Vetrollen

Ik ben altijd een beetje dik geweest. Toen ik veertien was, was ik op m’n ergst. Ik zag eruit als een krentenbol op pootjes met vet haar. Mijn moeder had daarentegen altijd een perfect figuur. Mooie benen, slanke taille en goede borsten. Ze zeurde weleens over ouder worden en rimpels, maar nooit veel, want ze bleef er goed uit zien. Ze zag er beter uit dan ik.

Het was een oneerlijke situatie. Ik zag aan de moeders van Salima en Stephanie dat het de omgekeerde wereld was. Zij hadden dikke, verlopen moeders en dat vond ik goed, zo hoorde het. Dochters moeten knap en slank zijn, moeders uitgezakt en dik. Bij ons waren de rollen omgedraaid. Mijn moeder was mooi en slank, en ik dik en bepuist.

Inmiddels is het 15 jaar later en mijn moeder is met haar 62 lentes nog altijd een leuke vrouw. We spraken afgelopen weekend af in winkelcentrum Keizerswaard. Ze staat te wachten bij de HEMA. Haar haar is rood geverfd en met de krultang gestyled. Ze is goed opgemaakt en ook vandaag is haar outfit op kleur – blauw is het vandaag – doorgevoerd tot op haar sokken. De jaren zijn voorbij gegaan en ze werd ouder, maar zeker niet dikker. We drinken koffie.

“Ik moet wat nieuws kopen,” zegt mijn moeder. “Nieuwe kleren.”
Mijn moeder wil altijd wel nieuwe kleren, dus verbaasd ben ik niet.
Dan pakt ze met haar beide handen haar buik beet. Een vetrolletje. “Kijk eens!” roep ze terwijl ze het vet op en neer beweegt.
Ik kijk naar de bewegende vetrol die ik inderdaad nooit eerder zag.
“Ik word dik,” zegt ze. Haar toon zit tussen boos en verdrietig in.
“Zo,” zeg ik, meer niet. Eigenlijk voelt het een beetje alsof de wereld weer klopt, maar dat mag ik niet zeggen. Eindelijk – op haar 62e – heeft mijn moeder een minder goed figuur dan ik. Of nou ja. We hebben hetzelfde figuur. En ik ben 31.

Na de koffie rekenen we af en struinen we verder door Keizerswaard. We staan even stil bij een winkeltje dat Miss Jenny heet.
“Daar hoef ik nou niet meer naar binnen,” zegt ze beteuterd. Even blijft ze staan, aarzelend. Ze hoopt dat ik wel naar binnen wil, zodat ze mee kan.
“Nee,” zeg ik beslist. “Dat hoeft niet.” Ik werd altijd ziek van winkels als Miss Jenny. Ze verkopen enorm goedkope kleding; strakke truitjes van flutstof, broeken die ik niet eens over mijn kuiten krijg en veel kleding heeft glitters. Nu is mijn moeder niet van glitters en strak hoeft ook perse niet van haar, maar goedkoop wel. Mijn moeder is een koopjesjager en een broek is pas echt een geslaagde aankoop als hij minder dan zeven euro kost. Dus, ik moest vaak mee naar Miss Jenny maar nu hoe niet meer. We lopen verder.
“En hier?” Ik blijf staan bij M&S mode.
“Nee. Zo dik ben ik nu ook weer niet.” Ze wijst naar de plus size modellen in de etalage. Ze heeft gelijk, zo dik is ze nou ook weer niet.
“Hier dan?” Ik knik naar Vögele.
“Nee. Zo oud ben ik nu ook weer niet.” Ze haalt haar neus op voor de keurige pantalons in de rekken. Ze heeft gelijk, zo oud is ze nu ook weer niet.

“Laten we hier naar binnen gaan.” Voordat ik het weet, is ze me voor gegaan in de Cool Cat. Harde muziek komt ons tegemoet.
“Mam, dit is niets voor jou.”
“O nee? Waarom niet?” Ze struint door de rekken waarbij grote rode borden hangen met in witte letters ‘50% korting’ erop. “Het is uitverkoop!”
“Nee ma, alles is hier strak en stom.”
Ze neust in een rek met truitjes en haalt er eentje uit. Het is een lief truitje, blauw met bloemetjes. Het is een klein truitje. Te klein voor haar nu.
“Het is maat 40!” roept ze. Ze trekt aan beide kanten, maar echt veel groter wordt het niet. “Die pas ik nooit.”
Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik 14 was en ik dingen wilde kopen die me niet stonden. Mijn moeder zit nu voor het eerst in haar leven in een soortgelijk pakket.
“Ik ben echt dik,” zegt ze terwijl ze ook de andere truitjes afkeurt, om vetroltechnische redenen.
“Ik ben ook dik,” zeg ik om haar te troosten. Ze hoort me niet, inmiddels is ze doorgelopen naar de broeken. Uit ervaring weet ik dat ze ook hier teleurgesteld zal worden en daarom grijp ik in.
“Mam, het maakt niet uit, kijk eens.” Ik pak met beide handen mijn vetrol vast en beweeg ‘m op en neer. “Ik ben ook dik!”
Mijn moeder kijkt naar mijn vetrol, dan naar mij en ze zegt zachtjes: “Maar dat was je toch altijd al?”

Ik lach. Om mijn moeder, om het feit dat ik in een winkel met mijn vetrol in mijn handen sta en om mijn moeders bizarre eerlijkheid. Ik heb het niet van een vreemde. Ik sla haar zachtjes op de schouder en zeg dan: “Bedankt ma.”
Geschrokken houdt ze haar hand voor haar mond. “Dat had ik niet zo bedoeld.”
“Het geeft niet,” zeg ik. Het geeft echt niet. Mijn moeder heeft mij door mijn puisterige puberjaren gesleept. Toen ik werd gepest, is ze naar het schoolplein gekomen om het jongetje terug te pesten. Toen ik wilde lijnen, hielp ze me met gezond eten. Toen mijn puisten weg moesten, ging ze met me mee naar de huisarts. En dan mijn lievelingsherinnering: toen ik het ’t meest nodig had, stonden er tussen de middag ineens een keertje frietjes op tafel. Gewoon, tussen de middag. Wat hield ik toen van haar. En wat doe ik dat nog steeds.
Ik steek mijn arm naar haar uit. We gaan iets leuks voor haar vinden dat ze past.
“Zullen we toch nog even bij Miss Jenny gaan kijken?” vraag ik.
“Vooruit.” En ze haakt haar arm in de mijne.

