Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Milano

Milano

Het is dinsdagavond, half 9. Ik zit met een dekentje over me heen op de bank. Een thermoskan thee staat op de salontafel, ik heb een wijntje in mijn hand en zet mijn televisie op RTL5. Vanavond kijk ik naar het slot van Samantha en Michael nemen er nog eentje. Ja, dat is die van Barbie. Ja, dat is die van Oh Oh Cherso.

Ik weet niet hoe hoog jij nu je wenkbrauwen optrekt, maar in mijn omgeving zijn er wenkbrauwen boven de haarlijn uitgekomen toen ik vertelde dat ik fan was van dit programma. Het is ‘not done’ om naar Barbie te kijken. Het is te plat, het is te dom en ik ben toch slim. Ik lees toch, ik ben toch een schrijver, ik ben toch ontwikkeld. Ja. Ja. Ja. En toch vind ik het heerlijk. Ik wil het dan ook geen ‘guilty pleasure’ noemen, want ik kom er gewoon voor uit. Ik hou van Samantha, Michael, Angelina en sinds de aflevering van gisteren ook van Milano (het was een hele emotionele aflevering, waarin Samantha zeventien keer de kleertjes van het ongeboren kind opvouwde, ze I hartje Michael op een bord schreef in het ziekenhuis, het vervolgens weer uitveegde omdat Michael zich gedroeg als een ‘mongool’ maar het was dus vooral de aflevering waarin ze Milano kregen, natuurlijk vernoemd naar de zanger Milan Milano).

Maar goed. Naar aanleiding van de zwevende wenkbrauwen om mij heen, ben ik toch eens gaan nadenken. Waarom vind ik Samantha en Michael zo leuk? Voor een korte analyse, schrijf ik hieronder de vijf momenten op van gisteravond die me het meest zijn bijgebleven.

1. “Doe ff normaal, mongool.”
Samantha spreekt haar vriend vaak aan met ‘mongool’. Ik vind dat op zich best wel gek. Ik heb nu pas een half jaar verkering, maar ik kan me niet voorstellen dat ik de taalnazi ooit voor mongool uit zou maken. Als ik zeg: “Doe ff normaal, joh,” denk ik al, moet dat nou, die ‘joh’. Michael vindt ‘mongool’ niet erg. Hij reageert er niet op, soms lacht hij er zelfs om. En dat vind ik op zich best wel schattig.

2. “Het is gewoon zo gelopen.”
In de aflevering van gisteren werd ook het 25 jarig jubileum van de ouders van Samantha – Cora en Ronnie – gevierd. De broer van Samantha gaat met zijn vader naar de kapper en vraagt hem hoe het eigenlijk zo is gekomen, tussen zijn ouders.
Ronnie: “Ik ging eerst uit met de vriendinnen van je moeder.”
Broer Samantha: “En toen daarna werd je verliefd op mama?”
Ronnie: “Nee, eigenlijk is het gewoon zo gelopen.”
En dan is het gesprek afgelopen. Als ik de zoon van Ronnie was, zou ik verdrietig en teleurgesteld zijn. Gedesillusioneerd zou ik roepen: “BEN JIJ NOOIT VERLIEFD GEWEEST OP MAMA?” Maar nee. Hier is het de gewoonste zaak van de wereld.

3. “Ik wil alleen zijn.”
Samantha wordt opgenomen in het ziekenhuis omdat ze de volgende dag een geplande keizersnede krijgt. Michael slaapt thuis en als hij weg is, vouwt ze voor de zoveelste keer de kleertjes van Milano. Ze vertelt dat ze nu alleen moet zijn. Ze zegt dat ze zich in alle rust wil voorbereiden op het moederschap en dat ze dat moet doen zonder iemand om haar heen. Ik vind dat bijzonder. Zo’n voorbereiding doe je in mijn hoofd samen, maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet. Samantha doet het op haar manier en ik kreeg traantjes in mijn ogen van haar betoog.

