De moed om lief te zijn

Het is een goede dag als ik met mijn taalnazi de trein in stap. Niet eens omdat we samen naar het van Gogh museum zijn geweest of omdat we fantastische pizza hebben gegeten. Het is een goede dag omdat ik mezelf aan het aanleren ben om structureel naar vreemden te glimlachen. En dan niet op de creepy manier. Nee, het zit anders. Ik merk dat ik op straat, in de supermarkt, tijdens de hond uitlaten veel oogcontact maak met vreemden. Per ongeluk. Mijn natuurlijke reactie – of wat is natuurlijk; mijn aangeleerde reactie – is om weg te kijken of om mijn ogen neer te slaan. Sinds een paar weken probeer ik te glimlachen als ik de ogen van een vreemde ontmoet. De reacties zijn meestal positief. Er wordt altijd terug gelachen, al vermoed ik dat sommigen zich er ook bijzonder vreemd bij voelen. Alsof ik hem of haar aan het versieren ben. Maar dat is het niet. Het is simpelweg een erkenning van dat wij hier samen leven op deze aardkloot. Het klinkt een beetje zweverig, maar het is een fijne manier om te zijn in een supermarkt. Of in de trein dus.

Het is druk als we in Amsterdam op de trein naar huis stappen. We staan in een halletje waar maar twee zitplekken zijn. Daar zitten twee gesluierde vrouwen op, ze praten zachtjes met elkaar. De rest van de mensen staat. Een student. Wij. Een jong, verliefd stelletje, en een Engelse man met een vrouw en een baby in de kinderwagen en een zoontje van een jaar of drie. De baby huilt, mama probeert het kindje te sussen, terwijl papa het jongetje van drie afleidt met een spelletje. De baby stopt niet met huilen. De mama kijkt op en ik glimlach naar haar. Ze glimlacht terug.
‘What you gonna do?’ zegt ze.
‘Nothing,’ zeg ik. ‘It’s nature.’
‘Maybe this will help.’
Ze rijdt haar kinderwagen hele kleine stukjes heen en weer, zodat de baby wat rustiger wordt.  Het lukt. Ik zoek de ogen van mijn taalnazi want hoe klein dit momentje ook is, ik vind het een lieve.

Op Schiphol stappen er meer mensen in, ze verdwijnen in de coupés of minder drukke halletjes even verderop. Een paar minuten later komt er vanuit de coupé links beneden een bejaard echtpaar naar boven. Ze blijven staan op het trappetje, hijgen uit, de vrouw moppert, de man staart. Er is geen plek.
‘Nergens is er plek,’ zegt het omaatje, half tegen mij, half tegen hem. Meer tegen mij denk ik. Ik loer de coupé in waar het stel vandaan komt. Deze zit vol met jonge mensen. Vier jongens die net wel of net niet van de middelbare school af zijn. Twee meiden van in de twintig met oordopjes in die kijken op hun telefoon. Eentje met zwart haar, eentje met blond haar. Vier mensen van in de veertig. En nog een paar mensen, maar iedereen is jonger dan dit opaatje en omaatje. En het opaatje moet echt zitten. Dat ziet een blind paard zelfs. Ik glimlach naar de oudere dame, maar daar heeft ze niks aan. Ik moet de coupé in, vragen of iemand op wil staan. Lief, of dwingend, het maakt niet uit. Iemand moet opstaan. Maar ik vraag geen reet. Ik loop passief agressief naar binnen, doe alsof ik kijk of er nog een plekje is en roep naar het gangetje: ‘Nee, er is geen plek.’ In de hoop dat iemand me ziet, dat iemand hen ziet. Maar niemand staat op. Nog passief agressiever loop ik terug naar het halletje. Ik loop naar de coupé erboven. Daar zijn nog twee lege plekken. Opgelucht breng ik de opa en oma er naartoe. ‘Verschrikkelijk hoor, dat niemand voor jullie opstond,’ zeg ik voor ik weg ga. De oma knikt instemmend.

Terug bij mijn taalnazi sta ik te trillen op mijn benen. Mijn zweverige ‘we leven samen op deze aardkloot’ instelling hebben ze daar in die coupé flink naar de knoppen geholpen.
‘Waarom zei ik niks?’ vraag ik me hardop af. ‘Waarom ging ik niet gewoon naar binnen en vroeg ik ‘Hé lieve mensen, er staan daar een opa en een oma en die moeten echt zitten man, is er iemand die voor hen wil staan?’ Jezus. Wat ben ik nou voor iemand?’
‘Waarom zei je dan niks?’ vraagt de taalnazi.
‘Waarom zij jíj niks?’ bijt ik hem toe.
‘Ik ben woedend,’ zegt hij. ‘Ik had een van die gastjes een klap voor z’n bakkes verkocht. Ik ben niet vriendelijk genoeg. Daar waren we niet vrolijk van geworden.’
‘Ik ben geloof ik laf,’ zeg ik. ‘Ik durfde het niet. Niet echt. Ik was bang dat ik een grote bek zou krijgen, bang dat ze me gewoon zouden laten lullen,’ zeg ik. ‘En nu ben ik ook nog woedend: op die debielen die bleven zitten in de coupé en op mezelf.’

