Over tijdloze hemden en goede koffie – Gastblog

De gastblogger van deze maand is misschien wel de Carrie van de Lage Landen te noemen. Simone Dolk, freelance schrijver maar vooral ook dromer, woont in Amsterdam en geniet daar van goede kopjes koffie, biertjes in foute barren, haar vriendinnen, haar schrijverij en natuurlijk; af en toe een leuke vent. Voor Achtentwintiger schreef ze een raar verhaal met een hoog waarheidsgehalte dat zo in Sex and the City zou kunnen. De clichés van de liefde die o zo waar zijn, lees je in Over tijdloze hemden en goede koffie.

Over tijdloze hemden en goede koffie

Daar lig ik dan. Starend uit het slaapkamerraam en mijn dekbed tot onder mijn neus opgetrokken. Ik beweeg niet en adem een beetje. Mijn hoofd voelt zwaar en mijn buik weeïg. Vanuit mijn ooghoek zie ik een berg dekbed naast me en daar ligt hij onder. Ik weet wie hij is en ook dat hij zo snel mogelijk mijn bed uit moet.

Een diepe zucht, een kuchje en kippenvel over mijn lijf.
“Yo, ben je al wakker.” Mijn stem klinkt nog roestig van het bier en de rook. Ik draai me naar hem toe en tik met mijn wijsvinger op zijn schouder. Hij bromt. Ik glimlach naar zijn rug onder mijn dekens en wil het liefst verdwijnen in mijn matras. Waarom dacht ik dat dit een goed idee was? Door de waas in mijn hoofd heen spelen de beelden van gisteren in slow motion door mijn hoofd. Zomaar, ineens stond hij voor mijn neus in de kroeg. Hij keek me aan, recht in mijn ogen, gaf me een vluchtige zoen op mijn wang terwijl zijn hand in mijn nek lag en zei “Dat is lang geleden, dame.” Dat ene woord, met die ene blik. Die godvergeten blik. Die gódvergeten blik… En dan ook nog die glimlach. Alle goede voornemens, alle beloftes om ver bij hem vandaan te blijven, verdwenen als sneeuw voor de zon.

Hij. Hij was degene die mijn dagen kleurde. Hij maakte mijn dagen zo veel leuker dan ik dacht dat ze zouden kunnen zijn. Hij zorgde voor de glimlach op mijn gezicht, ook al viel er niets te lachen. Soms lijkt dat allemaal een leven geleden. Het werkte niet, wij samen. Het was onze tijd niet, weet ik het. Blijkbaar voelde het allemaal niet goed genoeg. En nu ligt hij weer in mijn bed. “Terug bij af,” denk ik dramatisch. Mijn telefoon trilt onder mijn kussen, ik knipper met mijn ogen en slik de opkomende tranen weg. Anna in de lucht.

Anna: Schatje! Gaarne een update. Bart? Serieus?! Meld je je zo voor koffie bij Two for Joy op de Haarlemmerdijk? Kan je me alles vertellen 😉 PS Julia en Cath zijn er ook bij.
Ik: Hij. Moet. Hier. Weg. Nog tips uit eigen repertoire?
Anna: Bied hem geen koffie aan. Ik herhaal. Geen koffie.
Ik: Ok 🙂 Ik ben er om 1300. Zie je dan xx

Ik schraap mijn keel en zeg zo nonchalant mogelijk tegen hem: “Hey, ik moet er zo vandoor. Dus spring nu onder de douche.” Zonder zijn antwoord af te wachten, gooi ik zijn overhemd op mijn bed en vis ik een handdoek, ondergoed, spijkerbroek en hoodie uit mijn kledingkast. Terwijl ik naar de badkamer loop, doe ik een schietgebedje dat hij het veld heeft geruimd als ik terugkom. Beter voor iedereen.
Ik heb nog een uur om me toonbaar te maken. Mijn gezicht zit in de kreukels, mijn make up zit tot aan mijn kin en mijn haar lijkt het meest op een warzone, zie ik als ik in de spiegel kijk. Mijn hersens bonken mijn hoofd uit, het licht doet pijn aan mijn ogen en om over het gevoel in mijn buik nog maar te zwijgen. Ellende. Een grote, fakking ellende. In stilte spreek ik met mezelf af dat ik nooit meer een druppel alcohol drink. En deze keer écht nooit meer. Ik stap onder de douche, hoor na een paar minuten dat hij de deur achter zich dichttrekt en leun met mijn voorhoofd tegen de tegeltjes. Machteloos en verslagen.

