Nagelslak

Nagelslak

Een man en een vrouw van eind twintig staan in het hoekje van het zwembad. Ze aaien elkaar over hun natte haren en lachen om dikke Britten die bommetjes maken. Om gezinnen die naar muntjes duiken. Niemand aait mij. Ik laat me niet aaien. Niet liefhebben. Ik neem een slokje uit mijn glas water met ijs en kijk naar het gezin waar ik bij hoor. Het gezin bestaat uit mijn zus, schoonzus en hun twee kinderen. Met een vriend, zou ik een eigen gezin hebben. Maar hoe langer je alleen blijft, hoe groter de kans dat anderen je adopteren. Ik ben 29 jaar en mag bij het gezin van mijn zus.

Ik mag zelfs mee op vakantie. Naar een vijf sterren all-in hotel in Griekenland. Je kunt er de hele dag eten, er zijn heel veel glijbanen en knappe badmeesters bij het zwembad, en hoewel ik zee had verwacht, weet ik nog steeds niet waar die is. Ik ruik alleen chloor en kijk hoe mijn neefje een door het animatieteam georganiseerde waterpolowedstrijd speelt. Hij is tien en mag zijn gang gaan. Mijn nichtje is twee en zit samen met mij in het pierenbadje. Onze billen op de rand. Mijn voeten raken de vloer van het zwembad, die van haar nog niet. Ze heeft zwembandjes om. Met haar schepje schept ze water in het emmertje dat ik voor haar beet houd. Ze praat niet. Opperste concentratie.

Per ongeluk laat ze haar schepje in het water vallen, ze kijkt me bang aan. Bang is ze ook van het water. Van de diepte, van de kou. Net als haar tante is ze bang van het onbekende. Net als haar tante, durft ze nog niet te vertrouwen. Ik pak haar schepje niet, omdat ze het zelf moet leren. Even fronst ze haar wenkbrauwtjes. Dan tuurt ze in het water en ze beslist. Ze is dapperder dan ik. Ze legt haar kleine handje op mijn bovenbeen, houdt me stevig vast en laat haar lijfje het water in glijden. Het is koud, ze rilt even. Ik leg mijn hand op haar arm en zorgt dat ze niet in het water verdwijnt. Ze laat zich nog iets zakken. Ze vertrouwt me. Blindelings vertrouwt ze me. En ze heeft haar schepje te pakken.
We gaan een ijsje halen. Mijn zus wil piña colada. Alles is ‘gratis’, dus om één uur ’s middags halen we ijs en cocktails. Mijn nichtje rent naar binnen, naar de bar. Vrolijk en nieuwsgierig. Zo ren ik weleens het café in. Hongerig naar nieuwe verhalen, zin in nieuwe mensen. Mijn nichtje gaat aan tafels staan en begint te praten tegen mensen die haar niet verstaan. Zoals ik praat tegen vreemden buiten op het terras. Mijn nichtje rent naar de muur en laat zich verbazen door alles vissen die erop zijn geschilderd. Een kwartier kijkt ze naar de muur. Naar de kleuren. Naar de vormen. Zo kijk ik naar mensen. Ze rent nog een rondje, langs alle buffetten. Ze eindigt bij mij en ik vraag haar om een kus.
“Nee tante,” zegt ze. “We gaan ijsje eten.”

Als we ’s avonds in ons appartement zitten, lak ik op het balkon mijn teennagels. Voor mij is er op dit moment niets te doen. Mijn zus doet mijn nichtje in bad en mijn schoonzus is een boek aan het lezen met hun zoon. Ik kijk naar de lucht. Het is nog niet donker, maar de maan schijnt al. Het is een kleine maan. Slechts een streepje van wat hij kan zijn.