Ondertussen naderen we station Leiden en het meisje van in de twintig met zwart haar en oordopjes in komt voor de deur staan. Ze doet de oordopjes in haar tas. Dat is mijn teken. ‘Wat een fucking asociale mensen man, in die coupé,’ zeg ik keihard tegen de taalnazi, maar heel dicht bij haar oor. ‘Ze moesten hun ogen uit de kop schamen dat ze niet opstonden voor dat bejaarde stelletje.’ Het meisje kijkt me aan, ik hoop dat ze weet dat deze opmerking voor haar bedoeld is en ik glimlach. Een gemene deze keer. Het meisje vertrekt geen spier en stapt uit. Mijn venijn heeft niks geholpen.

Natuurlijk helpt het niet; woede en passieve agressiviteit zijn altijd contraproductief. Het enige wat helpt, is lief zijn, dat weet ik. En ik baal omdat ik vandaag niet de moed had om lief te zijn. Op mijn meditatiekussen kan ik van mijn wereld een zachtere plek maken. Dat is makkelijk, in mijn uppie, in de rust. Maar het werk moet elders worden gedaan. Het wordt gedaan door in een supermarkt te glimlachen naar een vreemde die eruitziet alsof ze net een kutdag heeft. Door iets liefs te zeggen tegen je moeder, op het moment dat je normaal ruzie zou maken. Door te knipogen naar de bakker als hij niet weet wat hij aan moet met die bejaarde die niet op zijn beurt wacht. Vandaag had ik de wereld een heel klein beetje zachter kunnen maken door op een vriendelijke, open manier iemand aan te spreken om op te staan voor een opa.

Ik kijk sip voor me uit.
‘Je kan niet alles tegelijk,’ zegt de taalnazi. ‘Je hebt toch een plekje voor ze gevonden?’
Het baby’tje begint weer te huilen.
‘There, there,’ zegt mama.
‘Maybe he needs a change,’ zegt papa.
Ik kijk om me heen en besluit lief te zijn, ik ga deze mensen een plek geven om de baby te verschonen, al is het ’t laatste wat ik doe. Maar het hoeft niet. Een van de gesluierde vrouwen die op het enige zitplekje in het halletje zit, staat op, zonder dat haar iets gevraagd is. Ze pakt de andere vrouw bij de hand om plaats te maken voor de verschoning van de baby.
‘Are you sure?’ zegt papa.
De vrouw knikt vastberaden en komt bij ons in het halletje staan.
Ik vind haar ogen. En ik glimlach.

De wandelende koortslip

AAAAAAAAAAAAAAAAAH. Ik schrijf het gewoon nog een keer op. Het moet. AAAAAAAAAAAAAAAAAH. De schurft is terug. Mijn onderlip ziet eruit alsof het de oorlog heeft verloren en rode, jeukende plekken nemen bezit van mijn handen en armen. Ik dacht dat ik je voorgoed had verslagen schurft, met mijn mindfulness en mijn meditatie, ik dacht ik zen was en kalm maar fuck you, je bent er weer. Je bent genadeloos.

Als je niet meer weet hoe het zat met die schurft, lees dan even dit verhaal en deze en ook deze. Of de samenvatting: Twee jaar geleden had ik pokkeveel werk, heel veel stress en zat onder de blaren, bulten en korsten. Het duurde een aantal weken, eerst dacht men dat het schurft was, maar na bloed- urine en huidonderzoek bleek dat niet het geval. Uiteindelijk concludeerden ze dat het een soort herpes virus was, verspreid over mijn hele lijf. Of dat zou kunnen, vroegen ze. Ja, dat zou zeker kunnen, want elke keer als ik stress heb, krijg ik een koortslip. Toen had ik megaveel stress en voelde het eigenlijk heel logisch dat ik één grote wandelende koortslip was.

En nu is de schurft terug. Ik heb teveel stress dus komt hij terug. Bijna moest ik huilen toen ik de bulten voelde opkomen. Ik was teleurgesteld omdat ik beter voor mezelf had moeten zorgen. Dat kon ik toch? Dat deed ik toch? Ik heb toch een mindfulnesstraining gedaan? Ik mediteer me toch helemaal de pest? Ik weet toch inmiddels wel hoe ik bij mezelf moet blijven? Ik had eerder ‘stop rot op’ moeten zeggen tegen opdrachtgevers, ik had na vijven mijn telefoon uit moeten zetten, ik had niet op mijn vrije dagen toch moeten werken, ik had meer moeten wandelen met Floortje in het park, ik had meer met de taalnazi lekker uit ontbijten moeten gaan, ik had meer tijd voor schrijven moeten nemen, meer soep moeten maken en koekjes moeten bakken. Want dat is hoe ik mijn leven wil. Dat weet ik… Toch?

