Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Floortje

IMG_3062

Sinds kort heb ik een hond: Floortje. Floortje is eigenlijk de hond van mijn moeder, maar die kan niet meer voor haar zorgen. Floortje is eigenlijk ook geen hond, ze is meer een soort grote, harige rat die is opgevoed als een mensje.

Floortje mocht bij mijn moeder op bed slapen. ’s Ochtends at ze – net als mijn moeder – pap. Floortje hield niet van wandelen of buiten poepen. Floortje vond slagroomsoesjes heel erg lekker en Floortje luisterde niet als ze daar geen zin in had. Als ik op bezoek kwam, ging ze naast mijn moeder zitten en keek me aan. Bizar lang. Zonder te knipperen. Ik vond Floortje eigenlijk niet zo leuk.

Toch hoorde ze ineens bij mij (en ook een beetje bij de taalnazi natuurlijk). Vanaf het moment dat we haar aan een roze riempje meenamen en de taalnazi een half uur na thuiskomst haar eerst drol opruimde, hoorde ze bij ons. Het is nogal een verantwoordelijkheid. Ik moet haar eten geven en uitlaten, ik moet met haar spelen en haar opvoeden, ik moet voor haar zorgen.

Het tweede weekend dat Floortje bij ons was, lieten we haar alleen om naar een eetafspraak met vrienden in Amsterdam te gaan. Floortje had die dag nog niks binnen gedaan en ik vond het zielig om haar alleen te laten. ‘Het is een hond, schatje,’ zei de taalnazi. Ik keek naar haar, zij staarde terug zoals alleen zij kan en pieste toen voor me op de grond. ‘Floortje!’ riep ik boos. Ze kwispelde. We vertrokken.

De vrienden hadden pas een kindje gekregen. Nou ‘pas’, het kon al bijna fietsen maar ik ben nu eenmaal niet zo snel met die dingen. Ik was er nu in ieder geval en had versterking meegenomen. Ik keek naar het meisje dat in zo’n ding lag dat je met je voet kon wiegen en ik lachte ernaar. Het lachte terug en ik vond het wel aardig, maar ik werd er niet wild van. Ik vond het niet aandoenlijk. Sommige vrouwen veren op bij elk babyscheetje dat eruit komt, maar ik heb dat niet zo. De vrienden waren altijd net als ik geweest: zij waren ook mensen die niet perse kinderen wilden. Het meisje was een ongelukje. En nu waren ze dolblij met haar. Het meisje lachte en gromde, kotste en boerde en de vrienden lachten alleen. Verlekkerd. Ik zag het nu goed: mijn vrienden waren geen mensen meer, maar ouders. Ook nadat het meisje naar bed was, bleef ze eigenlijk in haar wiegding aanwezig. Kleine gesprekken over het meisje sijpelden langs de tafelpoot omhoog de grote mensen gesprekken in. Een moment viel het stil en de mama verontschuldigde zich. ‘We praten alleen maar over de baby, sorry. We hebben het er steeds over. We zijn echt geobsedeerd, ik geef het gewoon toe. Volledig geobsedeerd. Zou het ooit over gaan?’ Dat vond ik het meest aandoenlijke van de avond.

Toen we thuis kwamen, was Floortje intens gelukkig. Ze stond bij de deur te wachten en toen we binnen kwamen, draaide ze rondjes om zichzelf, zo blij was ze dat we er weer waren. Ik liep door naar de woonkamer, keek goed rond en aaide haar toen. Ze had niet binnen gepoept en dat vond ik eigenlijk heel erg knap van haar.

De weken gingen voorbij. Floortje luisterde beter. Floortje ging in haar mand liggen als dat van mij moest tijdens het eten. Floortje rende, Floortje vond wandelen leuk. Floortje poepte niet meer in de woonkamer. Floortje plaste nog alleen maar uit protest binnen als ze op bed wilde en dat niet mocht van de taalnazi. Floortje wilde me altijd zoenen in de ochtend. Floortje ging bij mij liggen op de bank, als ik alleen televisie keek. Floortje wachtte me altijd op bij de deur als ik thuis kwam.

