Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.

De stap naar burgerlijkheid…

Burgerlijkheid

Ik woonde eens in een studentenhuis midden in het centrum van Utrecht, ik had een kamer op de derde verdieping. Als ik in mijn raamkozijn zat, kon ik mensen sigaretjes zien roken op de terrassen van de Neude, als ik naar beneden keek zag ik hoe de buurmeisjes op de stoep biermeisjes aan het worden waren. Ik hoorde het geluid van studenten die met rolkoffertjes door de straat liepen en jongens op bezorgbrommers. Samen met vriendin N. en vrienden G. en B. en nog wat anderen, woonde ik daar. Het was mooi. Na een paar jaar, vertrokken we. Halverwege de twintig. We kregen banen of verkering en verhuisden naar een eigen huis, net iets uit het centrum, niet te ver, want we moesten toch altijd kunnen ‘zuipen’. Nu is het drie jaar later en N., G. en B. komen bij me eten. Ik heb nog geen boodschappen gedaan.

“Ik wil jullie wat vertellen,” zegt B. “meerdere dingen eigenlijk.”
B. is nooit zo officieel, hij vertelt gewoon. Hij is de relaxte van ons vier. Er moet iets bijzonders aan de hand zijn.
“De vakantie met m’n meisje was echt te gek, ik heb een dikke promotie op mijn werk gemaakt, echt fijn,” en dan zegt hij snel en zachter: “ik ga in Vleuten wonen.”
“Wat?” zeggen wij in koor.
Vleuten is wat Barendrecht van Rotterdam is, wat Abcoude van Amsterdam is. Je gaat in Vleuten wonen als je lang genoeg jong bent geweest, klaar om een gezin te stichten en daarna dood te gaan.
“Te burgerlijk?” B. glimlacht een moeilijke glimlach. Hij had de reactie al verwacht.

Ik ga om de hoek boodschappen doen en denk aan Vleuten. Gehakt, ei, komkommer, tomaat, Vleuten heeft een eigen kerkplein, aardappels, ui, sla en Vleuten heeft een station. Ik leg alles wat er op mijn lijstje staat in mijn mandje en loop langs gezellige, gebloemde placemats. Handig, dan maken de glazen water geen kringen in mijn houten tafelblad. En dat groen past precies bij mijn behang. Wat leuk. Ik pak er vier op. Nee, leg terug! Doe niet zo burgerlijk. Ik ben niet burgerlijk. Ik ben stads. Ik ben een rebel. Ja. Ik koop extra bier.

“Nou, vinden jullie het burgerlijk?” vraagt B. als ik de tafel dek.
“Je gaat samenwonen,” zegt N. “Daar gaat het om, het gaat er toch niet om of je dat in Utrecht doet, Vleuten of weetikveelwaar.” Ze is de liefste van ons vier.
“Fucking Vleuten,” G. lacht hard, “Je gaat in Vleuten wonen, man. Ben je ook gestopt met roken en drinken?” G. is de meest directe van ons vier.
Ik geef G. een stomp en kijk naar B. Hij kijkt beteuterd.

Drie jaar geleden keken we allemaal beteuterd. We praatten over wat we zouden missen aan ons studentenleven, spraken de hoop uit om niet saai te worden. Misschien kwam het door de stroom studenten die schreeuwend door onze straat fietsten. Misschien kwam het door de one night stand verhalen die we deelden. Of misschien kwam het door de nog studerende huisgenoten, die per ongeluk tegen onze badkamertegels kotsten. Wat het ook was, daar wonen, maakte ons allerminst saai. Met het vertrek uit ons huis werden we wel saaier. We keken met thee op de bank The Voice op vrijdag, in plaats van dat we gingen zuipen. Daar zijn we inmiddels wel overheen. Maar de volgende stap, de stap naar de burgerlijkheid. De stap naar Vleuten… Zijn we daar klaar voor?

