas is inmiddels vaal en grijs van het vele mee wassen. Elke keer probeer ik tegen beter weten in de geur er uit te krijgen, maar deze is inmiddels tot in de stof doordrenkt. Ik schenk het wasmiddel in de daarbij behorende wasbol, en op dat moment gaat mijn telefoon.

Ik sta al te wachten als je vastgebonden op een brancard wordt binnengebracht. Ik hoor je kermende gegil, geluiden waarmee ik elke nacht wakker word. Als je dichterbij komt kijk ik in een paar glazige ogen, je ooit zo mooie blauwe ogen die ik als kind ook wilde. Nu zie ik enkel de pijn en wanhoop er in.

Je ligt links van de deur. Een zaal voor vier personen, de andere drie patiënten worden weggereden. “Is dit omdat…” Ik stik in mijn eigen woorden.
“Ja, houd er maar rekening mee.”
Ze doen nog wat onderzoeken met je, en meten je bloeddruk. Af en toe sla je met je armen om je heen.
En dan, dan verschijnt zij; de verpleegster van het uitzendbureau. Het embleem van de uitzendorganisatie is op haar witte pak gestikt. Ze heeft rood haar, een lelie blanke huid, en rode sproeten.
Ik grinnik in de wetenschap dat als je bij kennis zou zijn, je deze schone dame meteen je bed in zou sleuren, en je hand onder haar uniform zou verdwijnen, als de verleider die je ooit was. Deze rode engel draagt blauwe plastic handschoentjes waarmee ze nu mijn vaders hand begint te strelen. Je ziet hem zienderogen rustiger worden.
“Fuck it,” zegt ze en ze stroopt haar handschoenen af, “die zitten toch maar in de weg.” Met haar blote hand gaat ze verder met strelen, het is een van de liefste dingen die ik iemand ooit heb zien doen. Ze ontroert me.

Ik loop de gang op en barst in snikken uit, als ik wist dat dit onze laatste avond zou zijn, dan had Ludo twintig keer met Janine mogen trouwen, ik was bij je gebleven, al was het maar voor heel even.

Loslaten

Loslaten

“Wanneer kom je nou weer in Rotterdam wonen, joh?” roept mijn tante Annie lachend, terwijl ze in m’n kopje koffie roert. Ze weet precies hoe ik mijn koffie drink, hoe iedereen zijn koffie drinkt. Mijn bakkie met melk en twee zoetjes zet ze neer en ze gaat zitten op haar zalmroze bank.
“Dat weet ik niet, An,” antwoord ik, “als jij dat gouden hert wegdoet,” ik knik naar het vergulde hertenbeeld dat op haar glazen salontafel staat.
“Ja, doei,” zegt ze en pakt haar shag om een peukie te draaien.
Mijn familie begint bij mijn tante Annie. Annie is de vrouw die ons allemaal bindt, met haar gastvrijheid en haar koffie. Ze is de spil van mijn Rotterdam. 19 jaar lang woonde ik 50 meter bij Annie vandaan, totdat ik naar Utrecht verhuisde. Ik zag haar vanaf toen minder, maar telkens als ik op de zalmroze bank zat, de gouden beeldjes zag en de geur van sigaretten vermengd met koffie rook, dan wist ik weer dat ik er was: thuis.

Ik stapte uit de metro toen ik het hoorde: “Annie heeft kanker.” Dat vertel je toch niet terwijl iemand de metro uitstapt, dacht ik. Mijn moeder wist niet waar ik was toen ze door de telefoon huilde dat haar zus kanker had. Kanker, wat een rotwoord eigenlijk. En zo doodgewoon. Iedereen heeft tegenwoordig kanker, bedacht ik. Maar het gaat ook altijd weer weg. Snijden, bestralen, hopen, kotsen en dan ben je weer de oude. Mijn moeder moest zich niet aanstellen, “ja ma, ze heeft kanker. Ze gaat niet dood of zo,” zei ik. “Dus ik ga nu ophangen, ik moet werken. Doei.” Ik hing op, slikte de kanker weg en ging werken. Kanker is te gewoon voor Annie om aan dood te gaan.

