Vetrollen

Ik ben altijd een beetje dik geweest. Toen ik veertien was, was ik op m’n ergst. Ik zag eruit als een krentenbol op pootjes met vet haar. Mijn moeder had daarentegen altijd een perfect figuur. Mooie benen, slanke taille en goede borsten. Ze zeurde weleens over ouder worden en rimpels, maar nooit veel, want ze bleef er goed uit zien. Ze zag er beter uit dan ik.

Het was een oneerlijke situatie. Ik zag aan de moeders van Salima en Stephanie dat het de omgekeerde wereld was. Zij hadden dikke, verlopen moeders en dat vond ik goed, zo hoorde het. Dochters moeten knap en slank zijn, moeders uitgezakt en dik. Bij ons waren de rollen omgedraaid. Mijn moeder was mooi en slank, en ik dik en bepuist.

Inmiddels is het 15 jaar later en mijn moeder is met haar 62 lentes nog altijd een leuke vrouw. We spraken afgelopen weekend af in winkelcentrum Keizerswaard. Ze staat te wachten bij de HEMA. Haar haar is rood geverfd en met de krultang gestyled. Ze is goed opgemaakt en ook vandaag is haar outfit op kleur – blauw is het vandaag – doorgevoerd tot op haar sokken. De jaren zijn voorbij gegaan en ze werd ouder, maar zeker niet dikker. We drinken koffie.

“Ik moet wat nieuws kopen,” zegt mijn moeder. “Nieuwe kleren.”
Mijn moeder wil altijd wel nieuwe kleren, dus verbaasd ben ik niet.
Dan pakt ze met haar beide handen haar buik beet. Een vetrolletje. “Kijk eens!” roep ze terwijl ze het vet op en neer beweegt.
Ik kijk naar de bewegende vetrol die ik inderdaad nooit eerder zag.
“Ik word dik,” zegt ze. Haar toon zit tussen boos en verdrietig in.
“Zo,” zeg ik, meer niet. Eigenlijk voelt het een beetje alsof de wereld weer klopt, maar dat mag ik niet zeggen. Eindelijk – op haar 62e – heeft mijn moeder een minder goed figuur dan ik. Of nou ja. We hebben hetzelfde figuur. En ik ben 31.

Na de koffie rekenen we af en struinen we verder door Keizerswaard. We staan even stil bij een winkeltje dat Miss Jenny heet.
“Daar hoef ik nou niet meer naar binnen,” zegt ze beteuterd. Even blijft ze staan, aarzelend. Ze hoopt dat ik wel naar binnen wil, zodat ze mee kan.
“Nee,” zeg ik beslist. “Dat hoeft niet.” Ik werd altijd ziek van winkels als Miss Jenny. Ze verkopen enorm goedkope kleding; strakke truitjes van flutstof, broeken die ik niet eens over mijn kuiten krijg en veel kleding heeft glitters. Nu is mijn moeder niet van glitters en strak hoeft ook perse niet van haar, maar goedkoop wel. Mijn moeder is een koopjesjager en een broek is pas echt een geslaagde aankoop als hij minder dan zeven euro kost. Dus, ik moest vaak mee naar Miss Jenny maar nu hoe niet meer. We lopen verder.
“En hier?” Ik blijf staan bij M&S mode.
“Nee. Zo dik ben ik nu ook weer niet.” Ze wijst naar de plus size modellen in de etalage. Ze heeft gelijk, zo dik is ze nou ook weer niet.
“Hier dan?” Ik knik naar Vögele.
“Nee. Zo oud ben ik nu ook weer niet.” Ze haalt haar neus op voor de keurige pantalons in de rekken. Ze heeft gelijk, zo oud is ze nu ook weer niet.

“Laten we hier naar binnen gaan.” Voordat ik het weet, is ze me voor gegaan in de Cool Cat. Harde muziek komt ons tegemoet.
“Mam, dit is niets voor jou.”
“O nee? Waarom niet?” Ze struint door de rekken waarbij grote rode borden hangen met in witte letters ‘50% korting’ erop. “Het is uitverkoop!”
“Nee ma, alles is hier strak en stom.”
Ze neust in een rek met truitjes en haalt er eentje uit. Het is een lief truitje, blauw met bloemetjes. Het is een klein truitje. Te klein voor haar nu.
“Het is maat 40!” roept ze. Ze trekt aan beide kanten, maar echt veel groter wordt het niet. “Die pas ik nooit.”
Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik 14 was en ik dingen wilde kopen die me niet stonden. Mijn moeder zit nu voor het eerst in haar leven in een soortgelijk pakket.
“Ik ben echt dik,” zegt ze terwijl ze ook de andere truitjes afkeurt, om vetroltechnische redenen.
“Ik ben ook dik,” zeg ik om haar te troosten. Ze hoort me niet, inmiddels is ze doorgelopen naar de broeken. Uit ervaring weet ik dat ze ook hier teleurgesteld zal worden en daarom grijp ik in.
“Mam, het maakt niet uit, kijk eens.” Ik pak met beide handen mijn vetrol vast en beweeg ‘m op en neer. “Ik ben ook dik!”
Mijn moeder kijkt naar mijn vetrol, dan naar mij en ze zegt zachtjes: “Maar dat was je toch altijd al?”