4. “We moeten weer een nieuwe Hetty.”
De volgende dag stapt Michael om zeven uur het ziekenhuis in. Onderweg naar Samantha wordt hij afgeleid door een schoonmaker die stofzuigt met ‘een Hetty op een accu’ (de ontzettende schoonmaakdrift van Michael heeft sowieso een aanzuigend effect op mij. Een man die stofzuigt en stofzuigt en stofzuigt, het is fantastisch). Onmiddellijk loopt Michael met grote stappen op de schoonmaker af, begint hem te ondervragen, maar de arme man weet niks van de Hetty af… Enthousiast loopt Michael naar de kamer van Samantha. “Ik heb een Hetty met accu gezien!” zegt hij. “We moeten een nieuwe stofzuiger.” Samantha vraagt wat het betekent, zonder accu en hij legt het uit dat het een stofzuiger is ‘zonder draad’ en dat hij daarmee heel makkelijk de trap kan doen. Ik vind dit allemaal lief en raar tegelijk.

5. “Nou Mike, je hebt me wel twee mooie kinderen gegeven.”
Samantha en Michael zijn niet het meest liefdevolle stel dat ik ken (ja, ik ken ze toch nu?). Samantha is zonder overleg gestopt met de pil (“Ik wou d’r helemaal niet nog één en nou heeft ze de pil gewoon weggegooid. Dat ken toch niet!”), ze schelden elkaar best vaak uit en Samantha ligt naast haar dochter ’s nachts en niet naast Mike. Maar aan het einde van de aflevering van gisteren zegt Samantha mooi: “Nou Mike, je hebt me wel twee mooie kinderen gegeven.”

Nu ik het laatste moment heb opgeschreven, weet ik wat mij zo trekt naar Samantha en Michael en hun familie. Zij leven een liefde zonder liedjes. Terwijl ik in mijn hoofd mijn relaties spiegel aan hoe ik denk dat het hoort, of hoe iets zou moeten voelen of wat zou moeten werken, hebben zij gewoon dikke schijt.
Samantha haar koosnaam is niet ‘schatje of liefje’ maar ‘mongool’.
Cora en Ronnie zijn zonder verliefdheid bij houden van gekomen.
Samantha wil alleen zijn op momenten van samenzijn.
Michaels grootste liefde na Samantha is de stofzuiger.
Maar samen hebben ze toch wat. Ze hebben Angelina, nu Milano. Ze kusten elkaar, ze huilden, ik huilde en ik kan niet wachten tot het volgende deel van hun real life soap.

Baby eendjes

Baby eendjes

Er zijn momenten dat je leven helemaal klopt. Tenminste, dat schijnt. Mensen hebben me verteld dat ze ‘nu pas echt gelukkig waren’ of dat ‘alle puzzelstukjes op hun plek vielen’. Ook gehoord: ‘Ik wist niet dat ik me zó zou kunnen voelen.’ Omdat ik zelf systematisch allerlei puzzelstukjes kwijt raak, per ongeluk stuk maak of gewoon weggooi, heb ik nooit ervaren hoe het is om een helemaal kloppend leven te hebben. Misschien dat ik daarom ook een pesthekel heb aan de mensen die wel ‘gelukkig’ zijn. Geluk. Ik stel me bij ‘geluk’ het einde van een romcom voor, waarbij een knappe man en ik zoenend voor een fontein in de zon staan, om te vieren dat ik de wereld van het Kwaad heb verlost en tegelijkertijd een Miss Universe verkiezing heb gewonnen.

Afgelopen zaterdag leek een dag als elke andere dag in mijn normale, matig gelukkige leven. Ik stond op de Groene Kruisweg in Rotterdam voor een rood stoplicht te wachten. Nog een uur en een kwartier en dan zou ik bij mijn taalnazi zijn. Het licht sprong op groen. Ik zette mijn voet op het gaspedaal en wachtte tot ik kon rijden. Niemand reed. Maar er was ook niemand die toeterde. Ik keek om me heen om te zien of ik deze matrixachtige ervaring kon verklaren. Het was immers Rotterdam. Hier toeteren we bijna al als het stoplicht nog op rood staat. Door mijn raam zag ik een man van middelbare leeftijd met kleine stapjes tussen de auto’s door rennen. Aan mijn passagierskant trippelde een mevrouw. Ze renden achter iets aan. Ik deed mijn deur open en keek naar de weg. Het waren eendjes. Baby eendjes. Ze renden tussen de auto’s door die wachtten voor een groen stoplicht. Het was een grappig en lief gezicht. Heel Rotterdam stond stil zodat deze eendjes gered zouden worden.

