Vetrollen

Ik ben altijd een beetje dik geweest. Toen ik veertien was, was ik op m’n ergst. Ik zag eruit als een krentenbol op pootjes met vet haar. Mijn moeder had daarentegen altijd een perfect figuur. Mooie benen, slanke taille en goede borsten. Ze zeurde weleens over ouder worden en rimpels, maar nooit veel, want ze bleef er goed uit zien. Ze zag er beter uit dan ik.

Het was een oneerlijke situatie. Ik zag aan de moeders van Salima en Stephanie dat het de omgekeerde wereld was. Zij hadden dikke, verlopen moeders en dat vond ik goed, zo hoorde het. Dochters moeten knap en slank zijn, moeders uitgezakt en dik. Bij ons waren de rollen omgedraaid. Mijn moeder was mooi en slank, en ik dik en bepuist.

Inmiddels is het 15 jaar later en mijn moeder is met haar 62 lentes nog altijd een leuke vrouw. We spraken afgelopen weekend af in winkelcentrum Keizerswaard. Ze staat te wachten bij de HEMA. Haar haar is rood geverfd en met de krultang gestyled. Ze is goed opgemaakt en ook vandaag is haar outfit op kleur – blauw is het vandaag – doorgevoerd tot op haar sokken. De jaren zijn voorbij gegaan en ze werd ouder, maar zeker niet dikker. We drinken koffie.

“Ik moet wat nieuws kopen,” zegt mijn moeder. “Nieuwe kleren.”
Mijn moeder wil altijd wel nieuwe kleren, dus verbaasd ben ik niet.
Dan pakt ze met haar beide handen haar buik beet. Een vetrolletje. “Kijk eens!” roep ze terwijl ze het vet op en neer beweegt.
Ik kijk naar de bewegende vetrol die ik inderdaad nooit eerder zag.
“Ik word dik,” zegt ze. Haar toon zit tussen boos en verdrietig in.
“Zo,” zeg ik, meer niet. Eigenlijk voelt het een beetje alsof de wereld weer klopt, maar dat mag ik niet zeggen. Eindelijk – op haar 62e – heeft mijn moeder een minder goed figuur dan ik. Of nou ja. We hebben hetzelfde figuur. En ik ben 31.

Na de koffie rekenen we af en struinen we verder door Keizerswaard. We staan even stil bij een winkeltje dat Miss Jenny heet.
“Daar hoef ik nou niet meer naar binnen,” zegt ze beteuterd. Even blijft ze staan, aarzelend. Ze hoopt dat ik wel naar binnen wil, zodat ze mee kan.
“Nee,” zeg ik beslist. “Dat hoeft niet.” Ik werd altijd ziek van winkels als Miss Jenny. Ze verkopen enorm goedkope kleding; strakke truitjes van flutstof, broeken die ik niet eens over mijn kuiten krijg en veel kleding heeft glitters. Nu is mijn moeder niet van glitters en strak hoeft ook perse niet van haar, maar goedkoop wel. Mijn moeder is een koopjesjager en een broek is pas echt een geslaagde aankoop als hij minder dan zeven euro kost. Dus, ik moest vaak mee naar Miss Jenny maar nu hoe niet meer. We lopen verder.
“En hier?” Ik blijf staan bij M&S mode.
“Nee. Zo dik ben ik nu ook weer niet.” Ze wijst naar de plus size modellen in de etalage. Ze heeft gelijk, zo dik is ze nou ook weer niet.
“Hier dan?” Ik knik naar Vögele.
“Nee. Zo oud ben ik nu ook weer niet.” Ze haalt haar neus op voor de keurige pantalons in de rekken. Ze heeft gelijk, zo oud is ze nu ook weer niet.

“Laten we hier naar binnen gaan.” Voordat ik het weet, is ze me voor gegaan in de Cool Cat. Harde muziek komt ons tegemoet.
“Mam, dit is niets voor jou.”
“O nee? Waarom niet?” Ze struint door de rekken waarbij grote rode borden hangen met in witte letters ‘50% korting’ erop. “Het is uitverkoop!”
“Nee ma, alles is hier strak en stom.”
Ze neust in een rek met truitjes en haalt er eentje uit. Het is een lief truitje, blauw met bloemetjes. Het is een klein truitje. Te klein voor haar nu.
“Het is maat 40!” roept ze. Ze trekt aan beide kanten, maar echt veel groter wordt het niet. “Die pas ik nooit.”
Ik herinner me hoe ik me voelde toen ik 14 was en ik dingen wilde kopen die me niet stonden. Mijn moeder zit nu voor het eerst in haar leven in een soortgelijk pakket.
“Ik ben echt dik,” zegt ze terwijl ze ook de andere truitjes afkeurt, om vetroltechnische redenen.
“Ik ben ook dik,” zeg ik om haar te troosten. Ze hoort me niet, inmiddels is ze doorgelopen naar de broeken. Uit ervaring weet ik dat ze ook hier teleurgesteld zal worden en daarom grijp ik in.
“Mam, het maakt niet uit, kijk eens.” Ik pak met beide handen mijn vetrol vast en beweeg ‘m op en neer. “Ik ben ook dik!”
Mijn moeder kijkt naar mijn vetrol, dan naar mij en ze zegt zachtjes: “Maar dat was je toch altijd al?”