Ik lach. Om mijn moeder, om het feit dat ik in een winkel met mijn vetrol in mijn handen sta en om mijn moeders bizarre eerlijkheid. Ik heb het niet van een vreemde. Ik sla haar zachtjes op de schouder en zeg dan: “Bedankt ma.”
Geschrokken houdt ze haar hand voor haar mond. “Dat had ik niet zo bedoeld.”
“Het geeft niet,” zeg ik. Het geeft echt niet. Mijn moeder heeft mij door mijn puisterige puberjaren gesleept. Toen ik werd gepest, is ze naar het schoolplein gekomen om het jongetje terug te pesten. Toen ik wilde lijnen, hielp ze me met gezond eten. Toen mijn puisten weg moesten, ging ze met me mee naar de huisarts. En dan mijn lievelingsherinnering: toen ik het ’t meest nodig had, stonden er tussen de middag ineens een keertje frietjes op tafel. Gewoon, tussen de middag. Wat hield ik toen van haar. En wat doe ik dat nog steeds.
Ik steek mijn arm naar haar uit. We gaan iets leuks voor haar vinden dat ze past.
“Zullen we toch nog even bij Miss Jenny gaan kijken?” vraag ik.
“Vooruit.” En ze haakt haar arm in de mijne.

Baby eendjes

Baby eendjes

Er zijn momenten dat je leven helemaal klopt. Tenminste, dat schijnt. Mensen hebben me verteld dat ze ‘nu pas echt gelukkig waren’ of dat ‘alle puzzelstukjes op hun plek vielen’. Ook gehoord: ‘Ik wist niet dat ik me zó zou kunnen voelen.’ Omdat ik zelf systematisch allerlei puzzelstukjes kwijt raak, per ongeluk stuk maak of gewoon weggooi, heb ik nooit ervaren hoe het is om een helemaal kloppend leven te hebben. Misschien dat ik daarom ook een pesthekel heb aan de mensen die wel ‘gelukkig’ zijn. Geluk. Ik stel me bij ‘geluk’ het einde van een romcom voor, waarbij een knappe man en ik zoenend voor een fontein in de zon staan, om te vieren dat ik de wereld van het Kwaad heb verlost en tegelijkertijd een Miss Universe verkiezing heb gewonnen.

Afgelopen zaterdag leek een dag als elke andere dag in mijn normale, matig gelukkige leven. Ik stond op de Groene Kruisweg in Rotterdam voor een rood stoplicht te wachten. Nog een uur en een kwartier en dan zou ik bij mijn taalnazi zijn. Het licht sprong op groen. Ik zette mijn voet op het gaspedaal en wachtte tot ik kon rijden. Niemand reed. Maar er was ook niemand die toeterde. Ik keek om me heen om te zien of ik deze matrixachtige ervaring kon verklaren. Het was immers Rotterdam. Hier toeteren we bijna al als het stoplicht nog op rood staat. Door mijn raam zag ik een man van middelbare leeftijd met kleine stapjes tussen de auto’s door rennen. Aan mijn passagierskant trippelde een mevrouw. Ze renden achter iets aan. Ik deed mijn deur open en keek naar de weg. Het waren eendjes. Baby eendjes. Ze renden tussen de auto’s door die wachtten voor een groen stoplicht. Het was een grappig en lief gezicht. Heel Rotterdam stond stil zodat deze eendjes gered zouden worden.

En plotseling schrok ik me helemaal de tering want mijn leven klopt. Ik hield nooit van babydiertjes en nu glimlachte ik om kleine eendjes. Terwijl de man en de vrouw achter de donzige baby’s aan renden, nam een gelukzalig gevoel bezit van mij. De zon begon te schijnen, ik hoorde een fontein spetteren, mijn hersenen zetten zelfs een zoetsappige liedje op. Daar waren de puzzelstukjes. Ik heb genoeg opdrachten om van te leven en tegelijkertijd kan ik aan mijn roman werken, ik heb een knappe vent die gek op me is, mijn familie is gezond en lief, mijn vrienden zijn te gek. Ik ben gelukkig, schoot er door mijn hoofd. Holy. Shit.