En plotseling schrok ik me helemaal de tering want mijn leven klopt. Ik hield nooit van babydiertjes en nu glimlachte ik om kleine eendjes. Terwijl de man en de vrouw achter de donzige baby’s aan renden, nam een gelukzalig gevoel bezit van mij. De zon begon te schijnen, ik hoorde een fontein spetteren, mijn hersenen zetten zelfs een zoetsappige liedje op. Daar waren de puzzelstukjes. Ik heb genoeg opdrachten om van te leven en tegelijkertijd kan ik aan mijn roman werken, ik heb een knappe vent die gek op me is, mijn familie is gezond en lief, mijn vrienden zijn te gek. Ik ben gelukkig, schoot er door mijn hoofd. Holy. Shit.

Omdat het gevoel van ‘gelukkig zijn’ in mijn ietwat verstoorde geest onmiddellijk een argwanende tegenreactie oproept, deed ik ter plekke een test. Terwijl de man en de vrouw geluiden tegen de eendjes maakten die ze ook tegen hun kat maken, maakte ik een lijstje van dingen in mijn hoofd die ik normaliter haatte.

Kattenfilmpjes. Haatte ik. Maar om deze foto moest ik wel erg lachen.
Geduld. Had ik nooit. Maar nu sta ik zelfs met tas en jas aan te wachten als hij toch nog even een potje moet schijten voordat we gaan.
Kinderen. Altijd een extreem ‘mwah’ gevoel bij gehad. Maar afgelopen woensdag liep ik met een grijns op mijn smoel van half tien tot half vijf met een kind van drie in de dierentuin.
Ikea. Geen haar op mijn hoofd die erover dacht om erheen te gaan. Maar gisteren hebben mijn moeder en ik er zelfs twee porties Zweedse ballen verorberd.
Babydiertjes. Tot ieders verontwaardiging raakte ik er nooit door vertederd. Maar nu stond ik op het punt om ook mee te doen in de actie ‘red de eendjes van de Groene Kruisweg’.

Gelukkig. Ja, dat ben ik dus. Word ik dan ook saai? Gaat dat bipolaire van me eraf? Word ik burgerlijk en gezapig? Het stoplicht was inmiddels weer op rood gegaan. De man en de vrouw maakten steeds meer geluiden. Geluiden die je maakt naar een paard, naar een hond en ik kan me zelfs voorstellen dat één van de geluiden past bij een fret. Maar er was geen geluid bij voor de eendjes. Die renden vrolijk door. Inmiddels had het stel wel bedacht dat het handiger zou zijn om de eendjes in te sluiten. De vrouw stond bij de voorkant van mijn auto, de man bij de achterkant. Terwijl alle automobilisten gebiologeerd naar het tafereel keken, bedacht ik dat ik iets moest doen wat me ongelukkig maakte. Gewoon, om het allemaal weer een beetje in evenwicht te brengen. Maar wat?

Ik deed mijn dashboardkastje open, op zoek naar een aanwijzing. De vrouw buiten slaakte een kreet, de man riep hard yes en ik zag in het kastje precies dat wat mij ongelukkig zou maken. Ik stopte de CD in de radio en wachtte tot hij begon te zingen.

