Monstergriep

 fb9baf96db0ca09022b31df7fea0abf3

 

Ik heb een monstergriep gehad. Zo’n griep waarin je in een dikke pyjama, onder drie dekbedden nog steeds ligt te rillen van de kou. Wachtend op een zweetaanval. Zo’n griep waarvan je gaat ijlen en waarin je vijf kilo wegzweet. Zo’n griep waarvan je gaat huilen. O. Dat bleek niet helemaal normaal, want de taalnazi – die uitermate goed voor me zorgde – belde tijdens het grote grienen in paniek mijn zus op: ‘Ze huilt om onbegrijpelijke redenen!’ Mijn zus suste: ‘Ze is gewoon een beetje apart.’

Het is nu dag tien van de griep en het gaat beter. Ik word nog duizelig van mijn telefoon en van mijn laptop maar maar het zweten is voorbij en het kotsen ook. Het leven is altijd leuker zonder kotsen, dus ik ben blij. Pardon. Blijer. Want ik ben niet blij. Ik ben teleurgesteld. Daarom huilde ik.

Het is donker in het holst van de griep, maar ook helder. Helder is dat ik sinds november weer aan het rennen ben, aan het jagen, de gaten aan het opvullen. Gaten van verdriet bij vriendinnen, gaten van eenzaamheid bij mijn moeder, gaten van collega’s die ziek zijn, gaten bij opdrachtgevers. Het woord ‘nee’ is uit mijn vocabulaire verdwenen. De oorzaak van het gebrek aan nee is gênant, het is namelijk: Ik ben zo mindfull geworden, ik kan het wel aan. Hij of zij is daar nog niet, dus ik kan het beter doen.

Het is een hooghartige gedachte. Wie ben ik om voor andere mensen te bepalen of ze iets wel of niet aankunnen? Om ze die beslissing te ontnemen? Daarna bedenk ik: het is niet mindfull om jezelf weg te cijferen en weer daarna denk ik: fuck, het is gewoon makkelijker. Het is makkelijker om door te werken als iedereen dat doet, dan om mijn eigen avond te pakken. Het is makkelijker om ‘ja’ te zeggen tegen mijn moeder dan de teleurstelling in haar stem te horen als ik zeg dat ik echt een dag voor mezelf nodig heb. Het is makkelijker om die ene opdracht tegen je zin in tóch aan te nemen omdat je anders een heel team een klus ontzegt. Het is makkelijker om te doen wat iedereen doet dan te doen wat je zelf wilt (als je dat al weet).

Nee, dat is niet helemaal waar. Uiteindelijk is het misschien wel moeilijker vanwege de teleurstelling. Want ik ben teleurgesteld; en wel op twee manieren. De eerste teleurstelling zit ‘m in het feit dat ik niet alles kan fixen. Meer mail, meer lijstjes, meer vraag, meer werk, meer verdriet, meer gaten. Er is altijd meer gat dan ik aankan. Het is dweilen met de kraan open en toch wil ik het allemaal doen, voor iedereen. En als dat niet lukt – omdat ik niet Atlas ben of Superwoman – ben ik teleurgesteld. Dit moet ik toch aankunnen, hij werkt zich ook de pleuris, zij trouwens ook, je kunt ook nergens tegen, sjonge jonge, wat ben je een lapzwans. Lekker oordelen op mezelf.

Maar dan komt er altijd dat moment, of het nu in een schurftepidemie is, in een stilte retraite, in een monstergriep, dat er bewustwording ontstaat. Dat ik merk en voel dat ik Atlas niet ben, of Superwoman en dat het onredelijke eisen van mezelf aan mezelf waren. En voilà; nieuwe teleurstelling. Omdat ik vergeten was lief voor mezelf te zijn, omdat ik weer niet voor mezelf heb gezorgd, omdat ik niet voor mezelf durf te zorgen. Jezus, je weet nu toch dat je rustig aan moet doen, waarom mediteer je nou niet en waarom ben je nou verdomme niet aardig voor jezelf, je moet niet boos worden, wat ben je nou voor boeddha? Lekker een oordeel op een oordeel.