Hij is echt weg als ik weer in mijn slaapkamer sta. En hij heeft mijn bed opgemaakt: alsof hij er nooit is geweest. Ik laat mezelf in een zeesterpositie op bed vallen, adem zijn geur in en glimlach. Maar het doet een beetje pijn.

In spijkerbroek en hoodie sta ik even later voor de spiegel en ik zie er net zo uit als ik me voel: afgrijselijk. Laat ik in ieder geval doen alsof ik me kiplekker voel. Hoodie uit, zijden bloesje aan. Nikes uit, hakken aan. Even in de make-up voor de herstelwerkzaamheden: crèmepje, mascara, wenkbrauwen, nog een laag mascara en wat gloss op de lippen. Als ik mijn mondhoeken omhoog trek, is het net echt.

Two for Joy. Behalve de heerlijke koffie, industriële inrichting, staat deze tent ook symbool voor mijn leven als vrijgezel meisje. Vergaderingen over de ondoorgrondelijke gedachtegangen van mannen, werksores en de vragen des levens worden hier belegd. De geur van geroosterde koffiebonen, vers gebakken granola en bananenbrood komt me tegemoet als ik naar binnen stap.
“Hi there,” zegt de barista. Hij ziet eruit zoals een barista eruit hoort te zien: een baard, een kunstige, quasi-nonchalante coupe en armen onder de tattoos. “Would you like to have your latte?” vraagt hij alsof ik hier al jaren kom. En eigenlijk kom ik dat ook. Ik knik en glimlach: “Yes please.”
“Ok great. And I was wondering… if maybe we could get together outside this place one day? I mean we could just go for a beer somewhere around here.”
Ik frons mijn wenkbrauwen en kantel mijn hoofd. Voor mijn gevoel staar ik hem tien volle secondes aan terwijl ik het probeer te verwerken. Hoor ik dit goed? Word ik hier, nu op klaarlichte dag ouderwets mee uitgevraagd door een barista? Als in, een date?

“Uhm?! What? A beer?” is het enige wat ik uit kan brengen. Maar hij heeft zich al omgedraaid en doet zijn trucjes met zijn piston en andere attributen. Hij lijkt zich vol overgave toe te leggen op de coffee art en ik speel de laatste minuut tien keer opnieuw in mijn hoofd af. Stel hè, hij bedoelde wat ik denk dat hij bedoelde… Hoe lang is het geleden dat iemand mij die vraag gesteld heeft? Nuchter als de pastoor en in het echt? Niet met een Tinder berichtje? Met een pistool tegen mijn kop zou ik het echt niet weten.

Hij gaf me mijn koffie verkeerd met een ongemakkelijke glimlach “Here you go”. Ik glimlach terug, zo mogelijk nog ongemakkelijker. En ik heb werkelijk geen idee wat ik moet zeggen en kraam een onverstaanbaar “Ok. Thank you. Bye.” uit en loop naar mijn vriendinnen. Onderweg zie ik dat hij een hartje heeft gemaakt van de warme melk in mijn koffie. Wow. Ik draai mijn hoofd nog een keer om en lach naar hem. Breeduit. Hij knipoogt. Hij ziet er zo anders uit dan mijn crushes van afgelopen tijd. Geen tijdloos overhemd, geen lange mat van haar in zijn nek en al helemaal niet van die degelijke gaatjesschoenen.

