De wandelende koortslip

AAAAAAAAAAAAAAAAAH. Ik schrijf het gewoon nog een keer op. Het moet. AAAAAAAAAAAAAAAAAH. De schurft is terug. Mijn onderlip ziet eruit alsof het de oorlog heeft verloren en rode, jeukende plekken nemen bezit van mijn handen en armen. Ik dacht dat ik je voorgoed had verslagen schurft, met mijn mindfulness en mijn meditatie, ik dacht ik zen was en kalm maar fuck you, je bent er weer. Je bent genadeloos.

Als je niet meer weet hoe het zat met die schurft, lees dan even dit verhaal en deze en ook deze. Of de samenvatting: Twee jaar geleden had ik pokkeveel werk, heel veel stress en zat onder de blaren, bulten en korsten. Het duurde een aantal weken, eerst dacht men dat het schurft was, maar na bloed- urine en huidonderzoek bleek dat niet het geval. Uiteindelijk concludeerden ze dat het een soort herpes virus was, verspreid over mijn hele lijf. Of dat zou kunnen, vroegen ze. Ja, dat zou zeker kunnen, want elke keer als ik stress heb, krijg ik een koortslip. Toen had ik megaveel stress en voelde het eigenlijk heel logisch dat ik één grote wandelende koortslip was.

En nu is de schurft terug. Ik heb teveel stress dus komt hij terug. Bijna moest ik huilen toen ik de bulten voelde opkomen. Ik was teleurgesteld omdat ik beter voor mezelf had moeten zorgen. Dat kon ik toch? Dat deed ik toch? Ik heb toch een mindfulnesstraining gedaan? Ik mediteer me toch helemaal de pest? Ik weet toch inmiddels wel hoe ik bij mezelf moet blijven? Ik had eerder ‘stop rot op’ moeten zeggen tegen opdrachtgevers, ik had na vijven mijn telefoon uit moeten zetten, ik had niet op mijn vrije dagen toch moeten werken, ik had meer moeten wandelen met Floortje in het park, ik had meer met de taalnazi lekker uit ontbijten moeten gaan, ik had meer tijd voor schrijven moeten nemen, meer soep moeten maken en koekjes moeten bakken. Want dat is hoe ik mijn leven wil. Dat weet ik… Toch?

Maar in de maalstroom van andermans leven en andermans verlangen, word ik meegezogen. Regelmatig vergeet ik even wat ik heb geleerd bij mindfulness. Het hier en nu lijkt soms iets totaal onbelangrijks, als ik mijn werk maar afmaak, als andere mensen maar tevreden over me zijn, als ik maar de goedkeuring krijg. En dan verlies ik mezelf. In die maalstroom van het leven ga ik gigantisch op mijn muil. Het is niet de schuld van andere mensen, want het is aan mij om mijn telefoon uit te zetten, om niet te werken op vrije dagen, om ‘stop rot op’ te zeggen, om voor mezelf te kiezen. En ik doe het niet. Niet genoeg. En nu ben ik te laat, weer te laat, want ik ben veranderd in een wandelende koortslip. Het is alsof mijn lijf zegt: ‘Luister je niet? Weer niet? Dan moet je maar voelen en wel nu. Hier heb je wat ranzige herpes… Daaaaag meisje.’

Ik bijt van frustratie op mijn lip. Dat is pijnlijk met die wondjes. Als ik nou eens probeer om niet teleurgesteld te zijn om alles wat ik had moeten doen, maar echt voel wat ik nu wil. Wat ik nu wil doen. Ik wil douchen. Daar haal ik mijn mindfulness terug, ik voel het water op mijn lijf en word ik rustiger. De herpes klopt op mijn lip, maar ik word rustiger. Ik vestig mijn aandacht op mijn ademhaling en ik word rustiger.