Mijn nichtje is klaar en komt naar het balkon. Ze loopt nog in haar blootje. Ze loopt het liefst in haar blootje. Nog iets waarin we op elkaar lijken.
Met grote ogen kijkt ze naar de rode kleur die ik mijn teennagels geef. Ze springt van plezier.
“Wat is dat?” Ze klapt in haar handjes.
“Nagellak,” zeg ik.
“Ik ook nagelslak?”
“Nagellak,” verbeter ik haar.
“Ik ook nagelslak!” roept ze.
“Jij mag ook nagellak. Ga maar zitten.”
Ik lak haar teennagels net zo rood als die van mij. Ze kijkt me aan of ik fantastisch ben. Of ik haar moeder ben. Haar beste vriend. “Mooi tante,” zegt ze. “Ik ben mooi.”
“Je bent heel mooi!” Ik zoen haar. “Je bent de zon, de maan en de sterren!”
“Nee, ik ben zon,” kirt ze. “Tante is maan.”
“Oké,” zeg ik lachend. Even ben ik de maan.
Mijn nichtje rent naar binnen.
“Mama kijk!” roept ze. Mijn zus en schoonzus en hun zoon bewonderen haar rode teennagels.
Ik lak mijn nagels af. En bij gebrek aan het bovenbeen van een ander, laat ik mijn hand op die van mijzelf rusten.

Hip

Hip

Er zijn momenten in mijn leven in Utrecht dat ik me onzeker voel. Over hoe ik eruit zie voornamelijk; dat heb ik vaak in het café. Ik kijk om me heen en zie mensen met brillen die bijna hun hele gezicht bedekken, vlechten die heel nonchalant lijken te zijn ingezet, maar wel mooi over de schouder hangen en zulke grote truien dat ik vermoed dat het eigenlijk jurken zijn. In eerste instantie denk ik dan: ‘kind, die spullen doen niks voor je. Je wordt er niet knapper van. Doe ze uit en normaal.’ Mijn vriendin die bij een groot modeconcern werkt, zegt echter altijd: ‘het gaat hen er niet om dat ze knap zijn, maar dat ze hip zijn.’ Ik herken iets hips dus niet, laat staan dat ik het kan implementeren in mijn kledingkast… en daar word ik onzeker van.

Laatst was zo’n moment wederom daar. Ik keek naar de barman, een jaartje of 22 moest hij zijn geweest, hij had zijn blonde krullen een soort van ‘opgekroest’, waardoor het haar vrij hoog de lucht in ging. Het oogde mij vreemd. Hij droeg ook nog eens een donkerrode corduroy broek met een zwart-wit gemêleerde, gebreide trui erop. Ik vond de combinatie niet mooi en zelfs een beetje raar.
“Dat is heel erg hip,” zei mijn vriendin. “Die stoffen en dan zo bij elkaar.”
“Echt?” vroeg ik. “Ik vind het raar.”
“Als jij iets raar vindt, is het überhip.”

Dat is een hele ware belediging. Ik weet niet wat hip is. Of ik wil het niet weten. Of ik kan er niet aan meedoen. Mijn benen zien eruit als kleine rollades in skinny jeans, dus dat heb ik nooit gedaan. Ik weet niet wanneer je BAM! hoort te zeggen of anders whoop whoop, dus ik zeg niks. Ik was de laatste die instagram installeerde op mijn telefoon en gebruik het nu nog steeds alleen voor fotobewerking (al is het dus echt een communicatiemiddel).

De vriendin is wel hip, maar loopt daar niet mee te koop, zoals de jongere hippe mensen dat wel doen. Want de regel lijkt te zijn: hoe jonger je bent, hoe hipper je moet zijn. Als ik in het café ben, voel ik me het tegenovergestelde van hip. Ik weet niet goed welk woord daar bij past, maar laten we zeggen antiek. Lijdzaam zit ik in een spijkerbroek met hakken en een colbertje erboven (daar sla je nooit de plank mee mis, zei mijn vriendin van het modeconcern drie jaar geleden en daar hou ik nog steeds aan vast) te kijken naar een meisje met een heel klein roze riempje om haar zwarte spijkerbroek en een grote blouse er nonchalant ingepropt. Hip. Naar een jongen met een pet op die niet goed op z’n hoofd lijkt te zitten (want heel hoog, het doet me denken aan de film Coneheads). Maar ook dit is hip. Ik schud wanhopig mijn hoofd. Weten die mensen wel wat ze te wege brengen bij mensen zoals ik, met hun petten en riempjes? Zien ze me kijken en getraumatiseerd mijn colbertje dichtknopen? Een meisje met een beige ‘hoog water’ broek komt binnen. Dat kan niet hip zijn. Mijn moeder droeg vroeger broeken met hoog water.
“Is dat ook hip?” vraag ik.
“Ja,” zegt de vriendin. “Hoog water broeken komen terug, je kunt weer print op print dragen en neon kleuren doen het ook erg goed.”
“Neon wordt de shit?” vraag ik ongelovig.
“De shit is niet meer.”
“O.” ‘De shit’ zeggen alleen maar antieke mensen blijkbaar. Ik snap er niks van. Jaloezie borrelt op. Jaloers ben ik op de riempjes, de petjes, de jurktruien en hoog waterbroeken. Ik wil ook hip zijn.

