Het haar van de taalnazi

 

Er was eens een taalnazi*. De mijne. Een grote, mooie, sterke man met een baard, en haar op zijn borst. Groene ogen, een rechte neus, en het mooiste was misschien wel zijn haar. Donkerblond haar, in de schemer was het donker en in de zon bijna blond. Kort, nonchalant, wild, met een slag. Hij hoefde zijn haren nooit te kammen, het viel zoals het viel en het was prachtig. Het was een prachtige taalnazi. De mooiste die ik ooit had gezien.

En toen kwam er een olifant met een hele grote snuit en die blies zo het sprookje uit. Want de taalnazi besloot om zijn haar te laten groeien.
‘Als het lang is, ga ik het heel goed verzorgen.’ Hij aaide zijn haar. We zaten op de bank. ‘En het krult straks ook heel mooi,’ glunderde hij.
‘Maar, schat,’ zei ik twijfelachtig. ‘Ik denk niet dat het nog gaat. Lang haar. Dat het nog mooi is.’ Subtiel probeerde ik hem te wijzen op zijn terugtrekkende haargrens.
‘Jawel, het is wel mooi.’ Hij aaide zijn haar zoals ik nog nooit een man zijn haar had zien aaien. Horrorscenario’s van strakke paardenstaarten en inhammen tot aan zijn achterhoofd doemden op in mijn hoofd. Ik nam een slok wijn en spoelde zo de griezelfoto’s weg. Hij mag dit zelf weten. Ik hou van hem, ik wil leven zonder oordeel. Hij mag dit. Hij mag levensgrote inhammen hebben en erbij lopen als een zwerver. OMG. Nog een slok. Zonder oordeel. Hij mag dit.

Het haar groeide en groeide. Het kwam op zo’n rot lengte waar allerlei vrouwen die hun haar kort hebben geknipt ook doorheen moeten als ze het weer lang willen. Ik had steeds meer moeite om mijn reserveringen weg te stoppen.
‘Wat vind je er zelf van?’ vroeg ik.
‘Ik vind het mooi,’ antwoordde hij.
Hij vroeg niet wat ik vond. Waarschijnlijk omdat mijn gezicht KNIP HET AF! gilde.
‘Ik laat het lang groeien en als het lang is en je vindt het niet mooi, dan knip ik het af.’
‘Dat is goed,’ zei ik.
Het is een eigenwijze man. Ik hou van hem omdat hij zelfs in december op slippers loopt, omdat hij er schijt aan heeft dat zijn lievelingsbroek vol gaten zit, omdat hij mij leert dat ik schijt moet hebben en van mezelf moet houden.

Maar ik houd niet van lang haar en ik kon het steeds moeilijker verbergen. Mijn prachtige taalnazi verloor aan glans, er kwam iets dakloosachtigs over hem heen. Vrienden en familie vielen me bij.
‘Gast, je wordt ook ouder. Die inhammen, man,’ zei zijn beste vriend.
‘Je bent echt knapper met kort haar,’ zei mijn zus.
‘Och jongen, ga toch naar de kapper,’ zei zijn moeder.
‘Heb je een midlife crisis?’, vroeg mijn moeder.
De taalnazi hoorde het aan, keek het aan, aaide zijn haar weer en verzonk in een wereld waarin zijn manen dansen in de wind en glanzen in de zon.

Ik deed mijn ogen dicht en mediteerde. Hij mag zijn wie hij is. Hij mag dit haar houden. Ik deed mijn ogen open en wilde gillen dat hij het af moest knippen. Ik deed mijn ogen dicht en wilde hem accepteren, wie hij ook zou worden. Ik deed mijn ogen open en dacht: o mijn god, straks wil ik nooit meer met hem naar bed. Kan ik nog met hem naar bed als hij een paardenstaart heeft en eruitzien alsof hij met drie halve literblikken bier in het park heeft overnacht?