Dit weekend was Floortje bij mijn schoonouders omdat ik weg was met vriendinnen.
Ik bel de taalnazi.
‘Hoi, ben je bij je ouders?’ vraag ik.
‘Ja.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Wat?’ Hij doet net of hij me niet goed verstaat.
‘Zeg nou gewoon.’
‘Het is je hondje.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Goed hoor,’ zegt hij dan, ‘het is goed met je hondje, schat.’
‘Mag ik d’r even?’ vraag ik.
‘Mag ik d’r even?!’ herhaalt hij.
‘Kun je me even op luidspreker zetten?’
‘Ja, hoor.’ Een zucht. ‘Je staat op luidspreker.’
‘Floooooooortje,’ roep ik op hoge toon. Even is het stil. ‘Wat doet ze?’ vraag ik. ‘Wat doet ze?’
‘Ze doet niks,’ zegt de taalnazi. ‘Ze is een hondje.’
‘Floooooooortje!’ doe ik weer. ‘Wat doet ze nu?’
‘Kijk nou,’ zegt de taalnazi. ‘Ze hoort je, ze kwispelt. Doe nog eens.’
‘Floooooooortje!’
Nu lacht hij. ‘Ja, haar oortjes gaan omhoog. Aaaah.’

En daar was het. Ik besefte het meteen. Een oergevoel waar ik me voor geneer omdat ik het over een hond heb, maar who cares, ik zeg het gewoon.
Floortje is mijn kindje. Ons ongelukje en we houden van haar.

Vetrollen

Ik ben altijd een beetje dik geweest. Toen ik veertien was, was ik op m’n ergst. Ik zag eruit als een krentenbol op pootjes met vet haar. Mijn moeder had daarentegen altijd een perfect figuur. Mooie benen, slanke taille en goede borsten. Ze zeurde weleens over ouder worden en rimpels, maar nooit veel, want ze bleef er goed uit zien. Ze zag er beter uit dan ik.

Het was een oneerlijke situatie. Ik zag aan de moeders van Salima en Stephanie dat het de omgekeerde wereld was. Zij hadden dikke, verlopen moeders en dat vond ik goed, zo hoorde het. Dochters moeten knap en slank zijn, moeders uitgezakt en dik. Bij ons waren de rollen omgedraaid. Mijn moeder was mooi en slank, en ik dik en bepuist.

Inmiddels is het 15 jaar later en mijn moeder is met haar 62 lentes nog altijd een leuke vrouw. We spraken afgelopen weekend af in winkelcentrum Keizerswaard. Ze staat te wachten bij de HEMA. Haar haar is rood geverfd en met de krultang gestyled. Ze is goed opgemaakt en ook vandaag is haar outfit op kleur – blauw is het vandaag – doorgevoerd tot op haar sokken. De jaren zijn voorbij gegaan en ze werd ouder, maar zeker niet dikker. We drinken koffie.

“Ik moet wat nieuws kopen,” zegt mijn moeder. “Nieuwe kleren.”
Mijn moeder wil altijd wel nieuwe kleren, dus verbaasd ben ik niet.
Dan pakt ze met haar beide handen haar buik beet. Een vetrolletje. “Kijk eens!” roep ze terwijl ze het vet op en neer beweegt.
Ik kijk naar de bewegende vetrol die ik inderdaad nooit eerder zag.
“Ik word dik,” zegt ze. Haar toon zit tussen boos en verdrietig in.
“Zo,” zeg ik, meer niet. Eigenlijk voelt het een beetje alsof de wereld weer klopt, maar dat mag ik niet zeggen. Eindelijk – op haar 62e – heeft mijn moeder een minder goed figuur dan ik. Of nou ja. We hebben hetzelfde figuur. En ik ben 31.