Over tijdloze hemden en goede koffie – Gastblog

De gastblogger van deze maand is misschien wel de Carrie van de Lage Landen te noemen. Simone Dolk, freelance schrijver maar vooral ook dromer, woont in Amsterdam en geniet daar van goede kopjes koffie, biertjes in foute barren, haar vriendinnen, haar schrijverij en natuurlijk; af en toe een leuke vent. Voor Achtentwintiger schreef ze een raar verhaal met een hoog waarheidsgehalte dat zo in Sex and the City zou kunnen. De clichés van de liefde die o zo waar zijn, lees je in Over tijdloze hemden en goede koffie.

Over tijdloze hemden en goede koffie

Daar lig ik dan. Starend uit het slaapkamerraam en mijn dekbed tot onder mijn neus opgetrokken. Ik beweeg niet en adem een beetje. Mijn hoofd voelt zwaar en mijn buik weeïg. Vanuit mijn ooghoek zie ik een berg dekbed naast me en daar ligt hij onder. Ik weet wie hij is en ook dat hij zo snel mogelijk mijn bed uit moet.

Een diepe zucht, een kuchje en kippenvel over mijn lijf.
“Yo, ben je al wakker.” Mijn stem klinkt nog roestig van het bier en de rook. Ik draai me naar hem toe en tik met mijn wijsvinger op zijn schouder. Hij bromt. Ik glimlach naar zijn rug onder mijn dekens en wil het liefst verdwijnen in mijn matras. Waarom dacht ik dat dit een goed idee was? Door de waas in mijn hoofd heen spelen de beelden van gisteren in slow motion door mijn hoofd. Zomaar, ineens stond hij voor mijn neus in de kroeg. Hij keek me aan, recht in mijn ogen, gaf me een vluchtige zoen op mijn wang terwijl zijn hand in mijn nek lag en zei “Dat is lang geleden, dame.” Dat ene woord, met die ene blik. Die godvergeten blik. Die gódvergeten blik… En dan ook nog die glimlach. Alle goede voornemens, alle beloftes om ver bij hem vandaan te blijven, verdwenen als sneeuw voor de zon.

Hij. Hij was degene die mijn dagen kleurde. Hij maakte mijn dagen zo veel leuker dan ik dacht dat ze zouden kunnen zijn. Hij zorgde voor de glimlach op mijn gezicht, ook al viel er niets te lachen. Soms lijkt dat allemaal een leven geleden. Het werkte niet, wij samen. Het was onze tijd niet, weet ik het. Blijkbaar voelde het allemaal niet goed genoeg. En nu ligt hij weer in mijn bed. “Terug bij af,” denk ik dramatisch. Mijn telefoon trilt onder mijn kussen, ik knipper met mijn ogen en slik de opkomende tranen weg. Anna in de lucht.

Anna: Schatje! Gaarne een update. Bart? Serieus?! Meld je je zo voor koffie bij Two for Joy op de Haarlemmerdijk? Kan je me alles vertellen 😉 PS Julia en Cath zijn er ook bij.
Ik: Hij. Moet. Hier. Weg. Nog tips uit eigen repertoire?
Anna: Bied hem geen koffie aan. Ik herhaal. Geen koffie.
Ik: Ok 🙂 Ik ben er om 1300. Zie je dan xx

Ik schraap mijn keel en zeg zo nonchalant mogelijk tegen hem: “Hey, ik moet er zo vandoor. Dus spring nu onder de douche.” Zonder zijn antwoord af te wachten, gooi ik zijn overhemd op mijn bed en vis ik een handdoek, ondergoed, spijkerbroek en hoodie uit mijn kledingkast. Terwijl ik naar de badkamer loop, doe ik een schietgebedje dat hij het veld heeft geruimd als ik terugkom. Beter voor iedereen.
Ik heb nog een uur om me toonbaar te maken. Mijn gezicht zit in de kreukels, mijn make up zit tot aan mijn kin en mijn haar lijkt het meest op een warzone, zie ik als ik in de spiegel kijk. Mijn hersens bonken mijn hoofd uit, het licht doet pijn aan mijn ogen en om over het gevoel in mijn buik nog maar te zwijgen. Ellende. Een grote, fakking ellende. In stilte spreek ik met mezelf af dat ik nooit meer een druppel alcohol drink. En deze keer écht nooit meer. Ik stap onder de douche, hoor na een paar minuten dat hij de deur achter zich dichttrekt en leun met mijn voorhoofd tegen de tegeltjes. Machteloos en verslagen.

Hij is echt weg als ik weer in mijn slaapkamer sta. En hij heeft mijn bed opgemaakt: alsof hij er nooit is geweest. Ik laat mezelf in een zeesterpositie op bed vallen, adem zijn geur in en glimlach. Maar het doet een beetje pijn.

In spijkerbroek en hoodie sta ik even later voor de spiegel en ik zie er net zo uit als ik me voel: afgrijselijk. Laat ik in ieder geval doen alsof ik me kiplekker voel. Hoodie uit, zijden bloesje aan. Nikes uit, hakken aan. Even in de make-up voor de herstelwerkzaamheden: crèmepje, mascara, wenkbrauwen, nog een laag mascara en wat gloss op de lippen. Als ik mijn mondhoeken omhoog trek, is het net echt.