In het holst van de griep dacht ik dat ik weer opnieuw moest beginnen. Ik gilde tegen de taalnazi: ‘Ik ben mezelf kwijt! Ik moet weer terug naar Indiaaaaa. Wat is mediteren!?’ Nu de koorts is gezakt, gaat het beter. Ik heb weer wat geleerd: oordeel op oordeel; teleurstelling op teleurstelling maakt het zwaar. Zwaarder dan nodig. En hier ga ik me de komende tijd eens mee bezig houden. Liever voor mezelf zijn. Weer. Maar nu zeg ik het zonder oordeel, omdat de monstergriep me weer een stukje dichterbij het leven heeft gebracht dat ik wil.

Want ik weet wel wat ik wil: ik wil een ontspannen leven. Dat betekent niet dat ik niet wil werken en altijd op mijn nest wil liggen. Het betekent dat ik met rust op wil staan en wil ontbijten, dat ik kan mediteren en wat kan werken. Ik lees misschien een stukje uit een boek tussen de middag, ik neem tijd voor een wandeling. Ik wandel met de taalnazi langs de Maas, met Floortje door het bos. In de avond wil ik lekker koken, met lieve muziek op. Ik wil breien en lezen en wandelen en zwemmen en schrijven. Ik wil dat we elkaar in bed voorlezen van de romans die we aan het maken zijn. Ik wil schrijven.

Ik wil schrijven. Dat is mijn leven. Er is niet veel geld voor nodig, alleen durf.

PS. De taalnazi stuurt me regelmatig het plaatje dat boven dit verhaal staat. Inmiddels hangt hij ook in onze woonkamer. The path to inner peace starts with four words: not my fucking problem. Het is niet zo’n boeddhistische leuze maar soms helpt het. Misschien jou ook.

 

 

Verdriet met schurft II

IMG_0014

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je eerst natuurlijk de ellende van deel I lezen.

Samen met mijn zus pak ik mijn spulletjes in. Ik ga bij haar op zolder in quarantaine. De schurftshampoo heeft de jeuk wel iets tot bedaren gebracht, maar ik ben zo moe en duizelig en verdrietig dat ik niet verder kom dan boeken en onderbroeken, dus het is fijn dat ze er is. Ze aait me over mijn hoofd omdat mijn haar het enige is dat veilig is aan mij momenteel. Als de tas volgens mijn zus klaar is, kijk ik rond in mijn huis, waar ik de laatste acht maanden veel met de taalnazi samen was. Hij is overal. Mijn ogen gaan van de boekenkast naar de vensterbank, van de foto’s aan de muur naar de keuken. Elke keer dat hij hier was had hij tussen mijn spullen stiekempjes iets van zijn spullen gezet. Lief. Er was een tijd dat we dachten hier ooit samen te wonen. “Zijn boeken, zijn staafmixer, zijn slakom,” som ik op, “zijn theelepeltjes, zijn ovenschalen, zijn kussen, zijn aanstekers.” Mijn zus trekt haar wenkbrauwen naar me op. “Je lijkt de moeder van Jan Smit wel,” zegt ze. We lachen even en rijden naar mijn nieuwe huis.

Als ik bij het huis van mijn zus en schoonzus aankom, wil iedereen me omhelzen, maar dat mag niet van de schurft. Mijn nichtje wil me een kus geven op mijn mond, maar daar zijn ook gekke blaasjes aan het ontstaan dus dat mag ook niet. Wel zijn er frietjes waar ik vandaag extra maggi op doe en zijn er op zolder schone lakens om op te huilen.

De volgende ochtend staat mijn zus aan het aanrecht koffie te maken. Ze draait zich om, kijkt naar me en slaat haar hand voor haar mond. “O mijn god,” roept ze. “Wat heb jij nou? Hoe kan dat nou? De kinderen, de kinderen mogen het niet zien!” Ik ren naar de spiegel en zie dat mijn lippen en kin onder het bloed zitten. Het zijn korsten en er zitten verse stukjes bij. Nu proef ik het ook. De blaasjes zijn gesprongen. Ik zie eruit als een vampier, eentje die slecht heeft geslapen want mijn ogen zijn nog dik. Terwijl ik mijn mond spoel en er rood water in de wasbak verdwijnt, zie ik dat mijn schurft erger is geworden. Fuck dit. Mijn verdriet wordt boos. Mijn leven is een zooitje maar hier blijf ik niet mee lopen. Fuck dit. Ik ga naar het ziekenhuis!

