Aftenterreur

Ik ben gloednieuw! Er moest wat af, dus ik ging gezond eten. Zo van, zelfgemaakte smoothie met komkommer, bosbes, kwark en paprika als ontbijt, kikkererwtensalade mee naar het werk, zelfgemaakte havermoutkoekjes tussendoor en courgettespaghetti met zelf gemaakte pesto als diner en water, heel erg veel water (met citroen), gezond eten. Ook startte ik met drie keer per week rondjes hardlopen om de Kralingse plas. Ja, dat is vijf kilometer. Dus. Ik steek mijn armen in de lucht! Gezond! En zwaai ze heen en weer. Energiek! En ren even op mijn plek. Gloednieuw ben ik!

Tja.
Het waren twee mooi weken.

Afgelopen donderdag had ik eens ontzettende dorst. Vrijdagochtend werd ik wakker met een aantal schrale plekjes op mijn lippen. Zaterdag ging ik met vier bruine blaasjes op mijn onderlip naar een festival. En zondag was het afgelopen. Mijn hele mond zat onder de aften. Maar dan ook helemaal. Het waren er zoveel, dat als ik Oprah was, ik ze aan het publiek kon uitdelen. “Jij een aft! Jij een aft. Iedereen een aft!”

De impact van een aftenleger in je mond is enorm. Je kunt op de eerste plaats niet eten. Ja, koude kwark (kill me now). Je kunt niet goed praten. Lachen doet zeer. Kussen kan niet want aften zijn besmettelijk (een andere tong dan de mijne in mijn mond zou overigens een marteling zijn: ik zou elke misdaad onmiddellijk bekennen). O, en ook leuk. Als je wilt dat aften verdwijnen, spoel je je mond met een zoutoplossing. Zout in open wonden strooien. Het gezegde is tot leven gekomen aan de binnenkant van mijn lip.

Aftslachtoffers kunnen niet op veel sympathie rekenen. Een aft is hoogstens ongemakkelijk, maar om nou liggend op de bank te schreeuwen dat je pijn hebt en vragen om een scheermesje, dat zou overdreven zijn. De taalnazi wilde me dan ook geen scheermesje geven toen ik dinsdag met al mijn aften prikkend op mijn lip, sommigen zelfs bloedend wakker werd. Ik moest huilen. “Kijk nou, ik heb een bloedbek,” snikte ik naar hem. Hij duwde mijn gezicht (lees: mijn aften) tegen zijn borst, ik gilde van de pijn en wilde hem laten ombrengen. Toen vond ik dat iets moest doen. Ik belde de dokter en mocht langs komen.

Ze deed witte, plastic handschoenen aan en ik trok mijn onderlip naar beneden. Dat deed op zich zeer, maar het houten staafje dat zij in haar hand had, zou me nog meer pijnigen. Toch wilde ze het staafje gebruiken. Ze legde ‘m op de binnenkant van mijn lip. Bewoog. Ik wilde haar op haar bek slaan. Pijnscheut na pijnscheut werd de aft ingestuurd en ik plaste bijna in mijn broek, zo zeer deed het.

“Het zijn er wel heel veel,” zei ze. “Dat moet zeer doen.”
“Het doet heel erg veel zeer.”
“Is er iets veranderd de afgelopen twee weken?”
“Nee, niet echt.”
“Nou, je dieet toch?” zei de taalnazi. Hij moest mee naar binnen omdat bejaarden en ik altijd iemand mee moet nemen die kan onthouden wat de dokter zegt. “Ze eet bijvoorbeeld helemaal geen vlees meer.”
“Ja omdat ik nu gezond eet, hoor,” zei ik.
“Geen vlees?” vroeg de dokter. Ze klonk verbaasd. “Vlees is gezond. Je moet wel echt vlees eten hoor. Of een vervanger. Wat heb je nog meer veranderd?”
“Nou, ’s avonds zette ik havermout met amandelmelk klaar in de koelkast. Dat at ik dan ’s ochtends met wat bosbessen. Samen met een zelf gemaakte smoothie natuurlijk. Had ik dan ook al klaargezet: komkommer, paprika en iets zoets. Naar mijn werk had ik dan noodlesoep mee, thuis had ik dan wat groenten gebakken en in tupperware meegenomen. Die deed ik op het werk er dan in. Of ik had een kikkererwtensalade van tevoren al gemaakt om mee te nemen. ’s Avonds maakte ik dan spaghetti van courgette ofzo en zalm. Of een soep van gele paprika’s met gember. Zoiets.”
“Dat is een hoop geplan,” zei de dokter.
“Ja en dan tussen het eten bereiden door ging ik dan hardlopen.” Ik glom van trots. “Drie keer per week moet dat.”
“Heb je ook weleens een koortslip?” vroeg ze.
“Ja,” zei ik. “Als ik gestressed ben en weinig weerstand heb.”
“Aften zijn eigenlijk net zoiets,” zei ze. “Heb je stress ervaren?”
“Nee, niet echt.”
“Nou,” zei de taalnazi. “Het is best dwangmatig allemaal.”
“Nee heel gezond juist toch!” Hoopvol keek ik naar de dokter.
“Het klinkt wel alsof het stressvol is,” zei ze. “Dat in combinatie met geen vlees eten… Ik denk dat het daar wel vandaan komt. Het is de manier waarop jouw lijf de stress uit.”
“Ja?” De aften in mijn mond knikken. Ik kijk naar mijn handen. Ze trillen een beetje. Mijn aften en mijn taalnazi hebben gelijk. Dwangmatig. Ja. Het is zo. Perfectie is mijn valkuil. Dwangmatigheid mijn middel.