Maar in de maalstroom van andermans leven en andermans verlangen, word ik meegezogen. Regelmatig vergeet ik even wat ik heb geleerd bij mindfulness. Het hier en nu lijkt soms iets totaal onbelangrijks, als ik mijn werk maar afmaak, als andere mensen maar tevreden over me zijn, als ik maar de goedkeuring krijg. En dan verlies ik mezelf. In die maalstroom van het leven ga ik gigantisch op mijn muil. Het is niet de schuld van andere mensen, want het is aan mij om mijn telefoon uit te zetten, om niet te werken op vrije dagen, om ‘stop rot op’ te zeggen, om voor mezelf te kiezen. En ik doe het niet. Niet genoeg. En nu ben ik te laat, weer te laat, want ik ben veranderd in een wandelende koortslip. Het is alsof mijn lijf zegt: ‘Luister je niet? Weer niet? Dan moet je maar voelen en wel nu. Hier heb je wat ranzige herpes… Daaaaag meisje.’

Ik bijt van frustratie op mijn lip. Dat is pijnlijk met die wondjes. Als ik nou eens probeer om niet teleurgesteld te zijn om alles wat ik had moeten doen, maar echt voel wat ik nu wil. Wat ik nu wil doen. Ik wil douchen. Daar haal ik mijn mindfulness terug, ik voel het water op mijn lijf en word ik rustiger. De herpes klopt op mijn lip, maar ik word rustiger. Ik vestig mijn aandacht op mijn ademhaling en ik word rustiger.

Als ik me afdroog en in de spiegel kijk, moet ik lachen. De korsten op mijn lip lachen mee. Wanneer ga ik nou eens lief zijn voor mij? Hoe vaak moet ik herpes krijgen om bij mezelf te blijven? Heel vaak, denk ik. Het is een les die ik waarschijnlijk mijn hele leven zal moeten leren. Waarschijnlijk zit ik als een oud, gerimpeld vrouwtje in mijn leunstoel, te staren naar kleine herpesvlekjes op mijn handen omdat ik mijn kinderen, mijn honden en mijn fretten teveel tevreden heb proberen te houden. Ook dan zal ik diep adem halen, balen dat ik weer niet voldoende voor mezelf heb gezorgd en me voornemen om dat weer wel te doen. Ik zal beginnen met het aandachtig eten van een advocaatje met slagroom in de tuin.

Ik kleed me aan; een joggingbroek en een t-shirt want ik weet het weer: ik mag voor mezelf zorgen. En dat doe ik. Ik loop naar de Kijkshop en koop daar de eerste de beste prepaid oude Nokia met simkaart die ik zie. Zonder internet, zonder applicaties en alleen mijn vader, mijn zus, mijn moeder en mijn taalnazi krijgen het nieuwe nummer. Als ik thuis ben, zet ik mijn smartphone uit en ik voel een immense opluchting. De wonden op mijn lip springen er van blijdschap bijna af en zelf overweeg ik om met een brandend wierookstokje in mijn hand door de kamer te dansen. Misschien is dat een idee voor later. Nu moet ik rust. Ik pak een boek en ga naar mijn slaapkamer. Als ik langs de spiegel loop, knipoog ik naar de schurft. Je hebt me deze keer weer te pakken, man: ik ben een wandelende koortslip, maar wel een koortslip die vandaag voor zichzelf zorgt.
Ik rock ‘m vandaag in bed.

Het haar van de taalnazi

 

Er was eens een taalnazi*. De mijne. Een grote, mooie, sterke man met een baard, en haar op zijn borst. Groene ogen, een rechte neus, en het mooiste was misschien wel zijn haar. Donkerblond haar, in de schemer was het donker en in de zon bijna blond. Kort, nonchalant, wild, met een slag. Hij hoefde zijn haren nooit te kammen, het viel zoals het viel en het was prachtig. Het was een prachtige taalnazi. De mooiste die ik ooit had gezien.

En toen kwam er een olifant met een hele grote snuit en die blies zo het sprookje uit. Want de taalnazi besloot om zijn haar te laten groeien.
‘Als het lang is, ga ik het heel goed verzorgen.’ Hij aaide zijn haar. We zaten op de bank. ‘En het krult straks ook heel mooi,’ glunderde hij.
‘Maar, schat,’ zei ik twijfelachtig. ‘Ik denk niet dat het nog gaat. Lang haar. Dat het nog mooi is.’ Subtiel probeerde ik hem te wijzen op zijn terugtrekkende haargrens.
‘Jawel, het is wel mooi.’ Hij aaide zijn haar zoals ik nog nooit een man zijn haar had zien aaien. Horrorscenario’s van strakke paardenstaarten en inhammen tot aan zijn achterhoofd doemden op in mijn hoofd. Ik nam een slok wijn en spoelde zo de griezelfoto’s weg. Hij mag dit zelf weten. Ik hou van hem, ik wil leven zonder oordeel. Hij mag dit. Hij mag levensgrote inhammen hebben en erbij lopen als een zwerver. OMG. Nog een slok. Zonder oordeel. Hij mag dit.