Omdat het gevoel van ‘gelukkig zijn’ in mijn ietwat verstoorde geest onmiddellijk een argwanende tegenreactie oproept, deed ik ter plekke een test. Terwijl de man en de vrouw geluiden tegen de eendjes maakten die ze ook tegen hun kat maken, maakte ik een lijstje van dingen in mijn hoofd die ik normaliter haatte.

Kattenfilmpjes. Haatte ik. Maar om deze foto moest ik wel erg lachen.
Geduld. Had ik nooit. Maar nu sta ik zelfs met tas en jas aan te wachten als hij toch nog even een potje moet schijten voordat we gaan.
Kinderen. Altijd een extreem ‘mwah’ gevoel bij gehad. Maar afgelopen woensdag liep ik met een grijns op mijn smoel van half tien tot half vijf met een kind van drie in de dierentuin.
Ikea. Geen haar op mijn hoofd die erover dacht om erheen te gaan. Maar gisteren hebben mijn moeder en ik er zelfs twee porties Zweedse ballen verorberd.
Babydiertjes. Tot ieders verontwaardiging raakte ik er nooit door vertederd. Maar nu stond ik op het punt om ook mee te doen in de actie ‘red de eendjes van de Groene Kruisweg’.

Gelukkig. Ja, dat ben ik dus. Word ik dan ook saai? Gaat dat bipolaire van me eraf? Word ik burgerlijk en gezapig? Het stoplicht was inmiddels weer op rood gegaan. De man en de vrouw maakten steeds meer geluiden. Geluiden die je maakt naar een paard, naar een hond en ik kan me zelfs voorstellen dat één van de geluiden past bij een fret. Maar er was geen geluid bij voor de eendjes. Die renden vrolijk door. Inmiddels had het stel wel bedacht dat het handiger zou zijn om de eendjes in te sluiten. De vrouw stond bij de voorkant van mijn auto, de man bij de achterkant. Terwijl alle automobilisten gebiologeerd naar het tafereel keken, bedacht ik dat ik iets moest doen wat me ongelukkig maakte. Gewoon, om het allemaal weer een beetje in evenwicht te brengen. Maar wat?

Ik deed mijn dashboardkastje open, op zoek naar een aanwijzing. De vrouw buiten slaakte een kreet, de man riep hard yes en ik zag in het kastje precies dat wat mij ongelukkig zou maken. Ik stopte de CD in de radio en wachtte tot hij begon te zingen.

In de verte spreekt een stem
Die ik herken van onze ruzies
Over kleine misverstanden
Over grote desillusies
En ik hoor de kille klanken
Van jouw ingehouden woede
Maar wat kan ik meer dan janken
Als ik dit niet kon vermoeden

Zoals ik van mezelf gewend was uit de tijd dat ik een matig gelukkig leven leidde, stroomde er onmiddellijk een traan over mijn wang bij het horen van Marco Borsato. Ik keek naar buiten. De man stak trots een baby eendje in de lucht. De vrouw hield er twee tegen haar borst. Blij keken ze het publiek in de auto’s aan. Het applaus bleef uit. Iedereen begon boos te toeteren en het stel rende terug naar hun auto. Ik glimlachte nog steeds, veegde een traan weg en zette Marco wat harder. Opgelucht haalde ik adem omdat ik wist dat ik altijd een beetje bipolair zal blijven. Mijn voet trapte het gaspedaal in. Nog een uur en een kwartier en de wereld is verlost van het Kwaad en ik heb de Miss Universe verkiezing gewonnen.

Als er een God is

Als er een god is

Een mevrouw van rond de 65 staat voor een kerk in België. Ze kijkt alsof ze moe is. Niet alleen van deze dag, maar van alle dagen die eraan vooraf gingen. In de ene hand heeft ze een droog broodje, in de andere een stuk kaas. Ze neemt een hap van het ene en daarna van het andere. Zonder te kijken naar wat ze in haar hand heeft. Wakend. Snel propt ze het naar binnen, omdat het moet.