In de verte spreekt een stem
Die ik herken van onze ruzies
Over kleine misverstanden
Over grote desillusies
En ik hoor de kille klanken
Van jouw ingehouden woede
Maar wat kan ik meer dan janken
Als ik dit niet kon vermoeden

Zoals ik van mezelf gewend was uit de tijd dat ik een matig gelukkig leven leidde, stroomde er onmiddellijk een traan over mijn wang bij het horen van Marco Borsato. Ik keek naar buiten. De man stak trots een baby eendje in de lucht. De vrouw hield er twee tegen haar borst. Blij keken ze het publiek in de auto’s aan. Het applaus bleef uit. Iedereen begon boos te toeteren en het stel rende terug naar hun auto. Ik glimlachte nog steeds, veegde een traan weg en zette Marco wat harder. Opgelucht haalde ik adem omdat ik wist dat ik altijd een beetje bipolair zal blijven. Mijn voet trapte het gaspedaal in. Nog een uur en een kwartier en de wereld is verlost van het Kwaad en ik heb de Miss Universe verkiezing gewonnen.

Zussen

Zussen

Op een grindpad ergens op een camping in Brabant liepen vijfentwintig jaar geleden twee meisjes. De ene was vier jaar, de ander negen. Die van vier had twee vlechtjes in haar haren en sleepte een geel eendje achter zich aan. Het meisje van negen had bruine knieën van het spelen in het bos en sleepte haar zusje achter haar aan. Deze grote zus liet geregeld haar vriendjes bij hun boomhut achter zodat ze die kleine even kon op zoeken. Om te kijken of alles nog goed was. Het was altijd goed, maar misschien kwam dat omdat de grote zus altijd op tijd kwam kijken. De zon stond laag terwijl ze doorstapten. De geur van moeders pannenkoeken kwam hen tegemoet. Het kleine meisje keek naar het grote meisje en hoopte dat het voor altijd zo zou blijven.

De grote zus is vandaag 35 jaar geworden en ondanks dat de zon een stuk minder fel schijnt dan toen op de camping, viert ze het buiten. Met jassen aan zitten de verjaardagsgasten in de tuin. Drinkend, lachend. Mijn grote zus houdt nog steeds van buiten zijn. Ze stookt het vuurtje op in de tuinkachel. Ik kijk naar haar terwijl ik slokjes van mijn wijn drink. Ik kijk naar haar haren, die net tot op haar schouders hangen. Auberginekleurig. Toen we naar de caravan liepen, waren haar haren bruin en had de kapper een pony geknipt. Haar haren hebben ook in een kuif gezeten. Daarna zijn ze met gel besmeurd en in een rode zakdoek gepropt. Haar kapsel is zwart geweest en rood en het is tot huilens toe weleens door een slechte thuiskapper verknipt. Ik was er om te zeggen dat haar kapsel leuk zat of dat het heus wel meeviel. En dat deed ze ook terug. Na een mislukte blondeerpoging riep ze ooit lachend tegen me: “Je lijkt Geert Wilders wel!” Daarna ging ik ook huilen en nam ze me mee naar de kapper.

Kapsels veranderen. Kleding verandert. Eetgewoonten veranderen. Aardappels veranderen in quinoa. Kinderen worden volwassenen. Ouders veranderen in mensen. Mensen worden moeders. Niks blijft zoals het is. Behalve mijn zus. Die werd volwassen, partner, moeder maar bleef voor mij altijd precies wat ze was. Mijn zus. En dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Bedankt dus zus, dat je op de camping de grote jongen een blauw oog sloeg die naar mij stenen had gegooid. Bedankt voor rugtekenen voor het slapen gaan. Bedankt voor het wegaaien van mijn buikkrampen toen ik voor het eerst ongesteld werd. Bedankt dat ik met jou mee uit mocht naar de Skihut, terwijl je me eigenlijk te jong vond. Bedankt dat ik bij je mocht huilen, terwijl jij ook verdrietig was om de scheiding. Bedankt dat je bij elk vriendje zei dat ik het wel echt met condoom moest doen. Bedankt dat je vertrouwen in me hebt. Bedankt dat je komt kijken als ik moet optreden. Bedankt dat je me kent. Bedankt dat je zegt dat ik moet doorbijten als er iemand de moeite waard is om lief te hebben. Bedankt dat je me accepteert. Bedankt dat ik mee mag op vakanties van jou en je gezin. Bedankt dat ik bij jou mag horen.