Na de koffie rekenen we af en struinen we verder door Keizerswaard. We staan even stil bij een winkeltje dat Miss Jenny heet.
“Daar hoef ik nou niet meer naar binnen,” zegt ze beteuterd. Even blijft ze staan, aarzelend. Ze hoopt dat ik wel naar binnen wil, zodat ze mee kan.
“Nee,” zeg ik beslist. “Dat hoeft niet.” Ik werd altijd ziek van winkels als Miss Jenny. Ze verkopen enorm goedkope kleding; strakke truitjes van flutstof, broeken die ik niet eens over mijn kuiten krijg en veel kleding heeft glitters. Nu is mijn moeder niet van glitters en strak hoeft ook perse niet van haar, maar goedkoop wel. Mijn moeder is een koopjesjager en een broek is pas echt een geslaagde aankoop als hij minder dan zeven euro kost. Dus, ik moest vaak mee naar Miss Jenny maar nu hoe niet meer. We lopen verder.
“En hier?” Ik blijf staan bij M&S mode.
“Nee. Zo dik ben ik nu ook weer niet.” Ze wijst naar de plus size modellen in de etalage. Ze heeft gelijk, zo dik is ze nou ook weer niet.
“Hier dan?” Ik knik naar Vögele.
“Nee. Zo oud ben ik nu ook weer niet.” Ze haalt haar neus op voor de keurige pantalons in de rekken. Ze heeft gelijk, zo oud is ze nu ook weer niet.

“Laten we hier naar binnen gaan.” Voordat ik het weet, is ze me voor gegaan in de Cool Cat. Harde muziek komt ons tegemoet.
“Mam, dit is niets voor jou.”
“O nee? Waarom niet?” Ze struint door de rekken waarbij grote rode borden hangen met in witte letters ‘50% korting’ erop. “Het is uitverkoop!”
“Nee ma, alles is hier strak en stom.”
Ze neust in een rek met truitjes en haalt er eentje uit. Het is een lief truitje, blauw met bloemetjes. Het is een klein truitje. Te klein voor haar nu.
“Het is maat 40!” roept ze. Ze trekt aan beide kanten, maar echt veel groter wordt het niet. “Die pas ik nooit.”
Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik 14 was en ik dingen wilde kopen die me niet stonden. Mijn moeder zit nu voor het eerst in haar leven in een soortgelijk pakket.
“Ik ben echt dik,” zegt ze terwijl ze ook de andere truitjes afkeurt, om vetroltechnische redenen.
“Ik ben ook dik,” zeg ik om haar te troosten. Ze hoort me niet, inmiddels is ze doorgelopen naar de broeken. Uit ervaring weet ik dat ze ook hier teleurgesteld zal worden en daarom grijp ik in.
“Mam, het maakt niet uit, kijk eens.” Ik pak met beide handen mijn vetrol vast en beweeg ‘m op en neer. “Ik ben ook dik!”
Mijn moeder kijkt naar mijn vetrol, dan naar mij en ze zegt zachtjes: “Maar dat was je toch altijd al?”

Ik lach. Om mijn moeder, om het feit dat ik in een winkel met mijn vetrol in mijn handen sta en om mijn moeders bizarre eerlijkheid. Ik heb het niet van een vreemde. Ik sla haar zachtjes op de schouder en zeg dan: “Bedankt ma.”
Geschrokken houdt ze haar hand voor haar mond. “Dat had ik niet zo bedoeld.”
“Het geeft niet,” zeg ik. Het geeft echt niet. Mijn moeder heeft mij door mijn puisterige puberjaren gesleept. Toen ik werd gepest, is ze naar het schoolplein gekomen om het jongetje terug te pesten. Toen ik wilde lijnen, hielp ze me met gezond eten. Toen mijn puisten weg moesten, ging ze met me mee naar de huisarts. En dan mijn lievelingsherinnering: toen ik het ’t meest nodig had, stonden er tussen de middag ineens een keertje frietjes op tafel. Gewoon, tussen de middag. Wat hield ik toen van haar. En wat doe ik dat nog steeds.
Ik steek mijn arm naar haar uit. We gaan iets leuks voor haar vinden dat ze past.
“Zullen we toch nog even bij Miss Jenny gaan kijken?” vraag ik.
“Vooruit.” En ze haakt haar arm in de mijne.