“Waarom is het erg, om burgerlijk te zijn?” vraag ik. “Ik bedoel, wat is burgerlijk zijn eigenlijk?”
“Wonen in Vleuten,” grinnikt G. Hij geeft B. een meelevend schouderklopje.
“Ik ben blij voor je,” zegt N. “Het is jullie gegund en Vleuten is vast fijn.”
“Ik ben ook blij,” probeer ik. Al zie ik B. en zijn dan vast zwangere vriendin volgend jaar al over het kerkplein lopen, langs plekken waar kinderen nog kunnen buiten spelen. Hun huis ruikend naar koffie en borden vol bloemkool met een papje en met een gevulde koelkast, gewoon, hoe het hoort.
“Vleuten is zeven minuten met de trein of zo, B.,” zeg ik. “Geen zorgen.”
“We gaan dan toch nog wel gewoon zuipen?” zegt hij.
“Tuurlijk gaan we zuipen,” zeg ik.
Ik heb tegenwoordig niet meer zoveel zin om te zuipen, maar zeg niks. Niemand zegt iets. Uit angst voor de burgerlijkheid. De angst voor burgerlijkheid van een achtentwintiger is vergelijkbaar met de angst van een 65+’er die bijna met pensioen gaat. Bang zijn voor het er niet meer toe doen. Maar doet het ertoe dat je er niet meer toe doet?

“Ik hou van scrabble,” zeg ik ineens terwijl ik de pannen* hard op tafel zet. “Ik hou van een gevulde koelkast en vind one night stands stom geworden, ik hou van placemats die horen bij mijn behang en dat mijn huis ruikt naar koffie. Ik hou van bloemkool met een papje eten, soep maken, breien en een schone badkamer.”
“Sjezus,” G. schudt zijn hoofd. “je maakt me bang.”
N. lacht, “Je mag best burgerlijk zijn, dat wordt iedereen uiteindelijk toch.”
“Ja?” ik ga opgelucht zitten. “Nou, dat wil ik dus allemaal en ik wil soms ook gewoon níet drinken. Wil jij dat ook allemaal B.?” vraag ik.
“Nee, doe eens normaal joh,” zegt B. “Mijn vriendin woonde al in Vleuten en zij heeft het grootste huis.”
O. Ik ben klaarblijkelijk de burgerlijkste van ons vier.

*Ik kookte aardappels met gehaktballen en komkommers met sla en mayonaise. Burgerlijkheid. Zonder dat ik het wist, ben ik er al bijna. Hoezee.

Hoe The Twilight Zone verdween

Hoe The Twilight Zone verdween

Voordat je aan dit verhaal begint, is het belangrijk dat je The Twilight Zone wel eerst even leest. Wat zeg je? Al gelezen natuurlijk? O sorry. Ga dan gauw verder.

Vanochtend mocht ik haar uit bed halen. Haar kleine, mollige handjes wrijven in haar nog dichte ogen. Haar donkere krulletjes zitten in de war en ze heeft haar poet in de mond. Zo noemt ze haar knuffeltje: poet. Ze geeuwt en doet haar oogjes open, die zijn dik, van het huilen voor het slapen gaan. Net als die van mij.
Haar korte armpjes strekt ze naar me uit: “tanta!”
“Hallo meisje,” lach ik.
“Haaajo.”
Ik pak haar op en als een baby hou ik ‘r tegen me aan. Eigenlijk is ze hier net iets te zwaar voor, maar dat maakt ons niet uit. Ze legt haar hoofdje in mijn nek en ik doe mijn ogen dicht. Ze is warm en haar lijfje nog zwaar. Rustig dein ik heen en weer en zing zacht een verdrietig liedje van Acda en de Munnik. Ze begint te huilen. Niet iedereen houdt van Acda en de Munnik.

“Goedemorgen meisjes,” zegt mijn zus.
Ze geeft ons allebei een zoen en pakt mijn nichtje over.
“Kom op, we gaan lekker ontbijten.”
We lopen de babykamer uit en mijn verdriet in. Het is zaterdagochtend. Het is zaterdagochtend, ik ontbijt met het gezin van mijn zus en mijn vriendje heeft het gisteren uitgemaakt. Het gezin bestaat uit mijn zus, haar vriendin, hun zoon en hun dochtertje en ik kan ‘m eigenlijk geen vriendje noemen omdat we niet eens lang genoeg samen waren om buiten hand in hand te lopen. Ik smeer een boterham met smeerworst voor mijn nichtje. Er liggen eitjes op tafel, croissantjes op borden en fruit in bakjes.
“Eet nou wat,” zegt mijn zus zacht maar streng.
Ik neem een slokje koffie; hij was toch niet verliefd op me. Ik hap uit mijn te warme croissant en was verliefd aan het worden. M’n nichtje gooit een stuk boterham met smeerworst op de grond.

