Liefde in tijden van liedjes

Liefde in tijden van liedjes

Ik ben bijna 30 jaar en heb nog nooit van iemand gehouden. Mijn blote voet schuift langzaam over het lichtblauwe hoeslaken dat los ligt. Het laken is gerimpeld en nattig, mijn lijf is ontspannen en in mijn haar zitten klitten. Mijn blote lijf ligt in een vreemd huis met een niet meer zo vreemde man in een bed dat vertrouwd raakt. Ik staar naar het plafond dat ooit wit geweest moet zijn. Nooit hield ik van iemand. Wel ben ik verliefd geweest op mannen die ik in mijn hoofd gemaakt had, gebaseerd op een exemplaar dat even mijn hand vast had.

De man die steeds minder vreemd is, zit op de wc. Ik moet ook zo, omdat ik blaasontsteking wil vermijden. Hij is echt lief en ik noem hem liefje. Velen gingen de man op de wc voor. Ik heb wat gevoeld voor een gepijnigde muzikant, gelonkt naar een cabaretier zonder reukvermogen, een timmerman met baard en staart, een theatrale man die zwom in verdriet. Elke keer duurde het ‘ons’ kort; tot het beeld werd ingehaald door de man. De liedjes die in mijn hoofd hoorden bij het gevoel dat ik zocht, bleven precies dat; liedjes die mijn werkelijkheid niet pasten.
Dromen bleken ’s ochtends altijd toch bedrog.
Nooit was ik iemands zon en maan tegelijk.
En niemand deed me lopen over water.

Liedjes zijn mijn standaard in de liefde. In het leven ben ik mijn eigen standaard en dat is erger. Het is geen pretje als je overal goed in moet zijn en dat dit ook meteen moet. Mijn eerste baan was een hel omdat ik mezelf moest leren monteren, filmen en interviewen. Ik kon dat niet op de eerste dag, of eerste maand. Hel, zeg ik je. Als ik op mijn nichtje pas, wil ik haar moeder vervangen. Ik moet voor haar kunnen zorgen of ze van mij is, ze moet me lief vinden, er mag geen plas langs haar luier lopen. Als ik schrijf, moet het mooi zijn zodra mijn vingers de letters van het toetsenbord loslaten. In bed probeer ik klaar te komen tegen de klok en als ik kook, moet ik een ster.

Liefde is iets anders dan werk. Of schrijven of seks. Mensen die wel lief hebben gehad zeggen dat het echt gaat zoals de liedjes doen geloven.
Er was een donder, een bliksem, een slag toen ik je zag.
Geen zorgen dus; zodra ik die ene in de ogen kijk, zal ik weten. Maar ik heb het nog nooit geweten en heb er ook niet voor doorgeleerd, de liefde. Als dat kon, had ik het gedaan. Het enige dat ik kan is vermoeden, vermoeden dat liefde voor mij iets is dat moet groeien, maar daar geloven de liedjesmensen niet in. Liefde wordt voor mij daarom lichte waanzin. Mijn gedachten en mijn lijf zijn constant in dialoog en die praten ook nog eens tegen de gedachten en het lijf van de man die mijn hand vasthoudt.

“Schijt aan,” zegt hij als hij zich ook op het losse hoeslaken vlijt. Hij leest mijn lijf en mijn gedachten. Maar nu vertelde ik gewoon dat ik niet goed ben in de liefde. “Ga eens in het moment leven,” zegt hij. “Nu is het leuk en als het volgende maand niet meer leuk is, dan merken we dat dan wel.”
Hij aait een pluk haar uit mijn gezicht. Even zie ik zijn ogen duidelijker. Groen zijn ze geloof ik.

Ik stap uit bed en loop door zijn rommelige slaapkamer naar de badkamer. Mijn billen nemen plaats op de koude wc pot. Liefde maakt me banger dan werk. Misschien vind ik hem morgen niet meer leuk. Misschien hij mij overmorgen niet meer. Ik ben bang dat het niet groeit of te snel groeit. Ik ben bang dat ik niet geschikt ben als duo. Ga ik nog wel schrijven als ik een ons ben? Blijft hij wel wie hij is? Blijf ik bij mezelf? En zouden we een stelletje zijn dat bij elkaar blijft, ook al willen we elkaars hand niet meer vast houden?