De dokter schrijft me lidocaïne voor, een middel dat ik op de aften moet smeren dat ze plaatselijk verdoofd. Terwijl ze op een blaadje krabbelt, vraag ik me af waarom ik altijd zo doorsla. Jezus, waarom moet je altijd zo snél doorslaan, klinkt er meteen daarna. Het is een oordeel op mijn oordeel en dat is niet zen en daar word ik ook weer boos om. Compassie had ik mij ooit beloofd. Zeuren op jezelf haalt niks uit. Er is geen antwoord. Ik ben wie ik ben en als er dan een aftenleger zich in mijn mond stationeert, geeft dat eigenlijk niet. Er zijn vrouwen die doorslaan met eten, met sporten, waartegen niks of niemand ‘ho’ zegt. Er zijn vrouwen met anorexia en boulimia. Ik doe twee weken aan een obsessief dieet en zit vervolgens met een bloedbek vol aften. Dat is eigenlijk een zegen. Bedankt, zeg ik tegen de dokter, maar eigenlijk ook tegen mijn aften. En bedankt lidocaïne, want nu kan ik heel even zonder helse pijnen op een zacht bolletje kaas sabbelen.

Liegen

Liegen

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je even het verhaal van vorige week lezen.

Met nul gulden in mijn zak stond ik voor het tijdschriftenrek in de Edah. Om me heen deden vrouwen zakken chips in karretjes waar nog flippo’s in zaten, maar ik had alleen oog voor de Hitkrant. Tussen de Margriet en de Yes sierde Peter Andre de cover. Mijn Peter, zoals ik hem kende uit de clip van Mysterious girl: met ontbloot gebruind bovenlijf en zijn zwarte haar in dunne strengen gestyled. Het blad beloofde een ‘mega poster’ van mijn grote liefde en die had ik nog niet. Ik had alleen kleine plaatjes in het Peter Andre schriftje dat onder mijn kussen lag. De poster moest ik dus hebben, maar mijn zakgeld was op. Nog een keer keek ik om me heen. Niemand. Ik stapte naar het rek, deed de Hitkrant open; precies in het midden. Koelbloedig haalde ik de poster eruit en verstopte in ‘m onder mijn jas. Ik was klaar om de Edah uit te lopen, samen met Peter Andre.
“Jij hebt iets onder je jas,” zei een meneer in een rood-wit schort. De Edah kleuren.
Zonder aarzelen keek ik de man streng aan. “Nee hoor,” loog ik.
“Jawel. Ik heb het gezien,” hij wees naar een camera die gericht was op de tijdschriften.
“Ik heb niks,” zei ik zonder te knipperen. Glashard liegen. Ik wist niet dat ik het kon.
“Luister, ik ga zo terug naar de kantine en dan kijk ik of je het terug legt. Als je het teruglegt, is er niks aan de hand. Als je het niet terug legt, bel ik de politie.”
De man liep terug en trok de deur naar de kantine dicht.
Ik hield Peter Andre onder mijn jas vast en rende naar buiten.