Ik heb een geheimpje

Ik heb een geheimpje

Ik heb iets voor jullie geheim gehouden. En dat moet ik nu toch maar eens vertellen, dus ik begin bij het begin en dat is altijd ‘het gevoel.’

Ik voel me gejaagd. Ik leef van opdracht naar optreden. Van klusje naar boodschappenlijstje. Van teleurstelling naar droom. Van wat ik gisteren fout heb gedaan naar wat ik morgen goed moet doen. Telkens denk ik: als ik deze tekst af heb, mag ik… Als ik naar mijn tante ben geweest, kan ik… Als ik dit heb opgelost, zal ik… Maar na de puntjes komt er nooit wat. Ja, iets nieuws om me op te jagen. Geen echte ontspanning. Geen echte waardering voor mezelf. Oordelen over mezelf en hoe het beter zou kunnen, die zijn er wel natuurlijk. En tussendoor pieker ik. Piekeren. Het zit in de familie. Het zit in de maatschappij. Het zit in mijn hoofd en nestelt zich in mijn lijf. En dan krijg je schurft blijkbaar. Dan raak je overspannen. Dan zegt je lijf ineens stop. Mijn lijf zei: als je nog zestig jaar met jou door wil gaan, moet er iets gebeuren.

Dus heb ik iets laten gebeuren. Stiekem, terwijl de laatste schurftbultjes (die geen schurftbultjes bleken) aan het verdwijnen waren, heb ik me de pest gezocht naar iets dat mijn gejaagdheid kon doorbreken. Ik zocht zoals ik al eerder zocht en elke keer dacht ik dat het zou helpen. Ik kocht een hardloopoutfit en bestelde een meditatiekussen. Ik deed een antistressworkshop. Ik las het boek ‘Boeddha in zes weken’. En misschien durfde ik het daarom niet met jullie te delen. Alle hulp die ik mezelf eerder bood, heb ik zelf ook weer afgeslagen. Het hardlopen deed ik vier keer en het Boeddha boek heb ik nooit uitgelezen. Een workshop was belangrijker. Televisie was belangrijker. Een opdrachtgever tevreden houden was belangrijker. Wie mijn moeder wilde dat ik was, was belangrijker.

“Mindful zijn betekent van moment tot moment met aandacht aanwezig zijn bij wat er gebeurt in je lichaam en geest, zonder daarover te oordelen.” Dit las ik op het internet over mindfulness nadat ik weer niet had hardgelopen. Ik had er vaker over gehoord, nooit had ik er echt over nagedacht. Maar nu werkten de woorden op me in. “We merken nauwelijks dat we ons steeds voeden met gedachten en oordelen over onszelf en anderen. Met mindfulness leer je met zorgzame aandacht om te gaan met fysieke spanning, emoties en gedachten. Het geeft je de mogelijkheid om uit oude gewoontes te stappen, vriendelijker naar jezelf en je omgeving te kijken en een keuzevrijheid te ontwikkelen in hoe je omgaat met wat je tegenkomt.”

Het leek me fantastisch. Onmiddellijk drukte ik op ‘inschrijven training’. Dit is dus mijn kleine geheim: ik heb vorige week een training mindfulness afgerond. Acht weken lang bestudeerde ik mindfulness, deed ik schrijfoefeningen over wat mij blij, verdrietig en boos maakte. Ik luisterde naar de mindfulnessjuf en elke dag oefende ik een uur met het zijn in aandacht. Dat betekent dat ik elke dag een uur meditatie oefeningen deed (hoera, het kussen is terug!). En hoewel ik eerst dacht ‘ja jezus een heel uur van mijn dag pleite?!’, heeft het me meer lucht gegeven. Ik zal niet de hele training beschrijven, maar ik wil het toch een beetje delen, omdat ik nu ook iets anders naar het leven kijk.