De plas drupt met kleine drupjes de wc pot in. Ik denk aan de man die in het bed is achter gebleven. Aan de afschuwelijke gele bril die hij op had toen ik hem voor het eerst ontmoette. Aan hoe hij als taalnazi de dt’s in mijn teksten aanpast. En aan hoe hij vanaf het begin af aan weigerde om in liedjes te horen. Misschien kan ik van hem wel gaan houden. Ik rol wc papier van de rol af. Misschien ook wel niet. Ik trek door.

Als ik mijn onderbroek weer aan heb, kijk ik in de spiegel. Na de eerste drie maanden van mijn eerste baan werd ik verliefd op de camera en verslaafd aan Final Cut Pro. Hoe vaak ik die eerste drie maanden niet wilde stoppen, mijn baas uitschelden, hoe vaak ik niet huilde en dacht dat ik het niet kon. Maar ik werd er goed in. Ik doe mijn haar in een knot en blaas de pluk die hij net vast had, uit mijn gezicht.

Ik kijk naar de wc waar ik net op zat. Ik heb over zijn remsporen heen geplast. Heel veel remsporen. Die hadden de muzikant, cabaretier, timmerman en de verdrietzwemmer onmiddellijk de das om gedaan. Ik trek nog een keer door en lach zonder dat hij het hoort. Ik loop terug naar zijn slaapkamer waar geen klok hangt. Schijt aan. Dit is het moment en ik leef mijn eigen liedje.

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees Liefde in tijden van liedjes II.

Tarrel

Tarrel

Mijn angst voor het laten van scheten waar mannen bij zijn, zit diep en gaat lang terug. Denk aan het jaar 2001, ik ben een puber, een nerveuze puber. Ik zit in een zwart-wit geblokte tuinbroek verlegen aan mijn bureau en naast mij zit Peter. Het is de eerste jongen die bij ons thuis komt, het is mijn eerste liefde en we maken wiskundehuiswerk. We kijken stiekem naar elkaar op, nemen slokjes van de gazeuse die mijn moeder ons bracht en soms glimlachen we even en naar elkaar.
Het is mooi, het is lief. Totdat mijn maag begint te borrelen.
En nee, het zijn niet de vlinders.
Het zijn mijn darmen.
Ze beginnen nu ook geluid te maken.
O god. Niet nu.
Ik leg een hand op mijn buik. De druk stapelt zich op.
Het doet pijn. Ik denk: als ik nu beweeg, laat ik er een vliegen. En het kan ook nog weleens een natte zijn.
Niet bewegen. Niet bewegen. Alsjeblieft niet bewegen. Ik ga nog liever dood dan dat ik beweeg.
Ik voel een druppel pijnzweet langs mijn slaap sijpelen. Ik wil niet ruften. Dat mag niet. Maar jullie weten ook wel, als je het te lang inhoudt, ga je op een gegeven moment dood van de pijn. Dan moet je wat doen. Dus ik probeer er nog het beste van te maken en zeg quasi interessant tegen Peter: ‘Ik moet even gaan liggen. Krampen. Ik denk dat het menstruatie is.’ Altijd goed om op je zestiende aan te geven dat je vruchtbaar bent natuurlijk.

Ik strompel met een hand in mijn rug naar het bed. Niet omdat de pijn echt niet te harden is, maar omdat ik mijn billetjes bij elkaar probeer te houden.
Peter is lief en komt bij me zitten.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij haalt een pluk haar uit mijn gezicht.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij aait me over mijn buik.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Ik denk aan wat hij zou doen als hij wist dat hij eigenlijk alleen een grote drol aaide, waar een stuk buik tussen zat.
Hij wrijft wat harder.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij probeert de krampen weg te duwen, net iets te hard en ik…
Kan mijn billetjes niet meer bij elkaar houden. Jullie weten wat er toen gebeurde. Het was een stille en die stinken het ergst.
Ik houd mijn adem in, natuurlijk omdat ik weet wat voor godschruwelijke stank eruit me is gekomen, maar ook uit angst. Zou Peter me nu verlaten?
Ik was trouwens wel opgelucht dat het geen natte was.
Ik kijk Peter aan, hij moet dit ook ruiken, Franse schimmelkaasjes zijn er niks bij.
Maar hij doet niks. Hij blijft aaien, stoïcijns.
Ondanks dat Peter de scheet die dag niet erkende en er nooit meer op terug is gekomen, is de scheet altijd tussen ons in blijven staan. Na die dag is Peter nooit meer huiswerk komen maken, sterker nog: Peter werd zelfs homoseksueel.