Anna, Cath en Julia waren verwikkeld in een zeer vermakelijke analyse van een whatsappgesprek van Anna en een vriend van haar als ik aan kom lopen. “Dit is toch niet normaal!” Verongelijkt betoogt Anna dat hij met haar aan het flirten is, ook al heeft ze hem opgedragen dat niet te doen. Cath denkt er iets anders over: “Vriendschap tussen man en vrouw is echt onmogelijk. Hoe vaak heb ik dat al gezegd? Ik zeg het je. Ik heb echt al te veel verontrustende verhalen over gehoord. Maar onze slettebak is gearriveerd! Dus dame,” en ze richt zich tot mij, “vertel even. Bart? Waarom precies?” En hun aandacht verplaatst zich naar mij met een vragenvuur. Blijkbaar heeft Anna al een goede teaser gegeven. Hoe kon ik in hemelsnaam me weer hebben ingelaten met Bart? Ik wist toch dat hij… en dat ik dan… en dat wij nooit… Mijn toelichting is kort: “Gisteren leek het echt een supergoed idee. En ik ben echt te brak voor diepgaande analyses en gepreek.”

Anna ziet dan dat er een kaartje op mijn schotel ligt, pakt het en kijkt mij met grote ogen aan: “Zeg? Had je dit wel gezien?” Anna begint te giechelen en ik ben in complete verwarring. “Het is een geheime boodschap van de barista. Hij vraagt of je een keertje met hem wilt afspreken.” fluistert Anna. “En daaronder staat zijn telefoonnummer.” Er breekt totale hysterie uit: Cath en Julia uiten hun enthousiasme met een synchroon “Whaa!”, grissen het kaartje uit Anna’s handen, vallen nog net niet flauw van opwinding en lezen zijn tekst voor: “I was serious. Let’s grab a beer together one day.” Gênant. Drie paar ogen kijken mijn vragend aan. En ik? Ik denk dat er te weinig te gekke dingen in mijn comfort zone gebeuren.

Op zoek naar de knuffelrebound II

Op zoek naar de knuffelrebound II

Voordat je deel II van dit verhaal leest, moet je eerst even deel I lezen.

Ik sta voor het raam van het café en druk met mijn wijsvinger m’n bril omhoog. Ik ben toch een beetje in de war van de zoektocht naar de reboundknuffel die zo start en duw mijn neus tegen het raam. Ik zie nog geen potentiële knuffelman, wel twee vrouwen van in de dertig die met hun rug tegen de bar leunen. De een heeft een kort, donkerbruin kapsel dat haar hoekige kaaklijn accentueert. Ze draagt een strakke spijkerbroek met bruine enkellaarsjes eronder en op de riem van haar broek valt een gebroken wit, los topje. In dezelfde bruine kleur als haar laarsjes, glijdt een ketting met een azuurblauwe steen langs haar sleutelbeen. Het lijntje boven haar ogen is kaarsrecht en haar nagels zijn op z’n Frans verzorgd. Alles klopt. Ze is mooi. Of ze mooi genoeg is voor vanavond, weet ze niet. Haar ogen zoeken. Naast haar staat een blonde variant. Net zo mooi gemaakt. In principe zien ze eruit alsof ze leuke vriendinnen zouden kunnen zijn. Alsof ze een fijne avond kunnen hebben. Alsof ze kunnen lachen om elkaars opmerkingen. Maar dat is niet wat ze doen. Ze kijken rond en vergeten elkaar. Ze zijn mooi, nemen kleine slokjes wijn en wachten.

“Ik wil dit niet,” zeg ik tegen m’n vriendin. “Ik wil terug naar huis, kaasjes eten, films kijken, scrabble spelen.”
“Nee. We gaan naar binnen.”
“Moet je nou kijken,” ik wijs naar de vrouwen die ooit ook meisjes van achtentwintig waren. “Die speuren de kroeg af naar een man.”
“Ja en als je nou niet naar binnen gaat, word jij ook zo.”
Dat was de juiste snaar. Ik wil niet zo zijn. Ik wil altijd in het café staan om te lachen met vrienden. Of om te huilen, dat is soms ook nodig. Maar niet om te wachten.
“Kom, we gaan een baard voor je zoeken.”
Ik doe de pootjes van mijn bril goed achter mijn oren en we gaan naar binnen. Om te zoeken maar niet zoals zij dat doen.

