Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Milano

Milano

Het is dinsdagavond, half 9. Ik zit met een dekentje over me heen op de bank. Een thermoskan thee staat op de salontafel, ik heb een wijntje in mijn hand en zet mijn televisie op RTL5. Vanavond kijk ik naar het slot van Samantha en Michael nemen er nog eentje. Ja, dat is die van Barbie. Ja, dat is die van Oh Oh Cherso.

Ik weet niet hoe hoog jij nu je wenkbrauwen optrekt, maar in mijn omgeving zijn er wenkbrauwen boven de haarlijn uitgekomen toen ik vertelde dat ik fan was van dit programma. Het is ‘not done’ om naar Barbie te kijken. Het is te plat, het is te dom en ik ben toch slim. Ik lees toch, ik ben toch een schrijver, ik ben toch ontwikkeld. Ja. Ja. Ja. En toch vind ik het heerlijk. Ik wil het dan ook geen ‘guilty pleasure’ noemen, want ik kom er gewoon voor uit. Ik hou van Samantha, Michael, Angelina en sinds de aflevering van gisteren ook van Milano (het was een hele emotionele aflevering, waarin Samantha zeventien keer de kleertjes van het ongeboren kind opvouwde, ze I hartje Michael op een bord schreef in het ziekenhuis, het vervolgens weer uitveegde omdat Michael zich gedroeg als een ‘mongool’ maar het was dus vooral de aflevering waarin ze Milano kregen, natuurlijk vernoemd naar de zanger Milan Milano).

Maar goed. Naar aanleiding van de zwevende wenkbrauwen om mij heen, ben ik toch eens gaan nadenken. Waarom vind ik Samantha en Michael zo leuk? Voor een korte analyse, schrijf ik hieronder de vijf momenten op van gisteravond die me het meest zijn bijgebleven.

1. “Doe ff normaal, mongool.”
Samantha spreekt haar vriend vaak aan met ‘mongool’. Ik vind dat op zich best wel gek. Ik heb nu pas een half jaar verkering, maar ik kan me niet voorstellen dat ik de taalnazi ooit voor mongool uit zou maken. Als ik zeg: “Doe ff normaal, joh,” denk ik al, moet dat nou, die ‘joh’. Michael vindt ‘mongool’ niet erg. Hij reageert er niet op, soms lacht hij er zelfs om. En dat vind ik op zich best wel schattig.

2. “Het is gewoon zo gelopen.”
In de aflevering van gisteren werd ook het 25 jarig jubileum van de ouders van Samantha – Cora en Ronnie – gevierd. De broer van Samantha gaat met zijn vader naar de kapper en vraagt hem hoe het eigenlijk zo is gekomen, tussen zijn ouders.
Ronnie: “Ik ging eerst uit met de vriendinnen van je moeder.”
Broer Samantha: “En toen daarna werd je verliefd op mama?”
Ronnie: “Nee, eigenlijk is het gewoon zo gelopen.”
En dan is het gesprek afgelopen. Als ik de zoon van Ronnie was, zou ik verdrietig en teleurgesteld zijn. Gedesillusioneerd zou ik roepen: “BEN JIJ NOOIT VERLIEFD GEWEEST OP MAMA?” Maar nee. Hier is het de gewoonste zaak van de wereld.

3. “Ik wil alleen zijn.”
Samantha wordt opgenomen in het ziekenhuis omdat ze de volgende dag een geplande keizersnede krijgt. Michael slaapt thuis en als hij weg is, vouwt ze voor de zoveelste keer de kleertjes van Milano. Ze vertelt dat ze nu alleen moet zijn. Ze zegt dat ze zich in alle rust wil voorbereiden op het moederschap en dat ze dat moet doen zonder iemand om haar heen. Ik vind dat bijzonder. Zo’n voorbereiding doe je in mijn hoofd samen, maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet. Samantha doet het op haar manier en ik kreeg traantjes in mijn ogen van haar betoog.

4. “We moeten weer een nieuwe Hetty.”
De volgende dag stapt Michael om zeven uur het ziekenhuis in. Onderweg naar Samantha wordt hij afgeleid door een schoonmaker die stofzuigt met ‘een Hetty op een accu’ (de ontzettende schoonmaakdrift van Michael heeft sowieso een aanzuigend effect op mij. Een man die stofzuigt en stofzuigt en stofzuigt, het is fantastisch). Onmiddellijk loopt Michael met grote stappen op de schoonmaker af, begint hem te ondervragen, maar de arme man weet niks van de Hetty af… Enthousiast loopt Michael naar de kamer van Samantha. “Ik heb een Hetty met accu gezien!” zegt hij. “We moeten een nieuwe stofzuiger.” Samantha vraagt wat het betekent, zonder accu en hij legt het uit dat het een stofzuiger is ‘zonder draad’ en dat hij daarmee heel makkelijk de trap kan doen. Ik vind dit allemaal lief en raar tegelijk.