Als ik me afdroog en in de spiegel kijk, moet ik lachen. De korsten op mijn lip lachen mee. Wanneer ga ik nou eens lief zijn voor mij? Hoe vaak moet ik herpes krijgen om bij mezelf te blijven? Heel vaak, denk ik. Het is een les die ik waarschijnlijk mijn hele leven zal moeten leren. Waarschijnlijk zit ik als een oud, gerimpeld vrouwtje in mijn leunstoel, te staren naar kleine herpesvlekjes op mijn handen omdat ik mijn kinderen, mijn honden en mijn fretten teveel tevreden heb proberen te houden. Ook dan zal ik diep adem halen, balen dat ik weer niet voldoende voor mezelf heb gezorgd en me voornemen om dat weer wel te doen. Ik zal beginnen met het aandachtig eten van een advocaatje met slagroom in de tuin.

Ik kleed me aan; een joggingbroek en een t-shirt want ik weet het weer: ik mag voor mezelf zorgen. En dat doe ik. Ik loop naar de Kijkshop en koop daar de eerste de beste prepaid oude Nokia met simkaart die ik zie. Zonder internet, zonder applicaties en alleen mijn vader, mijn zus, mijn moeder en mijn taalnazi krijgen het nieuwe nummer. Als ik thuis ben, zet ik mijn smartphone uit en ik voel een immense opluchting. De wonden op mijn lip springen er van blijdschap bijna af en zelf overweeg ik om met een brandend wierookstokje in mijn hand door de kamer te dansen. Misschien is dat een idee voor later. Nu moet ik rust. Ik pak een boek en ga naar mijn slaapkamer. Als ik langs de spiegel loop, knipoog ik naar de schurft. Je hebt me deze keer weer te pakken, man: ik ben een wandelende koortslip, maar wel een koortslip die vandaag voor zichzelf zorgt.
Ik rock ‘m vandaag in bed.

Het foto-moment

Het fotomoment

“Heb je een foto van hem?” vraagt een vriend aan me.
– “Nee,” zeg ik.
“Wel. Je hebt wel een foto.”
– “Ja ik heb wel een foto maar…”
“Laat zien.”
– “Misschien wordt het wel niks. Ik weet het nog niet. Je krijgt een foto als het wat wordt.”
“Laat nou zie-hien!”
Zuchtend open ik Facebook en klik op een foto van een apart figuur, met een oor dat vrij ver van zijn hoofd afstaat en gordijntjeshaar dat dit oor net niet bedekt. Ik glimlach. Het Oor is mijn nieuwste liefdesavontuur.

Als ik begin aan een liefdesding is er altijd dat moment dat vrienden een foto van hem willen zien. Dit foto-moment voltrekt zich vrij vroeg in het stadium van datgene dat (nooit) een relatie wordt. Voor mij is dit problematisch. Ik date met jongens die een groter hoofd hebben dan dat op hun lichaam past. Word verliefd op mannen met vieze, vlassige snorretjes en verdwaalde baardharen. Ik vind manorexics in te strakke broeken leuk en kus jongens met teveel en over elkaar heen staande tanden. Geen beauty’s dus.

– “Oké,” zeg ik wanneer ik een foto van het Oor heb gevonden waarop hij er normaler uitziet dan in werkelijkheid. “Het is geen beauty, he,” waarschuw ik.
“Jaja, geef nou maar.”
Ik draai mijn laptop om en laat hem zien.
“Ja,” zegt de vriend. Hij klikt langs de rest van de foto’s. En dat terwijl ik zo mijn best deed om de beste foto van hem uit te kiezen. “Ja,” herhaalt hij. “Het is geen beauty inderdaad.”

Op mijn negentiende nam ik mijn eerste vriendje mee naar mijn ouders. Hij was lief en slim en lachte om mijn grapjes en ik kon ‘m wel opvreten. Toen ik belde naar mijn moeder om te vragen wat ze van hem vond, zei ze: “Wat is hij dun. En wat een grote tanden. Een beetje een gekkie.”
Het was haar ook wel opgevallen dat hij aardig was, maar ja, die tanden, die maakten een grotere indruk. Ik zag ze nu ook.