Ik krijg een wodka-7up van de vriendin en zij neemt een wijntje. We kijken en ik heb sjans. Veel. Ik weet niet of ik voor mannen aantrekkelijker ben door mijn bril of dat ik het nu gewoon daadwerkelijk zie als er oogcontact wordt gezocht, maar er is animo. Het doet me weinig. Ik glimlach veel maar naar niemand in het bijzonder.
“Ik ben trots op je,” zegt de vriendin.
“Ja hoor.”
“Ja en nu wordt het beloond. Kijk, een leuke baard voor je,” ze wijst.
“Mwah.”

Normaal vind ik ze leuk. Normaal vind ik jongens met baarden mannen. En dan heb ik het natuurlijk niet over de hipsterbaard. Nee, mijn baarden zijn mooi en stoer tegelijk en drinken donker bier. Ze hebben bruine of groene broeken aan met grote zakken, waar een hamer of tang uit kan komen zodat ze ter plekke alles kunnen repareren. Tafels, lampen, m’n hart. Baarden hebben mooie, grote mannenhanden die beschermen, borsthaar komt boven het t-shirt uit en ze houden van honden. Sommige baarden nemen hun oerman zijn iets te serieus en zijn daardoor een beetje onhygiënisch, maar dat vergeef ik ze, want zelf houd ik ook niet van schoonmaken en bij de baard voel ik me een meisje.

“Echt niet?” de vriendin is verbaasd. “Hij heeft ook nog eens een staart.”
“Niks aan.”
“Wil je nog wat drinken?”

Ik pak mijn drankje aan en bedenk dat de baarden niet beter worden. Ik vraag me af of een vroegtijdig stoppen met het rouwproces zou kunnen resulteren aseksualiteit. Nee. Het moet iets anders zijn. Een slokje wodka loopt door mijn keel en ik kijk nog één keer rond. Maar nu, neem ik me voor, scan ik de ruimte zonder de baarden. Misschien is dat het, moet ik me openstellen voor jongens zonder gezichtsbeharing. De baarden doen niet meer mee. Ik kijk. En zie een jongen die ik eigenlijk heel de tijd al zag, maar niet bekeek. Hij heeft zich twee dagen niet geschoren, maximaal. Een zwarte broek zonder zakken heeft ‘ie aan en aan zijn voeten zitten Nike air max. Hij draagt een zwart truitje zonder uitstekend borsthaar en daarop een Adidas jasje met paarse en roze accenten. Door zijn zwarte bril met hip montuur kijkt hij me aan. Hij trekt zijn mondhoek omhoog, ik doe het terug. En voordat we iets naar elkaar kunnen seinen, stapt zijn vriend in mijn gezichtsveld en begint een gesprek. Onze bebrilde ogen missen elkaar.

Even later staat hij aan de bar.
“20 seconds,” zegt mijn vriendin met een beetje Matt Damon.
“Je hebt gelijk. Misschien is de bril de nieuwe baard.”

Ik loop richting de bar.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds, hoor ik in mijn hoofd.
Ik ga naast hem staan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
De barmevrouw geeft hem zijn drie biertjes aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
Ik kijk hem aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
“Ik vind jou een leuke vent.”
Hij kijkt me aan, trekt een wenkbrauw op en loopt snel langs me heen.

“Goed geprobeerd,” zegt de vriendin als ik met een gebogen hoofd terug loop.
“Ja, goed geprobeerd. Misschien was het toch geen tijd,” ik doe mijn bril af.
“Misschien niet, maar je bent er wel uit geweest,” ze aait over mijn rug. “Zullen we lekker gaan? De zoektocht even opgeven?”
“Ja, ik ben moe.”

Ik trek mijn jas aan en loop richting de deur. De dames van in de dertig zijn ook nog alleen en lopen voor me het café uit. Ik vind het droevig dat ze zo mooi waren voor niks en wil ze bijna een knuffel geven. Maar zij zoeken natuurlijk ook naar een omhelzing van iemand iemand anders. Dan voel ik een kort, zacht tikje, van twee vingers misschien, op mijn schouder. Ik draai me om.
De baardloze, bebrilde man.
“Sorry,” zegt hij zachtjes. “Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, net. Dus zei ik maar niks. Stom. Maar, ja, ik vind jou ook een leuke vrouw.”
Wat leuk! Wil ik zeggen. Wil je mijn nummer? Wil ik zeggen.
“O,” is wat ik daadwerkelijk zeg.
Tja. Matt heeft niet vertelt wat je na die 20 seconds moet doen.

Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.

Doorkijken

Doorkijken

Als je vrijgezel bent, mis je weleens wat.
Je mist het dat iemand lief ‘t haar uit je gezicht aait.
Je mist het dat iemand je hand pakt omdat hij ziet dat je aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat jij iemands hand pakt omdat je ziet dat hij aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat iemand zegt; “ga jij eens even op de bank zitten, je bent moe, ik ga iets voor je koken en ik weet precies wat je wilt”.

Soms mis ik dat ook allemaal niet. Maar soms wel. En soms zeg ik het: ik mis zo een iemand. Ik zei het gisteren. Tegen een vriendin die sinds haar eerste schooldag op de middelbare al met haar vriend is. Ze reageerde met: “Je kunt ‘m overal tegen komen,” toen wreef ze hard doch liefdevol met haar hand over de mijne en zei: “echt.” Meer mensen reageren op een dergelijke wijze. Ik heb het gevoel dat deze luisteraars denken dat ik antidepressiva slik om Het Grote Gemis te onderdrukken, terwijl ik dwangmatig verder zoek naar de vader van mijn kinderen. Even voor de duidelijkheid: dat is niet zo. Maar soms wil ik gewoon zeggen dat ik iemand mis. Soms wil ik ook zeggen dat ik niet begrijp wat de groene paprika in het paprika trio doet. Die vindt niemand lekker.

“Je kunt ‘m tegen komen in de Albert Heijn, je bent gek op vlees, misschien staat ie wel bij de vleeswaren. Of in het park, je houdt toch van mannen met honden, misschien moet jij ook een hond nemen en dat je elkaar dan daar ontmoet. Of misschien toch gewoon in de kroeg. Een kroegtijger past wel bij je.” De vriendin gaat – goed bedoeld – door met het benoemen van potentiële ontmoetingsplekken, terwijl ik bedenk dat ik het zat ben dat mensen potentiële ontmoetingsplekken opsommen. En dan, ineens, denk ik aan Timo. Typles Timo.

“Leg je vingers op het toetsenbord. Neem de basisposities in. Linkerwijsvinger op de F linkermiddelvinger op de d, linkerringvinger op de s en de linkerpink op de a. Tik f, f, r. Nog een keer. F, f, r. En doe dat zes keer.”
Ik was veertien en zat na schooltijd op typles. Niet veel ouders die op Zuid woonden, zagen ’t nut in van het kunnen typen met tien vingers, dus er waren weinig kinderen in het informaticalokaal. De coole kinderen zaten niet op typles. Behalve ik dan natuurlijk. Timo zat een paar stoelen rechts van me. Ik vond hem niet knap of stoer. Hij had een bril. Hij had een bril en die schoof hij een paar keer tijdens het typuur omhoog. Hij keek naar me. Ik keek naar hem. En dan voelde ik iets, iets dat ik niet kon beschrijven. Leuk vond ik ‘m niet. Dat kon niet, want hij was niet knap of stoer. We zaten niet bij dezelfde club, we hadden niet dezelfde stijl, we zaten niet in hetzelfde groepje, hij paste niet bij wat voor een soort jongen ik door de gangen wilde wandelen.

“Misschien moet je op een theatervereniging. Een jongen die aan toneel doet, zou ook goed bij je passen,” zegt de vriendin.
“Nee,” zeg ik ineens vastbesloten, “nee, nee, nee. We moeten ophouden met het waar. Ik moet kijken naar wie. Door het oordeel heen. Ik moet doorkijken.”
De vriendin zegt niks.
“Ik ben het dubbele van veertien, maar bekijk mannen nog steeds alsof ik in de pubertijd zit. Past hij bij mijn vrienden? Reageert hij op een zelfde manier op problemen? Vinden we hetzelfde leuk? Lacht hij ook om dat stomme filmpje van Lau en Tiny?
“Tja,” de vriendin lacht, “waarom doe je dat eigenlijk? Je eindigt toch altijd met iemand waarvan je het nooit zou hebben verwacht. Kijk maar naar mij en m’n vent.”
Ze heeft gelijk. Ik ben verbaasd.