Two for Joy. Behalve de heerlijke koffie, industriële inrichting, staat deze tent ook symbool voor mijn leven als vrijgezel meisje. Vergaderingen over de ondoorgrondelijke gedachtegangen van mannen, werksores en de vragen des levens worden hier belegd. De geur van geroosterde koffiebonen, vers gebakken granola en bananenbrood komt me tegemoet als ik naar binnen stap.
“Hi there,” zegt de barista. Hij ziet eruit zoals een barista eruit hoort te zien: een baard, een kunstige, quasi-nonchalante coupe en armen onder de tattoos. “Would you like to have your latte?” vraagt hij alsof ik hier al jaren kom. En eigenlijk kom ik dat ook. Ik knik en glimlach: “Yes please.”
“Ok great. And I was wondering… if maybe we could get together outside this place one day? I mean we could just go for a beer somewhere around here.”
Ik frons mijn wenkbrauwen en kantel mijn hoofd. Voor mijn gevoel staar ik hem tien volle secondes aan terwijl ik het probeer te verwerken. Hoor ik dit goed? Word ik hier, nu op klaarlichte dag ouderwets mee uitgevraagd door een barista? Als in, een date?

“Uhm?! What? A beer?” is het enige wat ik uit kan brengen. Maar hij heeft zich al omgedraaid en doet zijn trucjes met zijn piston en andere attributen. Hij lijkt zich vol overgave toe te leggen op de coffee art en ik speel de laatste minuut tien keer opnieuw in mijn hoofd af. Stel hè, hij bedoelde wat ik denk dat hij bedoelde… Hoe lang is het geleden dat iemand mij die vraag gesteld heeft? Nuchter als de pastoor en in het echt? Niet met een Tinder berichtje? Met een pistool tegen mijn kop zou ik het echt niet weten.

Hij gaf me mijn koffie verkeerd met een ongemakkelijke glimlach “Here you go”. Ik glimlach terug, zo mogelijk nog ongemakkelijker. En ik heb werkelijk geen idee wat ik moet zeggen en kraam een onverstaanbaar “Ok. Thank you. Bye.” uit en loop naar mijn vriendinnen. Onderweg zie ik dat hij een hartje heeft gemaakt van de warme melk in mijn koffie. Wow. Ik draai mijn hoofd nog een keer om en lach naar hem. Breeduit. Hij knipoogt. Hij ziet er zo anders uit dan mijn crushes van afgelopen tijd. Geen tijdloos overhemd, geen lange mat van haar in zijn nek en al helemaal niet van die degelijke gaatjesschoenen.

Anna, Cath en Julia waren verwikkeld in een zeer vermakelijke analyse van een whatsappgesprek van Anna en een vriend van haar als ik aan kom lopen. “Dit is toch niet normaal!” Verongelijkt betoogt Anna dat hij met haar aan het flirten is, ook al heeft ze hem opgedragen dat niet te doen. Cath denkt er iets anders over: “Vriendschap tussen man en vrouw is echt onmogelijk. Hoe vaak heb ik dat al gezegd? Ik zeg het je. Ik heb echt al te veel verontrustende verhalen over gehoord. Maar onze slettebak is gearriveerd! Dus dame,” en ze richt zich tot mij, “vertel even. Bart? Waarom precies?” En hun aandacht verplaatst zich naar mij met een vragenvuur. Blijkbaar heeft Anna al een goede teaser gegeven. Hoe kon ik in hemelsnaam me weer hebben ingelaten met Bart? Ik wist toch dat hij… en dat ik dan… en dat wij nooit… Mijn toelichting is kort: “Gisteren leek het echt een supergoed idee. En ik ben echt te brak voor diepgaande analyses en gepreek.”

Anna ziet dan dat er een kaartje op mijn schotel ligt, pakt het en kijkt mij met grote ogen aan: “Zeg? Had je dit wel gezien?” Anna begint te giechelen en ik ben in complete verwarring. “Het is een geheime boodschap van de barista. Hij vraagt of je een keertje met hem wilt afspreken.” fluistert Anna. “En daaronder staat zijn telefoonnummer.” Er breekt totale hysterie uit: Cath en Julia uiten hun enthousiasme met een synchroon “Whaa!”, grissen het kaartje uit Anna’s handen, vallen nog net niet flauw van opwinding en lezen zijn tekst voor: “I was serious. Let’s grab a beer together one day.” Gênant. Drie paar ogen kijken mijn vragend aan. En ik? Ik denk dat er te weinig te gekke dingen in mijn comfort zone gebeuren.

Tarrel

Tarrel

Mijn angst voor het laten van scheten waar mannen bij zijn, zit diep en gaat lang terug. Denk aan het jaar 2001, ik ben een puber, een nerveuze puber. Ik zit in een zwart-wit geblokte tuinbroek verlegen aan mijn bureau en naast mij zit Peter. Het is de eerste jongen die bij ons thuis komt, het is mijn eerste liefde en we maken wiskundehuiswerk. We kijken stiekem naar elkaar op, nemen slokjes van de gazeuse die mijn moeder ons bracht en soms glimlachen we even en naar elkaar.
Het is mooi, het is lief. Totdat mijn maag begint te borrelen.
En nee, het zijn niet de vlinders.
Het zijn mijn darmen.
Ze beginnen nu ook geluid te maken.
O god. Niet nu.
Ik leg een hand op mijn buik. De druk stapelt zich op.
Het doet pijn. Ik denk: als ik nu beweeg, laat ik er een vliegen. En het kan ook nog weleens een natte zijn.
Niet bewegen. Niet bewegen. Alsjeblieft niet bewegen. Ik ga nog liever dood dan dat ik beweeg.
Ik voel een druppel pijnzweet langs mijn slaap sijpelen. Ik wil niet ruften. Dat mag niet. Maar jullie weten ook wel, als je het te lang inhoudt, ga je op een gegeven moment dood van de pijn. Dan moet je wat doen. Dus ik probeer er nog het beste van te maken en zeg quasi interessant tegen Peter: ‘Ik moet even gaan liggen. Krampen. Ik denk dat het menstruatie is.’ Altijd goed om op je zestiende aan te geven dat je vruchtbaar bent natuurlijk.

