Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.

Het is allemaal al goed hè

Het is allemaal al goed he

Met hoofdpijn zit ik in het vliegtuig. Het is druk geweest. Ik ben moe. Ik ben zo moe dat ik niet eens merk dat we opstijgen. Ik zit bij het raam, maar ik heb de mensjes op de grond niet zien verdwijnen, ik heb de huizen niet kleiner zien worden, ik heb niet kunnen zien dat ik de wereld zoals ik hem ken achter me liet. Ik slaap door twee vliegtuigmaaltijden heen en als ik wakker word, ben ik in Delhi.

Hoewel de spirituele reis met de rest van de vrouwen vrijdag pas begint, en het nu woensdag is, haalt de reisjuf me op van het vliegveld. Gelukkig maar, want als we Dehli in lopen, ben ik onmiddellijk het anker in mezelf kwijt. Ik weet dat mijn anker nog maar een ankertje is, maar dat vijf minuten Delhi het zou doen verdwijnen, had ik niet verwacht. Terwijl tuktuk’s langs me flitsen, meneren op riksja’s roepen dat ze ons weg kunnen brengen, mensen naast ons op blote voeten door de viezigheid lopen, een kar die door een os wordt getrokken voorbij moet, een vrouw met een kind bedelt om ‘chapati’ en er aan één stuk door wordt getoeterd schreeuwen mijn gedachten om hulp. Ik verlies hier mijn anker en ook mijn verstand!

De reisjuf gaat deze avond naar een concert en ik besluit in het hotel te blijven. Toen ik mijn reis boekte dacht ik; ‘ik ga even een paar dagen eerder om te acclimatiseren en om tijd voor mezelf te hebben voor de reis met het kippenhok van acht vrouwen van start gaat’. En nu, zo alleen, wil ik eigenlijk niets liever dan dat de vreemde vrouwen er al zijn. Maar dit was mijn keuze en nu moet ik op de blaren zitten. Ik eet alleen op het dakterras van een restaurantje tegenover het hotel. Het eten is goed, maar ik vind het niet lekker. Het getoeter gaat ook maar door en mijn hoofdpijn wordt erger. Ik ga terug naar het hotel en vind mijn kamer stom. Er is geen raam te bekennen, er zijn geen kussentjes of een stoel en ik hoor nog steeds getoeter omdat ik aan de straatkant zit. Verslagen ga ik op het bed zitten en dan begint het. Mijn hoofd.

Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.
Ik wil naar huis.

Als ik dit ongeveer 87 keer heb gedacht, begin ik ineens te lachen. Keihard. Mijn buik schudt ervan, ik voel me de lachende boeddha. Een vrolijk mantra zoals ‘Moge ik gemak ervaren’ raak ik in mijn meditaties veel en vaak kwijt, maar een ‘Ik wil naar huis’ lukt wél. Grappig eigenlijk. Schattig, vind ik het zelfs. Ik adem diep in, kijk voor een laatste keer rond in deze ongezellige kamer en pak mijn spullen. Bij de receptie vraag ik om een upgrade. Ik ben lief en mag een gezelligere kamer van mezelf. De nieuwe kamer zit niet aan de straatkant, er staan twee stoeltjes in, er ligt een sprei en wat kussentjes op het bed, ik heb een waterkoker en een zelfs aquarium.

De volgende dag sluit er nog een dame aan, een vrij fantastische, waarmee ik samen wel een stukje door de straten van Delhi durf te lopen. De dames die volgen zijn stuk voor stuk fantastisch, op hun eigen manier. Met de nachttrein reist dit – voor Indiërs bijzondere lange en witte – gezelschap van Delhi naar Bodghaya, waar de Boddhi boom staat waaronder de boeddha is verlicht en waar nu ook een prachtige tempel staat. We zien monniken en pelgrims (hé, ik ben ook een pelgrim!) die van over de hele wereld daar naartoe zijn gekomen, om te mediteren, om bloemen neer te leggen, om te zijn. We reizen door naar Varanasi, waar kalfjes midden op een kruispunt bij hun moeder drinken en ik met mijn slipper in een koeienvlaai sta, we lopen langs de trappen aan de Ganges, aanschouwen het verbrandingsritueel van overledenen. We praten, lachen, eten taart, geven fruit aan kinderen die bedelen, pingelen af (laat mij in godsnaam nooit meer afpingelen, ik zeg al gauw “Ah joh, 300 roepie, heeft die man ook wat…” en dan verpest ik de hele deal) en delen verdriet, kennis en verbondenheid. Het is een reis die we echt samen maken, de vrouwen maken deel uit van mijn ontwikkeling en ik uit die van hen.