Mijn zus is veranderd. Van een stoere meid van negen jaar veranderde ze in een puber, in een drammer, in een lieverd, in een harde werker, in een oermoeder, zorgzame partner en nu is ze dat allemaal in één. Een vrouw van 35 jaar. Het vuurtje brandt, dus ze loopt de keuken in. Haar werk is nooit af. Ze komt terug met brood en kaasjes en seint met haar ogen dat ik een rondje drank moet doen. Ik doe het. Als haar dochtertje van bijna drie aan haar been hangt, zet ze de muziek aan. Die wil dansen. Ze danst met haar kleine zoals ze ook danste met mij toen we klein waren. Samen waren we klein. Er zijn herinneringen die alleen wij delen. Zij is de enige die ook weet hoe mijn moeders pannenkoeken vroeger roken, hoe zacht ons eerste hondje aanvoelde en met haar ogen dicht is zij de enige in de hele wereld die in een warme auto ook Celine Dion Destin in haar hoofd hoort zingen.

Ze is mijn enige link naar ons verleden, maar ook de enige constante factor in de toekomst. Ze zal er zijn als ik failliet ga, of als ik debuteer. Ze zal er zijn als de liefde me gelukkig maakt en ze zal me troosten als de liefde bij me weggaat. Ze zal er zijn om mee te lachen en om me bij te verstoppen. Dat mag ze ook bij mij. We zullen op elkaars kinderen passen en samen op vakantie gaan. We zullen eten en drinken en lijnen als het moet. We zullen verdriet delen als onze ouders sterven en als enigen herinneren hoe zij onze ouders waren. We zullen klagen over de overgang en ons afvragen waarom we nog steeds te weinig tijd hebben, ook al zijn we met pensioen. Ze zal altijd trots op me blijven. En ik op haar. Alles verandert, maar dat niet. Ik zal altijd naar haar kijken zoals die kleine naar die grote keek op de camping vijfentwintig jaar geleden.

We worden oud, zus. Maar gelukkig doen we het samen.

Kerstwens

Kerstwens

In een groot huis ergens in Nederland, woont een meisje van elf zonder haar ouders. Ze zit op de gang en heeft net met een ongelooflijk harde trap het glas uit een deur geschopt. Negen andere kinderen zonder ouders zijn in de woonkamer kerststukjes aan het maken als ik binnen kom. Ik geef schrijfles op residentiële opvangcentra door het hele land. Het is een mooie term voor een kindertehuis.

“Hallo knapperds,” roep ik en ik knik naar de begeleider die ook aan tafel zit.
“Hoi juf,” zegt een van de jongetjes die fantastische verhalen kan schrijven. “Kijk eens naar mijn kerststukje!”
“Snotverdikkeme nog aan toe,” zeg ik. “Wat mooi.” De kinderen grinniken altijd om snotverdikkeme.

In de tuin horen we geschreeuw. Het meisje dat op de gang zat, rent naar buiten. Een begeleidster rent erachteraan. We kijken naar het tafereel. “Ga eens verder met de stukjes,” zegt de begeleider. Braaf gebeurt het. Ook ik pak maar een stukje oase en prik er mos in. Dan een takje hulst. Wat slingers. Er zijn ook zijn kleine kerstballen, takjes met besjes, paddenstoeltjes en glitters. Maar geen kaarsen, ze mogen geen kaarsen in hun stukjes.

Tien kinderen wonen er hier. Maar in Nederland wonen duizenden kinderen meer in residentiële opvang omdat ze thuis worden mishandeld, omdat hun ouders in een afkickcentrum zitten, psychisch niet in orde zijn of om… bedenk het maar. Ik heb de vreemdste dingen gehoord. Het is verdrietig. Elke keer als ik lesgeef, bedenk ik hoe zwaar het is om jong te zijn zonder ouders. En dan is het nu godverdomme ook nog eens kerstmis.