Het haar groeide en groeide. Het kwam op zo’n rot lengte waar allerlei vrouwen die hun haar kort hebben geknipt ook doorheen moeten als ze het weer lang willen. Ik had steeds meer moeite om mijn reserveringen weg te stoppen.
‘Wat vind je er zelf van?’ vroeg ik.
‘Ik vind het mooi,’ antwoordde hij.
Hij vroeg niet wat ik vond. Waarschijnlijk omdat mijn gezicht KNIP HET AF! gilde.
‘Ik laat het lang groeien en als het lang is en je vindt het niet mooi, dan knip ik het af.’
‘Dat is goed,’ zei ik.
Het is een eigenwijze man. Ik hou van hem omdat hij zelfs in december op slippers loopt, omdat hij er schijt aan heeft dat zijn lievelingsbroek vol gaten zit, omdat hij mij leert dat ik schijt moet hebben en van mezelf moet houden.

Maar ik houd niet van lang haar en ik kon het steeds moeilijker verbergen. Mijn prachtige taalnazi verloor aan glans, er kwam iets dakloosachtigs over hem heen. Vrienden en familie vielen me bij.
‘Gast, je wordt ook ouder. Die inhammen, man,’ zei zijn beste vriend.
‘Je bent echt knapper met kort haar,’ zei mijn zus.
‘Och jongen, ga toch naar de kapper,’ zei zijn moeder.
‘Heb je een midlife crisis?’, vroeg mijn moeder.
De taalnazi hoorde het aan, keek het aan, aaide zijn haar weer en verzonk in een wereld waarin zijn manen dansen in de wind en glanzen in de zon.

Ik deed mijn ogen dicht en mediteerde. Hij mag zijn wie hij is. Hij mag dit haar houden. Ik deed mijn ogen open en wilde gillen dat hij het af moest knippen. Ik deed mijn ogen dicht en wilde hem accepteren, wie hij ook zou worden. Ik deed mijn ogen open en dacht: o mijn god, straks wil ik nooit meer met hem naar bed. Kan ik nog met hem naar bed als hij een paardenstaart heeft en eruitzien alsof hij met drie halve literblikken bier in het park heeft overnacht?

Ik besloot een milde aanpak en pakte mijn telefoon. Ik liet hem een foto zien van hem op onze vakantie op Texel. Hij staat in de duinen, heeft zijn lichte spijkerbroek aan, een zwarte jas daarboven. Hij heeft een zonnebril op, zijn haar is mooi en kort en verwaaid en hij staart de verte in, alsof hij James Dean is.
‘Hier ben je supergeil. En de mooiste. De mooiste die er is.’
‘Met lang haar, ben ik nog mooier.’
Ik verbeet me, maar het lukte niet. ‘Ik wil dat je het afknipt.’
‘Wat?’
‘Ik meen het. Ik kan er niet tegen. Ik vind het niet mooi. Straks wil ik niet meer met je naar bed. Jij wil toch ook niet dat ik mijn haar af knip?’ Ik ratelde. ‘Vind je mij dan nog mooi?’ gilde ik.
‘Doe eens normaal,’ zei hij zachtjes. Hij aaide zijn haar. Zelfs zijn fret aait hij niet op deze manier.
Ik stak mijn telefoon hysterisch in de lucht – of liever gezegd in zijn gezicht – en riep: ‘Ik wil mijn taalnazi terug! Terug!’ Het huilen stond me naderbij dan het lachen. ‘Waarom knip je het nou niet af, voor mij? Ik zou het ook voor jou doen.’
‘Echt,’ zei hij streng. ‘Doe. Normaal.’

Hij had gelijk. Het was niet normaal en ik voelde me een verschrikkelijk dom, vervelend, onaangenaam mens die eigenlijk niet eens meer een kusje van de taalnazi verdiende. Ik zei dat ik erover zou zwijgen. Een week later zat ik er toch weer over te zeuren. Ik wilde dat hij het zou knippen, voor mij. Dat hij het belangrijk vond wat ik vind. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij bij zichzelf zou blijven. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij het zou knippen, voor mij. Maar ik vond het ook belangrijk…

Zaterdag was ik bij mijn moeder. Ik kreeg een appje kreeg met een foto. De taalnazi had een selfie gemaakt. Hij had kort haar en stak zijn middelvinger naar me op. Erbij stond: ‘Ik ben heel boos, maar dit is mijn beslissing. Je moet weten dat ik aan de hele wereld schijt heb, maar het minst aan jou. Ik hou van je. En deze woede… dat is niks dat een paar blote billen van jou niet kan verhelpen.’