5. “Nou Mike, je hebt me wel twee mooie kinderen gegeven.”
Samantha en Michael zijn niet het meest liefdevolle stel dat ik ken (ja, ik ken ze toch nu?). Samantha is zonder overleg gestopt met de pil (“Ik wou d’r helemaal niet nog één en nou heeft ze de pil gewoon weggegooid. Dat ken toch niet!”), ze schelden elkaar best vaak uit en Samantha ligt naast haar dochter ’s nachts en niet naast Mike. Maar aan het einde van de aflevering van gisteren zegt Samantha mooi: “Nou Mike, je hebt me wel twee mooie kinderen gegeven.”

Nu ik het laatste moment heb opgeschreven, weet ik wat mij zo trekt naar Samantha en Michael en hun familie. Zij leven een liefde zonder liedjes. Terwijl ik in mijn hoofd mijn relaties spiegel aan hoe ik denk dat het hoort, of hoe iets zou moeten voelen of wat zou moeten werken, hebben zij gewoon dikke schijt.
Samantha haar koosnaam is niet ‘schatje of liefje’ maar ‘mongool’.
Cora en Ronnie zijn zonder verliefdheid bij houden van gekomen.
Samantha wil alleen zijn op momenten van samenzijn.
Michaels grootste liefde na Samantha is de stofzuiger.
Maar samen hebben ze toch wat. Ze hebben Angelina, nu Milano. Ze kusten elkaar, ze huilden, ik huilde en ik kan niet wachten tot het volgende deel van hun real life soap.

Hamburgers met mate

Hamburgers met mate

Ik kijk naar zijn tenen die bezaaid zijn met haartjes. De tenen tellen zo mogelijk meer haartjes dan de mijne. Mijn ogen schuiven omhoog, naar zijn onderbenen, waarop American Football kleine littekens achterliet. Ik kijk naar zijn bovenbenen en naar het schaamhaar dat hij is gaan bijhouden. Natuurlijk zie ik ons favoriete speeltje ertussen hangen, maar ik kijk liever naar zijn buik. Die zachte buik, waar net iets teveel hamburgers in zitten. Mijn hand aait zijn buik en ik kan gegrinnik niet onderdrukken. Dit grote lijf, dat mij optilt en op bed gooit, dat mij aait en kust zal hij met niemand anders meer delen. Dit lijf is nu ook een beetje van mij.

Elk begin begint met eten. Een nieuw leven start met beschuit met muisjes. Een bruiloft begint met bruidstaart. Een crematie met cake, want ook dat is het begin van iets nieuws. Een nieuwe relatie begint ook met eten. Samen lekkere dingen verorberen bevestigt dat je samen bent. Het moeilijke is dat ik sinds een jaar of twee een quinoa meisje was geworden. Ik wilde gezonder leven, langer leven, mentaal frisser zijn en begon aan zoete aardappels, quinoa en paprikasoep. Maar toen kwam de man met de hamburgers. Of jullie kennen hem misschien beter als de taalnazi.

Mijn liefde voor lekker en ongezond eten kreeg nieuw vuur. Croky bolognese is mijn lievelings, die van hem paprika en tijdens het kijken van Game of Thrones hadden we onze eigen zak. We probeerden spareribs uit van verschillende slagers, gingen op een speurtocht naar de beste bitterbal van Rotterdam en zijn nog steeds op een queeste naar hoe we de beste hamburger bereidden (Vooralsnog, zie foto: zelf gemaakte hamburger, met cheddar kaas, bacon en tomaat en gebakken ui. Volgende keer doen we er een spiegelei op).

Hij viel zes kilo af (omdat ik hem toch af en toe quinoa voerde) in zes maanden. Ik kwam zes kilo aan. Holy. Shit. Nu kan ik erg goed toneel spelen voor mezelf, dus ik loop al een tijdje in jurkjes (met panty). Mijn broeken ben ik gewoon vergeten, het is niet dat ik ze niet meer pas of zo. Helaas is daar altijd mijn nichtje. Met haar drie jaar is ze niet de beroerdste om mij en nu ook ‘ons’ te wijzen op onze onvolmaaktheden.
Nichtje: “Heeft hij een baby in zijn buik?”
Ik: “Nee joh gekkie.”
Ze zet een niet begrijpende blik op. “Jawel toch?”
Het is logisch. Een dikke buik betekent voor haar een baby.
“Nee,” zeg ik serieus. “Er zitten gewoon teveel hamburgers in.”
Ze legt haar kleine hand op mijn buik. “Heb jij ook teveel hamburgers?”