Hoe ouder ik word, hoe jonger Utrecht lijkt te zijn. Hipper. Er zijn ook momenten dat ik niet in Utrecht ben. Dan ben ik vaak in Zwijndrecht, waar mijn zus met haar vriendin en twee kinderen woont. Ik drink daar geen wijn in het café, wel op de bank met de meiden. Soms kook ik, ik praat met mijn neefje van negen over Feyenoord of oefen zijn dictee en ik probeer het eten van mijn nichtje van anderhalf dat ze op mijn kin uitspuugt, terug in haar mond te proppen.

Vaak probeer ik die kinderen ook van school of opvang te halen, zoals vandaag. Ik sta op het schoolplein met heel veel moeders en een enkele vader om me heen. De vader knipoogt. De moeders kijken me aan, met blikken die bekend voelen. De ene moeder draagt een legging als broek met een slobbertrui erover. De ander een spijkerbroek met zo’n wit-rode jas uit de ANWB folder. Ze kijken naar me met schuine ogen. Nog een moeder staat gewoon te wachten in haar paarse huispak. Ze bekijkt me goed. Haar ogen beginnen bij mijn hakken, gaan via mijn spijkerbroek naar boven, zien de bloemetjes op mijn shirt, hoe het colbertje getailleerd is en kijken dan naar de losse staart op mijn hoofd die er misschien nonchalant uitziet (maar wat ik echt niet zo heb bedoeld!). En dan kijken de ogen weg. Het is mijn eigen blik, zoals ik kijk in het café en het wegkijken is jaloezie.

Ineens begrijp ik het. In Zwijndrecht ben ik hip.

Als mijn neefje naar buiten komt, loop ik vol zelfvertrouwen naar hem toe. Hij wuift mijn hand weg, hij is immers te oud om hand in hand te lopen, maar dat geeft even niet want ik ben hip. Met een ingetogen lach (ik wil het er niet in wrijven) loop ik door de schoolpleinzee aan moeders. Ik probeer oogcontact te maken, zoals ik altijd doe tegen mensen die – net als ik – niet hip zijn. Ik glimlach, zoals ik altijd doe. Maar de moeders praten met elkaar en kijken langs me heen. Ik blijf even staan en vang welgeteld één lach. Vast een vrouw die net zo hip wil zijn als ik. Ik zwaai naar haar, wat raar is omdat ze mij niet kent en ze loopt weg.

Verward loop ik met mijn neefje naar huis, eenmaal binnen doe ik een trainingsbroek aan en drinken we chocolademelk. De volgende keer dat ik die kinderen van school ga halen, ga ik dus sowieso in een trainingsbroek. En in Utrecht houd ik het bij mijn colbertje. Hip zijn, wat een afknapper. Ik had het kunnen weten, want hip rijmt op kip. Dat is toch gek.

Hoe The Twilight Zone verdween

Hoe The Twilight Zone verdween

Voordat je aan dit verhaal begint, is het belangrijk dat je The Twilight Zone wel eerst even leest. Wat zeg je? Al gelezen natuurlijk? O sorry. Ga dan gauw verder.

Vanochtend mocht ik haar uit bed halen. Haar kleine, mollige handjes wrijven in haar nog dichte ogen. Haar donkere krulletjes zitten in de war en ze heeft haar poet in de mond. Zo noemt ze haar knuffeltje: poet. Ze geeuwt en doet haar oogjes open, die zijn dik, van het huilen voor het slapen gaan. Net als die van mij.
Haar korte armpjes strekt ze naar me uit: “tanta!”
“Hallo meisje,” lach ik.
“Haaajo.”
Ik pak haar op en als een baby hou ik ‘r tegen me aan. Eigenlijk is ze hier net iets te zwaar voor, maar dat maakt ons niet uit. Ze legt haar hoofdje in mijn nek en ik doe mijn ogen dicht. Ze is warm en haar lijfje nog zwaar. Rustig dein ik heen en weer en zing zacht een verdrietig liedje van Acda en de Munnik. Ze begint te huilen. Niet iedereen houdt van Acda en de Munnik.