Omdat het vakantie is en je in de vakantie dingen bekijkt die je thuis niet zult zien, loop ik de kerk in. Ik leef een leven zonder God, maar God, het is vakantie. En de stilte die in een kerk woont, overtreft elke meditatiesessie in welke yogaschool dan ook. Het is binnen bijna net zo koud als buiten. Toch zitten er in een hoek twee vrouwen met verwaaid haar te schuilen. Met zwarte jassen aan zitten ze dicht tegen elkaar. Ze zien eruit alsof zij ook brood en kaas eten zoals de mevrouw voor de kerk dat doet. Een van de dames rookt een shaggie. Stiekem. Twee andere bezoekers van de kerk wijzen afkeurend naar het rode, gloeiende puntje. Het doet de vrouwen niks. Het is te koud om je iets van een ander aan te trekken. Ik denk aan God. Als er een God is, gooit ze een dekentje op de vrouwen.

Ik ga zitten op de houten stoeltjes die niet gemaakt zijn voor lange sessies. Als er een God is, heeft ze het blijkbaar druk. Niemand zal hier lang blijven, behalve als je nergens anders mag zijn. Ik heb vakantie, dus ik blijf niet lang. Er moet nog gewinkeld en Belgisch bier gedronken. Ik zie de ramen waar in aqua blauw glas in lood verhalen zijn afgebeeld. Het is mooi, het heeft iets hips. De bloemen in de kerk zijn gesorteerd als rouwboeketten en de kaarsjes lijken van de Xenos te komen. Als er een God is, is ze geen interieurarchitect.

Als er een God is, ben jij nu bij haar tante Annie. Jij en zij kunnen het goed vinden, want net als God, was jij ook geen interieurarchitect, maar je hield wel van shaggies. Misschien hebben jij en God wel dezelfde gele vingertoppen van het draaien. Misschien luisteren jij en God wel samen naar Wooden Heart van Elvis en eten jullie witte puntjes met jong belegen kaas, jouw lievelings. Misschien lachen jullie samen tot je hoest van het roken. Want als er een God is, bestaat er waar jij nu bent, helemaal geen longkanker.

In het begin, drie jaar geleden, zag ik je grijze kat nog in de vensterbank liggen als ik langs je huis reed. Verwachtte ik je op de verjaardag van mijn zus. Liep ik langs je portiek en rook ik de geur van Kanis en Gunnik. Maar de laatste tijd denk ik niet meer aan je. Niet elke dag, zoals in het begin. Misschien niet eens elke week. De afgelopen tijd dacht ik niet eens aan je op speciale dagen. Niet met kerst en ook niet met Oud & Nieuw. Zelfs niet op de datum waarop jij vertrok. Maar soms ben je er ineens. Nu. Hier. In de kerk. Nu ik voel dat ik mijn mondhoeken naar beneden trek, precies zoals jij dat altijd deed.

De kaarsjes staan te wachten op een tafel. Ik overweeg er eentje voor mijn liefdesleven op te steken, maar als God zo’n slechte smaak heeft als deze kerk doet vermoeden, kan ze zich er beter niet mee bemoeien. Ik gooi vijftig cent in het daarvoor bestemde bakje en hoor je zeggen dat God een afzetter is. Ik denk dat ze lacht en je koffie bijschenkt. Het kaarsje steek ik aan en ik denk aan hoe ik je nog elke dag zou kunnen missen, als de snelheid van het leven me dat zou toelaten. Maar als er een God is, ben je daar beter op je plek. De wereld en haar maker kunnen wel wat oprechtheid gebruiken, wat Rotterdamse humor en wat van jouw zelf gebakken tulbandcake.

Als ik naar buiten loop, staat de mevrouw er nog steeds. Haar broodje is bijna op. Ze probeert haar leven voorbij te eten. Haar kaken gaan sneller. Hoe sneller ze eet, hoe korter ze leeft. De vrouw steekt de kaas in haar jaszak en loopt de kerk in. Ik kijk haar na. Mild belegen kaas, denk ik, dat krijgt u na dit leven. Als Annie en God wat voor je over laten.

Hip

Hip

Er zijn momenten in mijn leven in Utrecht dat ik me onzeker voel. Over hoe ik eruit zie voornamelijk; dat heb ik vaak in het café. Ik kijk om me heen en zie mensen met brillen die bijna hun hele gezicht bedekken, vlechten die heel nonchalant lijken te zijn ingezet, maar wel mooi over de schouder hangen en zulke grote truien dat ik vermoed dat het eigenlijk jurken zijn. In eerste instantie denk ik dan: ‘kind, die spullen doen niks voor je. Je wordt er niet knapper van. Doe ze uit en normaal.’ Mijn vriendin die bij een groot modeconcern werkt, zegt echter altijd: ‘het gaat hen er niet om dat ze knap zijn, maar dat ze hip zijn.’ Ik herken iets hips dus niet, laat staan dat ik het kan implementeren in mijn kledingkast… en daar word ik onzeker van.