Ik weet niet of het aan kerst ligt, maar iedereen om me heen heeft zwangerschapsambities. Sommigen zijn al zwanger, sommigen doen hard hun best. Sommigen hebben er net al één uit geworpen. Normaal maak ik ongepaste grappen tegen baby’s die nog in buiken zitten. Eet ik hele borden beschuit met muisjes leeg. Maar nu stoort het me.

Het meisje is weer rustig geworden, de begeleider zegt dat ik even met haar mag praten, kijken of ze nog met de les mee wilt doen. En anders moet ik gewoon zonder haar beginnen. Het meisje, dat slim is en mooi en schrijft alsof ze met een pen in haar hand is geboren, zit onder de trap op een grote zitzak. Het is het ‘rustig worden plekje’ van de opvang. Ik ga bij haar zitten en leg mijn hand op die van haar. Niks weet ik te zeggen.
“Hoe is het nou?” vraag ik uiteindelijk.
“Ik ben zo verdrietig,” zegt ze.
Mijn hand aait die van haar.
“Ik had zulke slechte cijfers gehaald op school en hier is het gewoon stom, ik wil hier niet wonen en ik mis mama maar ik weet dat het niet goed voor me is om bij mama te wonen. Maar ik ben zo alleen.”

Ik knik en ik weet niet of het mag als juf, maar ik ga staan en open mijn armen. Zonder iets te zeggen, legt ze haar hoofd op mijn borst en haar armen om mijn rug. Ze ademt uit en laaft zich aan me. Ik streel haar haren en moet mezelf ervan weerhouden om een kus op haar hoofd te geven. Ze houdt me stevig vast. Lang. Ik heb nog nooit iemand zo lang vast gehad. Niet mijn moeder, noch mijn vriendjes.

Als ze me loslaat, zijn de kerststukjes af en kunnen we aan de schrijfles beginnen. Het meisje is weer vrolijk, net als de rest van de kinderen.

Ik denk aan de babyshower die er volgende maand op het programma staat. Babynamen raden. Roze spekjes eten. Ik kijk naar de kerststukjes die af zijn. Het jongetje dat ook zo mooi kan schrijven, wil dat ik die van hem mee naar huis neem. Ik mag er wel een kaars in doen, zegt hij en daar is het stukje toch eigenlijk voor.

Normaal snap ik dat wanneer je samen bent met een partner, je een baby van elkaar wilt. Dat je dik wilt worden en dat het bijzonder is dat er een mensje uit je komt. Dat je iets van elkaar samen wenst. Maar nu is het godverdomme kerst. En dan wensen we andere dingen. Dan wensen we dat het overal sneeuwt of dat we de hele wereld te eten kunnen geven. Ik heb ook een kerstwens. Ik wens dat we stoppen met baby’s produceren en eerst de mooie exemplaren opmaken die we al hebben. Ze maken de prachtigste kerststukjes.

Leven

Leven

Grote bruine ogen kijken terug vanuit de spiegel. Ze lachen. Ze stift haar lippen donkerroze en haalt de krullers uit haar warme haren. Ze kijkt de tuin in en haar buik maakt een vrolijk sprongetje, alsof ze over een heuvel rijdt. De lichtjes zijn al opgehangen, haar vriendinnen versieren de stoelen. Het wordt een kleine plechtigheid in de buitenlucht, waar iedereen bij is van wie ze houdt.

De man die haar gelukkig zou maken, had haar nog moeten vragen. Ze zou verbaasd zijn geweest over hoe snel ze verliefd op hem was geworden en hij zou nooit eerder zijn huissleutel als kerstcadeau hebben geschonken. Ook toen zou ze het sprongetje hebben gevoeld. Ze zouden praten. Wat konden ze goed praten. Ze zouden ook ruzie maken. Ze zouden lachen en vrijen en natuurlijk, nog meer ruzie maken. Maar, na al die jaren zouden ze af en toe nog steeds heel verliefd zijn.