“Goedemorgen meisjes,” zegt mijn zus.
Ze geeft ons allebei een zoen en pakt mijn nichtje over.
“Kom op, we gaan lekker ontbijten.”
We lopen de babykamer uit en mijn verdriet in. Het is zaterdagochtend. Het is zaterdagochtend, ik ontbijt met het gezin van mijn zus en mijn vriendje heeft het gisteren uitgemaakt. Het gezin bestaat uit mijn zus, haar vriendin, hun zoon en hun dochtertje en ik kan ‘m eigenlijk geen vriendje noemen omdat we niet eens lang genoeg samen waren om buiten hand in hand te lopen. Ik smeer een boterham met smeerworst voor mijn nichtje. Er liggen eitjes op tafel, croissantjes op borden en fruit in bakjes.
“Eet nou wat,” zegt mijn zus zacht maar streng.
Ik neem een slokje koffie; hij was toch niet verliefd op me. Ik hap uit mijn te warme croissant en was verliefd aan het worden. M’n nichtje gooit een stuk boterham met smeerworst op de grond.

Mijn schoonzus draait de thermostaat op 20 graden, voor het eerst dit najaar en zet een plaat van Boudewijn de Groot op. Tante Julia. Ze zingt mee. ‘Ja, tante Julia ik lijk al weer veel ouder, ik speel piano als u wil, maar haal uw borsten van m’n schouder,’ gek dansend loopt ze terug naar de eettafel. Mijn neefje lacht om zijn moeder of om de borsten uit het liedje, er komt een beetje thee uit zijn neus. Ik lach omdat ik niet huilen wil. Hier is een jeugdherinnering in de maak. Over vijftien jaar zal mijn neefje deze ochtend kunnen terughalen; hij zal Tante Julia horen, de thee in zijn neus voelen, de geur van de kachel die net aan is en ziet zijn moeder raar dansen. Ik zal deze ochtend terughalen als de ochtend dat ik voor het eerst sinds mijn zestiende weer kennis maakte met oogbullebakken. De gele harde goedjes die je uit je oog moet pulken als je te hard gehuild hebt de dag ervoor.

“Nou, doe nu eens normaal,” zegt mijn zus tegen m’n nichtje dat nog steeds stukjes brood met smeerleverworst uit de kinderstoel gooit.
“Tanta!” zegt mijn nichtje, ze lacht naar me.
Ik knipoog naar haar, neem nog een hap van m’n croissantje en hoor hem weer zeggen dat het niet aan mij ligt.
“Als je niet wilt eten,” hoort mijn nichtje, “dan eet je niet,” en ze wordt op de grond gezet. Op haar billen schuift ze heen en weer.

Mijn nichtje is naar de salontafel kont-geschoven en zit naar ons te kijken. Met haar poet in de mond. Ik drink mijn koffie, kijk naar mijn nichtje en denk aan hoe ik afscheid nam van het vriendje dat geen vriendje was. Mijn kop thee was nog vol, maar er was niks meer om voor te blijven. Ik zei Dag alsof ik hem morgen weer zou zien. M’n zus gaat voor mijn nichtje zitten en zegt: “Loop eens naar mama!”

Ze probeert het al een tijdje; ze komt een beetje omhoog, staat rechtop maar voordat ze een stap kan zetten, valt ze weer op haar billen. Nu ook. Een beetje omhoog, ze staat en, en, en… ze loopt. Ze loopt drie stapjes en valt op haar billen. Even zijn we stil. We kijken. En dan geschreeuw: “Goed zoooo!” Ze schrikt, misschien van het lopen, misschien van het schreeuwen. Ze huilt. En ze lacht. Mijn ogen lopen weer vol; van trots, van verdriet, van blijdschap, van verwarring. Ik ga bij haar zitten en veeg mijn tranen weg. “Tanta,” en ze geeft me haar poet. Alles wordt even lichter. Dat het niet wederzijds was, maakt het niet minder bijzonder. Ik zal me deze ochtend toch anders herinneren. Het was de ochtend dat mijn nichtje haar eerste stapjes zette op de vloer en ik in de liefde. Voor het eerst overwon ik The Twilight Zone.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.