Tussen Peter, mijn eerste liefde, en de ontmoeting met wat mijn laatste liefde kon zijn, zat een hoop tijd. In die tijd had ik alleen amoureuze ontmoetingen van een nacht en dan weten jullie hoe dat gaat: voor poepen wacht je tot je thuis bent en scheten laat je als je ‘even de wijn gaat pakken.’ Deze laatste liefde ontmoette ik op een schrijversavond in Delft. We lazen vieze verhaaltjes voor, dronken samen Chouffe biertjes, aten shoarma en belanden bij elkaar in bed. Ik vond ‘m wel leuk, die grote taalnazi, maar ik wist ook dat de shoarma een schetenfanfare in mij zou aanwakkeren, die zijn weerga niet kende. Ik vroeg me af of hij me – net als Peter – om stanktechnische redenen zou verlaten. Ik wist eigenlijk wel zeker dat het antwoord op die vraag ja was, want naast de shoarma had ik ook een hoop bier gehad en dat soort scheten zijn het ergst. De taalnazi zou naakt met zijn handen heftig zwaaiend boven zijn hoofd, mijn huis uitrennen van die lucht.

Ik app een vriendin met mijn zorgen.
Ze appt HAHAHA terug en zegt dat ik me beter zorgen kan maken over wat er zich in zijn onderbroek afspeelt. De vriendin is regelmatig opgeschrikt door remsporen in onderbroek en tarrels in bilharen.
Tarrels? Nooit van gehoord.
Ik google het woord. Het urban dictionary vertelt me die nacht iets dat ik voor altijd met me mee zal dragen.
“A tarrel is a piece of shit that gets stuck in your butt hair. It can also be a dried up piece of shit that you find in your underwear.”
Gruwelijk. Gruwelijker nog dan stille stinkscheten.
Ik til de dekens op en kijk naar de blauwe onderbroek van de taalnazi. Even overweeg ik om zijn onderbroek naar beneden te trekken, om te zoeken naar rempsoren of tarrels, maar ik doe het niet. Ik draai me op mijn buik zodat ik zeker weet dat alle bier-en-schoarma-scheten precies blijven waar ze zijn.

De volgende ochtend zit de taalnazi in zijn blauwe boxer in mijn keuken.
“Koffie?” vraag ik in mijn flanellen bloemetjespyama.
“Lekker.”
Ik draai de kraan open en laat water in de koffiekan lopen.
“Ik heb wat geleerd vannacht,” zegt hij.
“O? Wat dan?”
“Dat meisjes ook scheten laten.”
“Nee.” Ik zet de koffie aan en hap naar adem. “Nee toch?”
“Jawel.” Hij lacht en toch schaam ik me dood.
“Ik laat geen scheten,” jok ik.
“O nee?” Met zijn tong uit zijn mond maakte hij een kort scheetgeluid, een wat langer scheetgeluid en een heel lang scheetgeluid.
Ik word rood. “Hou op!”
Hij lacht weer. Ik ken deze lach niet. Ik weet niet of het betekent ‘haha ok, goor wijf, doei.’ Of : ‘haha ik houd wel van kleine viezerikjes.’ Hij lacht en lacht en als hij even bijkomt, vertelt hij het allerergste. ‘En toen,’ zegt hij, ‘na de derder scheet ofzo, je was al  half in slaap, zei je: ‘dit is echt de laatste.’
Ik wil door de grond zakken en uit pure wanhoop vraag ik hem of hij weet wat een Tarrel is. De taalnazi weet ook niet wat een tarrel is maar leest mijn gene en stopt met lachen. Een beetje beschaamd.
“Wat is dat dan een Tarrel?” vraagt hij.
“Volgens het Urban Dictonary is het a piece of shit that gets stuck in your butt hair.”
Hij steekt een sigaret op. “Klinkt vast nog ranziger in het Nederlands.”
“Een Tarrel is een stukje stront dat in je konthaar blijft hangen.” Ik schenk hem koffie in. “Is inderdaad ranziger.”
Hij neemt een slok. “Ik vind het een interessant fenomeen.”
Vraag me niet hoe of waarom maar blijkbaar zie ik dit als een aanmoediging voor poeppraat want ik zeg: “Ik heb weleens op een wc-bril gepoept.”
Ik schrik van mijn eigen ontboezeming. De Taalnazi schrikt ook een beetje, maar hij herpakt zich. En biecht ook. “Ik heb wel eens tweehonderd kilometer vanuit Luxemburg gereden terwijl ik in mijn broek had gescheten. Ik dacht dat ik een scheet liet en toen zat mijn hele broek vol.”
Van zijn ontboezeming moet ik dan een beetje kokhalzen. De taalnazi is nog een grotere smeerlap dan ik. Maar wel leuk.
We drinken nog een kopje koffie en we praten over spetterpoep en vieze stinkscheten en drollen die te groot zijn om doorgespoeld te worden. Dat was het begin. Daar in die keuken overwon ik mijn poepfobie en ik merkte dat de taalnazi eigenlijk al een beetje van mij hield en volgens mij ook een beetje van mijn scheetjes.