Ik strompel met een hand in mijn rug naar het bed. Niet omdat de pijn echt niet te harden is, maar omdat ik mijn billetjes bij elkaar probeer te houden.
Peter is lief en komt bij me zitten.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij haalt een pluk haar uit mijn gezicht.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij aait me over mijn buik.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Ik denk aan wat hij zou doen als hij wist dat hij eigenlijk alleen een grote drol aaide, waar een stuk buik tussen zat.
Hij wrijft wat harder.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij probeert de krampen weg te duwen, net iets te hard en ik…
Kan mijn billetjes niet meer bij elkaar houden. Jullie weten wat er toen gebeurde. Het was een stille en die stinken het ergst.
Ik houd mijn adem in, natuurlijk omdat ik weet wat voor godschruwelijke stank eruit me is gekomen, maar ook uit angst. Zou Peter me nu verlaten?
Ik was trouwens wel opgelucht dat het geen natte was.
Ik kijk Peter aan, hij moet dit ook ruiken, Franse schimmelkaasjes zijn er niks bij.
Maar hij doet niks. Hij blijft aaien, stoïcijns.
Ondanks dat Peter de scheet die dag niet erkende en er nooit meer op terug is gekomen, is de scheet altijd tussen ons in blijven staan. Na die dag is Peter nooit meer huiswerk komen maken, sterker nog: Peter werd zelfs homoseksueel.

Tussen Peter, mijn eerste liefde, en de ontmoeting met wat mijn laatste liefde kon zijn, zat een hoop tijd. In die tijd had ik alleen amoureuze ontmoetingen van een nacht en dan weten jullie hoe dat gaat: voor poepen wacht je tot je thuis bent en scheten laat je als je ‘even de wijn gaat pakken.’ Deze laatste liefde ontmoette ik op een schrijversavond in Delft. We lazen vieze verhaaltjes voor, dronken samen Chouffe biertjes, aten shoarma en belanden bij elkaar in bed. Ik vond ‘m wel leuk, die grote taalnazi, maar ik wist ook dat de shoarma een schetenfanfare in mij zou aanwakkeren, die zijn weerga niet kende. Ik vroeg me af of hij me – net als Peter – om stanktechnische redenen zou verlaten. Ik wist eigenlijk wel zeker dat het antwoord op die vraag ja was, want naast de shoarma had ik ook een hoop bier gehad en dat soort scheten zijn het ergst. De taalnazi zou naakt met zijn handen heftig zwaaiend boven zijn hoofd, mijn huis uitrennen van die lucht.

Ik app een vriendin met mijn zorgen.
Ze appt HAHAHA terug en zegt dat ik me beter zorgen kan maken over wat er zich in zijn onderbroek afspeelt. De vriendin is regelmatig opgeschrikt door remsporen in onderbroek en tarrels in bilharen.
Tarrels? Nooit van gehoord.
Ik google het woord. Het urban dictionary vertelt me die nacht iets dat ik voor altijd met me mee zal dragen.
“A tarrel is a piece of shit that gets stuck in your butt hair. It can also be a dried up piece of shit that you find in your underwear.”
Gruwelijk. Gruwelijker nog dan stille stinkscheten.
Ik til de dekens op en kijk naar de blauwe onderbroek van de taalnazi. Even overweeg ik om zijn onderbroek naar beneden te trekken, om te zoeken naar rempsoren of tarrels, maar ik doe het niet. Ik draai me op mijn buik zodat ik zeker weet dat alle bier-en-schoarma-scheten precies blijven waar ze zijn.

De volgende ochtend zit de taalnazi in zijn blauwe boxer in mijn keuken.
“Koffie?” vraag ik in mijn flanellen bloemetjespyama.
“Lekker.”
Ik draai de kraan open en laat water in de koffiekan lopen.
“Ik heb wat geleerd vannacht,” zegt hij.
“O? Wat dan?”
“Dat meisjes ook scheten laten.”
“Nee.” Ik zet de koffie aan en hap naar adem. “Nee toch?”
“Jawel.” Hij lacht en toch schaam ik me dood.
“Ik laat geen scheten,” jok ik.
“O nee?” Met zijn tong uit zijn mond maakte hij een kort scheetgeluid, een wat langer scheetgeluid en een heel lang scheetgeluid.
Ik word rood. “Hou op!”
Hij lacht weer. Ik ken deze lach niet. Ik weet niet of het betekent ‘haha ok, goor wijf, doei.’ Of : ‘haha ik houd wel van kleine viezerikjes.’ Hij lacht en lacht en als hij even bijkomt, vertelt hij het allerergste. ‘En toen,’ zegt hij, ‘na de derder scheet ofzo, je was al  half in slaap, zei je: ‘dit is echt de laatste.’
Ik wil door de grond zakken en uit pure wanhoop vraag ik hem of hij weet wat een Tarrel is. De taalnazi weet ook niet wat een tarrel is maar leest mijn gene en stopt met lachen. Een beetje beschaamd.
“Wat is dat dan een Tarrel?” vraagt hij.
“Volgens het Urban Dictonary is het a piece of shit that gets stuck in your butt hair.”
Hij steekt een sigaret op. “Klinkt vast nog ranziger in het Nederlands.”
“Een Tarrel is een stukje stront dat in je konthaar blijft hangen.” Ik schenk hem koffie in. “Is inderdaad ranziger.”
Hij neemt een slok. “Ik vind het een interessant fenomeen.”
Vraag me niet hoe of waarom maar blijkbaar zie ik dit als een aanmoediging voor poeppraat want ik zeg: “Ik heb weleens op een wc-bril gepoept.”
Ik schrik van mijn eigen ontboezeming. De Taalnazi schrikt ook een beetje, maar hij herpakt zich. En biecht ook. “Ik heb wel eens tweehonderd kilometer vanuit Luxemburg gereden terwijl ik in mijn broek had gescheten. Ik dacht dat ik een scheet liet en toen zat mijn hele broek vol.”
Van zijn ontboezeming moet ik dan een beetje kokhalzen. De taalnazi is nog een grotere smeerlap dan ik. Maar wel leuk.
We drinken nog een kopje koffie en we praten over spetterpoep en vieze stinkscheten en drollen die te groot zijn om doorgespoeld te worden. Dat was het begin. Daar in die keuken overwon ik mijn poepfobie en ik merkte dat de taalnazi eigenlijk al een beetje van mij hield en volgens mij ook een beetje van mijn scheetjes.