Mijn schoonzus draait de thermostaat op 20 graden, voor het eerst dit najaar en zet een plaat van Boudewijn de Groot op. Tante Julia. Ze zingt mee. ‘Ja, tante Julia ik lijk al weer veel ouder, ik speel piano als u wil, maar haal uw borsten van m’n schouder,’ gek dansend loopt ze terug naar de eettafel. Mijn neefje lacht om zijn moeder of om de borsten uit het liedje, er komt een beetje thee uit zijn neus. Ik lach omdat ik niet huilen wil. Hier is een jeugdherinnering in de maak. Over vijftien jaar zal mijn neefje deze ochtend kunnen terughalen; hij zal Tante Julia horen, de thee in zijn neus voelen, de geur van de kachel die net aan is en ziet zijn moeder raar dansen. Ik zal deze ochtend terughalen als de ochtend dat ik voor het eerst sinds mijn zestiende weer kennis maakte met oogbullebakken. De gele harde goedjes die je uit je oog moet pulken als je te hard gehuild hebt de dag ervoor.

“Nou, doe nu eens normaal,” zegt mijn zus tegen m’n nichtje dat nog steeds stukjes brood met smeerleverworst uit de kinderstoel gooit.
“Tanta!” zegt mijn nichtje, ze lacht naar me.
Ik knipoog naar haar, neem nog een hap van m’n croissantje en hoor hem weer zeggen dat het niet aan mij ligt.
“Als je niet wilt eten,” hoort mijn nichtje, “dan eet je niet,” en ze wordt op de grond gezet. Op haar billen schuift ze heen en weer.

Mijn nichtje is naar de salontafel kont-geschoven en zit naar ons te kijken. Met haar poet in de mond. Ik drink mijn koffie, kijk naar mijn nichtje en denk aan hoe ik afscheid nam van het vriendje dat geen vriendje was. Mijn kop thee was nog vol, maar er was niks meer om voor te blijven. Ik zei Dag alsof ik hem morgen weer zou zien. M’n zus gaat voor mijn nichtje zitten en zegt: “Loop eens naar mama!”

Ze probeert het al een tijdje; ze komt een beetje omhoog, staat rechtop maar voordat ze een stap kan zetten, valt ze weer op haar billen. Nu ook. Een beetje omhoog, ze staat en, en, en… ze loopt. Ze loopt drie stapjes en valt op haar billen. Even zijn we stil. We kijken. En dan geschreeuw: “Goed zoooo!” Ze schrikt, misschien van het lopen, misschien van het schreeuwen. Ze huilt. En ze lacht. Mijn ogen lopen weer vol; van trots, van verdriet, van blijdschap, van verwarring. Ik ga bij haar zitten en veeg mijn tranen weg. “Tanta,” en ze geeft me haar poet. Alles wordt even lichter. Dat het niet wederzijds was, maakt het niet minder bijzonder. Ik zal me deze ochtend toch anders herinneren. Het was de ochtend dat mijn nichtje haar eerste stapjes zette op de vloer en ik in de liefde. Voor het eerst overwon ik The Twilight Zone.

Doorkijken

Doorkijken

Als je vrijgezel bent, mis je weleens wat.
Je mist het dat iemand lief ‘t haar uit je gezicht aait.
Je mist het dat iemand je hand pakt omdat hij ziet dat je aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat jij iemands hand pakt omdat je ziet dat hij aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat iemand zegt; “ga jij eens even op de bank zitten, je bent moe, ik ga iets voor je koken en ik weet precies wat je wilt”.

Soms mis ik dat ook allemaal niet. Maar soms wel. En soms zeg ik het: ik mis zo een iemand. Ik zei het gisteren. Tegen een vriendin die sinds haar eerste schooldag op de middelbare al met haar vriend is. Ze reageerde met: “Je kunt ‘m overal tegen komen,” toen wreef ze hard doch liefdevol met haar hand over de mijne en zei: “echt.” Meer mensen reageren op een dergelijke wijze. Ik heb het gevoel dat deze luisteraars denken dat ik antidepressiva slik om Het Grote Gemis te onderdrukken, terwijl ik dwangmatig verder zoek naar de vader van mijn kinderen. Even voor de duidelijkheid: dat is niet zo. Maar soms wil ik gewoon zeggen dat ik iemand mis. Soms wil ik ook zeggen dat ik niet begrijp wat de groene paprika in het paprika trio doet. Die vindt niemand lekker.