Ik besloot een milde aanpak en pakte mijn telefoon. Ik liet hem een foto zien van hem op onze vakantie op Texel. Hij staat in de duinen, heeft zijn lichte spijkerbroek aan, een zwarte jas daarboven. Hij heeft een zonnebril op, zijn haar is mooi en kort en verwaaid en hij staart de verte in, alsof hij James Dean is.
‘Hier ben je supergeil. En de mooiste. De mooiste die er is.’
‘Met lang haar, ben ik nog mooier.’
Ik verbeet me, maar het lukte niet. ‘Ik wil dat je het afknipt.’
‘Wat?’
‘Ik meen het. Ik kan er niet tegen. Ik vind het niet mooi. Straks wil ik niet meer met je naar bed. Jij wil toch ook niet dat ik mijn haar af knip?’ Ik ratelde. ‘Vind je mij dan nog mooi?’ gilde ik.
‘Doe eens normaal,’ zei hij zachtjes. Hij aaide zijn haar. Zelfs zijn fret aait hij niet op deze manier.
Ik stak mijn telefoon hysterisch in de lucht – of liever gezegd in zijn gezicht – en riep: ‘Ik wil mijn taalnazi terug! Terug!’ Het huilen stond me naderbij dan het lachen. ‘Waarom knip je het nou niet af, voor mij? Ik zou het ook voor jou doen.’
‘Echt,’ zei hij streng. ‘Doe. Normaal.’

Hij had gelijk. Het was niet normaal en ik voelde me een verschrikkelijk dom, vervelend, onaangenaam mens die eigenlijk niet eens meer een kusje van de taalnazi verdiende. Ik zei dat ik erover zou zwijgen. Een week later zat ik er toch weer over te zeuren. Ik wilde dat hij het zou knippen, voor mij. Dat hij het belangrijk vond wat ik vind. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij bij zichzelf zou blijven. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij het zou knippen, voor mij. Maar ik vond het ook belangrijk…

Zaterdag was ik bij mijn moeder. Ik kreeg een appje kreeg met een foto. De taalnazi had een selfie gemaakt. Hij had kort haar en stak zijn middelvinger naar me op. Erbij stond: ‘Ik ben heel boos, maar dit is mijn beslissing. Je moet weten dat ik aan de hele wereld schijt heb, maar het minst aan jou. Ik hou van je. En deze woede… dat is niks dat een paar blote billen van jou niet kan verhelpen.’

*de taalnazi is de bijnaam die mijn vriend heeft verdiend door op een ontzettend strenge wijze mijn teksten te controleren.

Monstergriep

 fb9baf96db0ca09022b31df7fea0abf3

 

Ik heb een monstergriep gehad. Zo’n griep waarin je in een dikke pyjama, onder drie dekbedden nog steeds ligt te rillen van de kou. Wachtend op een zweetaanval. Zo’n griep waarvan je gaat ijlen en waarin je vijf kilo wegzweet. Zo’n griep waarvan je gaat huilen. O. Dat bleek niet helemaal normaal, want de taalnazi – die uitermate goed voor me zorgde – belde tijdens het grote grienen in paniek mijn zus op: ‘Ze huilt om onbegrijpelijke redenen!’ Mijn zus suste: ‘Ze is gewoon een beetje apart.’

Het is nu dag tien van de griep en het gaat beter. Ik word nog duizelig van mijn telefoon en van mijn laptop maar maar het zweten is voorbij en het kotsen ook. Het leven is altijd leuker zonder kotsen, dus ik ben blij. Pardon. Blijer. Want ik ben niet blij. Ik ben teleurgesteld. Daarom huilde ik.

Het is donker in het holst van de griep, maar ook helder. Helder is dat ik sinds november weer aan het rennen ben, aan het jagen, de gaten aan het opvullen. Gaten van verdriet bij vriendinnen, gaten van eenzaamheid bij mijn moeder, gaten van collega’s die ziek zijn, gaten bij opdrachtgevers. Het woord ‘nee’ is uit mijn vocabulaire verdwenen. De oorzaak van het gebrek aan nee is gênant, het is namelijk: Ik ben zo mindfull geworden, ik kan het wel aan. Hij of zij is daar nog niet, dus ik kan het beter doen.