*de taalnazi is de bijnaam die mijn vriend heeft verdiend door op een ontzettend strenge wijze mijn teksten te controleren.

De Kutdagen

img_3720

Dat ik iemands vriendin ben, vind ik nog steeds raar. Het is al best een tijdje zo, maar er zijn nog altijd momenten dat ik eraan moet wennen. Nog steeds kan ik me beter identificeren met de vriendin die in haar zoektocht naar een geschikte vent verschrikkelijke en hilarische dates heeft, dan met stellen die om de week een datenight inplannen.

Ik moest uitvinden hoe een relatie werkt, dat moest ik leren. Als je 30 jaar vrijgezel bent geweest, is dat nogal moeilijk. Het lastigste vind ik de kutdagen. Op vrolijke dagen is een relatie makkelijk, de gezamenlijke bubbel is fantastisch. Ik wist niet dat iemand mij zo gelukkig kon maken, zittend op de bank, ruikend aan zijn baard, thee slurpend, rug aaiend. Er is dan geen meditatie nodig om in het hier en nu te blijven. Ik ben er, hij is er en ik hou van onze bubbel.

Jaja, terug naar die kutdagen (want gelukkige mensen vind ik ook nog steeds om te kotsen). Die kutdagen zijn er. Als ik verdrietig ben omdat ik ruzie met mijn moeder heb gehad, of omdat ik moet janken omdat ik mega ongesteld ben of gewoon, zomaar omdat ik een dal in mijn dag heb. Toen ik nog vrijgezel was, zette ik op dat soort dagen een grote kan thee, pakte een dekentje, ging op de bank liggen en keek Pretty Little Liars.  Nu is dat anders, nu is een dal in mijn dag confronterend. Ik merk het meteen als ik thuis kom na een lange, vermoeiende rotdag.

‘Hoi schatje!’ roept de taalnazi vanuit de studeerkamer. Altijd maar dat ‘geschatje’.
‘Hoi.’ Zonder een kus loop ik naar de meditatiekamer. ‘Ik moet mediteren.’
‘Oké!’
Gejaagd steek ik mijn kaarsjes aan. En die pokke wierook moet ook. Ik ga zitten op mijn kussen, trek een kleedje over me heen en ervaar het gehele half uur geen zachtheid of ontspanning. Het enige pluspuntje is dat ik ben blijven zitten.

Ik sta op en ben boos. Op mezelf, op mijn moeder, op hem omdat hij geen klote opruimt of schoonmaakt. Zou hij vandaag wel wat hebben gedaan? Nee zeker. Nee, zij doet het wel. Ik laat het voor haar wel liggen. Ik ga wel lekker in mijn studeerkamer zitten. Sjonge. Ik loop naar de woonkamer, langs de studeerkamer zonder naar hem te kijken.

Tot mijn teleurstelling is de woonkamer niet heel vies. Hij heeft gestofzuigd. Maar de kussens liggen niet recht en er staat een fles ijsthee op de grond en de chipszak van gisteren ligt nog op de salontafel. Hij weet dat ik het opgeruimd wil. Is het nou zo moeilijk om even op te ruimen? Ik heb een drukke dag gehad. Het moet opgeruimd zijn.

De keuken is goor. Echt heel goor. Dit moet gepoetst. Ik ga hem laten zien dat ik poets (en hij niet!). Ik maak een sopje en haal alle spullen uit de koelkast. De hele keukentafel staat vol. De glazen planken haal ik er ook uit. Ik sop en boen. Daarna schrob ik het gasstel. Daarna de keukenkastjes. Ook zo vies. Behalve die ene die hij pas heeft schoongemaakt en opnieuw ingericht. Eentje maar verdomme. Als ik de honing uit het kastje probeer te krabben, hoor ik iets achter me. Als ik me omdraai, staat de taalnazi in de deuropening.
‘Kan ik wat doen?’ vraagt hij zachtjes.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Kijk hoe vies dit is.’ Ik wijs naar, nou ja, de hele keuken.
‘Zal ik het schoonmaken?’
‘Nee. Ik doe het wel weer.’

Ik zie angst in zijn ogen. Toch waagt hij het om binnen te komen. Inmiddels weet hij dat hij me nu niet moet vastpakken of kroelen of aaien. Hij grijpt met zijn hand in het gootsteenkastje. Hij weet volgens mij niet wat hij pakt maar loopt met zijn staart tussen zijn benen (en de allesreiniger) de keuken uit. Ik ga zitten op de stoel en hoor hem lopen. Met zijn allesreiniger. Ik laat het even gaan, laat mezelf denken. En dan roep ik hem (ik weet dat ik eigenlijk naar hem toe moet lopen maar dat kan nog niet).
‘Ik ben aan het schoonmaken, schatje,’ zegt hij zacht.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Ehm.’
‘Omdat je bang voor me bent he?’
‘Eh, ja, doodsbang.’
‘Dat is eigenlijk niet goed of fijn ofzo,’ zeg ik. ‘Kom je zitten?’
Hij gaat zitten. We zwijgen. Ik heb een dal in mijn dag en hij is er. Ik zou dankbaar moeten zijn, in zijn baard vliegen, huilen op zijn borst, me laten zeggen dat het goed komt, me laven aan zijn slechte grappen, maar ik kan het niet. Niet nu, nu niet meteen.