PS. Zin in nog meer poep- en plashumor? Lees dan gauw Proppen of vouwen.

Als er een God is

Als er een god is

Een mevrouw van rond de 65 staat voor een kerk in België. Ze kijkt alsof ze moe is. Niet alleen van deze dag, maar van alle dagen die eraan vooraf gingen. In de ene hand heeft ze een droog broodje, in de andere een stuk kaas. Ze neemt een hap van het ene en daarna van het andere. Zonder te kijken naar wat ze in haar hand heeft. Wakend. Snel propt ze het naar binnen, omdat het moet.

Omdat het vakantie is en je in de vakantie dingen bekijkt die je thuis niet zult zien, loop ik de kerk in. Ik leef een leven zonder God, maar God, het is vakantie. En de stilte die in een kerk woont, overtreft elke meditatiesessie in welke yogaschool dan ook. Het is binnen bijna net zo koud als buiten. Toch zitten er in een hoek twee vrouwen met verwaaid haar te schuilen. Met zwarte jassen aan zitten ze dicht tegen elkaar. Ze zien eruit alsof zij ook brood en kaas eten zoals de mevrouw voor de kerk dat doet. Een van de dames rookt een shaggie. Stiekem. Twee andere bezoekers van de kerk wijzen afkeurend naar het rode, gloeiende puntje. Het doet de vrouwen niks. Het is te koud om je iets van een ander aan te trekken. Ik denk aan God. Als er een God is, gooit ze een dekentje op de vrouwen.

Ik ga zitten op de houten stoeltjes die niet gemaakt zijn voor lange sessies. Als er een God is, heeft ze het blijkbaar druk. Niemand zal hier lang blijven, behalve als je nergens anders mag zijn. Ik heb vakantie, dus ik blijf niet lang. Er moet nog gewinkeld en Belgisch bier gedronken. Ik zie de ramen waar in aqua blauw glas in lood verhalen zijn afgebeeld. Het is mooi, het heeft iets hips. De bloemen in de kerk zijn gesorteerd als rouwboeketten en de kaarsjes lijken van de Xenos te komen. Als er een God is, is ze geen interieurarchitect.

Als er een God is, ben jij nu bij haar tante Annie. Jij en zij kunnen het goed vinden, want net als God, was jij ook geen interieurarchitect, maar je hield wel van shaggies. Misschien hebben jij en God wel dezelfde gele vingertoppen van het draaien. Misschien luisteren jij en God wel samen naar Wooden Heart van Elvis en eten jullie witte puntjes met jong belegen kaas, jouw lievelings. Misschien lachen jullie samen tot je hoest van het roken. Want als er een God is, bestaat er waar jij nu bent, helemaal geen longkanker.

In het begin, drie jaar geleden, zag ik je grijze kat nog in de vensterbank liggen als ik langs je huis reed. Verwachtte ik je op de verjaardag van mijn zus. Liep ik langs je portiek en rook ik de geur van Kanis en Gunnik. Maar de laatste tijd denk ik niet meer aan je. Niet elke dag, zoals in het begin. Misschien niet eens elke week. De afgelopen tijd dacht ik niet eens aan je op speciale dagen. Niet met kerst en ook niet met Oud & Nieuw. Zelfs niet op de datum waarop jij vertrok. Maar soms ben je er ineens. Nu. Hier. In de kerk. Nu ik voel dat ik mijn mondhoeken naar beneden trek, precies zoals jij dat altijd deed.

De kaarsjes staan te wachten op een tafel. Ik overweeg er eentje voor mijn liefdesleven op te steken, maar als God zo’n slechte smaak heeft als deze kerk doet vermoeden, kan ze zich er beter niet mee bemoeien. Ik gooi vijftig cent in het daarvoor bestemde bakje en hoor je zeggen dat God een afzetter is. Ik denk dat ze lacht en je koffie bijschenkt. Het kaarsje steek ik aan en ik denk aan hoe ik je nog elke dag zou kunnen missen, als de snelheid van het leven me dat zou toelaten. Maar als er een God is, ben je daar beter op je plek. De wereld en haar maker kunnen wel wat oprechtheid gebruiken, wat Rotterdamse humor en wat van jouw zelf gebakken tulbandcake.

Als ik naar buiten loop, staat de mevrouw er nog steeds. Haar broodje is bijna op. Ze probeert haar leven voorbij te eten. Haar kaken gaan sneller. Hoe sneller ze eet, hoe korter ze leeft. De vrouw steekt de kaas in haar jaszak en loopt de kerk in. Ik kijk haar na. Mild belegen kaas, denk ik, dat krijgt u na dit leven. Als Annie en God wat voor je over laten.

Poespas

Poespas

Zoals verwacht, kan ik geen laminaat leggen. Daarom kwam Johnny Hellevoet langs. Johnny Hellevoet is het Marktplaats pseudoniem van John van 32 die in Hellevoetsluis woont en goedkoop laminaat legt. Hij zou in één dag mijn hele huis van laminaat voorzien. Omdat mijn huis ‘zo scheef als een hoer’ bleek te zijn, was het meer werk dan hij had verwacht. John vroeg om drie uur ’s middags of ik het erg vond dat hij er ‘een mannetje’ bij belde. Hij had vele mannetjes.