Het is een hooghartige gedachte. Wie ben ik om voor andere mensen te bepalen of ze iets wel of niet aankunnen? Om ze die beslissing te ontnemen? Daarna bedenk ik: het is niet mindfull om jezelf weg te cijferen en weer daarna denk ik: fuck, het is gewoon makkelijker. Het is makkelijker om door te werken als iedereen dat doet, dan om mijn eigen avond te pakken. Het is makkelijker om ‘ja’ te zeggen tegen mijn moeder dan de teleurstelling in haar stem te horen als ik zeg dat ik echt een dag voor mezelf nodig heb. Het is makkelijker om die ene opdracht tegen je zin in tóch aan te nemen omdat je anders een heel team een klus ontzegt. Het is makkelijker om te doen wat iedereen doet dan te doen wat je zelf wilt (als je dat al weet).

Nee, dat is niet helemaal waar. Uiteindelijk is het misschien wel moeilijker vanwege de teleurstelling. Want ik ben teleurgesteld; en wel op twee manieren. De eerste teleurstelling zit ‘m in het feit dat ik niet alles kan fixen. Meer mail, meer lijstjes, meer vraag, meer werk, meer verdriet, meer gaten. Er is altijd meer gat dan ik aankan. Het is dweilen met de kraan open en toch wil ik het allemaal doen, voor iedereen. En als dat niet lukt – omdat ik niet Atlas ben of Superwoman – ben ik teleurgesteld. Dit moet ik toch aankunnen, hij werkt zich ook de pleuris, zij trouwens ook, je kunt ook nergens tegen, sjonge jonge, wat ben je een lapzwans. Lekker oordelen op mezelf.

Maar dan komt er altijd dat moment, of het nu in een schurftepidemie is, in een stilte retraite, in een monstergriep, dat er bewustwording ontstaat. Dat ik merk en voel dat ik Atlas niet ben, of Superwoman en dat het onredelijke eisen van mezelf aan mezelf waren. En voilà; nieuwe teleurstelling. Omdat ik vergeten was lief voor mezelf te zijn, omdat ik weer niet voor mezelf heb gezorgd, omdat ik niet voor mezelf durf te zorgen. Jezus, je weet nu toch dat je rustig aan moet doen, waarom mediteer je nou niet en waarom ben je nou verdomme niet aardig voor jezelf, je moet niet boos worden, wat ben je nou voor boeddha? Lekker een oordeel op een oordeel.

In het holst van de griep dacht ik dat ik weer opnieuw moest beginnen. Ik gilde tegen de taalnazi: ‘Ik ben mezelf kwijt! Ik moet weer terug naar Indiaaaaa. Wat is mediteren!?’ Nu de koorts is gezakt, gaat het beter. Ik heb weer wat geleerd: oordeel op oordeel; teleurstelling op teleurstelling maakt het zwaar. Zwaarder dan nodig. En hier ga ik me de komende tijd eens mee bezig houden. Liever voor mezelf zijn. Weer. Maar nu zeg ik het zonder oordeel, omdat de monstergriep me weer een stukje dichterbij het leven heeft gebracht dat ik wil.

Want ik weet wel wat ik wil: ik wil een ontspannen leven. Dat betekent niet dat ik niet wil werken en altijd op mijn nest wil liggen. Het betekent dat ik met rust op wil staan en wil ontbijten, dat ik kan mediteren en wat kan werken. Ik lees misschien een stukje uit een boek tussen de middag, ik neem tijd voor een wandeling. Ik wandel met de taalnazi langs de Maas, met Floortje door het bos. In de avond wil ik lekker koken, met lieve muziek op. Ik wil breien en lezen en wandelen en zwemmen en schrijven. Ik wil dat we elkaar in bed voorlezen van de romans die we aan het maken zijn. Ik wil schrijven.

Ik wil schrijven. Dat is mijn leven. Er is niet veel geld voor nodig, alleen durf.

PS. De taalnazi stuurt me regelmatig het plaatje dat boven dit verhaal staat. Inmiddels hangt hij ook in onze woonkamer. The path to inner peace starts with four words: not my fucking problem. Het is niet zo’n boeddhistische leuze maar soms helpt het. Misschien jou ook.