De dermatoloog is duidelijk. “Dit is geen schurft en je had meteen naar het ziekenhuis verwezen moeten worden.” Onmiddellijk worden er foto’s gemaakt, ik moet in een potje plassen, ze tappen vijf buisjes bloed af en er wordt een stukje van mijn huid afgesneden voor onderzoek. “Voor zover ik het kan zien, is dit het sweet syndrome,” zegt de dermatoloog. Mijn opgedroogde bloedlip begint te trillen, terwijl ik niet eens weet wat het is. “Het is een huidaandoening die spontaan kan ontstaan, maar die ook een andere oorzaak kan hebben,” zegt ze. Ik ben zo overweldigd door de serieusheid waarmee de dermatoloog dit aanpakt dat ik midden in haar kantoortje begin te snikken. “Is het niet gewoon stress?” vraag ik. “Het is net uit met mijn vriend en dat heb ik zelf gedaan en ik sta erachter, maar ik vind het ook erg en ik ben nu weer alleen en ik vind het ook heel erg voor hem.” Deze dokter heeft misschien wel een soort van minor psychologie gedaan, want ze pakt een stoel en komt naast me zitten. Ze klopt op mijn rug en zegt dat de uitslag zo hevig is, dat het niet stress gerelateerd kan zijn. “Ik schrijf een recept uit voor zalf, prednison, lidocaïne voor je lip en ik bel je straks als ik de uitslag van het bloed heb.” Ze geeft me een keukenpapiertje aan voor mijn tranen en ik pak mijn tas. “Ik zou even niet gaan googlen,” zegt ze. “Dan vind je alleen maar enge dingen en het is nergens voor nodig om dat nu te zien.” Ik knik. Gedwee loop ik weg.

Ik vertel mijn vader, mijn moeder, mijn zus en een goede vriendin dat ze niet mogen googlen. Binnen tien minuten hebben mijn vader, mijn moeder, mijn zus en de goede vriendin gegoogled. Ze zeggen allemaal hetzelfde: sweet syndrome is helemaal niet erg. Veel vrouwen tussen de 30 en 35 jaar krijgen het zomaar en het gaat ook zomaar weer over. Ze verzwijgen denk ik het enge waar de dokter het over had, maar dat maakt niet uit. Ik ga niet googlen. Ik kan het niet weerstaan om 389 keer te Facebooken op een dag, maar ik kan mezelf wel weerhouden om ‘sweet syndrome’ te googlen. Denk ik.

Mijn vader belt om ‘even te kletsen’. Ik google niet. De vriendin komt op visite om me een hart onder de riem te steken. Ik google nog steeds niet. Mijn schoonzus maakt mijn favoriete eten. Ondanks dat ik niet heb gegoogled, begin ik me toch af te vragen of ik niet doodga aan sweet syndrome. Ook vraag ik me af hoe het met de taalnazi gaat. Hij is verdrietig, dat weet ik. Ik vind het niet eerlijk van mezelf dat ik alleen maar aan mezelf denk, terwijl hij aan ons denkt. Maar nu kan ik even niet anders. Dan hoor ik mijn telefoon, hij ligt in de tuin. Mijn zus werpt zich op de telefoon en neemt op alsof ze mij is. We hebben dezelfde stem. Ik kan niet horen wat ze zegt, maar ze komt met een grote glimlach binnen.

“Je hebt geen leukemie!” roept ze.
“Wat?” zeg ik.
“Je bloed is goed!” roept ze weer.
“Kon het leukemie zijn?”
“Ja,” zegt ze zachtjes. “Hele kleine kans maar hoor.”

Ik ga zitten en haal opgelucht adem. “Het bloed duidt ook niet op sweet syndrome,” vertelt mijn zus, “maar ze moeten even de urine en het stukje huid afwachten. Volgende week terug naar het ziekenhuis. Maar je bloed is goed! Helemaal goed!” Ik weet even niks te zeggen en vraag een biertje aan mijn zus om het te vieren, maar dat mag niet met mijn prednison. Dan weet ik het niet hoor. O ja. Ik bel iedereen om te vertellen dat ik geen leukemie heb. Iedereen is blij. Ik ook, want ook al heb ik een bloedbek, geen vriend, ben ik lichtelijk overspannen en zit ik onder de schurft waarvan niemand weet wat precies is… ik ben er wel gewoon. En over een paar weken is alles ietsje beter en over een paar maanden is alles weer goed en is er weer bier. Het komt gewoon goed en dat vier ik. Met een grote kop muntthee dan maar.