Laatst was zo’n moment wederom daar. Ik keek naar de barman, een jaartje of 22 moest hij zijn geweest, hij had zijn blonde krullen een soort van ‘opgekroest’, waardoor het haar vrij hoog de lucht in ging. Het oogde mij vreemd. Hij droeg ook nog eens een donkerrode corduroy broek met een zwart-wit gemêleerde, gebreide trui erop. Ik vond de combinatie niet mooi en zelfs een beetje raar.
“Dat is heel erg hip,” zei mijn vriendin. “Die stoffen en dan zo bij elkaar.”
“Echt?” vroeg ik. “Ik vind het raar.”
“Als jij iets raar vindt, is het überhip.”

Dat is een hele ware belediging. Ik weet niet wat hip is. Of ik wil het niet weten. Of ik kan er niet aan meedoen. Mijn benen zien eruit als kleine rollades in skinny jeans, dus dat heb ik nooit gedaan. Ik weet niet wanneer je BAM! hoort te zeggen of anders whoop whoop, dus ik zeg niks. Ik was de laatste die instagram installeerde op mijn telefoon en gebruik het nu nog steeds alleen voor fotobewerking (al is het dus echt een communicatiemiddel).

De vriendin is wel hip, maar loopt daar niet mee te koop, zoals de jongere hippe mensen dat wel doen. Want de regel lijkt te zijn: hoe jonger je bent, hoe hipper je moet zijn. Als ik in het café ben, voel ik me het tegenovergestelde van hip. Ik weet niet goed welk woord daar bij past, maar laten we zeggen antiek. Lijdzaam zit ik in een spijkerbroek met hakken en een colbertje erboven (daar sla je nooit de plank mee mis, zei mijn vriendin van het modeconcern drie jaar geleden en daar hou ik nog steeds aan vast) te kijken naar een meisje met een heel klein roze riempje om haar zwarte spijkerbroek en een grote blouse er nonchalant ingepropt. Hip. Naar een jongen met een pet op die niet goed op z’n hoofd lijkt te zitten (want heel hoog, het doet me denken aan de film Coneheads). Maar ook dit is hip. Ik schud wanhopig mijn hoofd. Weten die mensen wel wat ze te wege brengen bij mensen zoals ik, met hun petten en riempjes? Zien ze me kijken en getraumatiseerd mijn colbertje dichtknopen? Een meisje met een beige ‘hoog water’ broek komt binnen. Dat kan niet hip zijn. Mijn moeder droeg vroeger broeken met hoog water.
“Is dat ook hip?” vraag ik.
“Ja,” zegt de vriendin. “Hoog water broeken komen terug, je kunt weer print op print dragen en neon kleuren doen het ook erg goed.”
“Neon wordt de shit?” vraag ik ongelovig.
“De shit is niet meer.”
“O.” ‘De shit’ zeggen alleen maar antieke mensen blijkbaar. Ik snap er niks van. Jaloezie borrelt op. Jaloers ben ik op de riempjes, de petjes, de jurktruien en hoog waterbroeken. Ik wil ook hip zijn.

Hoe ouder ik word, hoe jonger Utrecht lijkt te zijn. Hipper. Er zijn ook momenten dat ik niet in Utrecht ben. Dan ben ik vaak in Zwijndrecht, waar mijn zus met haar vriendin en twee kinderen woont. Ik drink daar geen wijn in het café, wel op de bank met de meiden. Soms kook ik, ik praat met mijn neefje van negen over Feyenoord of oefen zijn dictee en ik probeer het eten van mijn nichtje van anderhalf dat ze op mijn kin uitspuugt, terug in haar mond te proppen.

Vaak probeer ik die kinderen ook van school of opvang te halen, zoals vandaag. Ik sta op het schoolplein met heel veel moeders en een enkele vader om me heen. De vader knipoogt. De moeders kijken me aan, met blikken die bekend voelen. De ene moeder draagt een legging als broek met een slobbertrui erover. De ander een spijkerbroek met zo’n wit-rode jas uit de ANWB folder. Ze kijken naar me met schuine ogen. Nog een moeder staat gewoon te wachten in haar paarse huispak. Ze bekijkt me goed. Haar ogen beginnen bij mijn hakken, gaan via mijn spijkerbroek naar boven, zien de bloemetjes op mijn shirt, hoe het colbertje getailleerd is en kijken dan naar de losse staart op mijn hoofd die er misschien nonchalant uitziet (maar wat ik echt niet zo heb bedoeld!). En dan kijken de ogen weg. Het is mijn eigen blik, zoals ik kijk in het café en het wegkijken is jaloezie.