 

 

De Kutdagen

img_3720

Dat ik iemands vriendin ben, vind ik nog steeds raar. Het is al best een tijdje zo, maar er zijn nog altijd momenten dat ik eraan moet wennen. Nog steeds kan ik me beter identificeren met de vriendin die in haar zoektocht naar een geschikte vent verschrikkelijke en hilarische dates heeft, dan met stellen die om de week een datenight inplannen.

Ik moest uitvinden hoe een relatie werkt, dat moest ik leren. Als je 30 jaar vrijgezel bent geweest, is dat nogal moeilijk. Het lastigste vind ik de kutdagen. Op vrolijke dagen is een relatie makkelijk, de gezamenlijke bubbel is fantastisch. Ik wist niet dat iemand mij zo gelukkig kon maken, zittend op de bank, ruikend aan zijn baard, thee slurpend, rug aaiend. Er is dan geen meditatie nodig om in het hier en nu te blijven. Ik ben er, hij is er en ik hou van onze bubbel.

Jaja, terug naar die kutdagen (want gelukkige mensen vind ik ook nog steeds om te kotsen). Die kutdagen zijn er. Als ik verdrietig ben omdat ik ruzie met mijn moeder heb gehad, of omdat ik moet janken omdat ik mega ongesteld ben of gewoon, zomaar omdat ik een dal in mijn dag heb. Toen ik nog vrijgezel was, zette ik op dat soort dagen een grote kan thee, pakte een dekentje, ging op de bank liggen en keek Pretty Little Liars.  Nu is dat anders, nu is een dal in mijn dag confronterend. Ik merk het meteen als ik thuis kom na een lange, vermoeiende rotdag.

‘Hoi schatje!’ roept de taalnazi vanuit de studeerkamer. Altijd maar dat ‘geschatje’.
‘Hoi.’ Zonder een kus loop ik naar de meditatiekamer. ‘Ik moet mediteren.’
‘Oké!’
Gejaagd steek ik mijn kaarsjes aan. En die pokke wierook moet ook. Ik ga zitten op mijn kussen, trek een kleedje over me heen en ervaar het gehele half uur geen zachtheid of ontspanning. Het enige pluspuntje is dat ik ben blijven zitten.

Ik sta op en ben boos. Op mezelf, op mijn moeder, op hem omdat hij geen klote opruimt of schoonmaakt. Zou hij vandaag wel wat hebben gedaan? Nee zeker. Nee, zij doet het wel. Ik laat het voor haar wel liggen. Ik ga wel lekker in mijn studeerkamer zitten. Sjonge. Ik loop naar de woonkamer, langs de studeerkamer zonder naar hem te kijken.

Tot mijn teleurstelling is de woonkamer niet heel vies. Hij heeft gestofzuigd. Maar de kussens liggen niet recht en er staat een fles ijsthee op de grond en de chipszak van gisteren ligt nog op de salontafel. Hij weet dat ik het opgeruimd wil. Is het nou zo moeilijk om even op te ruimen? Ik heb een drukke dag gehad. Het moet opgeruimd zijn.

De keuken is goor. Echt heel goor. Dit moet gepoetst. Ik ga hem laten zien dat ik poets (en hij niet!). Ik maak een sopje en haal alle spullen uit de koelkast. De hele keukentafel staat vol. De glazen planken haal ik er ook uit. Ik sop en boen. Daarna schrob ik het gasstel. Daarna de keukenkastjes. Ook zo vies. Behalve die ene die hij pas heeft schoongemaakt en opnieuw ingericht. Eentje maar verdomme. Als ik de honing uit het kastje probeer te krabben, hoor ik iets achter me. Als ik me omdraai, staat de taalnazi in de deuropening.
‘Kan ik wat doen?’ vraagt hij zachtjes.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Kijk hoe vies dit is.’ Ik wijs naar, nou ja, de hele keuken.
‘Zal ik het schoonmaken?’
‘Nee. Ik doe het wel weer.’