Om half vier ontmoette ik zo Adil. Je sprak zijn naam uit als Adi, maar omdat alle Hollanders toch altijd Adil zeggen, mocht ik die L er ook bij doen als ik wilde. Adi van 26 had een trainingsbroek aan en een wit t-shirt. Hij had een lichtbruin petje op met van die Louis Vuitton achtige tekens die ik vaak zie op petten van jongens die buiten op een bankje zitten met een sigaret in de hand.
“Zo John! Dankjewel dat je belde, man,” zegt Adi. “Ik was wel net wakker. Ik heb even niet gedoucht en die hele poespas. Omdat ik snel wilde komen.”
John vertelt Adi dat hij de groene ondervloer moet leggen in de gang en ik loop met hem mee.
“U denkt zeker dat ik Marokkaans ben dame?” vraagt hij wanneer we in de gang staan.
“Ja,” antwoord ik.
“Dat is een belediging weet u dat.”
“Sorry,” zeg ik. “Hoezo eigenlijk?”
“Hoezo?” Adi snijdt met een stanleymes een pak ondervloeren open. “Omdat je Noord Afrikanen nooit kan vertrouwen. Niet alleen Marokkanen, ook Tunesiërs en Algerijnen. U ziet ze ook wel door de straat rijden dame. Heen en weer. Muziek aan, ramen open, leren stuur en dat soort poespas. Mooi he, die auto. Ik zeg u, die is gehuurd. Weet u hoe ik dat weet? Ik huur soms ook zo’n auto.”
“Dat wist ik niet. Maar dat is toch niet erg.”
Hij haalt de groene planken eruit en gaat verder. “En als ze aardig voor je zijn, dingen voor je doen, je helpen en andere poespas, een keer moet je het terugbetalen. Ik ben zo niet. Ze zijn niet te vertrouwen die Noord Afrikanen. Ik kom uit Albanië.”
John roept dat Adi moet doorwerken en Adi start met het leggen van de groene planken. Tot zijn telefoon gaat.

“He leuk dat je belt moppie,” horen we. “Je was vrijgezel toch?”
John en ik lachen. Ik weet niet wat John denkt, maar ik denk Goed zo Adi, altijd even checken. Ik vergeet dat weleens. Het gesprek gaat verder, ik probeer niet te luisteren en kijk hoe scheef mijn vloer is. John zaagt een plank bijna diagonaal door midden.
“He maar schatje, bel me later. Ik moet werken,” zegt Adi.

Even later zet ik zoute sticks in de vensterbank en geef Johnny en Adi limonade. Als je klust, moet je zoute sticks in huis hebben. Die passen goed in plastic bekertjes. “He John, ik heb een probleem,” zegt Adi. “Mijn vrouwtje. Ze vindt dat ik te weinig dingen met haar doe.”
“Doe je te weinig met haar?” vraagt John.
“Ik weet niet,” zegt Adi. “Vroeger deed ik toch veel dingen met haar. In het begin. Maar nu heb ik haar. Dus wat moet je nog doen? Snap je?”
“Ik zou eens beginnen met geen andere vrouwen bellen,” zegt John.
Adi kijkt me aan, alsof hij bijval zoekt.
“Ik ben ook niet voor het bellen van andere vrouwen,” zeg ik dan.
“Mag ik open praten van u dame? Of vindt u dat onbeleefd.”
“Nee, hoor,” zeg ik. “Praat gerust.”
“Kijk, ik kan er niks aan doen dat die vrouwen me willen. Ik zit gewoon op een datingsite met een foto. En ik zeg niks van hobby’s of eigenschappen of van die poespas, maar toch mailen ze me. Wat kan ik doen?”
John eet de zoutkorrels van een zout stickie en ik frons mijn wenkbrauwen.
“Wat denkt u dame?” lacht Adi. “Waarom vallen ze op mij?”
“Mag ik open praten?” vraag ik. We lachen allemaal. Het mag.
“Veel vrouwen vallen op verkeerde mannen. Omdat ze denken dat ze die kunnen temmen. Als hij met mij is, verandert ‘ie wel, denken ze dan. Dat is het. Ze denken dat ze je kunnen temmen en dat jij hen daarna gelukkig maakt.”
“Ik ben een verkeerde man?” lacht Adi. “Kan u mij temmen?”
“Zo kan ‘ie wel weer,” zegt John en hij gooit zijn limonade achterover.

Ik heb te weinig latjes gekocht voor tegen de muur. John zou ook de latjes leggen. Maar als ik geen latjes heb, kan hij ze ook niet leggen. Ik ben te moe om naar de bouwmarkt te gaan, dus ik zet weer nieuwe koffie en pak de gevulde koeken. Als je klust, moet je ook gevulde koeken hebben, dat is gewoon zo. De telefoon van Adi gaat weer.
“He moppie. Ik ben werken schatje. Nee, vanavond ga ik naar mijn vriendin gewoon. Bel je later oké.”
Ik geef Adi zijn koffie aan. Hij is nog steeds bezig met de ondervloer in de gang.
“Dame heeft u eigenlijk een man?”
“Nee.”
“Een vriend?”
“Nee.”
“Een minnaar?”
“Nee.”
Adi neemt een slok van zijn koffie. Hij wil geen gevulde koek.

Om half negen ’s avonds ligt al het laminaat erin. Ik vraag of Adi en John bier willen. John vindt dat onprofessioneel dus die neemt nog koffie. Adi pakt voor hem en mij bier uit de koelkast.
“Zou u mij kunnen temmen?” hij klikt zijn blikje open.
“Je mag wel je zeggen,” antwoord ik.
Met zijn vingers tikt hij op het metaal van het blikje. “Zou je mij kunnen temmen?”
Ik neem een slokje van mijn bier. “Sommige mannen zijn niet te temmen en dan moet je het niet proberen ook.”
“Ik geloof wel dat je mij zou kunnen temmen.” Hij glimlacht. “Zou je jouw nummer geven aan mij?”
Ik zet grote ogen naar hem op. “Nee.”
Hij neemt nog een slok. “Facebook?”
Ik zeg tot mijn eigen verbazing niks.
“Misschien dat ik bij jou geen andere vrouwen meer nodig heb.”
Nu moet ik lachen. “Je bent niet te vertrouwen Adi,” zeg ik.
Adi zet zijn bier neer en kijkt boos. “Hoe bedoel je? Ik werk. Ik verdien mijn geld eerlijk. Ik kom wanneer John me belt. Ik ben te vertrouwen.”
“Dat is zeker waar,” zeg ik. “Maar in de liefde ben je niet te vertrouwen. In de liefde ben je een Noord Afrikaan. Dat is teveel poespas voor mij.”
John lacht.
“Maar ik ben wel heel blij met het laminaat.”