Gewetenloos loog ik voor Peter Andre. Dat is wat je doet voor de liefde. Je liegt, ook al is het niet makkelijk. Je liegt in de liefde niet alleen op heroïsche momenten zoals hierboven beschreven, nee, als je echt van iemand houdt, lieg je ook als er minder op het spel staat. Vind ik. En dat is niet iedereen met me eens natuurlijk. In het leven en de liefde zijn twee soorten mensen: mensen die liegen verachtelijk vinden en mensen die hun handen niet omdraaien voor een leugentje. Ik ben een type 2. Sterker nog: wat mij betreft is liegen een belangrijk element in elke gezonde relatie.

In een gezonde relatie zijn twee soorten leugens nodig. De eerste soort is liegen vóór je partner. Dit zijn leugens die je verspreid ten bate van hem of haar. Ik loog bijvoorbeeld voor Peter Andre in de supermarkt. Als je de baas van je vriendin opbelt om te zeggen dat griep heeft, terwijl ze eigenlijk alleen PMS heeft en chocolade wil eten, lieg je voor haar. De telefoon van je vriend opnemen en tegen zijn moeder zeggen dat hij niet lekker is en morgen terugbelt (zodat hij nu ongestoord voetbal kan kijken) is ook een voorbeeld. Beiden gevallen verdienen misschien niet de schoonheidsprijs, maar ik vind het prijzenswaardig dat je dat voor elkaar over hebt.

De tweede soort leugens zijn leugens tegen je partner. Dit zijn leugens die je tegen hem of haar vertelt, zodat hij of zij zich niet beroerd voelt. Het is complexere materie omdat je zware en minder zware leugens hebt. Zware leugens (zoals liegen over het feit dat je jarenlang een affaire hebt met de buurman), daar heb ik het zelf ook niet zo op. Maar als je echt van iemand houdt, doe je wel aan lichte leugens. Je zegt bijvoorbeeld tegen je vriendin dat je haar tijdens het weekendje weg met je vrienden écht wel hebt gemist, terwijl je zo dronken bent geweest dat je niet eens meer wist dat je een vriendin had. Of wanneer je vriend zijn iele lijf in de spiegel bekijkt, zijn soort van biceps probeert aan te spannen en dan teleurgesteld vraagt of hij echt heel mager is… lieg jij: “natuurlijk niet, mager, hoe kom je erbij, je bent juist afgetraind. Je bent precies goed.”

Zo denk ik erover. Maar zoals ik al zei, er zijn twee typen mensen. En het ene type kan niet goed met het andere type. Twee jaar geleden ontwikkelde ik deze theorie. Voor mijn vriendje (en mezelf uiteraard) had ik een zwart lingerie setje gekocht met allerlei spannende frutsels eraan. Ik vond dat ik heel sexy was en probeerde ook zo naar hem te kijken. Het vriendje keek glazig terug en zei niks.
“En?” vroeg ik toen ik het koud begon te krijgen.
“Tja. Ik vind het allemaal een beetje,” hij schudde zijn hoofd terwijl hij zijn neus optrok. “Je lijkt wel zo’n gothic vrouw. Die vrouw van Within Temptation. Nee, dat werkt niet voor mij.”
Beteuterd deed ik mijn badjas aan. Ik wou dat het vriendje had gelogen en zei dat ook. Hij trok verbaasd zijn wenkbrauwen omhoog en zei dat hij nooit tegen me zou liegen. Nooit. Als je elkaar de waarheid niet kan vertellen, wat voor relatie heb je dan, vroeg hij. Een goede, dacht ik toen voor het eerst in mijn leven, maar dat zei ik niet. Wel zei ik dat hij thuis moest slapen.

Echte liefde bestaat dus bij de gratie om te willen liegen en deze jongen had die bereidheid niet. Omdat hij de wereld zag in zwart-wit: dingen zijn goed of fout, je vertelt de waarheid of je liegt en dan is het makkelijk kiezen. Maar zo zit de wereld niet elkaar. De wereld zit vol met grijze gebieden en je moet niet alleen morele overwegingen maken, maar ook menselijke. Kiezen is dan lastig en liegen soms onvermijdelijk. Je begrijpt, ik was genoodzaakt om de relatie te beëindigen (maar niet alleen om het liegen, het bleek een geiten-wollen-sokken-jongen die vegetarisch at: ik kan toch niet met een man zijn die liever stukken aubergine op de barbecue legt dan stukken koe? Bovendien had ‘ie nog nooit Mysterious Girl gehoord. En toen ik het liedje wel liet horen en meerapte: “Baby girl, I said tonight is your lucky night…”, zei hij dat hij ook dat niet sexy vond. Wat? Ok. Doei.).

