Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.

Vies grietje

Oma

Aan haar muur hangen tegeltjes met teksten als Van het concert des levens heeft niemand een program, op haar tafel staat een boeketje kunstbloemen, haar lievelingskoekjes; bokkepootjes haalt ze uit een koekjestrommel en ze drinkt koffie uit kopjes waar bloemetjes op staan. Dit zijn de enige gelijkenissen die mijn oma heeft met normale oma’s.

“Zullen we even naar buiten gaan oma?” vraag ik. Ik ben 21.
“Best,” zegt oma. Ze zet een zonnebril met grote glazen op en kijkt even naar het hondje van mijn moeder dat ik bij me heb. Ze haalt haar gerimpelde handen versierd met gouden ringen en armbanden door haar korte, rood geverfde haar en pakt het looprek. Oma zit in een bejaardenhuis, omdat ze geen trappen meer kan lopen en alleen wonen moeilijk is. Haar dochter; mijn moeder gaat een keer per week een bakkie bij haar doen. Ik ga soms alleen. Oma en ik stiefelen naar buiten, door het park. De blaadjes zijn oranje en knisperen onder haar looprek. De zon schijnt zachtjes.
“Herfst is mijn favoriete seizoen,” zeg ik.
“Ik vind er geen reet aan,” zegt oma.
We komen aan bij snackbar Huisman en ik haal twee softijsjes.
“Wel met snoepies erop,” zegt oma.
Ik geef haar een softijsje met snoepies erop en we gaan zitten op een bankje.
“Lekker?”
“Ja.”
“Heb je je rijbewijs al?” vraagt ze.
“Nee, nog niet.”
“Ik zou maar stoppen met die lessen. Als je het nu nog niet kan, kan je het nooit.”
De hond ligt in de zon. Oma heeft haar ijs op.
“Ik wil naar huis. En die hond ook.”

Oma zagen we vroeger eigenlijk nooit, af en toe kwam ze langs om haar nieuwe vlam of armband te laten zien. Ze tikte met haar vingers op tafel, de sieraden maakten geluid. Oma vertelde hoe ze aan haar nieuwste man was gekomen. “Ik heb een advertentie geschreven voor in het Dagblad,” zei ze. “En ik heb er wel mooi ingezet dat ‘ie niet impotent mocht wezen. Ik ben dan wel in de zestig, maar toch.” Mijn moeder keek weg. Ik was jong en wist niet precies wat impotent zijn betekende, maar het leek me goed dat je ook in de zestig nog eisen had. Ik vond mijn oma tof.

“Ma, zullen we even boodschappen doen?” zegt mijn moeder. Ik ben 24 en oma heeft een grote, grijze uitgroei bovenop haar hoofd.
“Waarvoor?” zegt oma.
“Nou, ik lust wel een koekje bij de koffie,” zegt mijn moeder, “en je hebt niks in huis.”
“Best,” zegt oma. Ze trekt een deken van de bank, legt die op schoot en gaat in haar rolstoel zitten. We rollen naar de Nettomarkt. Oma heeft niet meer zoveel ringen om. Haar armbanden heeft ze sowieso afgedaan. We gaan naar binnen en oma zegt niks. Ik kijk naar oma en oma kijkt naar niks. Ik pak bokkepootjes uit een schap en oma kan niks.
“Ik wil naar huis,” zegt oma, “ik vind hier geen reet aan.”
“Oké,” zeg ik.
“En ik ga nooit meer mee ook.”

Mijn moeder vond het niet leuk dat oma nooit naar ons toe kwam toen wij nog kinderen waren. Dat ze onze verjaardagen vergat en met kerst op vakantie was. Als we naar oma toe gingen, omdat ze borrel of feestje gaf, zei mijn moeder ook nooit: “we gaan naar oma,” nee, ze zei: “we gaan naar m’n moeder.” Dat vond ik zielig voor mijn moeder. En ik begreep het niet. Oma was chagrijnig, maar goed gezelschap. Ze was zo eerlijk, dat je constant moest lachen, ook al was je zelf de grap.

“Ha oma,” zegt mijn zus.
Mijn oma lacht. Dat doet ze niet vaak tegenwoordig. Tegenwoordig ben ik achtentwintig en is oma echt oud. Haar haren zijn grijs, haar gouden ringen liggen nu ook in een doosje en ze vergeet steeds meer.
“Hoe is het met jou? Jou heb ik lang niet gezien,” ze kijkt naar mijn zus.
“Goed, het gaat goed hoor oma.”
“En hoe is het op je werk?”
“Ook goed.”
Oma vergeet dat ik er ben. Geeft niet. Oma is dement.

Daardoor moet mijn moeder van haarzelf meer op bezoek. Dat is haar taak en die voert ze uit. Ze schenkt zonder morren koffie in en trekt plichtmatig de koekjestrommel open, maar ik zie dat ze hier eigenlijk niet wil zijn. Inmiddels gaan mijn zus en ik niet naar oma voor ons of voor oma, maar voor onze moeder. En zo erg vinden wij het niet.

“Hoe is het met de mannen?”
“Ehm…” zegt mijn zus.
Mijn zus heeft geen man. Ze heeft een vrouw. En twee kinderen. Oma weet blijkbaar niet dat mijn zus met een vrouw is, al hebben we dat nooit bewust voor haar verzwegen.
“Nou?” zegt oma.
Mijn zus zegt niks.
“Oma,” roep ik enthousiast, “ik heb nog steeds geen rijbewijs.”
“Heb je al verkering?” zegt ze tegen mijn zus.
“Oma,” zeg ik, “ik heb geen verkering. En ook al heel lang niet gehad!”
Oma rolt zich om, kijkt door haar dikke glazen naar mij en zegt:
“Dat weet ik toch, kind. Jij bent van de verkeerde kant.”
Mijn zus en ik kijken elkaar aan. Oma haalt ons door elkaar.
“Ik weet heus wel dat jij een vies grietje bent.”

Eerst lachen we. Dan zijn we verbaasd. Daarna verdrietig. En dan snappen we onze moeder. Mijn zus zegt de tekst die ze mij zo vaak heeft horen zeggen: ‘ik ben niet zo goed in de liefde en de juiste man is ook nog niet voorbij gekomen,’ en ik zeg niks. Mijn ogen prikken voor m’n zus en het liefst loop ik nu weg en kom ik niet meer terug. Maar ik blijf. Zonder morren schenk ik koffie in en plichtmatig trek ik de koekjestrommel open.
“Gatver. Bokkepootjes. Daar vind ik geen reet aan,” zegt oma.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.