Ik moet beter kijken en me laten verrassen. Misschien loopt er wel een vegetariër rond die geen hond maar een kat heeft, die nooit in de kroeg komt, toneel haat maar toch bij me past. Misschien verdienen de Typeles Timo’s van nu een kans. Openstellen dus. Voor nieuwe zienswijzen, andere reacties en nieuwe grappige internetfilmpjes. Al is dat eng. Om kwetsbaar te zijn, om de controle weg te geven. En dan moet ik ook nog eens hopen dat de Timo’s dat ook bij mij kunnen. Want ik pas niet makkelijk in elk plaatje; bij mij is doorkijken ook geen overbodige luxe.

Het leest als een klus. Maar stel je voor dat het lukt; dat doorkijken werkt. Dan kan ik straks niet soms meer iemand missen. Dan zit er straks ineens iemand in mijn huis die lief het haar uit m’n gezicht aait, die mijn hand pakt als hij ziet dat ik verdrietig ben en die weet dat wanneer ik moe ben… hij een spiegelei voor me moet bakken.

Maar, op één gebied zal ik niet doorkijken. Ik doe geen concessies wat de groene paprika betreft. Die moet hij ook uit het paprika trio willen.

Follow my blog with Bloglovin

De Labbekak

Labbekak

“Wat is die vent toch een vreselijke labbekak,” zegt mijn vader over een man die de sportkantine uitloopt. Ik ben zestien en hoor voor het eerst van mijn leven het woord labbekak. Ik vind het een fantastisch woord. Al weet ik niet wat het betekent.
“Waarom is die vent een labbekak?” vraag ik.
Heeft het iets te maken met z’n vieze haar, heeft de man net een slechte wedstrijd gespeeld of heeft ‘ie zweetvoeten?
“Moet je kijken,” zegt mijn vader met opgetrokken neus. Ik kijk en zie hoe de man openlijk flirt met andere vrouwen dan de zijne. Zijn hand streelt langzaam ruggen, zijn vingers halzen en zijn ogen fonkelen. Speels, maar beslist.

Een maand later zijn ze uit elkaar; zijn vrouw heeft de knoop doorgehakt. De relatie bleek al jaren in vervallen staat te verkeren en het geflirt forceerde het einde waar de man zelf niet voor durfde te zorgen. Gatsie, wat laf.
Ziehier, dit is de labbekak.

De jaren hierna, evolueerde de labbekak. Met de komst van de mobiele telefoon, had ‘ie ineens talloze, nieuwe labbekakkerige opties om een einde aan een relatie te maken. Toen ik zelf iets in de liefde ging doen, vanaf mijn 20e ongeveer, kwam ik deze nieuwe labbekak in het wild tegen. Veelvuldig. Een labbekakken top vier is op zijn plaats.

Op nummer 4. De jongen die me na een maand daten, het volgende whatsappte.
“Ik vind je echt heel leuk. Maar het was natuurlijk net uit met mijn vriendin, dat wisten we en je bent gewoon te leuk voor de rebound. Ik wil je niet als rebound. Ik wil ermee stoppen.”
Tja. Wat doe je daaraan? Niks. Je gelooft het, je zegt dat je het snapt en je huilt een beetje. Je kiest ervoor om het als compliment te zien. Tot je erachter komt dat hij drie maanden later weer aan de vriendin is. Goh. Leuk. En dan denk je: heeft er iemand een rebound voor mij?

Op nummer 3. Een jongen waar ik in december een paar dates mee had, maar die niks van zich liet horen de week rondom 31 december. Op 2 januari kreeg ik een sms.
“Sorry dat ik niks van me heb laten horen. Stom. Ik zweer je dat je op de lijst stond van mensen die ik met Oud en Nieuw een berichtje wilde sturen.”
Au. Ik had er toen al mee moeten stoppen. Maar dat deed ik niet en daarom staat hij nog een keer in de lijst.