Terwijl ze in haar shag peutert, vraagt mijn tante met een grijns: “hoe is het met de knullen?”
“Nou, beroerd,” zeg ik.
Ze moet lachen, net zo hard als ik dat doe. “Knullen houden van lang haar, dat weet je toch,” ze knijpt haar ogen tot spleetjes en steekt haar shaggie aan, “laat het nou toch eens groeien.”

Nooit eerder maakte ik kanker van zo dichtbij mee. Het sloeg snel en hard om zich heen. Daardoor dacht ik na over doodgaan, over wat dat eigenlijk zou betekenen. Het betekende nog weinig. De eerste crematie die ik meemaakte, was van mijn oma. Ik was tien en er waren geen tranen. Wat ik me er nog van kon herinneren, was de cake die ik niet lustte. Die ik eigenlijk nooit meer at na die eerste keer. Want er kwamen meer crematies, we hebben er ‘een hoop weggebracht’, zoals Annie dat zegt. Mijn andere oma ging dood, Bep, Gradus, opa, mijn stiefopa, een oom die ik nooit zag, een tante, de buurvrouw. Dat mensen doodgingen, werd normaal. Ik vroeg me niet af naar welke plek ze zouden gaan, of daar gras zou groeien en of ze er lekkere koffie zouden hebben. Of ze hun zoon of nicht zouden missen en hoe ze dan huilden. Ik dacht er ook nooit over na hoe het is om iemand los te laten; hoe het voelt om achter te blijven met een gat in je dag of in je hart.

“Je gaat lekker naar huis,” zeg ik tegen Annie. Het is drie weken nadat ik hoorde dat ze kanker had. Ze ligt in een vierpersoonskamer in het Ikazia ziekenhuis en het raam staat op een kiertje. Van de dokter mocht ze even snel roken. Ik leg mijn dikke worstenvingers op haar dikke worstenvingers: “hup, in de benen,” grap ik, “we gaan naar je gouden beeldjes. We gaan naar huis.”
“Ja, om te sterven,” zegt ze.
Ik aai wat haar uit haar gezicht en probeer te glimlachen.
“Nou An, thuis krijg je tenminste fatsoenlijke koffie en hoef je ook niet stiekem te roken.”

Toen ze thuis kwam, kon Annie geen shaggies meer draaien of in mijn kopje koffie roeren. De kanker had alles aangetast. Een week later stierf ze. En dan is een crematie ineens heel nieuw. Er werd me ook gezegd dat het nu anders was, dat ik echt afscheid moest nemen. Alles heb ik gedaan om afscheid te nemen: ik heb gesproken op de plechtigheid, at cake, heb gehuild. Maar ze was er nog. Annie is eigenlijk nog heel lang bij me gebleven. Ik hoorde haar lach nog in mijn hoofd, kon de rimpeltjes boven haar lip nog voor de geest halen en rook haar parfum. Dat had ik met Bep en Gradus niet. Die waren weg zodra de rook uit de schoorsteen kwam. Maar Annie bleef.

Tot nu, anderhalf jaar na haar dood. Ik kon nog altijd beelden, geuren en geluiden oproepen, om terug te gaan naar haar, naar thuis. Vandaag niet. Voor het eerst weet ik niet meer hoe haar lach had geklonken.

Dit is mijn afscheid van Annie. Mijn eerste afscheid überhaupt; er zullen meer van dit soort verliezen volgen. Dat is een raar besef, het doet zeer, het beangstigt. Dit is hoe loslaten voelt. Toch ben ik dankbaar, dat ik haar nog zo lang bij me heb gehouden. Ik kijk in de spiegel en zie waterige ogen. Maar ik zie ook dat mijn haar sinds jaren niet zo lang is geweest als dat het vandaag is. Mijn waterige ogen lachen. Ik hoop dat Annie op een plek is waar ze me kan zien. En dat ze er een lekkere kop koffie op drinkt.