Ik leef meer in het hier en nu en elke hier en nu is nieuw. Elke dag is een nieuwe. Het is fijn om te voelen dat ik niet de fouten ben die ik maakte in het verleden of de dromen die ik ga vervullen in de toekomst. Nu is altijd anders. Zeker als je er met aandacht naar kijkt en dat doe ik nu (meer). Het leven overkomt me niet de hele tijd. Met aandacht hang ik de was op, waardoor het geen rotklus is die moet afraffelen maar gewoon een karweitje. Een drukke dag wordt minder hectisch simpelweg omdat de dag niet een groot monster is maar wat momenten die ik met aandacht doorloop. En, mijn lievelings… mildheid. Wat ben ik toch altijd streng voor mezelf (geweest). Wat doe ik het toch altijd verkeerd of op z’n minst niet goed. Wat belemmer ik mezelf toch in het genieten van het leven, het schrijven, van vrienden. Ik ben milder voor mezelf. Als ik toch weer eens kut doe tegen mij, zit er een soort van lieve, dikkige grootmoeder in me die me in gedachten over mijn bol aait. “Gut kind, doe eens even rustig. Je bent goed genoeg.” Dan glimlach ik en denk ik sjonge, wat ben ik dankbaar dat mijn lijf besloot dat het anders moest.

PS. Ik ben nu niet ineens een soort van Boeddha geworden die overal mediteert en alles zen inziet. Ik haat ook gewoon soms nog mensen en heb net een hele zak pepernoten leeggevreten.

Zussen

Zussen

Op een grindpad ergens op een camping in Brabant liepen vijfentwintig jaar geleden twee meisjes. De ene was vier jaar, de ander negen. Die van vier had twee vlechtjes in haar haren en sleepte een geel eendje achter zich aan. Het meisje van negen had bruine knieën van het spelen in het bos en sleepte haar zusje achter haar aan. Deze grote zus liet geregeld haar vriendjes bij hun boomhut achter zodat ze die kleine even kon op zoeken. Om te kijken of alles nog goed was. Het was altijd goed, maar misschien kwam dat omdat de grote zus altijd op tijd kwam kijken. De zon stond laag terwijl ze doorstapten. De geur van moeders pannenkoeken kwam hen tegemoet. Het kleine meisje keek naar het grote meisje en hoopte dat het voor altijd zo zou blijven.

De grote zus is vandaag 35 jaar geworden en ondanks dat de zon een stuk minder fel schijnt dan toen op de camping, viert ze het buiten. Met jassen aan zitten de verjaardagsgasten in de tuin. Drinkend, lachend. Mijn grote zus houdt nog steeds van buiten zijn. Ze stookt het vuurtje op in de tuinkachel. Ik kijk naar haar terwijl ik slokjes van mijn wijn drink. Ik kijk naar haar haren, die net tot op haar schouders hangen. Auberginekleurig. Toen we naar de caravan liepen, waren haar haren bruin en had de kapper een pony geknipt. Haar haren hebben ook in een kuif gezeten. Daarna zijn ze met gel besmeurd en in een rode zakdoek gepropt. Haar kapsel is zwart geweest en rood en het is tot huilens toe weleens door een slechte thuiskapper verknipt. Ik was er om te zeggen dat haar kapsel leuk zat of dat het heus wel meeviel. En dat deed ze ook terug. Na een mislukte blondeerpoging riep ze ooit lachend tegen me: “Je lijkt Geert Wilders wel!” Daarna ging ik ook huilen en nam ze me mee naar de kapper.

Kapsels veranderen. Kleding verandert. Eetgewoonten veranderen. Aardappels veranderen in quinoa. Kinderen worden volwassenen. Ouders veranderen in mensen. Mensen worden moeders. Niks blijft zoals het is. Behalve mijn zus. Die werd volwassen, partner, moeder maar bleef voor mij altijd precies wat ze was. Mijn zus. En dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Bedankt dus zus, dat je op de camping de grote jongen een blauw oog sloeg die naar mij stenen had gegooid. Bedankt voor rugtekenen voor het slapen gaan. Bedankt voor het wegaaien van mijn buikkrampen toen ik voor het eerst ongesteld werd. Bedankt dat ik met jou mee uit mocht naar de Skihut, terwijl je me eigenlijk te jong vond. Bedankt dat ik bij je mocht huilen, terwijl jij ook verdrietig was om de scheiding. Bedankt dat je bij elk vriendje zei dat ik het wel echt met condoom moest doen. Bedankt dat je vertrouwen in me hebt. Bedankt dat je komt kijken als ik moet optreden. Bedankt dat je me kent. Bedankt dat je zegt dat ik moet doorbijten als er iemand de moeite waard is om lief te hebben. Bedankt dat je me accepteert. Bedankt dat ik mee mag op vakanties van jou en je gezin. Bedankt dat ik bij jou mag horen.