Toen kwam de laatste dag voordat de stilteretraite zou beginnen. Ik neem een moment voor mezelf om het allemaal op een rijtje te zetten. Eén besef voert de boventoon: hoe vrolijk ik was de afgelopen tijd. Ik voel het heel helder, hoe anders het is dan in Nederland. Ik was blij, open en kalm, zelfs terwijl mijn oren suisden van het getoeter, terwijl wc’s en straten vies waren en de douches koud. Ik had vertrouwen, in de dag, in het land, in mezelf. Ik huil. De hele reis had ik nog niet gehuild.

Ik huil omdat ik besef dat ik een vrij negatieve kijk op het leven heb. Ik ben vrolijk en positief aan de buitenkant en dat is niet gespeeld maar toch is het in mijn hoofd vaak anders. In mijn hoofd is het ‘dat lukt toch niet’ of ‘dit zal nooit gebeuren’ of ‘zie je nou wel dat…’ Ik ga de negatieve gedachten na die ik de afgelopen tijd heb gehad. Want het is niet dat ze verdwenen in India hoor, o god nee, maar ze werden wel ontkracht. Ik werd ziek en dacht ‘ja hoor, nu heb ik niks meer aan mijn vakantie’. Maar de reisjuf bracht saliethee en de volgende dag was ik er bovenop. Ik had mijn schoenen laten staan bij een hotel en dacht: ‘die dure Nikes zie ik nooit meer terug’. De hoteleigenaar zette de schoenen in een tuktuk en liet ze brengen naar het hotel waar ik nu verbleef. De tranen blijven lopen. Niet meer omdat ik een negatieve kijk op het leven heb, maar omdat ik me er nu bewust van ben en het kan, en mag, veranderen. Langzaam zal ik mezelf eraan herinneren dat ik vertrouwen in het leven mag hebben, dat het me geeft wat ik nodig heb en met humor en zachte ogen mag ik naar mezelf kijken. Zoals één van de dames het verwoordde: “Het is allemaal al goed hè.” En dat is zo. Het is allemaal al goed en er is dus vertrouwen en humor, wat mooi. Ik hoop dat ik er voldoende van heb om die stilteretraite mee door te komen. Gelukkig kan ik daarop bouwen tijdens de stilteretraite.

Hier lees je hoe de stilteretraite was!

Foto: Met dank aan Carin – ik hou van badslippers – Walraven
Reis: Live Mindfully

31 is… really old! – Gastblog

Dichteres Andrea van Herk waagt zich vandaag aan een kort verhaal voor Achtentwintiger. Ze is onlangs 31 jaar geworden en vierde dat in haar eentje op Bali. Een backpackersparadijs waar jonge meisjes drinken en seksen. Maar ook het eiland van de yogi’s. En waar past Andrea bij op haar leeftijd? Ze neemt ons mee naar haar vakantie; naar de biertjes, naar het schrijven en naar haar verjaardag.

31 is… really old!

Ik keek naar de datum op mijn computer. Nog één dag tot de deadline van mijn gastblog. Had ik al mijn kruit verschoten? De afgelopen dagen had ik zoveel gegeven, vanmorgen nog, toen de tranen over mijn wangen liepen bij het schrijven van het stuk op mijn Facebook timeline. Later nog een keer bij een nieuw hoofdstuk voor mijn boek. En dit… dit moest goed zijn. “Doe er nog een leuke foto bij,” had Achtentwintiger gemaild terwijl ik achter mijn laptop in een restaurant in Ubud zat. Ik had me er niet echt op mijn gemak gevoeld. Behalve toen ik met mijn oordoppen in, luisterend naar Bob Marley, druk zat te schrijven.

Ik zat in een restaurant met enkel alleenreizende vrouwen, ze zaten allemaal alleen aan een tafel. Het waren er minstens tien op een rij en ze staarden wat voor zich uit. Overduidelijk op zoek naar iets waar van ze zelf volgens mij ook niet wisten wat het was. Ik had het grapje gemaakt vlak voor ik het vliegtuig was ingestapt, tegen de vriendin die me een afscheidsknuffel gaf. “Ben ik nu ook zo’n vrouw met een yogamat aan haar tas onderweg naar Ubud op zoek naar… zichzelf?” Ik was tenslotte ook al in India geweest. Maar nu ik zo tussen die vrouwen zat, viel er eigenlijk weinig te lachen. Dachten ze nou werkelijk zich hier op het Eat, Pray, Love spoor te kunnen begeven? De nieuwe spreuk van het eens zo lieve stadje was inmiddels getransformeerd in Eat, Pay and Leave. En ik begreep het.