Het is de kutste dag van het jaar (oké, van de maand, oké van de week) en ik wil het alleen doen. Nee. Ik ben gewend om het alleen te doen. Dat is ook wat ik tegen hem zeg.
‘Ik weet niet goed hoe het moet, verdrietig zijn bij een ander.’
‘Dat maakt niet uit he.’ Als ik me open stel, heeft hij iets om mee te werken, zijn kalmte is terug. ‘Ik geef je alle tijd. Je doet hoe je het doet.’
‘Ik heb het nooit gedaan,’ zeg ik. ‘Ik ben dat niet gewend.’
‘We hebben de tijd,’ herhaalt hij.
‘Je bent een spiegel.’ Ik stomp hem op zijn knie. ‘Je bent een kutspiegel ook nog. Vroeger ging ik gewoon op de bank liggen met een deken en dan merkte ik niet eens dat ik een kutdag had.’
‘Dan: ga op de bank liggen met een dekentje.’
‘En Pretty Little Liars kijken?’ vraag ik.
‘Ik weet niet wat dat is, maar ga lekker Pretty Little Liars kijken. En dan breng ik je een kopje thee en dan ga ik weer in mijn studeerkamer zitten.’
‘Is dat niet raar?’
‘Een beetje wel maar jij bent raar en ik ben raar, dus is het goed.’
Ik trek hem omhoog en knuffel hem. Heel even. ‘En nou oprotten,’ zeg ik.
‘Ja jij!’ Hij steekt zijn middelvinger op, geeft me een duwtje richting de woonkamer en zet de televisie aan.
En weer ben ik een klein beetje meer gewend. Ik ben iemands vriendin.

Met een hele schone koelkast.

Ik wil niet mee met deze maatschappij

Ik wil niet mee met deze maatschappij
Steeds vaker vraag ik me af: zijn zij nou gek of ik?

Toen ik net uit India kwam, scheen de zon. Ik stond vroeg op zonder wekker, deed het raam in de keuken open en stak mijn ochtendkop naar buiten; ik snoof de bomen, de stad, de Rotte op en zette rustig koffie. Ik ontbeet met vers fruit en daarna ging ik mediteren. Ik las boeken als Mindfulness en zelfcompassie of Naar huis: de Boeddhistische levenskunst, ik schreef met zachte pen, ik kookte soepen, allerlei soepen want soep maken werkt meditatief, en ik deed aan wandelingen langs het water. Ik was rustig. Ontspannen. Mij maakten ze niet gek.

Op een gegeven moment, zo’n 1,5 maand geleden, moest ik weer gaan werken. Het geld was op en opdrachten boden zich in grote getallen aan. Op wat er toen gebeurde, was ik niet voorbereid. Langzaamaan werd ik in de molen gezogen die ‘het leven’ heet. Want dat is hoe mensen reageren als je zegt dat je moeite hebt met de maatschappij waarin we leven. Een maatschappij die drukzijn cultiveert, die stress bijna ziet als een deugd; de maatschappij die je ervaart als je weer werkt. Ik heb moeite met die maatschappij. Echt. Behoorlijk veel moeite. Ik heb moeite met werk-apps die ik ’s avonds of in het weekend ontvang. Ik heb moeite met collega’s die achter hun computer stress-lunchen. Ik heb moeite met paniekerige kantoorkreten over projecten die om dreigen te vallen. Ik heb moeite met opdrachtgevers die zeggen ‘dan werk je toch gewoon wat meer, we betalen je wel, hoor.’

‘Dat is gewoon het leven.’ Een goede vriendin zei het. Ik knikte want het klonk alsof het waar was. Maar is het waar? Zijn we veroordeeld tot dit leven? Zijn we veroordeeld tot drukte, chaos en het onvermogen te ontspannen? Ik dacht voor het eerst: zijn zij nou gek of ik?

Ik weet niet of het door het gesprek met de vriendin kwam, maar ik accepteerde het leven zoals het me werd voorgeschoteld meer en meer. Ik ging weer terug. Ik zeg ‘terug’ want een jaar geleden was ik zelf de collega die stress-lunchte achter haar computer en riep ik ook dat het ‘oorlog’ was als ik een deadline niet haalde. De negatieve, drukke energieën van collega’s, opdrachtgevers en gestreste vriendinnen sprongen op me over als luizen op kinderhoofdjes. Ik beantwoordde mijn mail ’s avonds, ik vergat te mediteren, ik checkte Facebook weer obsessief en vanochtend voelde ik een redelijk dieptepunt toen ik op de wc zat met mijn telefoon in de ene hand geklemd en een bak havermout in de andere. Gelukkig hoefde ik alleen te plassen.