Mijn zus is veranderd. Van een stoere meid van negen jaar veranderde ze in een puber, in een drammer, in een lieverd, in een harde werker, in een oermoeder, zorgzame partner en nu is ze dat allemaal in één. Een vrouw van 35 jaar. Het vuurtje brandt, dus ze loopt de keuken in. Haar werk is nooit af. Ze komt terug met brood en kaasjes en seint met haar ogen dat ik een rondje drank moet doen. Ik doe het. Als haar dochtertje van bijna drie aan haar been hangt, zet ze de muziek aan. Die wil dansen. Ze danst met haar kleine zoals ze ook danste met mij toen we klein waren. Samen waren we klein. Er zijn herinneringen die alleen wij delen. Zij is de enige die ook weet hoe mijn moeders pannenkoeken vroeger roken, hoe zacht ons eerste hondje aanvoelde en met haar ogen dicht is zij de enige in de hele wereld die in een warme auto ook Celine Dion Destin in haar hoofd hoort zingen.

Ze is mijn enige link naar ons verleden, maar ook de enige constante factor in de toekomst. Ze zal er zijn als ik failliet ga, of als ik debuteer. Ze zal er zijn als de liefde me gelukkig maakt en ze zal me troosten als de liefde bij me weggaat. Ze zal er zijn om mee te lachen en om me bij te verstoppen. Dat mag ze ook bij mij. We zullen op elkaars kinderen passen en samen op vakantie gaan. We zullen eten en drinken en lijnen als het moet. We zullen verdriet delen als onze ouders sterven en als enigen herinneren hoe zij onze ouders waren. We zullen klagen over de overgang en ons afvragen waarom we nog steeds te weinig tijd hebben, ook al zijn we met pensioen. Ze zal altijd trots op me blijven. En ik op haar. Alles verandert, maar dat niet. Ik zal altijd naar haar kijken zoals die kleine naar die grote keek op de camping vijfentwintig jaar geleden.

We worden oud, zus. Maar gelukkig doen we het samen.

Seniorentoetje

Seniorentoetje

De bakjes met pepernoten in de kantine van het bejaardenhuis zijn bijna leeg. Op de pilaar bij het buffet hangt een affiche waar een oude prent van Sinterklaas op staat. Ik lees het niet. Dat er hier Sinterklaas wordt gevierd, lijkt me veel zeggen over de geestelijke gezondheid van de bewoners.
“Zullen we een kopje thee nemen?” vraagt mijn moeder.
“Is goed.” En zoals wordt verwacht als je in een bejaardenhuis bent, loopt de jongste naar het buffet als er ‘we’ wordt gezegd.

Sinds een paar weken proeven mijn moeder en ik de sfeer en pepernoten in dit bejaardenhuis. Volgens mijn moeder is het een woonzorgcentrum. Ze denkt erover om hier een appartementje te huren. In het 60+ gedeelte, dat wel. Want dit bejaardenhuis heeft ook een jongerenafdeling.

Ik zet twee kopjes thee neer. Groene voor mij en English breakfast voor mijn moeder. Om ons heen zitten negen bejaarden die ook hun portie middagthee drinken.
“Er zijn hier best wel wat oude mensen,” zeg ik.
“Wat geeft dat.” Mijn moeder pakt twee pepernoten uit het bakje. “Bejaarden zijn ook mensen.”