Ik trof in Ubud overigens niet alleen zoekende vrouwen. De hele stad leek op zoek naar iets hogers dat hen zou bevrijden van het alledaags leed dat leven heet. Ook ik had er de hoop gehad enige staat van verlichting te kunnen bereiken. De reis heeft me wel een les geleerd, bedacht ik me; dat waar je ook bent, je altijd je eigen plan moet trekken. Zo had ik na de krankzinnige tantra workshop op dag vijf van het Bali Spirit Festival besloten niet meer naar het avondprogramma te gaan. Genoeg was genoeg. Ik had gewoon trek in bier. En schrijven. Werkt ook verlichtend.

Het Canadese meisje dat ik de avond er voor in een koffietentje had ontmoet, had gevraagd of ik samen met haar naar Canggu wilde gaan. De plek waar ik mijn reis begonnen was. Ze stelde voor aldaar een kamer te delen. Het was een goede deal. Samen een kamer voor 40 dollar inclusief yoga- en surfles, als we mijn polsbandje van het festival zouden laten zien. Na lang genoeg naar de vrouwen in het restaurant te hebben gestaard, was ik bij haar en nog een paar meisjes aangeschoven in het hostel. Terwijl ik tussen de iets te harde muziek en schreeuwerige neonverlichting een bintang large bestelde en probeerde te vertellen over de krankzinnige toestanden op het festival, realiseerde ik me dat de meisjes misschien niet zo met spirituele dingen bezig waren. Zij waren naar hier gekomen voor andere dingen. Het gesprek ging al snel over wie er nog gescoord had gedurende de afgelopen maanden. Het backpackers trail in Thailand en Vietnam dat ze – deels gezamenlijk – hadden afgelegd. Een reis vol drank, mannen en zo nu en dan wat sex. Ze waren allemaal al maanden van huis. Ik gaf eerlijk antwoord, toen ze mij de vraag stelden. Ik bleek degene te zijn die het kortst zonder sex zat. Dat hadden ze niet verwacht van deze yogi.

Even later ging het over horoscopen. Het Amerikaanse meisje was ook een ram. “When is your birthday?” vroeg ze. “Tuesday,” zei ik. Het Nederlandse meisje vroeg hoe oud ik zou worden. “Thirty one,” zei ik vol trots. Het bleef even stil. Wat blikken kruisten elkaar, maar niet de mijne. “But… thirty one is really old!” zei ze. Ik moest lachen. Allang blij dat ik mezelf en het leven tegenwoordig de moeite vind om het te vieren. “Weer een jaar dichter bij jezelf,” luidt dan ook de tekst op de verjaardagskalender op mijn wc.

Halverwege mijn biertje zei ik het Canadese meisje dat ik alleen terug zou gaan naar de plek in Canggu, in tegenstelling tot haar suggestie. Het was me daar erg goed bevallen en ik vond een eigen kamer wel zo prettig. Ik wilde nog wat wilde schrijven. Gewoon mijn eigen plan trekken. Ik gaf haar mijn festivalbandje zodat ze de korting alsnog kon fiksen, als ze dat wilde. De andere meisjes spraken inmiddels vol bewondering over de 33-jarige vrouw waar ze die dag mee naar yoga waren geweest en wat hadden rondgewandeld door de stad. Dat ze het zo goed voor elkaar had. En ze hoopten op een dag ook ooit zo te kunnen zijn. “Hoe precies?” vroeg ik. “Nou gewoon. Geld om te kunnen doen waar je zin in hebt. Niet in dorms te hoeven slapen. Gewoon je eigen plan te kunnen trekken. Een baan die je leuk vindt.” Ik gniffelde en klapte mijn laptop even open. Schreef wat dingen op.

Ik bedacht me dat ik altijd wel iets in Achtentwintigers verhalen herkende. De humor. Het gedoe met mannen. Het hebben van een eigen huis en hoe we die koude avond eind januari hadden gesproken over hoe graag we allebei schrijven. Dromen van een sprankelend debuut. Ze had in de Topklas gezeten. Ik was afgewezen. Ze heeft meer dan vijftienhonderd volgers op haar website. De mijne is nog steeds under construction. Ze heeft een uitgever. Ik (nog) niet. En toch had ze me gevraagd. Blijkbaar is het best aardig wat ik schrijf. “What are you doing?” vraagt het Nederlandse meisje. “Oh, I need to write some things down for a short story on a website next week. It is called Achtentwintiger / being twenty eight. It’s about life when you around that age,” zei ik. “Oh.” Ze zwegen. De lofzang over de 33-jarige leek inmiddels ten einde. Ik realiseerde me dat ik meer gemeen had met de 33-jarige dan met deze meisjes. Ik hoorde het mezelf zeggen. “I really like the nice things you girls said about your yoga friend,”… “but, let’s face it, thirty three is… really old!”