Afgelopen weekend zag ik de geiten-wollen-sokken-jongen, na twee jaar. Hij liep in de stad met een meisje aan zijn hand. Hartstikke leuk, vond ik in eerste instantie. Maar toen ik dichterbij kwam, ging het knagen. Het meisje was prachtig. Een lichtbruine huid, amandelvormige ogen, een bos donker haar omlijste haar hoofd en daaronder een klein, tenger lijfje.
Even hoopte ik dat we dat ding zouden doen dat exen soms doen waarbij je elkaar wel ziet, maar uit een soort van vermenging van respect en ongemak elkaar negeert. Maar nee. Hij liep resoluut op me af en het meisje slingerde er achteraan.
“Hoi,” zei hij.
“Hoi,” glimlachte ik.
“Dit is Sheila,” hij wees naar het mooie meisje. “We zijn verloofd.”
“Hoi Sheila,” ik werd een beetje kortademig en stak mijn hand uit. “Gefeliciteerd. Super.”
“Hallo, aangenaam,” ze schudde mijn hand en toonde me haar lach. Ik voelde de warmte van haar af komen. Dit was een mooie, maar ook een lieve meid. Hoe kwam hij daaraan? Had ik de geiten-wollen-sokken-jongen toch niet moeten laten gaan?
“Heb jij ook eh…” gemaakt keek hij langs me heen. “Iemand?”
Zijn ogen fonkelden. Hij had er plezier in dat ik niemand had.
Ik voelde ongemak. Ik voelde schaamte en toen voelde ik: liefde. Ik dacht aan wat je over moet hebben voor liefde. In een goede relatie lieg je voor de ander. Ik lieg voor de liefde!
“Ja,” zei ik en hield mijn hoofd schuin van verliefdheid. “Dat heb ik zeker, maar je kent hem vast niet. Peter heet ‘ie, het is een muzikant.”

Zo. Dat is pas liefde. Zelfliefde 2.0.

Obsessie

Obsessie

“Ik hou van je,” hoor ik.
Ik heb een pyjamabroek aan met koeienprint en ben net uit bed geklommen. Mijn ochtendgezicht kijkt me vanuit de spiegel aan. Het zijn mijn eigen woorden. Ja, ik zeg hardop tegen mezelf dat ik van mij hou. En ik probeer te glimlachen terwijl ik het doe. Dan zie ik de haartjes onder mijn wenkbrauwen die ik nog moet epileren. Een mee-eter op mijn lip. Twee grijze haren in mijn lok. Ik verlaat mezelf en zet een kop thee.

Ik loop terug naar de slaapkamer en ga in een schommelstoel zitten met Slaap Lekker thee. Ook al is het ochtend. Het is de enige thee die ik in huis heb. Ik kijk naar mijn hoofd in de weerspiegeling van de ruit. De frons tussen mijn ogen die er nog niet zat toen ik op de basisschool zat is blijvend gebleken. Het moment dat ik met een pakje schoolmelk naar buiten keek terwijl de meester staartdelingen op het bord uitlegde, voelt als gisteren. Hoe kan het dat ik ineens een eigen huis heb, een eigen bedrijf, dat het mijn blauwe enveloppen zijn die op de deurmat vallen. Die frons tussen mijn ogen was er ook ineens. Het is mijn harde werken litteken. Veel is gelukt en dat heb ik aan mijn eigen harde werken te danken. “Wie hard werkt, komt vanzelf boven drijven,” zei mijn vader altijd.

Ik denk aan groep acht, toen ik mijn spreekbeurt over euthanasie deed. Dit is waar het begon. Ik had een paar flarden van een documentaire over euthanasie op televisie gezien en stond er onmiddellijk achter. 12 jaar was ik en euthanasie was mijn eerste obsessie. Ik kreeg een 9 voor mijn spreekbeurt, al weet ik niet zeker of de meester blij was dat heel groep acht nu alles wist over uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