Mijn moeder is geen bejaarde. Mijn moeder is een vrouw van 62 jaar die haar kapsel verft met henna die ze bij ‘de turk’ koopt. Mijn moeder is niet ziek en ze heeft geen looprek. Mijn moeder heeft slechts zelden een loopneus. Mijn moeder is wel alleen, al tien jaar. Dat gebeurt als je gaat scheiden. En als je geen zin meer hebt in een man die de hele avond met zijn afstandsbediening in de handen zit, blijf je volgens haar alleen. Mijn moeder zegt dat niet nukkig of verbitterd. Ze hoeft echt geen man meer, maar alleen zijn vindt ze ook niet gezellig.

“Zullen we iets lekkers erbij nemen?” vraagt mijn moeder.
“Moet dat?” Ik merk dat ik zeik.
“Ja, dat moet.” Ze reikt me een bruin mapje aan waar uitgeprinte papiertjes in plastic hulzen zitten. Erwtensoep, een tosti, een bal gehakt, dame blanche.
“Ik weet het niet,” zeg ik. “Wat neem jij?”
“Ik neem dat seniorentoetje.” Ze grinnikt.
“Wat is dat?” vraag ik.
“Weet ik niet, ik ben benieuwd.”
“Dan neem ik een dame blanche.”

Aan het buffet geef ik onze toetjes door. De mensen om me heen hebben oude, stramme lijven. Lijnen in hun gezicht en niet van het lachen. Het valt niet mee om naar de bejaarden te kijken, ook al zijn ze aan het kaarten of aan het praten. Ook al leven ze wel. De vrouwen in de ruimte verven hun haar niet meer, ze zijn grijs. Hun haren zijn kort en krullen op de manier waarop het haar van ouderen altijd krult. Ze gebruiken waarschijnlijk een krultang. Ik vraag me af hoe lang het duurt voordat mijn moeder zich zal overgeven aan grijs haar en de krultang.

“Kijk eens ma.” Ik wijs naar het Sinterklaas affiche. “Moet je dat nou zien.”
“Leuk voor de kinderen toch?” zegt ze. “Of de kleinkinderen.”
Boven de prent staat in comic sans ‘Pakjesavond voor alle bewoners’.
“Het is niet voor de kleinkinderen,” antwoord ik.
“Nee?” vraagt ze.
“Nee.”
Even is mijn moeder van slag. Ze kijkt het bruine mapje weer in zonder te lezen.
“Dan zal ik vanavond eens mijn schoen zetten,” besluit ze.
“Mama, weet je het zeker?” zeg ik. “Weet je dit zeker?”
Mijn moeder knippert met haar ogen, zodat het nat verdwijnt.
“Ja, ik weet het zeker zegt ze.” Ze wrijft in haar ogen. “Zelfs huilen in je eentje is niet meer gezellig als je dat jaren hebt gedaan.”

De mevrouw die achter het buffet staat, komt de toetjes brengen. Ze wenst ons een smakelijk eten en mijn moeder bedankt. Ik kijk naar mijn dame blanche en dan naar het toetje van mijn moeder.
“Ha!” zegt ze en ze pakt haar lepel op.
Haar toetje bestaat uit vanille ijs, advocaat en slagroom.
Ik pak ook mijn lepel op en neem een hapje van haar seniorentoetje.
“Dat neem ik de volgende keer ook ma.”
Ze knipoogt. “Ze doen hier ook aan bingo en hebben clubs en klaverjassen. Ik hou van klaverjassen, wist je dat?”
Ineens ben ik onmetelijk trots op haar. Ik knipoog terug.
“En nou je eigen toetje opeten,” zegt ze.

Meisjes

Meisjes

Het is vrijdagavond en mijn eettafel staat vol. Met tequila biertjes, nagellak, bolognese chips, wimperkrullers, veertien verschillende soorten oorbellen, make-up doekjes, thee en meer. Veel meer om op te noemen want ik heb een meisjesavond. Een avond met meisjes van in de dertig. Vandaag ben ik met mijn 29 jaar zelfs de jongste, al was ik de enige die bij het bier halen mijn identiteitsbewijs niet hoefde te laten zien.