PS. Zin in nog meer poep- en plashumor? Lees dan gauw Proppen of vouwen.

Hoe The Twilight Zone verdween

Hoe The Twilight Zone verdween

Voordat je aan dit verhaal begint, is het belangrijk dat je The Twilight Zone wel eerst even leest. Wat zeg je? Al gelezen natuurlijk? O sorry. Ga dan gauw verder.

Vanochtend mocht ik haar uit bed halen. Haar kleine, mollige handjes wrijven in haar nog dichte ogen. Haar donkere krulletjes zitten in de war en ze heeft haar poet in de mond. Zo noemt ze haar knuffeltje: poet. Ze geeuwt en doet haar oogjes open, die zijn dik, van het huilen voor het slapen gaan. Net als die van mij.
Haar korte armpjes strekt ze naar me uit: “tanta!”
“Hallo meisje,” lach ik.
“Haaajo.”
Ik pak haar op en als een baby hou ik ‘r tegen me aan. Eigenlijk is ze hier net iets te zwaar voor, maar dat maakt ons niet uit. Ze legt haar hoofdje in mijn nek en ik doe mijn ogen dicht. Ze is warm en haar lijfje nog zwaar. Rustig dein ik heen en weer en zing zacht een verdrietig liedje van Acda en de Munnik. Ze begint te huilen. Niet iedereen houdt van Acda en de Munnik.

“Goedemorgen meisjes,” zegt mijn zus.
Ze geeft ons allebei een zoen en pakt mijn nichtje over.
“Kom op, we gaan lekker ontbijten.”
We lopen de babykamer uit en mijn verdriet in. Het is zaterdagochtend. Het is zaterdagochtend, ik ontbijt met het gezin van mijn zus en mijn vriendje heeft het gisteren uitgemaakt. Het gezin bestaat uit mijn zus, haar vriendin, hun zoon en hun dochtertje en ik kan ‘m eigenlijk geen vriendje noemen omdat we niet eens lang genoeg samen waren om buiten hand in hand te lopen. Ik smeer een boterham met smeerworst voor mijn nichtje. Er liggen eitjes op tafel, croissantjes op borden en fruit in bakjes.
“Eet nou wat,” zegt mijn zus zacht maar streng.
Ik neem een slokje koffie; hij was toch niet verliefd op me. Ik hap uit mijn te warme croissant en was verliefd aan het worden. M’n nichtje gooit een stuk boterham met smeerworst op de grond.

Mijn schoonzus draait de thermostaat op 20 graden, voor het eerst dit najaar en zet een plaat van Boudewijn de Groot op. Tante Julia. Ze zingt mee. ‘Ja, tante Julia ik lijk al weer veel ouder, ik speel piano als u wil, maar haal uw borsten van m’n schouder,’ gek dansend loopt ze terug naar de eettafel. Mijn neefje lacht om zijn moeder of om de borsten uit het liedje, er komt een beetje thee uit zijn neus. Ik lach omdat ik niet huilen wil. Hier is een jeugdherinnering in de maak. Over vijftien jaar zal mijn neefje deze ochtend kunnen terughalen; hij zal Tante Julia horen, de thee in zijn neus voelen, de geur van de kachel die net aan is en ziet zijn moeder raar dansen. Ik zal deze ochtend terughalen als de ochtend dat ik voor het eerst sinds mijn zestiende weer kennis maakte met oogbullebakken. De gele harde goedjes die je uit je oog moet pulken als je te hard gehuild hebt de dag ervoor.