Ik zie angst in zijn ogen. Toch waagt hij het om binnen te komen. Inmiddels weet hij dat hij me nu niet moet vastpakken of kroelen of aaien. Hij grijpt met zijn hand in het gootsteenkastje. Hij weet volgens mij niet wat hij pakt maar loopt met zijn staart tussen zijn benen (en de allesreiniger) de keuken uit. Ik ga zitten op de stoel en hoor hem lopen. Met zijn allesreiniger. Ik laat het even gaan, laat mezelf denken. En dan roep ik hem (ik weet dat ik eigenlijk naar hem toe moet lopen maar dat kan nog niet).
‘Ik ben aan het schoonmaken, schatje,’ zegt hij zacht.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Ehm.’
‘Omdat je bang voor me bent he?’
‘Eh, ja, doodsbang.’
‘Dat is eigenlijk niet goed of fijn ofzo,’ zeg ik. ‘Kom je zitten?’
Hij gaat zitten. We zwijgen. Ik heb een dal in mijn dag en hij is er. Ik zou dankbaar moeten zijn, in zijn baard vliegen, huilen op zijn borst, me laten zeggen dat het goed komt, me laven aan zijn slechte grappen, maar ik kan het niet. Niet nu, nu niet meteen.

Het is de kutste dag van het jaar (oké, van de maand, oké van de week) en ik wil het alleen doen. Nee. Ik ben gewend om het alleen te doen. Dat is ook wat ik tegen hem zeg.
‘Ik weet niet goed hoe het moet, verdrietig zijn bij een ander.’
‘Dat maakt niet uit he.’ Als ik me open stel, heeft hij iets om mee te werken, zijn kalmte is terug. ‘Ik geef je alle tijd. Je doet hoe je het doet.’
‘Ik heb het nooit gedaan,’ zeg ik. ‘Ik ben dat niet gewend.’
‘We hebben de tijd,’ herhaalt hij.
‘Je bent een spiegel.’ Ik stomp hem op zijn knie. ‘Je bent een kutspiegel ook nog. Vroeger ging ik gewoon op de bank liggen met een deken en dan merkte ik niet eens dat ik een kutdag had.’
‘Dan: ga op de bank liggen met een dekentje.’
‘En Pretty Little Liars kijken?’ vraag ik.
‘Ik weet niet wat dat is, maar ga lekker Pretty Little Liars kijken. En dan breng ik je een kopje thee en dan ga ik weer in mijn studeerkamer zitten.’
‘Is dat niet raar?’
‘Een beetje wel maar jij bent raar en ik ben raar, dus is het goed.’
Ik trek hem omhoog en knuffel hem. Heel even. ‘En nou oprotten,’ zeg ik.
‘Ja jij!’ Hij steekt zijn middelvinger op, geeft me een duwtje richting de woonkamer en zet de televisie aan.
En weer ben ik een klein beetje meer gewend. Ik ben iemands vriendin.

Met een hele schone koelkast.

Zo’n liefde

Als ik de wachtkamer van de dokter in loop, hoor ik zacht gehuil. Vorige week had ik in mijn vinger gesneden, er moest een hechting in en nu moet die eruit. De wachtkamer is groot en de bankjes zijn leeg. Op één bankje na. Op die plek zit een vrouw van in de zestig te huilen, ze wordt omarmd door haar man. Hij wrijft zachtjes met zijn duim over haar bovenarm. De vrouw heeft een rood gezicht en dept haar tranen met een nat propje papier, dat ooit een zakdoekje was. Haar hoofd rust op de schouder van de man en af en toe verstopt ze haar gezicht in zijn nek. Hun handen met oude aderen zijn in elkaar verstrengeld en liggen op zijn knie. De vrouw huilt door merg en been. Ze huilt op zo’n manier dat ik het voel. Soms heb ik dat bij een kind ook. Wat een verdriet, denk ik dan. Zulk verdriet bij een oude vrouw zien, is extra droevig. 

Ik bedenk wat er kan zijn gebeurd. Wat ze van de dokter gehoord heeft, om zo van slag te zijn. Ik zie het stel zitten voor het bureau van de dokter. Zij nog niet huilend, hij nog niet over haar bovenarm wrijvend. Wel die handen op dezelfde manier verstrengeld op zijn knie.
U heeft Alzheimer, het spijt me.
U heeft kanker, uw borsten moeten eraf.
Nee, dat is niet wat de dokter zegt. De dokter kijkt hèm aan. Het is zijn ziekte. Dat moet het zijn. Hij heeft kanker en zij heeft verdriet. Er is tegen hem gezegd dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft en zij is bang. Dat is het.