Mijn ogen draaien van zijn lijf naar het mijne. Het onvermijdelijke kom ik onder ogen. Mijn lijf gaat ook gebukt onder teveel hamburgers. Ik kijk naar mijn bovenbenen, die waarschijnlijk tot rode bultjes toe elkaar zullen schuren als ik een rokje aan moet. Ik zie mijn buik, het is inderdaad een grote witte bol geworden, zelfs als ik lig. Ik voel een vetrol op mijn rug, net onder mijn bh bandje. Alleen mijn tieten doen niet mee in deze ontwikkeling. Zal je altijd zien.

“We zijn te dik,” zeg ik tegen hem.
“Ik ben afgevallen,” lacht hij.
“We zijn niet gezond.”
“Voordat ik jou ontmoette, was ik niet van plan om ouder dan 47 te worden.”
Ik rol van hem af. “Meen je dat?”
“Ja. Hoezo?” Hij zegt het alsof het niet het meest debiele is dat hij ooit zei.
“Maar 47 is best wel jong,” zeg ik.
“Ik houd van eten en drinken en roken en vond het niet nodig om dat niet te doen. Ik had niemand omdat niet voor te doen.”
Eigenlijk ben ik nu boos. Eigenlijk wil ik zeggen: ‘je moet nou gauw normaal gaan vreten anders ga ik bij je pleite, ja, hoor je me?’. Maar dat zal ik natuurlijk niet doen. En na zes maanden zeg je dat soort dingen ook niet tegen elkaar. Dus ik mompel: “Als dit echt iets blijvends is, accepteer ik 47 niet hoor.”

Het is zo. Als dit tussen ons goed zal gaan, moeten we een balans vinden. De liefdesbaby van hamburgers en spareribs moet slinken als we samen ouder willen worden. Ik ga het beloven. Ik zal jouw lijf, dat nu ook een beetje mijn lijf is, koesteren. Ik beloof er zoete aardappels in te stoppen met gegrilde groenten en zal er paprikasoep in gieten. Ik beloof dat ik er zelfs quinoa in zal blijven proppen. Hij moet het ook beloven. Hij moet goed voor mijn lijf zorgen dat nu ook een beetje zijn lijf is. Af en toe geen bitterbal en een zak chips moeten we delen. Hou me tegen als ik naar de McDonald wil en trap me naar buiten zodat ik ga hardlopen. Ik wil ouder worden dan 47. Ik wil dat jij ouder wordt dan 47. Nooit had ik gedacht dat ik het zo zou zeggen. Dat ik het meisje zou worden dat tegen haar vriendje zegt dat ze gezonder moeten eten. Toch doe ik het; samen gezonder. Maar laten we niet doorslaan. Niet al te gezond. Laten we tussen al het gezonde geweld, nooit de hamburger vergeten. Dat kan niet. Dat mag niet. Laten we samen hamburgers eten taalnazi van me, maar wel met mate.

Liefde in tijden van liedjes II

Liefde in tijden van liedjes II

Inmiddels weet ik dat ik stuk ben. In Liefde in tijden van liedjes bekende ik dat ik bijna 30 was en nog nooit van iemand gehouden had. Nu weet ik waarom. Ik heb een te leuk gevuld leven met veel te veel vrienden die ik heb gemaakt doordat ik altijd alleen was. Ik ben kritisch en heb een passie die makkelijk het gemis van een partner opvult, wat zeg ik: mijn schrijven vult met gemak het gat op van drie partners. Daardoor ben ik in een samenzijn enorm gesteld om mijn eigen tijd, maar o wee als je me verlaat. Bovendien is jarenlang loeren naar stellen niet perse bevorderlijk naar het verlangen om een stel worden. Ik heb dingen gehoord en gezien waardoor ik oprecht happy single was. Vrouwen die tegen hun mannen zeggen: “Ik heb geen zin om uit eten te gaan hoor. Zit ik jou heel de avond aan te kijken.” Mannen die verdommen te koken, zelfs als ze lang en breed thuis zijn voor hun vrouw binnenkomt. Stellen die simpelweg langs elkaar heen praten. Ze luisteren louter naar zichzelf en de stroom woorden die ze hun partner toesnauwen verdwijnt in een ruimte waar alleen vreemden hun oren spitsen.

Nee. Niet dat voor mij. Ik ben vrij. Vrij om mijn vrienden te zien. Vrij om bier te drinken wanneer ik dat wil. Vrij om bang te zijn. Vrij om kritisch te zijn. Vrij om te schrijven. Vrij om te vrijen. Vrij om stuk te zijn en niemand zich daarmee te laten bemoeien. En toen kwam ik de schrijver tegen waar ik eerder over schreef. De taalnazi die mijn dt’s veranderde. Met zijn gele bril, vreemde bakkebaarden en een houding die zich niet liet plaatsen, paste hij in geen enkel liedje. Net zoals ik zelf niet in liedjes pas. Wij waren beiden rare vogels zei mijn zus, dus als er iets in mij was dat ooit iets van een relatie wilde, moest ik volgens haar nu toch echt doorbijten.