Ineens begrijp ik het. In Zwijndrecht ben ik hip.

Als mijn neefje naar buiten komt, loop ik vol zelfvertrouwen naar hem toe. Hij wuift mijn hand weg, hij is immers te oud om hand in hand te lopen, maar dat geeft even niet want ik ben hip. Met een ingetogen lach (ik wil het er niet in wrijven) loop ik door de schoolpleinzee aan moeders. Ik probeer oogcontact te maken, zoals ik altijd doe tegen mensen die – net als ik – niet hip zijn. Ik glimlach, zoals ik altijd doe. Maar de moeders praten met elkaar en kijken langs me heen. Ik blijf even staan en vang welgeteld één lach. Vast een vrouw die net zo hip wil zijn als ik. Ik zwaai naar haar, wat raar is omdat ze mij niet kent en ze loopt weg.

Verward loop ik met mijn neefje naar huis, eenmaal binnen doe ik een trainingsbroek aan en drinken we chocolademelk. De volgende keer dat ik die kinderen van school ga halen, ga ik dus sowieso in een trainingsbroek. En in Utrecht houd ik het bij mijn colbertje. Hip zijn, wat een afknapper. Ik had het kunnen weten, want hip rijmt op kip. Dat is toch gek.

Hoe The Twilight Zone verdween

Hoe The Twilight Zone verdween

Voordat je aan dit verhaal begint, is het belangrijk dat je The Twilight Zone wel eerst even leest. Wat zeg je? Al gelezen natuurlijk? O sorry. Ga dan gauw verder.

Vanochtend mocht ik haar uit bed halen. Haar kleine, mollige handjes wrijven in haar nog dichte ogen. Haar donkere krulletjes zitten in de war en ze heeft haar poet in de mond. Zo noemt ze haar knuffeltje: poet. Ze geeuwt en doet haar oogjes open, die zijn dik, van het huilen voor het slapen gaan. Net als die van mij.
Haar korte armpjes strekt ze naar me uit: “tanta!”
“Hallo meisje,” lach ik.
“Haaajo.”
Ik pak haar op en als een baby hou ik ‘r tegen me aan. Eigenlijk is ze hier net iets te zwaar voor, maar dat maakt ons niet uit. Ze legt haar hoofdje in mijn nek en ik doe mijn ogen dicht. Ze is warm en haar lijfje nog zwaar. Rustig dein ik heen en weer en zing zacht een verdrietig liedje van Acda en de Munnik. Ze begint te huilen. Niet iedereen houdt van Acda en de Munnik.

“Goedemorgen meisjes,” zegt mijn zus.
Ze geeft ons allebei een zoen en pakt mijn nichtje over.
“Kom op, we gaan lekker ontbijten.”
We lopen de babykamer uit en mijn verdriet in. Het is zaterdagochtend. Het is zaterdagochtend, ik ontbijt met het gezin van mijn zus en mijn vriendje heeft het gisteren uitgemaakt. Het gezin bestaat uit mijn zus, haar vriendin, hun zoon en hun dochtertje en ik kan ‘m eigenlijk geen vriendje noemen omdat we niet eens lang genoeg samen waren om buiten hand in hand te lopen. Ik smeer een boterham met smeerworst voor mijn nichtje. Er liggen eitjes op tafel, croissantjes op borden en fruit in bakjes.
“Eet nou wat,” zegt mijn zus zacht maar streng.
Ik neem een slokje koffie; hij was toch niet verliefd op me. Ik hap uit mijn te warme croissant en was verliefd aan het worden. M’n nichtje gooit een stuk boterham met smeerworst op de grond.

Mijn schoonzus draait de thermostaat op 20 graden, voor het eerst dit najaar en zet een plaat van Boudewijn de Groot op. Tante Julia. Ze zingt mee. ‘Ja, tante Julia ik lijk al weer veel ouder, ik speel piano als u wil, maar haal uw borsten van m’n schouder,’ gek dansend loopt ze terug naar de eettafel. Mijn neefje lacht om zijn moeder of om de borsten uit het liedje, er komt een beetje thee uit zijn neus. Ik lach omdat ik niet huilen wil. Hier is een jeugdherinnering in de maak. Over vijftien jaar zal mijn neefje deze ochtend kunnen terughalen; hij zal Tante Julia horen, de thee in zijn neus voelen, de geur van de kachel die net aan is en ziet zijn moeder raar dansen. Ik zal deze ochtend terughalen als de ochtend dat ik voor het eerst sinds mijn zestiende weer kennis maakte met oogbullebakken. De gele harde goedjes die je uit je oog moet pulken als je te hard gehuild hebt de dag ervoor.