Gatver, dacht ik toen. Ik voel me vervelend. Gejaagd, gehaast en machteloos. Ik wil niet 87 keer per dag op Facebook kijken. Of naar mijn telefoon grijpen, simpelweg omdat hij een geluidje maakt. Ik wil niet weten wat jij doet of hij en ik wil ook niet steeds vertellen wat ik aan het doen ben. Ik wil niet 100 uur per week werken omdat ik dan pas het gevoel heb dat ik genoeg mee doe. Ook wil ik geen foto’s posten van een festival waar ik was en dat mensen die dan liken. Ik wil geen ego dat gestreeld moet worden, geen geweten dat gesust moet worden, geen vriendschap die gefaked moet worden. Ik wil niet mee met deze maatschappij. Ik wil niet terug naar schurft.

Dus ik stond op, legde mijn telefoon weg en at mijn havermout voor het raam op. Gedachten schreeuwden als kleine, stampvoetende kleuters die hun zin niet kregen in mijn hoofd, ik deed mijn best om ze weg te laten vloeien. Toen besloot ik vandaag niet te werken, het is immers zondag. Ik heb mijn balkon vol gezet met potjes mooie bloemen, handen in de aarde. Ik heb geschreven, ik heb gelezen, ik heb heet water met stukjes gember gedronken, ik heb weer op mijn kussen gezeten, ik heb een salade gemaakt die ik morgen niet achter mijn computer ga op eten, maar in de tuin (zie foto!), en ik heb alleen maar geplast of gepoept op de wc vandaag en niks meer. Het mooie van deze dag is: ik ben blij dat ik het deze keer vroeg heb gezien. Het is weer een nieuw begin, zoals ik waarschijnlijk veel vaker opnieuw zal moeten beginnen met bij mezelf blijven. En dat mag, dat is goed, als ik het zie, ben ik blij.

Het antwoord op de vraag ‘zijn zij nou gek of ik?’ is irrelevant geworden. Als zij gek zijn, wil ik normaal doen, als zij normaal zijn, wil ik graag een gekkie zijn. Onmiddellijk rijst er wel een nieuwe vraag: ‘blijf ik functioneren in deze maatschappij of ga ik het anders proberen te doen?’

Er is natuurlijk een grote kans dat ik mezelf tijd moet geven. Waarschijnlijk groeit mijn bewustzijn en kan ik straks ook met zachte ogen naar stresskippen kijken, zonder dat hun luizen op me overspringen. Maar misschien wil ik dat niet meer, misschien wil ik me juist omringen met mensen die ook meer in het leven staan zoals ik. Misschien bloei ik daarvan op; iets meer met de andere gekkies optrekken. Zou dat kunnen? Zou ik daar ook wat centjes mee kunnen verdienen? En wat zou ik dan moeten doen?

Vandaag heb ik geen antwoord op die vragen, misschien morgen, eerst maar eens bij mezelf proberen te blijven, want voor je het weet, verlies ik me in mijn nieuwe (mindful)carrière.

Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Stil zijn

Stil zijn
Mijn reis door India bestond uit twee delen. Het eerste deel lees je hier.
En nu vertel ik over de stilteretraite.

Ik was niet bang om zeven dagen niet te spreken. Ik was bang om zeven dagen niet te luisteren. Ik was bang om bij mezelf te moeten blijven. Dat was wat ik dacht toen ik op vrijdagmiddag op het grasveld stond van het meditatiecentrum waar ik deze week niet af zou kunnen. Tot dit moment had ik eigenlijk niet geloofd dat ik echt aan de stilteretraite zou deelnemen, dat ik echt zeven dagen met mezelf zou zijn, maar ik was er. En ik ging het doen.

Ik was bang dat ik huilend van het ontbijt naar de lunch zou strompelen en mezelf (stilletjes of juist krijsend) in slaap zou grienen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het programma ook echt om te janken was. Om half zes werden we gewekt, om kwart voor zes tot half zeven yoga, om kwart voor zeven tot half acht de eerste zitmeditatie, dan een uur ontbijten (pap, pap en nog eens pap), dan een werkperiode, dan een teaching van de Britse monnik Christopher Titmuss (die alle teachings gaf), daarna drie kwartier loopmeditatie, drie kwartier zitmeditatie, drie kwartier loopmediatie. En dit was allemaal nog voor de lunch! Het programma met meditaties en teachings ging door tot 21.30 uur. Ik mediteerde me dus de pest: in totaal 7,5 uur per dag.