In de brugklas was ik geobsedeerd door straatkinderen. Weken had ik onderzoek gedaan op het internet waar je nog voor moest inbellen. Ik wist alles over lijm snuiven in de riolen van Bangladesh en ik vertelde het in perfect Engels. Voor deze spreekbeurt kreeg ik een 10. Naarmate de jaren verstreken, veranderden de obsessies. Ik wilde op kamers, ook al was niemand in mijn familie het ermee eens, en dat lukte. Ik wilde uitgaan, werken en mijn bachelor in drie jaar halen en dat lukte. Tijdens mijn eerste baan wilde ik mezelf bewijzen door er zestig uur per week te werken en dat lukte. Ik wilde mensen die ik lief had en die het moeilijk hadden onvoorwaardelijk steunen en dat lukte. Ik wilde spreken op plechtigheden van verloren vrienden en dat lukte. Alles lukte. Ik werkte hard en wilde ook nog eens geen hulp. Want als je sterk bent, kun je het alleen. Ik wilde, ik wilde, ik wilde, ik wilde, ik werkte me de pest en het lukte. Elke obsessie werd beloond met een succes. Of nou ja, succes. Doelen werden bereikt.

Waar de obsessiedrang en het harde werken vandaan komt, weet ik niet. Het zit in mijn aard. Het zit in de maatschappij. Het zit in de stad waar ik vandaan kom misschien. Het zat in ieder geval niet in mijn ouders. Mijn ouders werden misselijk van ouders die hun kinderen afrekenden op hun schoolniveau. Ze hadden medelijden met pubers die nooit buiten mochten hangen met vrienden omdat ze moesten leren en zo met hakken over de sloot de havo doorliepen. Als je mavo haalt, zijn we trots op je, zeiden mijn ouders. Als je havo doet, zijn we dat ook. Atheneum is ook prima. Als je maar je best doet. Meer dan je best kun je niet doen, zeiden mijn ouders.

Ik denk dat het mijn karakter is, want ‘je best’ is voor mij alles geven. Geven tot je niet meer kunt. Mijn best is perfect in een zo’n kort mogelijke tijd. Het is een rare houding die ik mezelf heb aangeleerd. Obsessies komen eruit voort.

In eerste instantie gaf het niet. Ik had ambities en met heel hard werken is alles me gelukt. Ik werk hard nog steeds hard en veel lukt nog steeds. Ik kom rond, ik maak mooie verhalen, maar zit mezelf soms in de weg. Soms kan ik niet ontspannen, soms maak ik me zorgen over mijn schrijven en mijn oplossing is nog harder werken. Nog meer geobsedeerd zijn. Er moest een dag komen dat niet alles lukte.
“Je bent niet lief voor jezelf,” zei iemand gisteren tegen me toen ik vertelde dat ik mezelf voor mijn kop sloeg omdat ik zo weinig had geschreven deze week.
“Wat?” vroeg ik. “Lief zijn voor mezelf?” in mijn hoofd had ik mezelf net op mijn lazer gegeven en moest ik als straf vanavond tot middernacht schrijven.
“Ja. Zeg, hou jij eigenlijk wel van jezelf?” werd me gevraagd. “Hou jij van wie je bent?”

Nee, wat heb je daaraan dacht ik. Maar omdat het maatschappelijk wenselijke antwoord Ja, natuurlijk is, zei ik dat. Ik wil immers overal goed in zijn. Ook in zelfliefde. Zodra ik de kans had, kroop ik achter mijn laptop. Net als voor mijn spreekbeurten, deed ik onderzoek naar zelfliefde. Het bleek nogal een hot item te zijn. Als je niet van jezelf houdt, mis je de sleutel naar geluk en ontspanning, las ik. Er is ook een Dag van de Zelfliefde, waarin je met trainers aan de slag gaat om te leren baden in een bad van eigenwaarde. Zonder zelfliefde ben je als een puzzel waar een grote hap uit is genomen, vonden de sites.

Het bleek dat heel veel mensen het moeilijk vinden om van zichzelf te houden. Zelfliefde bleek ook een nogal ingrijpend iets om te realiseren. Ik voldoe aan slechts twee geboden van de tien geboden der zelfliefde. Dat wordt keihard werken. Op een van de sites stond dat je elke dag tegen jezelf moest zeggen dat je van jezelf houdt. Dus dat ben ik maar gaan doen. En je moet het menen. Je mag niet lachen, alleen glimlachen uit liefde.

Ik neem nog een slok van mijn Slaap Lekker thee en knik naar mezelf in de ruit. “Ik hou van je.” Ik probeer te glimlachen. Het lukt niet. Het hoofd in de ruit gelooft me niet. Haal nou eerst maar eens die mee-eter weg en epileer je wenkbrauwen en ga vanmiddag ook maar je haar verven. Dit is geen doen. En dan hebben we het nog weleens over houden van als je klaar bent. Hup. Aan het werk.