Ik beet door omdat ik zag dat hij en ik samen iets zouden kunnen hebben wat mooi was. Wat de moeite waard zou zijn. Maar verliefd werd ik niet. Maand na maand na maand probeerde ik. Ik vond hem lief. We hadden het fijn. Ik moest om hem lachen en hij inspireerde me. Maar het gevoel dat ik zocht, kwam niet. Het gevoel dat bij de liedjes hoorde. En ik wilde het zo graag. Twijfels. Doordaten. Lachen. Huilen. Mijn zus bellen. Doordaten. Praten. Uit eten. Samen slapen. Twijfels.

Voel ik wel genoeg?
Is dit het?
Kan ik dit wel?
Wil ik dit wel?

Het is niet het begin waar je van droomt. Het is een begin waarvan mensen zeggen ‘dat is niet goed hoor’ of ‘zo hoort dat niet’. In het begin hoor je te genieten. Maar in mijn hart wist ik dat als ik het ooit echt zou proberen, het zo zou verlopen. Het was het begin waar ik jaren tegenop had gezien. Maar de taalnazi met de gele zonnebril had geduld. We dronken biertjes en aten bitterballen. We skypten drie uur op een avond. Ik kreeg lieve berichtjes maar niet teveel. Als ik een avond alleen wilde zijn, mocht ik mijn telefoon uitzetten. Maar ik bleef twijfelen en kon wel huilen. Dat deed ik en het enige wat ik wilde was mijn hoofd neerleggen op de behaarde borst van mijn taalnazi. Ik had verdriet om het gebrek aan gevoel maar wilde alleen door hem getroost worden.

Dat was hetgene dat ervoor zorgde dat ik doorging. Ik had een beeld van ons als stel en voor het eerst in mijn leven was het een realistisch beeld. Een fijn beeld. Ik zou hem niet een avond niet aan willen kijken. Met de gedeelde passie hadden we altijd wat te bepraten. Hij zou wél eten voor me maken als hij eerder thuis was. Wij zouden nooit langs elkaar heen praten, omdat we op dezelfde golflengte zitten. Dus als het gevoel nu gewoon kwaaaham, dacht ik.

Na drie maanden liet ik hem los. Ik had mijn best gedaan en ging huilend naast hem zitten. Mijn hoofd in zijn nek. “Ik wil het niet uitmaken, echt niet, maar ik weet het niet,” zei ik. Hij zat een verhaaltje te tikken, keek rustig op en zei niks over het uitmaken. Hij sprak de legendarische woorden: “Ik heb nog nooit iemand ontmoet die zoveel moeite doet om bij mij te zijn.” Mijn natte ogen waren nooit eerder zo snel droog. Hij pakte mijn hand, we gingen naar het bos, liepen langs het water en hij wist het zeker genoeg voor ons tweeën.

De volgende ochtend was ik zo blij dat hij er nog was toen ik wakker werd. Ik keek naar hem en toen naar mezelf. Ik ben kritisch. Ik heb bindingsangst gecombineerd met verlatingsangst. Vaak denk ik dat ik krankzinnig ben. Bipolair denk ik soms. Ik ben bang. Maar hij is lief en gek genoeg om met mij samen te zijn. Ik keek naar de bakkebaarden die ik de afgelopen drie maanden in een baard had doen veranderen en bedacht, ik ben verliefd op je aan het worden.

Een week lang verzweeg ik het. Ik denk immers soms dat ik bipolair ben, dus met dit soort beweringen moet ik altijd even wachten. Na die week zaten we samen in het kunstgras op mijn balkon. Door het warme weer zweette hij als een otter. Ik kuste hem door zijn zweetdruppels heen en sprak toen de legendarische woorden.
“Ik ben denk ik verliefd op je aan het woorden.”
“Zo,” zei hij lachend. “Lekker op tijd.”
“Sorry,” zei ik. “Bedankt dat je bij me bent gebleven.”
“Ik wil alleen een krankzinnige vriendin,” zei hij. “Als je normaal wordt, maak ik het uit.”

Op dat moment hoorde ik een liedje in mijn hoofd. De melodie was mij vreemd. Het was geen liedje dat ik eerder hoorde. En dat klopt eigenlijk wel. Mijn gevoel past ook bij geen enkel liedje dat al bestaat. Ik hoorde een nieuw liedje. Het liedje van mij en de taalnazi.