Op nummer 2. De jongen van nummer 3.
Weer een sms. “Ik weet dat ik je nu al een paar dagen niks heb gestuurd en dat wil ik goed maken door het uit te leggen. Ik vind je echt een leuke meid en vind het gezellig om bier met je te drinken, maar ik heb niet de behoefte om daarna met je te zoenen (enzo). Dus wat denk je, gewoon een biertje als vrienden de volgende keer?”
Een simpele “ik vind je leuk, maar mis de vonk”, had genoeg geweest. Vooral door de ‘(enzo)’ ben ik door de grond gegaan.

Op nummer 1. Na twee maanden lief bij elkaar logeren, werd ik gebeld.
“Ik denk dat we gewoon niet bij elkaar passen. We moeten er een punt achter zetten.”
– “Maar… ik ben morgen jarig.”
“Shit. O ja, eh… dan heb ik niks gezegd.”

De labbekak. Meestal is het een man, soms is het een vrouw. Soms word je zelf een labbekak. Niet zo lang geleden, had ik een paar afspraakjes met een lieve jongen die Spa rood dronk. Hij was ook nog eens leuk en grappig, maar ik voelde ‘het’ niet. Hij zag ons al met grijs haar en de kleinkinderen op schoot aan bubbelwater zitten, dat voelde ik gewoon. Maar ik voelde het niet en kon het niet vertellen, wilde zijn hart niet breken. Dus ik smste niet terug toen hij me een bericht stuurde. Ik belde niet terug toen hij belde. Laf was het. Op een gegeven moment gaf hij het op. Dat is nu vier maanden geleden. Toen ik afgelopen vrijdagnacht aangeschoten door de stad liep, kwam ik hem tegen. Hij liep over de stoep mijn richting op, ik wist niet wat te doen en ongemak maakte zich van mij meester. Door het ongemak deed ik iets debiels. Ik deed mijn ogen dicht en liep zeker tien meter zo door, om oogcontact te vermijden. Toen ik mijn ogen open deed, was hij weg.

En dan ben je ineens niets beter dan de man met vies haar bij de sportkantine of dan de jongens van hierboven. Ik ben de ultieme labbekak en haal mijn neus op voor mezelf. Sorry, echt sorry, lieve jongen; als ik je de volgende keer zie, trakteer ik je op een groot excuus met Spa rood. En jongens 4, 3/2 en 1, ik begrijp jullie nu ook. Ongemak is a bitch. Slecht nieuws brengen wil niemand. Dus ik vergeef het jullie. Voor nu. Omdat ik mezelf wil vergeven. Maar labbekakkerig gedrag moet niet kunnen. Ik stop er nu mee. Ik beloof het. Beloven jullie het ook?

Moorkopwoensdag

Moorkopwoensdag

Appelkruimeltaarten, slagroomschnitts, mokkagebakjes en bananensoezen worden geroutineerd in witte doosjes gestopt en door vele handen aangepakt. In de groep mensen die zich voor de toonbank van de bakker heeft verzameld, is geen rij te ontdekken. Er staat een mevrouw van in de veertig met een vrolijke bloemenbroek, een meisje van veertien met donkerblond, vet haar, een man van in de zestig waarvan je weet dat hij een katoenen zakdoek vol snot in zijn broekzak heeft zitten; iedereen heeft deze woensdag trek in iets bij de koffie. Een mevrouw met kleine, witte krullen schuift langzaam maar vastbesloten naar voren. Op haar zwarte, platte schoenen met dikke enkels erboven, stiefelt ze mensen voorbij die eerder dan zij recht hebben op een moorkop. Want daar komt ze voor, de moorkop, zoals elke woensdag. De jongere mensen die ze voorbij gaat, kijken haar aan en denken wat we allemaal denken als we een bejaarde zien die haast lijkt te hebben. De mevrouw doet of ze gek is en duwt door. Alsof het haar voorrecht is om de wachtenden voorbij te gaan.