Ik denk dat dit het is, omdat het bij mij zo zal zijn.

Als de hechting eruit is gehaald, loop ik terug naar de wachtkamer. De vrouw zit nu alleen, kijkt naar de vloer, een stille traan loopt over haar wang. Ik voel dat er ook bij mij tranen opkomen. Het zijn tranen voor mij. Tranen voor de liefde.
Ik loop naar haar toe, leg mijn hand op haar rug. ‘Mevrouw?’ zeg ik. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik wilde u even veel sterkte wensen.’
‘Dank je,’ zegt ze. ‘Wat lief.’
Ik klop op haar rug, ze begint heviger te snikken. ‘Zal ik even bij u komen zitten?’ vraag ik dan. ‘Tot uw man terug is?’
‘Ja,’ fluistert ze. Met haar propje veegt ze over haar ogen, ze zijn dik.
‘Gaat het een beetje?’ vraag ik. Domme vraag, maar ik vraag het.
‘Ik ben voor alles zo bang,’ zegt ze. ‘Voor alles.’
Ze kijkt naar haar handen. ‘Ik ben bang om naar de supermarkt te gaan, ik ben bang om naar de bakker te gaan, zelfs voor het uitlaten van de hond ben ik bang.’
Straatvrees. Och jee. Dat dat je nog op zo’n leeftijd kan overvallen. ‘Wat naar voor u zeg.’

Dan komt haar man binnen, hij blijft even voor ons staan en kijkt liefdevol naar zijn vrouw. Ik sta op. ‘Gaat u maar zitten.’
Dat doet hij, precies op dezelfde manier als net. De vrouw vouwt zich moeiteloos tegen hem aan, zo zitten deze mensen al jaren. Binnen, dat wel.
‘Hij heeft een paar maanden geleden een hartinfarct gehad begrijp je wel,’ zegt ze. ‘Hij was bijna dood.’
‘Och jee,’ zeg ik tegen de man. De man maakt een wegwuifgebaar met zijn hand, hij kijkt of het hartinfarct een bezoekje aan de bloemenboer was.
‘Bijna dood en nu kan ik hem niet alleen laten.’
Geen straatvrees, ziek van angst, ziek van liefde.
‘Ja, dat lijkt me heel moeilijk,’ zeg ik. ‘U bent natuurlijk bang dat er weer wat gebeurt.’
‘Nee,’ zegt de vrouw, ‘Nee, ja dat ook natuurlijk. Maar ik wil gewoon zo graag bij hem zijn.’
Ze tilt haar hoofd op, ze kijken elkaar aan. Hij doet zachtjes een pluk haar, nat van de tranen, achter haar oor. Hij glimlacht naar haar. Zij reageert met een snik.

‘Ik ben te kort bij hem geweest,’ zegt ze. ‘Zeventwintig jaar, we hebben alles gedeeld samen, kinderen, kleinkinderen, trouwpartijen, vakanties, mensen die dood gingen, er gingen ook zoveel mensen dood. Maar er is nog zoveel meer. Ik wil gewoon bij hem zijn. Hij mag nog niet dood.’ Ze pakt zijn hoofd beet en zoent hem. Het is een droge, harde zoen en ik moet huilen.
‘Ik begrijp het,’ zeg ik. ‘Wat mooi en verdrietig tegelijk.’
Dit zijn mensen die elkaar leerden kennen en die de mooie en de lelijke dingen aan elkaar lieten zien. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die van elkaar houden, zelfs als ze niet van elkaar houden. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die doorleven in elkaars leven, nadat ze zijn gestorven. Dat is iets waar ik niet aan wil denken.
De vrouw snuit haar neus.
Ik zeg zachtjes ‘dag’ tegen de man en wens de vrouw veel sterkte, dan loop ik naar buiten en ik huil. Eventjes, zachtjes. Omdat ik dit kan zijn. Omdat ik geloof dat ik zo’n liefde heb gevonden. Hij mag niet doodgaan, niet voor mij, niet na mij, nooit. Ik lach. Ik heb zo’n liefde.

Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.