Mijn vrienden reageren vaak subtieler, maar in dezelfde strekking. Dit kan een gevalletje van totale projectie zijn, maar toch: toen ik vertelde over het Oor met gordijntjeshaar, werd er niet gevraagd wat het grappigste was dat hij had gezegd, hoe hij me heeft kunnen raken of op welke manieren hij me anders naar dingen deed kijken. Nee. Heb je een foto van hem.

Nu is het niet zo dat ik ze erom uitzoek, die apart uitziende types. En, voordat mannen dit verhaal verlaten met een minderwaardigheidscomplex, wil ik benadrukken dat ik het geen lelijke mannen vind. Het zijn types die een flinke marge verschillen met het reguliere schoonheidsbeeld, te weten: mannen met baarden en hun knotten, jongens met een perfecte lach en corresponderende lijven of heren met hippe kuiven en even hippen pakken. Dit soort mannen bekoren mij niet. Ze kunnen nog zo mooi zijn, ik heb er nog niet een ontmoet die past bij wie ik ben. Mijn mannen zien er een beetje gek uit, maar ik vind ze aantrekkelijk omdat ze slim zijn. Inspirerend. Grappig. Omdat ze de dingen zeggen die me verbazen. Omdat ze in werelden wonen die anders zijn dan de mijne.

Maar waarom wil ik dan geen foto’s laten zien van mijn mannen? Als ik wild ben van wie ze zijn, doet een foto daar niks aan af. Waarom zoek ik de beste foto van het Oor? Terwijl het mij dus niet gaat om het uiterlijk. En waarom ben ik teleurgesteld dat vrienden mijn liefdesavonturen nooit ‘beauty’s’ vinden? Zij moeten niet met de man in kwestie aan het bier of in het bed.

Ik geef de maatschappij, het schoonheidsbeeld en mijn moeder de schuld. Mijn moeder past het boetekleed alleen niet zo goed. Ook op mijn negentiende, toen ik uitviel na haar oordeel op mijn vriendje, gooide ze dat kleed van zich af. “Ik bedoel er helemaal niks mee,” zei ze toen. “Je bent geen doorsnee meisje en dat zal je nooit zijn ook. Jij komt thuis met wat anders dan het buurmeisje. En dat mag.” Nu ik tegen haar klaag over de reacties van vrienden op het Oor, is ze net zo streng als toen. “Misschien moet jij jezelf eens accepteren en de keuzes die je maakt. Wat anderen vinden, moet je geen moer kunnen schelen.” Zoals alleen moeders dat kunnen, legt ze ook nu haar vinger op mijn zere plek, maar gelukkig doet ze het zachtjes. “Als je goedkeuring zoekt, heb je die. Je mag van mij met alle gekkies van de wereld thuiskomen. Nu van jou nog.”

Ze heeft gelijk. Ik ga voor mezelf en daarmee voor het Oor. Of mensen hem nu leuk vinden of niet: ik vind hem leuk. Dus ik gooi een flinke dosis acceptatie tegen mezelf aan, koppel hem los van het standaard schoonheidsbeeld en duik in mijn eigen schoonheidsbeeld. Waar hij – echt – in past.

Het blijkt te laat. Het Oor belt niet meer terug, al hadden we nog zoveel te bespreken.

Nu zit ik weer achter mijn laptop, starend naar de profielfoto die ik eerst niet aan mijn vriend durfde te tonen. Ook de vriend is er weer. Samen kijken we naar het scherm. Een traan rolt van mijn kin. Na een tijdje klapt de vriend mijn laptop dicht. “Joh, wat kan jou het schelen. Het was toch geen beauty.”
“Nee, precies,” zeg ik en veeg tevreden mijn kin droog.