“Je kunt ‘m tegen komen in de Albert Heijn, je bent gek op vlees, misschien staat ie wel bij de vleeswaren. Of in het park, je houdt toch van mannen met honden, misschien moet jij ook een hond nemen en dat je elkaar dan daar ontmoet. Of misschien toch gewoon in de kroeg. Een kroegtijger past wel bij je.” De vriendin gaat – goed bedoeld – door met het benoemen van potentiële ontmoetingsplekken, terwijl ik bedenk dat ik het zat ben dat mensen potentiële ontmoetingsplekken opsommen. En dan, ineens, denk ik aan Timo. Typles Timo.

“Leg je vingers op het toetsenbord. Neem de basisposities in. Linkerwijsvinger op de F linkermiddelvinger op de d, linkerringvinger op de s en de linkerpink op de a. Tik f, f, r. Nog een keer. F, f, r. En doe dat zes keer.”
Ik was veertien en zat na schooltijd op typles. Niet veel ouders die op Zuid woonden, zagen ’t nut in van het kunnen typen met tien vingers, dus er waren weinig kinderen in het informaticalokaal. De coole kinderen zaten niet op typles. Behalve ik dan natuurlijk. Timo zat een paar stoelen rechts van me. Ik vond hem niet knap of stoer. Hij had een bril. Hij had een bril en die schoof hij een paar keer tijdens het typuur omhoog. Hij keek naar me. Ik keek naar hem. En dan voelde ik iets, iets dat ik niet kon beschrijven. Leuk vond ik ‘m niet. Dat kon niet, want hij was niet knap of stoer. We zaten niet bij dezelfde club, we hadden niet dezelfde stijl, we zaten niet in hetzelfde groepje, hij paste niet bij wat voor een soort jongen ik door de gangen wilde wandelen.

“Misschien moet je op een theatervereniging. Een jongen die aan toneel doet, zou ook goed bij je passen,” zegt de vriendin.
“Nee,” zeg ik ineens vastbesloten, “nee, nee, nee. We moeten ophouden met het waar. Ik moet kijken naar wie. Door het oordeel heen. Ik moet doorkijken.”
De vriendin zegt niks.
“Ik ben het dubbele van veertien, maar bekijk mannen nog steeds alsof ik in de pubertijd zit. Past hij bij mijn vrienden? Reageert hij op een zelfde manier op problemen? Vinden we hetzelfde leuk? Lacht hij ook om dat stomme filmpje van Lau en Tiny?
“Tja,” de vriendin lacht, “waarom doe je dat eigenlijk? Je eindigt toch altijd met iemand waarvan je het nooit zou hebben verwacht. Kijk maar naar mij en m’n vent.”
Ze heeft gelijk. Ik ben verbaasd.

Ik moet beter kijken en me laten verrassen. Misschien loopt er wel een vegetariër rond die geen hond maar een kat heeft, die nooit in de kroeg komt, toneel haat maar toch bij me past. Misschien verdienen de Typeles Timo’s van nu een kans. Openstellen dus. Voor nieuwe zienswijzen, andere reacties en nieuwe grappige internetfilmpjes. Al is dat eng. Om kwetsbaar te zijn, om de controle weg te geven. En dan moet ik ook nog eens hopen dat de Timo’s dat ook bij mij kunnen. Want ik pas niet makkelijk in elk plaatje; bij mij is doorkijken ook geen overbodige luxe.

Het leest als een klus. Maar stel je voor dat het lukt; dat doorkijken werkt. Dan kan ik straks niet soms meer iemand missen. Dan zit er straks ineens iemand in mijn huis die lief het haar uit m’n gezicht aait, die mijn hand pakt als hij ziet dat ik verdrietig ben en die weet dat wanneer ik moe ben… hij een spiegelei voor me moet bakken.

Maar, op één gebied zal ik niet doorkijken. Ik doe geen concessies wat de groene paprika betreft. Die moet hij ook uit het paprika trio willen.

Follow my blog with Bloglovin