Hij zou haar steunen in haar werk. Beloofde misschien ooit huisvader te worden. Want zij zou carrière maken. En niet zo maar carrière. We zouden van haar horen. Van hier tot in Afrika. Ze zou van de wereld een betere plek maken.

Ze zou met haar vriendinnen nog elk jaar weg gaan: met z’n tienen op stap. Zonder mannen, met rugtassen. Thailand. Scandinavië. Australië. Haar favoriete biertje zou Singha blijken te zijn. De meisjes die vrouwen werden zouden net zo lang met elkaar op vakantie gaan tot de kindjes kwamen. Vanaf toen zouden het weekenden worden.

Haar bevalling zou ze een hel vinden, maar ze zou zeggen dat ze de pijn was vergeten zodra het kindje op haar borst lag. Ze zou lachen door haar tranen heen en haar man loste zijn belofte in om huisvader te worden. Na haar werk zouden ze eten in de tuin en daar zou het kindje zijn eerste stapjes zetten. Later zou ze met hem naar de speeltuin gaan. Ze zou zich ervan moeten weerhouden om achter hem aan te lopen, om hem op te vangen als hij zou vallen. Ze zou hem helpen met zijn wiskunde huiswerk, daarna zijn spullen naar een studentenkamer verhuizen en hem stimuleren om net zo veel van de wereld te zien als zij had gedaan.

Ze zou spreken op de begrafenis van haar vader en later op die van haar moeder en ze zou hun graven verzorgen. Ze zou met pensioen gaan en zich verbazen over het feit dat ze nu ook ineens van kruiswoordpuzzels hield. Altijd zou ze betrokken blijven bij het werk wat ze vroeger had gedaan, al wilde haar man nu gewoon samen met haar puzzels maken. De puzzels maakten ze in de tuin, terwijl ze nog een paar jaar van de rozenstruik kon genieten die haar man geplant had. De geur van rozen vervulden de tuin toen ook haar kleinzoon zijn eerste stapjes zetten. Het was goed. Het einde zou komen op een leeftijd waarop een einde past. Ineens bleef ze voor altijd slapen en werd ze uitgestrooid onder de rozen.

Nooit heeft ze de warmte gevoeld van haren die ze uitrolde voor haar bruiloft. Ze zat op vlucht MH17. Ze zat tussen vele anderen die nog een leven hadden moeten meemaken. Het waren onze vaders, moeders, vrienden, ooms, tantes die erin zaten. Het waren onze buurmeisjes.

Men zegt weleens dat je leven aan het einde in een flits aan je voorbij gaat. Dat de mooiste momenten nog een keertje langs komen. Ik hoop dat jullie in die flits wat anders zagen. Dat lippen werden gestift, tranen gedroogd, lachen gehoord, graven bezocht, puzzels gemaakt en rozenstruiken geroken. Als het waar is dat je leven aan je voorbij flitst, hoop ik dat jullie in die flits de toekomst zagen die er nooit zal komen. Wat zouden het volle levens zijn geweest.

Mijn stad

Mijn stad

19 jaar was ik toen ik Rotterdam verliet. De stad waar mensen hun mouwen opstropen, waar je zegt wat je denkt. De stad waar mijn eerste vriendschappen geboren zijn, waar ik voor het eerst verliefd werd, waar ik mijn diploma haalde en waar ik na het uitgaan bij Jaffa kapsalon ging eten.

Rotterdam was mijn stad, maar toch wilde ik een nieuw avontuur. Ik ging naar Utrecht en op kamers. Utrecht, waar ik mijn eerste vriendje kreeg en mijn eerste baan. Waar mijn hart talloze keren werd gebroken en bier het heelde. Waar ik vrienden ontmoette op een steiger of stoep en waar ik zoveel meer mee deelde. Utrecht was van mij en werd ook mijn stad. Ik was er begonnen zonder hulp van anderen en was er groot geworden. Nu is het bijna tien jaar later en ben ik echt een van de grote mensen, zoals je vroeger altijd had willen zijn.