Rouwfasebehang

Rouwfasebehang

Je kent het vast wel. Dat moment dat een man en een vrouw met verfrollers in hun hand een muur staan te witten. Ze praten terwijl ze hun ogen op de muur gericht hebben. Er wordt gegiecheld. Per ongeluk komt er wat verf op haar lange haren terecht. Ze lacht en piekt een spatje verf naar de man. Hij grijnst en met zijn vinger witte vinger zet hij een streep op haar neus. Er ontstaat een romantisch verfgevecht dat eindigt met kleren die uitgaan en blote lijven onder de witte vegen. Ja, dat ken je vast wel.

Nou ik niet. Ik sta in mijn nieuwe huis een muur te witten en spat mijzelf lekker onder. Ik vergeet de latjes af te plakken zodat ik die weer moet schuren straks. Ik heb per ongeluk over het stopcontact heen geverfd. En ik heb mijn dure gympen aan. En dan. Wanneer ik de eerste laag erop heb zitten en van een afstandje kijk, denk ik. O. Mijn. God. Je kunt helemaal niet over behang heen verven.

Uit nijd prop ik een suikerwafel in mijn mond. Een manmens zou toch verdomd handig zijn nu. Niet alleen voor amoureuze verfmomenten. Nee, een manmens zou mij hebben verteld dat ik niet over dit behang heen kan verven. En hij zou antwoord hebben op allerlei vragen die tijdens het klussen in mij op komen. Hoe komt het dat ik geen heet water heb? Hoe zorg ik ervoor dat ik licht heb? Hoe doe ik een nieuw velletje papier om mijn schuurmachine? Wat is een kruiskopschroevendraaier?

Een dag later werden mijn spullen verhuisd. Een lichte depressie had zich ondertussen van mij meester gemaakt (ik at een half pak suikerwafels leeg), want dit mooie huis in Rotterdam (jawel!) had vier kamers. Die allemaal nog behangen waren met bloementjesbehang en onder de bloemen kwamen vogels en daaronder wit behang en daaronder lichtbruin behang. Hoe zou ik dit hele huis kunnen opknappen? Mijn vrienden en familie – voornamelijk bestaand uit vrouwmensen – probeerden mij te helpen. Zoals ze mij met veel dingen willen helpen. De vrouwmensen weten waarom ik geen verkering heb, ze weten hoe mijn meubels moeten komen te staan, wat voor raamdecoratie ik moet kiezen en ook wat ik moet doen met al die muren die niet verfbaar zijn.

De beste oplossing zou zijn: platen er tegenaan en dan stucen. Maar daar heb ik het geld niet voor. Dus, na lang beraad, veel koffie, veel aaien over mijn bol en ‘och och och wat haal je je toch op je hals’ (en nog meer suikerwafels, het pak is nu op), werd rouwfasebehang geopperd. Al het behang eraf en rouwfasebehang er tegenaan. En dat dan weer verven. Misschien kwam het doordat ik echt in een rouwfase zat en het heel normaal voelde dat daar behang bij hoorde, dat ik dacht dat je het zo zou schrijven. Maar toen Google vroeg of ik ‘Rauhfaser behang’ bedoelde, las dat logischer.

Nu kan ik je vertellen, Rauhfaser behang is de hel. Heb ik me laten vertellen, want ik kan natuurlijk niet behangen. Mijn schoonzus is bijna een hele dag met de keuken bezig geweest en ik heb haar minimaal twaalf keer tegen zichzelf horen zeggen “Ik kan behangen.” Ik geloof haar echt. Terwijl zij verder ging met het behang, dacht ik: ik kan twee dingen doen. Ik kan of echt in een rouwfase terecht komen of ik kan een soort vrouwelijke equivalent worden van Thomas van Eigen Huis en Tuin (da’s immers ook een Rotterdammer). Ik heb dus lopen kiezen voor het laatste.

Het was geen lastige keuze. Er viel namelijk niks te kiezen. Als je alleen leeft, sta je alleen voor klusmomenten. Al wilde ik niet klussen, ik wilde wachten op amoureuze verfmomenten. Op mannen die schroefjes uit de muur konden halen. Die muren konden schuren. Die licht brachten in de duisternis. Maar ik moest het zelf doen en dan houd ik ook niet van zeiken. Al youtubend heb ik mezelf door mijn huis geklust. Met een kruiskopschroevendraaier heb ik inmiddels alle latjes die de vorige bewoner tegen de grond had geschroefd, eruit gehaald. Met een geleende schuurmachine heb ik muren glad gemaakt (nadat er eerst 87 lagen behang onder vandaan gestoomd waren natuurlijk) en ik heb door de draadjes van de lamp te verbinden met de draadjes die uit het plafond bungelden, zelf voor licht gezorgd.

Nu is het echt mijn huis en we zijn beiden rouwfasevrij. Het is nog niet af, maar straks is het mooi en kan ik die vier kamers helemaal vullen met mijn vrouwmensen en af en toe een manmens natuurlijk. Amoureus of vriendschappelijk. Want een aantal van mijn mannelijke vrienden zijn er natuurlijk ook bij geweest. En gelukkig vinden die niks van dat ik geen verkering heb, hebben ze geen meningen over meubels, raamdecoratie of behang. Die manmensen vullen gewoon mijn ketel zodat ik warm water heb en maken microfoonpiemels van karton (zie foto). Dat is bijna even leuk als een verfgevecht. In ieder geval grappiger.

Vies grietje

Oma

Aan haar muur hangen tegeltjes met teksten als Van het concert des levens heeft niemand een program, op haar tafel staat een boeketje kunstbloemen, haar lievelingskoekjes; bokkepootjes haalt ze uit een koekjestrommel en ze drinkt koffie uit kopjes waar bloemetjes op staan. Dit zijn de enige gelijkenissen die mijn oma heeft met normale oma’s.