Leven

Leven

Grote bruine ogen kijken terug vanuit de spiegel. Ze lachen. Ze stift haar lippen donkerroze en haalt de krullers uit haar warme haren. Ze kijkt de tuin in en haar buik maakt een vrolijk sprongetje, alsof ze over een heuvel rijdt. De lichtjes zijn al opgehangen, haar vriendinnen versieren de stoelen. Het wordt een kleine plechtigheid in de buitenlucht, waar iedereen bij is van wie ze houdt.

De man die haar gelukkig zou maken, had haar nog moeten vragen. Ze zou verbaasd zijn geweest over hoe snel ze verliefd op hem was geworden en hij zou nooit eerder zijn huissleutel als kerstcadeau hebben geschonken. Ook toen zou ze het sprongetje hebben gevoeld. Ze zouden praten. Wat konden ze goed praten. Ze zouden ook ruzie maken. Ze zouden lachen en vrijen en natuurlijk, nog meer ruzie maken. Maar, na al die jaren zouden ze af en toe nog steeds heel verliefd zijn.

Hij zou haar steunen in haar werk. Beloofde misschien ooit huisvader te worden. Want zij zou carrière maken. En niet zo maar carrière. We zouden van haar horen. Van hier tot in Afrika. Ze zou van de wereld een betere plek maken.

Ze zou met haar vriendinnen nog elk jaar weg gaan: met z’n tienen op stap. Zonder mannen, met rugtassen. Thailand. Scandinavië. Australië. Haar favoriete biertje zou Singha blijken te zijn. De meisjes die vrouwen werden zouden net zo lang met elkaar op vakantie gaan tot de kindjes kwamen. Vanaf toen zouden het weekenden worden.

Haar bevalling zou ze een hel vinden, maar ze zou zeggen dat ze de pijn was vergeten zodra het kindje op haar borst lag. Ze zou lachen door haar tranen heen en haar man loste zijn belofte in om huisvader te worden. Na haar werk zouden ze eten in de tuin en daar zou het kindje zijn eerste stapjes zetten. Later zou ze met hem naar de speeltuin gaan. Ze zou zich ervan moeten weerhouden om achter hem aan te lopen, om hem op te vangen als hij zou vallen. Ze zou hem helpen met zijn wiskunde huiswerk, daarna zijn spullen naar een studentenkamer verhuizen en hem stimuleren om net zo veel van de wereld te zien als zij had gedaan.

Ze zou spreken op de begrafenis van haar vader en later op die van haar moeder en ze zou hun graven verzorgen. Ze zou met pensioen gaan en zich verbazen over het feit dat ze nu ook ineens van kruiswoordpuzzels hield. Altijd zou ze betrokken blijven bij het werk wat ze vroeger had gedaan, al wilde haar man nu gewoon samen met haar puzzels maken. De puzzels maakten ze in de tuin, terwijl ze nog een paar jaar van de rozenstruik kon genieten die haar man geplant had. De geur van rozen vervulden de tuin toen ook haar kleinzoon zijn eerste stapjes zetten. Het was goed. Het einde zou komen op een leeftijd waarop een einde past. Ineens bleef ze voor altijd slapen en werd ze uitgestrooid onder de rozen.

Nooit heeft ze de warmte gevoeld van haren die ze uitrolde voor haar bruiloft. Ze zat op vlucht MH17. Ze zat tussen vele anderen die nog een leven hadden moeten meemaken. Het waren onze vaders, moeders, vrienden, ooms, tantes die erin zaten. Het waren onze buurmeisjes.

Men zegt weleens dat je leven aan het einde in een flits aan je voorbij gaat. Dat de mooiste momenten nog een keertje langs komen. Ik hoop dat jullie in die flits wat anders zagen. Dat lippen werden gestift, tranen gedroogd, lachen gehoord, graven bezocht, puzzels gemaakt en rozenstruiken geroken. Als het waar is dat je leven aan je voorbij flitst, hoop ik dat jullie in die flits de toekomst zagen die er nooit zal komen. Wat zouden het volle levens zijn geweest.

Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.