Het gekke van nu is dat velen die ik hier ontmoette, de stad ook weer verlaten. Het is tijd, zeggen ze dan. Vaak gaan ze naar Amsterdam. Ik niet. Ik ben loyaal, dat is misschien het Rotterdamse in mij. Of misschien kan ik gewoon niet naar Amsterdam. Dat klinkt ook logisch. Maar hoe dan ook, ook in mij kriebelt het om iets te veranderen.

Toen ik op mijn 19e naar Utrecht verhuisde, verliet ik niet alleen de stad, ik verliet ook mijn vriendinnen. Het waren er drie. Drie meiden die ik op mijn veertiende ontmoette op de plaatselijke handbalvereniging en vanaf toen was het goed. We gingen op vakantie, maakten ruzie, kotsten onze longen leeg na het drinken van Blue Curaçao en maakten het weer goed. Het was goed. Toen ik vertrok, was het ’t moeilijkste om hen te verlaten. Want niet elke vriendschap is eeuwig en het is een risico om weg te gaan bij wat je kent. Maar ik hoopte dat ze zouden blijven.

En… ze zijn er nog. Ze zijn vrouwen geworden met een baan, een partner, een kind en ik ben geworden wie ik ben. In die tien jaar zagen ze mij worstelen met mezelf of mijn schrijven, ik zag hen worstelen met gebroken nachten en verkeerde hechtingen. Ze zijn vrouwen geworden die ik soms ook wil zijn en af en toe zien ze iets in mij dat zij ambiëren. Dat Rotterdam nog steeds mijn stad is, dat is zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat weet ik niet. Dat mijn vriendinnen er nog steeds zijn, dat is ook zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat wist ik ook niet toen we afgelopen vrijdag voor het eerst in tien jaar een weekend weggingen. Houden we het wel uit, een heel weekend bij elkaar, tien jaar, drie baby’s en vier ontwikkelde karakters verder? Is er nog genoeg basis om 48 uur bij elkaar te zijn?

In de auto kwamen herinneringen boven. En het eerste gelach. Over de gans die ons huisje binnen liep toen we het eerste weekend weggingen in de pubertijd. Over jongens die werden gezoend zonder dat we hun naam wisten een vakantie later. Over het bezoek van mijn vriendinnen met de grootste teddybeer die er bestaat toen ik in het ziekenhuis had gelegen. Later, met een paar shotjes Blue Curaçao spraken we over baby’s – gelukkig niet het hele weekend – maar ook over relatieperikelen, over therapie, over seks, over mijn boek en over onze toekomst.

Toen kwam er het moment dat de hoedanigheid zich onthulde. De foto die ik een half jaar geleden had doorgestuurd kwam ter sprake. Mijn vriendje had het uitgemaakt, ik had de dikste ogen ooit en stuurde een foto van mezelf over de groepsapp. Ik kreeg geen ‘o wat ben je zielig’. Ik kreeg een ook een foto. Een van de vriendinnen maakte een kiek van haar hoofd en zette die op de app. Ze had net zulke rode, opgezwollen ogen als ik, alleen had niemand het met haar uitgemaakt. Een chronisch gebrek aan nachtrust te danken aan haar nieuwbaken baby was de oorzaak. En toen wist ik het. We kunnen nog zoveel verschillen, maar we hebben dezelfde humor, dezelfde basis. Dat is het Rotterdamse. We zijn anders, maar hebben nog steeds dezelfde ogen.

Dit weekend maakte de beslissing makkelijker. Er moest iets veranderen en nu weet ik wat. Ik hou van Utrecht om zoveel redenen, maar ik moet terug naar Rotterdam om één reden: het is thuis. De vriendschappen in Rotterdam heb ik kunnen behouden, zo bleek dit weekend. Ik hoop dat ik over tien jaar met de Utrechtse vrienden, die ik op een stoep of steiger heb ontmoet, ook zo kan zitten in een bungalow. Want ook deze vrienden zijn anders, maar ook wij hebben een basis. Een ding moet ik ze nog wel leren voordat ik terug ga, al wat ik niet precies wanneer dat is. Blue Curacao drinken.