“Nou, doe nu eens normaal,” zegt mijn zus tegen m’n nichtje dat nog steeds stukjes brood met smeerleverworst uit de kinderstoel gooit.
“Tanta!” zegt mijn nichtje, ze lacht naar me.
Ik knipoog naar haar, neem nog een hap van m’n croissantje en hoor hem weer zeggen dat het niet aan mij ligt.
“Als je niet wilt eten,” hoort mijn nichtje, “dan eet je niet,” en ze wordt op de grond gezet. Op haar billen schuift ze heen en weer.

Mijn nichtje is naar de salontafel kont-geschoven en zit naar ons te kijken. Met haar poet in de mond. Ik drink mijn koffie, kijk naar mijn nichtje en denk aan hoe ik afscheid nam van het vriendje dat geen vriendje was. Mijn kop thee was nog vol, maar er was niks meer om voor te blijven. Ik zei Dag alsof ik hem morgen weer zou zien. M’n zus gaat voor mijn nichtje zitten en zegt: “Loop eens naar mama!”

Ze probeert het al een tijdje; ze komt een beetje omhoog, staat rechtop maar voordat ze een stap kan zetten, valt ze weer op haar billen. Nu ook. Een beetje omhoog, ze staat en, en, en… ze loopt. Ze loopt drie stapjes en valt op haar billen. Even zijn we stil. We kijken. En dan geschreeuw: “Goed zoooo!” Ze schrikt, misschien van het lopen, misschien van het schreeuwen. Ze huilt. En ze lacht. Mijn ogen lopen weer vol; van trots, van verdriet, van blijdschap, van verwarring. Ik ga bij haar zitten en veeg mijn tranen weg. “Tanta,” en ze geeft me haar poet. Alles wordt even lichter. Dat het niet wederzijds was, maakt het niet minder bijzonder. Ik zal me deze ochtend toch anders herinneren. Het was de ochtend dat mijn nichtje haar eerste stapjes zette op de vloer en ik in de liefde. Voor het eerst overwon ik The Twilight Zone.

The Twilight Zone

The Twilight Zone

Ik kan het eigenlijk wel zeggen. Het is niet iets om je voor te schamen. Het is gewoon zo. Ik ben niet goed in de liefde. Nooit geweest ook.

Het begint al bij het flirten. Oogcontact: ik weet niet hoe lang ik kan kijken voordat het raar wordt (wat het dus vaak wordt). Eerste gesprek: ik kan zo zenuwachtig zijn dat ik praat over dingen die me zelf niet eens interesseren. Dus, vond een collega, je moet op date met iemand waarvan je van tevoren al weet dat het past. Ja. Graag. Ze wist iemand die perfect zou passen. Ik heb dat weleens eerder gedaan, een blind date met iemand die ‘perfect past’ en toen zat ik ineens tegenover een 15 jaar oudere man met vetkuif en cowboylaarzen en dacht ik… ‘ehm ja, wat zegt dit over mij?’ Deze keer moest het dus wel echt passen, zei ik tegen de collega. Ze beloofde het. Ik gooide twee wijntjes achterover en ging. Ik kwam het café in en zag een sympathieke, leuke, stoere man. Mijn type. Met mannenhanden en ronde billen. Dit kon ‘m niet zijn. Het was ‘m wel.

En dan is het Hallo zenuwen. We bestellen wat te drinken. Ik wodka 7-up, hij ijsthee. Vreemd.
Ik: “Hou je niet van drank?”
Hij: “Nou, niet zo eigenlijk.”
Ik: “O.”
Hij: “Jij wel?”
Ik: “Ja. Ik ben eigenlijk een drankorgel.”

Tegen de verwachtingen van de eerste zinnen in, werd het een leuke avond. Het werd een leuke week. Ondanks te pittige risotto, een dronken huilbui en het per ongeluk te vroeg praten over kindernamen, werd het een leuke maand. Hij vond mij leuk, ik hem. En dan. Dan kom ik in The Twilight Zone terecht. The Twilight Zone is dat deel van hetgeen dat je hebt met elkaar (want je durft het nog geen relatie te noemen) tussen de eerste maand en de echte verkering in. Voor velen is dat een leuke tijd. Voor mij niet, want in The Twilight Zone komt de denker in mij naar boven. De denker trekt alles in twijfel: elk gevoel, elke lach, elke aanraking, elke steek van vreugde of verdriet wordt geanalyseerd. Zo stranden startende relaties al voordat we voor het eerst hand in hand hebben kunnen lopen. Dat is wat ik doe (als ik geen labbekak tref), ik denk alles kapot. En dat heb ik tot nu toe altijd gedaan.