Een van de mooiste kenmerken van vrouwen en hun avonden, is dat alles door elkaar wordt vertelt en dat iedereen in de kamer – lees: met een vagina – het begrijpt.
“Wat heb jij een mooie wimperkruller.”
“Je moet wel nagellak op hoor.”
“Ik wil nog een biertje.”
“Gewoon bij het Kruidvat.”
“Volgens mij zijn deze glitters teveel.”
“Is er nog bier?”
“Godver kijk dit nou.”
“Is dit too much?”
“Burp. Waar is het bier.”

Meisjes zijn meisjes die zich soms gedragen als jongens. Dat vind ik leuk aan ons. Maar op sommige avonden, zonder piemels; zijn we anders. Dan zijn we Een En Al Vrouw. Niet te verwarren met Een En Al Gezeik. Het begint als je vijftien bent en je voor het eerst naar de kroeg gaat. Opmaken. Praten. Breezers. Nog meer praten. Nagels doen. En daarna naar de Skihut, althans daar ging ik heen op mijn vijftiende met mijn meisjes. Als prachtige wezens dansten we vrolijk om onze berg tasjes heen. Waarom dat precies was, weet ik niet.

Pas als je ouder bent, merk je dat dit soort rituelen zich sporadisch ontvouwen. De meisjesavond is een avond waarin wij ons vormen. Hier bespreken we de angst van het niet-genoeg-zijn. Of het niet durven luisteren naar ons onderbuikgevoel op het werk. Hier spreken we uit dat we geen moeder willen worden. En leggen we de angst bloot die we hebben om het moederschap te missen als we echt besluiten niet te baren. Dit doen we tijdens het aanbrengen van foundation en het lakken van onze nagels. Deze handelingen dragen de woorden, ze zijn net zo belangrijk als het gesprek zelf.

Terwijl we deze vrijdag onze jassen aandoen om naar een nieuw feestje te gaan in een club die we niet kennen, roept een van mijn vriendinnen: “ja hallo. We nemen toch wel een BVO’tje mee?” Er wordt gelachen. Even vijftien. Het biertje voor onderweg gaat in onze tasjes. Het is een kwartier lopen. De kou is te koud voor onze benen in panty’s, maar onze lippen glanzen. Terwijl onze gympen grote stappen maken, denk ik aan volgend jaar. Heb ik dan nog meisjesavonden? Ja. Het jaar erop? Ja. Het jaar daarop? Ja.

We lopen in duo’s. Arm in arm, vlak achter elkaar. Af en toe wordt er wat geroepen. “Doordrinken!” of “Zijn we er al man?” Later zit in mijn hoofd. Wat gebeurt er als zij kinderen krijgen, ik geen moeder word, wat gebeurt er als ik wel moeder word of wij allemaal besluiten kinderloos te blijven? Verdwijnen de meisjesavonden met de komst van gezinnen of met de komst van een leeftijd waarop we niet meer naar feestjes mogen; wanneer dat dan moge zijn. In mijn hoofd is dat zo ongeveer veertig, maar ja, dat is makkelijk praten als je nog niet eens dertig bent. Ik knijp in de arm van de vriendin die mijn arm vast houdt. Ze is de oudste, 32 jaar.

Het feestje blijkt een Oud & Nieuw feestje te zijn, gewoon in november. Er lopen mensen rond van 18 jaar, maar ook van 38 en misschien nog wel ouder (of misschien zag de drank dat). Mannen en vrouwen dragen glitterjasjes en ik heb spijt dat ik mijn truitje met gouden pailletten niet aan heb. Er worden oliebollen uitgedeeld en mijn hoofd zit onder poedersuiker. Om 12.22 uur wordt er afgeteld van 10 naar 0. Iedereen wenst elkaar een gelukkig nieuwjaar.

Wanneer onze champagne op is, haal ik biertjes voor de meisjes en mij. Als ik met mijn dienblad van de bar wegloop, zie ik vier vrouwen. Zij zijn als wij, alleen 15 jaar ouder. Oubolliger haar, slechter opgemaakt, lievere kleren, maar dezelfde lach. Ze mogen nog op feestjes. Ze dansen rondjes en zwaaien met hun armen. Als ik goed kijk, zie ik dat ze rondjes lopen om hun tassen. Vrolijk dansen ze er omheen.