“Nou, doe nu eens normaal,” zegt mijn zus tegen m’n nichtje dat nog steeds stukjes brood met smeerleverworst uit de kinderstoel gooit.
“Tanta!” zegt mijn nichtje, ze lacht naar me.
Ik knipoog naar haar, neem nog een hap van m’n croissantje en hoor hem weer zeggen dat het niet aan mij ligt.
“Als je niet wilt eten,” hoort mijn nichtje, “dan eet je niet,” en ze wordt op de grond gezet. Op haar billen schuift ze heen en weer.

Mijn nichtje is naar de salontafel kont-geschoven en zit naar ons te kijken. Met haar poet in de mond. Ik drink mijn koffie, kijk naar mijn nichtje en denk aan hoe ik afscheid nam van het vriendje dat geen vriendje was. Mijn kop thee was nog vol, maar er was niks meer om voor te blijven. Ik zei Dag alsof ik hem morgen weer zou zien. M’n zus gaat voor mijn nichtje zitten en zegt: “Loop eens naar mama!”

Ze probeert het al een tijdje; ze komt een beetje omhoog, staat rechtop maar voordat ze een stap kan zetten, valt ze weer op haar billen. Nu ook. Een beetje omhoog, ze staat en, en, en… ze loopt. Ze loopt drie stapjes en valt op haar billen. Even zijn we stil. We kijken. En dan geschreeuw: “Goed zoooo!” Ze schrikt, misschien van het lopen, misschien van het schreeuwen. Ze huilt. En ze lacht. Mijn ogen lopen weer vol; van trots, van verdriet, van blijdschap, van verwarring. Ik ga bij haar zitten en veeg mijn tranen weg. “Tanta,” en ze geeft me haar poet. Alles wordt even lichter. Dat het niet wederzijds was, maakt het niet minder bijzonder. Ik zal me deze ochtend toch anders herinneren. Het was de ochtend dat mijn nichtje haar eerste stapjes zette op de vloer en ik in de liefde. Voor het eerst overwon ik The Twilight Zone.

Vies grietje

Oma

Aan haar muur hangen tegeltjes met teksten als Van het concert des levens heeft niemand een program, op haar tafel staat een boeketje kunstbloemen, haar lievelingskoekjes; bokkepootjes haalt ze uit een koekjestrommel en ze drinkt koffie uit kopjes waar bloemetjes op staan. Dit zijn de enige gelijkenissen die mijn oma heeft met normale oma’s.

“Zullen we even naar buiten gaan oma?” vraag ik. Ik ben 21.
“Best,” zegt oma. Ze zet een zonnebril met grote glazen op en kijkt even naar het hondje van mijn moeder dat ik bij me heb. Ze haalt haar gerimpelde handen versierd met gouden ringen en armbanden door haar korte, rood geverfde haar en pakt het looprek. Oma zit in een bejaardenhuis, omdat ze geen trappen meer kan lopen en alleen wonen moeilijk is. Haar dochter; mijn moeder gaat een keer per week een bakkie bij haar doen. Ik ga soms alleen. Oma en ik stiefelen naar buiten, door het park. De blaadjes zijn oranje en knisperen onder haar looprek. De zon schijnt zachtjes.
“Herfst is mijn favoriete seizoen,” zeg ik.
“Ik vind er geen reet aan,” zegt oma.
We komen aan bij snackbar Huisman en ik haal twee softijsjes.
“Wel met snoepies erop,” zegt oma.
Ik geef haar een softijsje met snoepies erop en we gaan zitten op een bankje.
“Lekker?”
“Ja.”
“Heb je je rijbewijs al?” vraagt ze.
“Nee, nog niet.”
“Ik zou maar stoppen met die lessen. Als je het nu nog niet kan, kan je het nooit.”
De hond ligt in de zon. Oma heeft haar ijs op.
“Ik wil naar huis. En die hond ook.”