Aan een goede vriend vertel ik over het Twilight Zone probleem en de twijfels die ik inmiddels heb over mijn nieuwe vlam. Hij smst me soms twee dagen niet, hij kijkt af en toe naar me met een blik waar ik ‘een gek gevoel’ van krijg en niet op een positieve manier, hij maakt geen ontbijt en ik maak altijd wel ontbijt. De denker is los.

“Je bent een debiel,” zegt de vriend. De vriend is niet altijd even sympathiek. Wel altijd even eerlijk, “hoe lang heb je nu iets?”
“Een maand.”
“Een maand,” hij zucht. “Hou op en doe normaal. Onderga het gewoon. Je hebt teveel films gekeken.”
“Ja?”
“Je weet het de eerste paar maanden niet.”
“Je moet het toch meteen weten? Dat hoor je altijd: ‘Ik wist het meteen.'”
“Man, ik wist het na een half jaar nog niet.”
“Nee?”
“Nee. Ben je gek. Het begin is een hel.”
“Een hel? Waarom heeft niemand mij ooit eerder vertelt dat het begin een hel is?”
“Omdat we allemaal doen alsof we relaties uit de films hebben.”

Ik vraag drie stellen naar hun Twilight Zone. Het eerste stel had een jaar lang zoals zij het noemen het grote ‘Ik Weet Het Niet Gevoel’, het tweede stel is in de eerste drie maanden drie keer uit elkaar geweest en de vrouw uit het derde stel zegt: ‘meid, ik vond hem de eerste zeven weken niet eens aardig!’ De denker gaat even in zijn mand liggen.

“Vind je hem leuk?” vraagt de vriend.
“Ja.”
“Vind je hem knap?”
“Ja.”
“Vind je hem grappig?”
“Weet ik niet.”
“Ah, daar wringt het. Als jij iemand niet grappig vindt, kun je wel stoppen. Maar grappig zijn, kan komen, voor humor is ruimte nodig. Ben jij al grappig?”
“Nee. We zijn allebei niet grappig. Over de sms waren we hilarisch en nu is er niks meer te lachen.”
“Wachten.”
“Ik wil niet wachten. Ik wil niet passen en meten en denken en twijfelen en verliefd zijn en weer denken. Ik wil niet constant in mijn hoofd controleren of hij wel lacht om mijn grapjes en of ik wel genoeg voel.”
“Het is niet anders. Doorbijten. En wachten.”

Ik vraag me af of ik niet anders ben dan de stellen, dat ik Twilight Zones heb omdat het ‘m gewoon elke keer niet is. Misschien blijft bij de juiste The Twilight Zone achterwege. Dat is wat ik het liefste wil. Ik wil dat het meteen goed voelt en dat we The Twilight Zone overslaan. Na die eerste maand wil ik een briefje. Die hij stiekem overgeeft tijdens het tanden poetsen. “Wil je met mij verkering?” en dat ik dan “Ja” terugschrijf en dat we maar een hele korte Twilight Zone hebben. Maar dat kan niet. Ik moet wachten. En voor deze jongen wil ik het wachten wel proberen.

Benieuwd hoe dit afloopt?
Ik ook.

Doorkijken

Doorkijken

Als je vrijgezel bent, mis je weleens wat.
Je mist het dat iemand lief ‘t haar uit je gezicht aait.
Je mist het dat iemand je hand pakt omdat hij ziet dat je aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat jij iemands hand pakt omdat je ziet dat hij aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat iemand zegt; “ga jij eens even op de bank zitten, je bent moe, ik ga iets voor je koken en ik weet precies wat je wilt”.

Soms mis ik dat ook allemaal niet. Maar soms wel. En soms zeg ik het: ik mis zo een iemand. Ik zei het gisteren. Tegen een vriendin die sinds haar eerste schooldag op de middelbare al met haar vriend is. Ze reageerde met: “Je kunt ‘m overal tegen komen,” toen wreef ze hard doch liefdevol met haar hand over de mijne en zei: “echt.” Meer mensen reageren op een dergelijke wijze. Ik heb het gevoel dat deze luisteraars denken dat ik antidepressiva slik om Het Grote Gemis te onderdrukken, terwijl ik dwangmatig verder zoek naar de vader van mijn kinderen. Even voor de duidelijkheid: dat is niet zo. Maar soms wil ik gewoon zeggen dat ik iemand mis. Soms wil ik ook zeggen dat ik niet begrijp wat de groene paprika in het paprika trio doet. Die vindt niemand lekker.