Wanneer ze bijna bij de toonbank is, staat ze stil van de aanblik van een jonge, frisse vrouw. Of is het een meisje? Ze is net geen dertig of pas geworden. Het is een plaatje. Zo eentje waar de mannen naar omkijken: een vrouw met blonde krullen en stevige billen. Vroeger had de mevrouw ook zulke krullen. Ze kijkt naar het uitgesneden, zwarte truitje van de meisjesvrouw, waardoor de zachte huid van haar borst is te zien. Onder haar dikke bril knijpen de ogen van de mevrouw zich samen, ze denkt aan haar eigen borsten. Hoe die vroeger net zo mooi waren, of mooier nog, sjonge, wat had ze daar een sjans mee. Menig man vertelde ze in haar tijd dat haar hoofd boven op haar nek zat en niet eronder hing. Zelfs de man die haar echtgenoot zou worden, gaf ze bij hun eerste ontmoeting een standje. Maar hij vond niet alleen haar borsten mooi, hij vond haar prachtig, helemaal.

Aan die borsten zette ze haar zoontje en later haar dochter, terwijl ze tuurde in opvoedboeken van dokter Spock. Later wachtte ze hen op met een kaakje bij de thee als ze uit school kwamen, samen luisterden ze naar hoorspelen van Saskia en Jeroen. Toen de kinderen de vierde klas waren gepasseerd, zocht ze een baan. Dat lukte. Ze werd geliefd en gewaardeerd. En niet alleen op haar werk. Ze was alom geliefd: als moeder, als werknemer en als geliefde. Ze kon alles tegelijk. Ze deed alles tegelijk.

Langzaam werden de kinderen ouder. Terwijl ze samen kaneelblokken aten, vertelde ze haar dochter dat ze niet moest schrikken als ze bloed in haar onderbroek zou vinden en dat ze samen binnenkort een bh zouden uitzoeken. Haar jongen vertelt ze over het vleien van meisjes en dat borsten bovenaan de nek zitten en niet eronder. Tijdens vakanties aan zee leerden haar man en zij de kinderen dat lief zijn, je best doen en moorkoppen op woensdag bij de koffie belangrijk waren. Het koffie inschenken op woensdagavond was de taak van haar echtgenoot. Dat heeft hij altijd gedaan.

Het leven was genieten. Maar op een dag zag ze het, in één keer zag ze het. Haar haren werden grijzer, haar borsten werden slapper, en zij, zij werd minder zichtbaar. Mannen keken haar niet meer aan, keken zelfs niet naar haar borsten. Kinderen hadden geen advies meer nodig en op haar baan mocht ze alleen datgene doen waarvan ze zeker wisten dat een vrouw van haar leeftijd dat zou kunnen. Ook als je in de overgang zou zitten. Haar man bleef hetzelfde, het maakte hem niet uit hoeveel ouder ze werd, dat ze dingen vergat, dat ze uitzakte, dat mensen langs haar heen keken. Hij wist wie ze was en wie ze was geweest. Bovendien hadden ze altijd de woensdagavondkoffie met een moorkop.

De meisjesvrouw met billen en borsten als de hare kijken naar haar. Ze denkt wat we allemaal denken als we een bejaarde zien voordringen. Met haar ellebogen verspert ze de weg, maar de mevrouw duwt nu stevig door en bestelt zoals altijd twee moorkoppen, één voor haarzelf en eentje voor haar man, die er niet meer is, maar dat wil ze niet uitleggen aan de bakker. De meisjesvrouw kijkt boos naar het gebak dat in een wit doosje wordt gedaan: ze was eerder aan de beurt. Ze zegt er wat van en leeft op van het gevoel dat ze niet met zich heeft laten sollen. Het gebeurd haar immers vaker. De mevrouw kijkt haar aan, glimlacht omdat ze haarzelf ziet praten. De meisjesvrouw ziet niets. Ze ziet niet dat deze mevrouw ooit, net als zij nu, een toekomst had. Dat de mevrouw toen ze haar leeftijd had, nooit had gedacht dat ze met dikke enkels, voordringend, twee moorkoppen zou bestellen. En ze ziet ook niet dat zij hier ook ooit zal staan, met dikke enkels, twee moorkoppen bestellend.