Nu ik dit zo opschrijf, leest het verschrikkelijk. Maar, dat was het niet. Natuurlijk heb ik me rot gevoeld, natuurlijk heb ik stiekem met het thuisfront ge-sms’t al was dat niet de bedoeling, natuurlijk heb ik op de wc een boek gelezen ook al mocht dat niet, natuurlijk heb ik uit het zicht wél met iemand gepraat en natuurlijk heb ik gedacht krijg allemaal het lazerus, laat me eruit, maar in de momenten van vreselijkheid kwam ik telkens weer terug op een warme, lichte plek. Ik kon om mezelf lachen, ik kon mezelf een denkbeeldige aai over de bol geven. En het mooie van de hele dag met je gedachten zijn, is dat je er afstand van neemt. Gedachten dreven voorbij, ik zag ze, ik kon om ze lachen, ik kon ze serieus nemen. Ze slokten me niet op. Ik was niet wat ik dacht.

En wat heb ik nog meer ontdekt… Dat ik Indiaas eten eigenlijk heel vies vind. Elke middag kregen we supergoed eten, maar na de vierde keer kon ik wel huilen om de lucht alleen al. Ik wilde een hamburger, een pizza of bloemkool met een papje desnoods! Ook merkte ik dat ik het belangrijk vind dat mensen mij lief vinden. Ik sliep met nog twee meiden in een kamer, die overigens al veel vaker dit soort boeddhistische retraites hadden gedaan dus toen de monden dicht gingen, ging ook het oogcontact uit, er was niks meer om mee te communiceren. Dat vond ik moeilijk. Toen ik op de eerste avond naar binnen ging, deed ik de deur dicht, omdat het stierf van de muggen buiten en die wilde ik niet binnen hebben. Ik deed de deur op slot omdat ‘ie niet goed dichtging. Een van de meisjes stond later te morrelen aan de deur. Ik rende naar de deur, deed open en wilde mezelf uitleggen, maar zij maakte geen oogcontact en ik kon niks zeggen. Sterker nog: de deur was al open, ik hoefde niks te zeggen. Onmiddellijk een ‘a-ha’ moment. Ik hoef niet altijd wat te zeggen, ik hoef me niet altijd te verontschuldigen. Mensen hoeven mij niet te begrijpen.

Toen de stilte langer duurde, begon ik er meer van te houden. Er kwam ruimte voor dingen die ik normaal niet voelde. Er kwam een rust die ik niet kende, ik voelde liefde voor thuis bewuster en er kwam ruimte voor herinneringen. Om één herinnering heb ben ik zo dankbaar. Ik zat in het gras en de zon scheen. Ik keek naar een boom en ineens was die boom een boom op de camping waar wij vroeger met de hele familie op stonden met onze caravans. Ik bleef kijken en ik voelde een gevoel van vroeger, van toen ik een kind was, een gevoel dat je alleen herkent als je het opnieuw voelt. Het was er. Mijn tante Annie was er ook weer. Het was zo helder, het was zo bekend. Ze is nu vier jaar dood en ze was ineens zo dichtbij. Zo mooi, zo bijzonder.

Het laatste wat ik in de stilte vond, was mijn ego. Of liever gezegd: het bewustzijn dat mijn ego er is. Ik hoefde niks in het centrum, er was niks, geen deadline, geen boek, geen zorgen en zodra ik dacht aan weer thuis zijn en weer schrijven aan mijn boek, voelde ik de druk, de angst, de jaloezie. Misschien moest ik maar niet meer schrijven. Misschien moest ik meditatiejuf worden. Of. Misschien moest ik het hier eerst even met Christopher over hebben. En dat deed ik, tijdens een zogenoemde one-on-one. Ik legde uit dat het boek schrijven zoveel negatieve gevoelens met zich meebrengt en vroeg wat ik moest doen. Zijn antwoord was simpel. “It is your ego. Don’t strive for succes. If you strive for succes, there is also the fear to fail. Let your ego go and write for the joy of writing. That it also the only way to make something that is worth something.”

Toen ik na zeven dagen weer mocht praten, had ik veel te vertellen. Ik had zoveel geleerd en gevoeld en ik was dankbaar. En dat ben ik nog steeds. Als ik terugkijk op mijn reis, niet alleen mijn reis door India, maar de reis die al eerder begon, die eigenlijk begon met de mindfulnesstraining, ben ik zo blij dat al die schurftellende me is overkomen, want ik ben er een fijner mens van geworden, vooral voor mezelf. Er is meer rust, ik moet minder, ik ben blijer, ik heb meer compassie voor mezelf, ik bekijk anderen met zachtere ogen, ik ben een boek aan het schrijven, met plezier. Door nog steeds dagelijks een half uur stil te zijn, blijf ik die afstand tot mijn gedachten hebben en dat is het meest waardevolle. Ik herken gedachten die me helpen en gedachten die me niet helpen. Dat ik niet altijd weet wat ik met die niet helpende gedachten moet doen, is soms jammer, maar soms moet ik dan ook weer heel erg om mezelf lachen. Ik ben een blije Boeddha geworden, die het nog niet helemaal begrijpt en dat mag.