“Je kunt ‘m tegen komen in de Albert Heijn, je bent gek op vlees, misschien staat ie wel bij de vleeswaren. Of in het park, je houdt toch van mannen met honden, misschien moet jij ook een hond nemen en dat je elkaar dan daar ontmoet. Of misschien toch gewoon in de kroeg. Een kroegtijger past wel bij je.” De vriendin gaat – goed bedoeld – door met het benoemen van potentiële ontmoetingsplekken, terwijl ik bedenk dat ik het zat ben dat mensen potentiële ontmoetingsplekken opsommen. En dan, ineens, denk ik aan Timo. Typles Timo.

“Leg je vingers op het toetsenbord. Neem de basisposities in. Linkerwijsvinger op de F linkermiddelvinger op de d, linkerringvinger op de s en de linkerpink op de a. Tik f, f, r. Nog een keer. F, f, r. En doe dat zes keer.”
Ik was veertien en zat na schooltijd op typles. Niet veel ouders die op Zuid woonden, zagen ’t nut in van het kunnen typen met tien vingers, dus er waren weinig kinderen in het informaticalokaal. De coole kinderen zaten niet op typles. Behalve ik dan natuurlijk. Timo zat een paar stoelen rechts van me. Ik vond hem niet knap of stoer. Hij had een bril. Hij had een bril en die schoof hij een paar keer tijdens het typuur omhoog. Hij keek naar me. Ik keek naar hem. En dan voelde ik iets, iets dat ik niet kon beschrijven. Leuk vond ik ‘m niet. Dat kon niet, want hij was niet knap of stoer. We zaten niet bij dezelfde club, we hadden niet dezelfde stijl, we zaten niet in hetzelfde groepje, hij paste niet bij wat voor een soort jongen ik door de gangen wilde wandelen.

“Misschien moet je op een theatervereniging. Een jongen die aan toneel doet, zou ook goed bij je passen,” zegt de vriendin.
“Nee,” zeg ik ineens vastbesloten, “nee, nee, nee. We moeten ophouden met het waar. Ik moet kijken naar wie. Door het oordeel heen. Ik moet doorkijken.”
De vriendin zegt niks.
“Ik ben het dubbele van veertien, maar bekijk mannen nog steeds alsof ik in de pubertijd zit. Past hij bij mijn vrienden? Reageert hij op een zelfde manier op problemen? Vinden we hetzelfde leuk? Lacht hij ook om dat stomme filmpje van Lau en Tiny?
“Tja,” de vriendin lacht, “waarom doe je dat eigenlijk? Je eindigt toch altijd met iemand waarvan je het nooit zou hebben verwacht. Kijk maar naar mij en m’n vent.”
Ze heeft gelijk. Ik ben verbaasd.

Ik moet beter kijken en me laten verrassen. Misschien loopt er wel een vegetariër rond die geen hond maar een kat heeft, die nooit in de kroeg komt, toneel haat maar toch bij me past. Misschien verdienen de Typeles Timo’s van nu een kans. Openstellen dus. Voor nieuwe zienswijzen, andere reacties en nieuwe grappige internetfilmpjes. Al is dat eng. Om kwetsbaar te zijn, om de controle weg te geven. En dan moet ik ook nog eens hopen dat de Timo’s dat ook bij mij kunnen. Want ik pas niet makkelijk in elk plaatje; bij mij is doorkijken ook geen overbodige luxe.

Het leest als een klus. Maar stel je voor dat het lukt; dat doorkijken werkt. Dan kan ik straks niet soms meer iemand missen. Dan zit er straks ineens iemand in mijn huis die lief het haar uit m’n gezicht aait, die mijn hand pakt als hij ziet dat ik verdrietig ben en die weet dat wanneer ik moe ben… hij een spiegelei voor me moet bakken.

Maar, op één gebied zal ik niet doorkijken. Ik doe geen concessies wat de groene paprika betreft. Die moet hij ook uit het paprika trio willen.