Oma zagen we vroeger eigenlijk nooit, af en toe kwam ze langs om haar nieuwe vlam of armband te laten zien. Ze tikte met haar vingers op tafel, de sieraden maakten geluid. Oma vertelde hoe ze aan haar nieuwste man was gekomen. “Ik heb een advertentie geschreven voor in het Dagblad,” zei ze. “En ik heb er wel mooi ingezet dat ‘ie niet impotent mocht wezen. Ik ben dan wel in de zestig, maar toch.” Mijn moeder keek weg. Ik was jong en wist niet precies wat impotent zijn betekende, maar het leek me goed dat je ook in de zestig nog eisen had. Ik vond mijn oma tof.

“Ma, zullen we even boodschappen doen?” zegt mijn moeder. Ik ben 24 en oma heeft een grote, grijze uitgroei bovenop haar hoofd.
“Waarvoor?” zegt oma.
“Nou, ik lust wel een koekje bij de koffie,” zegt mijn moeder, “en je hebt niks in huis.”
“Best,” zegt oma. Ze trekt een deken van de bank, legt die op schoot en gaat in haar rolstoel zitten. We rollen naar de Nettomarkt. Oma heeft niet meer zoveel ringen om. Haar armbanden heeft ze sowieso afgedaan. We gaan naar binnen en oma zegt niks. Ik kijk naar oma en oma kijkt naar niks. Ik pak bokkepootjes uit een schap en oma kan niks.
“Ik wil naar huis,” zegt oma, “ik vind hier geen reet aan.”
“Oké,” zeg ik.
“En ik ga nooit meer mee ook.”

Mijn moeder vond het niet leuk dat oma nooit naar ons toe kwam toen wij nog kinderen waren. Dat ze onze verjaardagen vergat en met kerst op vakantie was. Als we naar oma toe gingen, omdat ze borrel of feestje gaf, zei mijn moeder ook nooit: “we gaan naar oma,” nee, ze zei: “we gaan naar m’n moeder.” Dat vond ik zielig voor mijn moeder. En ik begreep het niet. Oma was chagrijnig, maar goed gezelschap. Ze was zo eerlijk, dat je constant moest lachen, ook al was je zelf de grap.

“Ha oma,” zegt mijn zus.
Mijn oma lacht. Dat doet ze niet vaak tegenwoordig. Tegenwoordig ben ik achtentwintig en is oma echt oud. Haar haren zijn grijs, haar gouden ringen liggen nu ook in een doosje en ze vergeet steeds meer.
“Hoe is het met jou? Jou heb ik lang niet gezien,” ze kijkt naar mijn zus.
“Goed, het gaat goed hoor oma.”
“En hoe is het op je werk?”
“Ook goed.”
Oma vergeet dat ik er ben. Geeft niet. Oma is dement.

Daardoor moet mijn moeder van haarzelf meer op bezoek. Dat is haar taak en die voert ze uit. Ze schenkt zonder morren koffie in en trekt plichtmatig de koekjestrommel open, maar ik zie dat ze hier eigenlijk niet wil zijn. Inmiddels gaan mijn zus en ik niet naar oma voor ons of voor oma, maar voor onze moeder. En zo erg vinden wij het niet.

“Hoe is het met de mannen?”
“Ehm…” zegt mijn zus.
Mijn zus heeft geen man. Ze heeft een vrouw. En twee kinderen. Oma weet blijkbaar niet dat mijn zus met een vrouw is, al hebben we dat nooit bewust voor haar verzwegen.
“Nou?” zegt oma.
Mijn zus zegt niks.
“Oma,” roep ik enthousiast, “ik heb nog steeds geen rijbewijs.”
“Heb je al verkering?” zegt ze tegen mijn zus.
“Oma,” zeg ik, “ik heb geen verkering. En ook al heel lang niet gehad!”
Oma rolt zich om, kijkt door haar dikke glazen naar mij en zegt:
“Dat weet ik toch, kind. Jij bent van de verkeerde kant.”
Mijn zus en ik kijken elkaar aan. Oma haalt ons door elkaar.
“Ik weet heus wel dat jij een vies grietje bent.”

Eerst lachen we. Dan zijn we verbaasd. Daarna verdrietig. En dan snappen we onze moeder. Mijn zus zegt de tekst die ze mij zo vaak heeft horen zeggen: ‘ik ben niet zo goed in de liefde en de juiste man is ook nog niet voorbij gekomen,’ en ik zeg niks. Mijn ogen prikken voor m’n zus en het liefst loop ik nu weg en kom ik niet meer terug. Maar ik blijf. Zonder morren schenk ik koffie in en plichtmatig trek ik de koekjestrommel open.
“Gatver. Bokkepootjes. Daar vind ik geen reet aan,” zegt oma.