“Zullen we even naar buiten gaan oma?” vraag ik. Ik ben 21.
“Best,” zegt oma. Ze zet een zonnebril met grote glazen op en kijkt even naar het hondje van mijn moeder dat ik bij me heb. Ze haalt haar gerimpelde handen versierd met gouden ringen en armbanden door haar korte, rood geverfde haar en pakt het looprek. Oma zit in een bejaardenhuis, omdat ze geen trappen meer kan lopen en alleen wonen moeilijk is. Haar dochter; mijn moeder gaat een keer per week een bakkie bij haar doen. Ik ga soms alleen. Oma en ik stiefelen naar buiten, door het park. De blaadjes zijn oranje en knisperen onder haar looprek. De zon schijnt zachtjes.
“Herfst is mijn favoriete seizoen,” zeg ik.
“Ik vind er geen reet aan,” zegt oma.
We komen aan bij snackbar Huisman en ik haal twee softijsjes.
“Wel met snoepies erop,” zegt oma.
Ik geef haar een softijsje met snoepies erop en we gaan zitten op een bankje.
“Lekker?”
“Ja.”
“Heb je je rijbewijs al?” vraagt ze.
“Nee, nog niet.”
“Ik zou maar stoppen met die lessen. Als je het nu nog niet kan, kan je het nooit.”
De hond ligt in de zon. Oma heeft haar ijs op.
“Ik wil naar huis. En die hond ook.”

Oma zagen we vroeger eigenlijk nooit, af en toe kwam ze langs om haar nieuwe vlam of armband te laten zien. Ze tikte met haar vingers op tafel, de sieraden maakten geluid. Oma vertelde hoe ze aan haar nieuwste man was gekomen. “Ik heb een advertentie geschreven voor in het Dagblad,” zei ze. “En ik heb er wel mooi ingezet dat ‘ie niet impotent mocht wezen. Ik ben dan wel in de zestig, maar toch.” Mijn moeder keek weg. Ik was jong en wist niet precies wat impotent zijn betekende, maar het leek me goed dat je ook in de zestig nog eisen had. Ik vond mijn oma tof.

“Ma, zullen we even boodschappen doen?” zegt mijn moeder. Ik ben 24 en oma heeft een grote, grijze uitgroei bovenop haar hoofd.
“Waarvoor?” zegt oma.
“Nou, ik lust wel een koekje bij de koffie,” zegt mijn moeder, “en je hebt niks in huis.”
“Best,” zegt oma. Ze trekt een deken van de bank, legt die op schoot en gaat in haar rolstoel zitten. We rollen naar de Nettomarkt. Oma heeft niet meer zoveel ringen om. Haar armbanden heeft ze sowieso afgedaan. We gaan naar binnen en oma zegt niks. Ik kijk naar oma en oma kijkt naar niks. Ik pak bokkepootjes uit een schap en oma kan niks.
“Ik wil naar huis,” zegt oma, “ik vind hier geen reet aan.”
“Oké,” zeg ik.
“En ik ga nooit meer mee ook.”

Mijn moeder vond het niet leuk dat oma nooit naar ons toe kwam toen wij nog kinderen waren. Dat ze onze verjaardagen vergat en met kerst op vakantie was. Als we naar oma toe gingen, omdat ze borrel of feestje gaf, zei mijn moeder ook nooit: “we gaan naar oma,” nee, ze zei: “we gaan naar m’n moeder.” Dat vond ik zielig voor mijn moeder. En ik begreep het niet. Oma was chagrijnig, maar goed gezelschap. Ze was zo eerlijk, dat je constant moest lachen, ook al was je zelf de grap.

“Ha oma,” zegt mijn zus.
Mijn oma lacht. Dat doet ze niet vaak tegenwoordig. Tegenwoordig ben ik achtentwintig en is oma echt oud. Haar haren zijn grijs, haar gouden ringen liggen nu ook in een doosje en ze vergeet steeds meer.
“Hoe is het met jou? Jou heb ik lang niet gezien,” ze kijkt naar mijn zus.
“Goed, het gaat goed hoor oma.”
“En hoe is het op je werk?”
“Ook goed.”
Oma vergeet dat ik er ben. Geeft niet. Oma is dement.

Daardoor moet mijn moeder van haarzelf meer op bezoek. Dat is haar taak en die voert ze uit. Ze schenkt zonder morren koffie in en trekt plichtmatig de koekjestrommel open, maar ik zie dat ze hier eigenlijk niet wil zijn. Inmiddels gaan mijn zus en ik niet naar oma voor ons of voor oma, maar voor onze moeder. En zo erg vinden wij het niet.

“Hoe is het met de mannen?”
“Ehm…” zegt mijn zus.
Mijn zus heeft geen man. Ze heeft een vrouw. En twee kinderen. Oma weet blijkbaar niet dat mijn zus met een vrouw is, al hebben we dat nooit bewust voor haar verzwegen.
“Nou?” zegt oma.
Mijn zus zegt niks.
“Oma,” roep ik enthousiast, “ik heb nog steeds geen rijbewijs.”
“Heb je al verkering?” zegt ze tegen mijn zus.
“Oma,” zeg ik, “ik heb geen verkering. En ook al heel lang niet gehad!”
Oma rolt zich om, kijkt door haar dikke glazen naar mij en zegt:
“Dat weet ik toch, kind. Jij bent van de verkeerde kant.”
Mijn zus en ik kijken elkaar aan. Oma haalt ons door elkaar.
“Ik weet heus wel dat jij een vies grietje bent.”

Eerst lachen we. Dan zijn we verbaasd. Daarna verdrietig. En dan snappen we onze moeder. Mijn zus zegt de tekst die ze mij zo vaak heeft horen zeggen: ‘ik ben niet zo goed in de liefde en de juiste man is ook nog niet voorbij gekomen,’ en ik zeg niks. Mijn ogen prikken voor m’n zus en het liefst loop ik nu weg en kom ik niet meer terug. Maar ik blijf. Zonder morren schenk ik koffie in en plichtmatig trek ik de koekjestrommel open.
“Gatver. Bokkepootjes. Daar vind ik geen reet aan,” zegt oma.