Follow my blog with Bloglovin

Gewoon een vrouw zijn

Gewoon een vrouw zijn

“Zo, dat ziet er zwaar uit,” zegt een zachte mannenstem terwijl hij naar mijn koffer knikt. Het is vakantie en hij een vent zoals ik ‘m fijn vind, met humor en een staartje.
“Ik ben zo’n pittig ding joh,” antwoord ik terwijl ik de koffer trede voor trede de trap af sjouw, “ik draag dat ding zo naar beneden, hoppa, de auto in.”
Terwijl de woorden uit mijn mond komen (en ik ze het liefst weer terug zou proppen), denk ik alleen maar: pittig? Serieus?

Ik doe dit soort dingen vaker. Als ik met een date boodschappen doe voor het avondeten, heb ik al betaald voordat hij zijn portemonnee kon pakken en ik til de boodschappentas van de band af, voordat hij zijn hand ernaar uit heeft kunnen steken. Ik schroef zelf mijn kapotte wasmachine open om te kijken wat er mis is, terwijl mijn buurman het graag voor me zou doen (en hij zou waarschijnlijk ook daadwerkelijk kunnen zien wat er aan de hand is). In november ben ik verhuisd en vanaf die tijd heb ik geen lamp in de gang. Gewoon, omdat ik het niet kan en ik het niet wil vragen.

“Zo, is het gelukt?” vraagt de zachte mannenstem als ik met het zweet op mijn rug en waarschijnlijk een kleine hernia weer terug kom zonder koffer.
“Ja,” zeg ik chagrijnig. Chagrijnig omdat de woorden van net niet terug te proppen waren en ik eigenlijk had willen zeggen, ‘ja de koffer is best zwaar’, waarop hij zou reageren met ‘zal ik ‘m even voor je tillen?’. Ik zou dan zachtjes knikken en hij zou vervolgens de koffer hoffelijk naar de auto brengen.
“Ik had ‘m best voor je willen dragen,” zegt hij.
“Je had het best kunnen aanbieden.”
“Als je zegt dat je pittig bent, denk ik dat je het zelf kunt.”

Ik kan ook zelf mijn koffer dragen, maar ik wil het stiekem niet. Ik kan wel meer trouwens. Ik kan financieel voor mezelf zorgen, ik durf alleen op vakantie, ik kook zelf, heb zelf mijn huis gewit, ga in mijn eentje naar feestjes waar alleen stelletjes zijn (wat wel de hel is, maar goed) en ik kan m’n problemen zelf oplossen (en anders ga ik betaald met iemand praten zodat ik het toch met mijn eigen geld heb opgelost). Ik ben de koningin van de onafhankelijkheid. En dat is een probleem voor een koningin die ooit een koning wil. Hoe kan ik met iemand samen zijn als ik me niet laat helpen, als ik mijn zachte kant niet durf te tonen, als ik niet gewoon een vrouw kan zijn?

Die vrouwelijke kant is alom aanwezig, al is ze niet zichtbaar aan de oppervlakte. Ik hou van koken en dat iemand mijn eten dan lekker vind. Ik hou van pleisters plakken en kusjes geven op schaafwonden. Ik hou van koffie inschenken en biertjes brengen. Ik hou daar allemaal meer van dan van mijn huis witten en in mijn eentje naar feestjes gaan waar het sterft van de stelletjes. Daarom heb ik als koningin van de onafhankelijkheid iets besloten (want dan gebeurt het ook echt). Ik ga het stoere een klein beetje loslaten. En gewoon een vrouw zijn.

“Zal ik je even helpen?” een stoere mannenstem vraagt vanaf de bank of hij me moet helpen. Hij heeft een biertje (door mij aangegeven) en ik ben aan het koken*. Het is een nieuwe vent, zonder staart maar met baard.
“Nee,” zeg ik. “Ik kook graag.” Een diepe ademhaling. “Ik vind het leuk om voor je te koken.”
“Ik vind het leuk dat jij het leuk vindt om voor me te koken,” zegt hij.
“Maar, weet je,” zeg ik, “er ligt een lamp in de gangkast. Die moet eigenlijk nog even opgehangen worden. Kun jij dat misschien doen?”
“Tuurlijk,” zegt hij. En hij staat op, loopt naar de keuken, kijkt in de pan, geeft me een kus en loopt naar de gang. Het begin is er.

*Ik kookte paella, zoals je ziet op de foto. Sorry dat het eruit ziet als kots, maar paella is niet zo fotogeniek. Gelukkig wel erg lekker.