Ik lach. Om mijn moeder, om het feit dat ik in een winkel met mijn vetrol in mijn handen sta en om mijn moeders bizarre eerlijkheid. Ik heb het niet van een vreemde. Ik sla haar zachtjes op de schouder en zeg dan: “Bedankt ma.”
Geschrokken houdt ze haar hand voor haar mond. “Dat had ik niet zo bedoeld.”
“Het geeft niet,” zeg ik. Het geeft echt niet. Mijn moeder heeft mij door mijn puisterige puberjaren gesleept. Toen ik werd gepest, is ze naar het schoolplein gekomen om het jongetje terug te pesten. Toen ik wilde lijnen, hielp ze me met gezond eten. Toen mijn puisten weg moesten, ging ze met me mee naar de huisarts. En dan mijn lievelingsherinnering: toen ik het ’t meest nodig had, stonden er tussen de middag ineens een keertje frietjes op tafel. Gewoon, tussen de middag. Wat hield ik toen van haar. En wat doe ik dat nog steeds.
Ik steek mijn arm naar haar uit. We gaan iets leuks voor haar vinden dat ze past.
“Zullen we toch nog even bij Miss Jenny gaan kijken?” vraag ik.
“Vooruit.” En ze haakt haar arm in de mijne.

Zussen

Zussen

Op een grindpad ergens op een camping in Brabant liepen vijfentwintig jaar geleden twee meisjes. De ene was vier jaar, de ander negen. Die van vier had twee vlechtjes in haar haren en sleepte een geel eendje achter zich aan. Het meisje van negen had bruine knieën van het spelen in het bos en sleepte haar zusje achter haar aan. Deze grote zus liet geregeld haar vriendjes bij hun boomhut achter zodat ze die kleine even kon op zoeken. Om te kijken of alles nog goed was. Het was altijd goed, maar misschien kwam dat omdat de grote zus altijd op tijd kwam kijken. De zon stond laag terwijl ze doorstapten. De geur van moeders pannenkoeken kwam hen tegemoet. Het kleine meisje keek naar het grote meisje en hoopte dat het voor altijd zo zou blijven.

De grote zus is vandaag 35 jaar geworden en ondanks dat de zon een stuk minder fel schijnt dan toen op de camping, viert ze het buiten. Met jassen aan zitten de verjaardagsgasten in de tuin. Drinkend, lachend. Mijn grote zus houdt nog steeds van buiten zijn. Ze stookt het vuurtje op in de tuinkachel. Ik kijk naar haar terwijl ik slokjes van mijn wijn drink. Ik kijk naar haar haren, die net tot op haar schouders hangen. Auberginekleurig. Toen we naar de caravan liepen, waren haar haren bruin en had de kapper een pony geknipt. Haar haren hebben ook in een kuif gezeten. Daarna zijn ze met gel besmeurd en in een rode zakdoek gepropt. Haar kapsel is zwart geweest en rood en het is tot huilens toe weleens door een slechte thuiskapper verknipt. Ik was er om te zeggen dat haar kapsel leuk zat of dat het heus wel meeviel. En dat deed ze ook terug. Na een mislukte blondeerpoging riep ze ooit lachend tegen me: “Je lijkt Geert Wilders wel!” Daarna ging ik ook huilen en nam ze me mee naar de kapper.

Kapsels veranderen. Kleding verandert. Eetgewoonten veranderen. Aardappels veranderen in quinoa. Kinderen worden volwassenen. Ouders veranderen in mensen. Mensen worden moeders. Niks blijft zoals het is. Behalve mijn zus. Die werd volwassen, partner, moeder maar bleef voor mij altijd precies wat ze was. Mijn zus. En dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Bedankt dus zus, dat je op de camping de grote jongen een blauw oog sloeg die naar mij stenen had gegooid. Bedankt voor rugtekenen voor het slapen gaan. Bedankt voor het wegaaien van mijn buikkrampen toen ik voor het eerst ongesteld werd. Bedankt dat ik met jou mee uit mocht naar de Skihut, terwijl je me eigenlijk te jong vond. Bedankt dat ik bij je mocht huilen, terwijl jij ook verdrietig was om de scheiding. Bedankt dat je bij elk vriendje zei dat ik het wel echt met condoom moest doen. Bedankt dat je vertrouwen in me hebt. Bedankt dat je komt kijken als ik moet optreden. Bedankt dat je me kent. Bedankt dat je zegt dat ik moet doorbijten als er iemand de moeite waard is om lief te hebben. Bedankt dat je me accepteert. Bedankt dat ik mee mag op vakanties van jou en je gezin. Bedankt dat ik bij jou mag horen.

Mijn zus is veranderd. Van een stoere meid van negen jaar veranderde ze in een puber, in een drammer, in een lieverd, in een harde werker, in een oermoeder, zorgzame partner en nu is ze dat allemaal in één. Een vrouw van 35 jaar. Het vuurtje brandt, dus ze loopt de keuken in. Haar werk is nooit af. Ze komt terug met brood en kaasjes en seint met haar ogen dat ik een rondje drank moet doen. Ik doe het. Als haar dochtertje van bijna drie aan haar been hangt, zet ze de muziek aan. Die wil dansen. Ze danst met haar kleine zoals ze ook danste met mij toen we klein waren. Samen waren we klein. Er zijn herinneringen die alleen wij delen. Zij is de enige die ook weet hoe mijn moeders pannenkoeken vroeger roken, hoe zacht ons eerste hondje aanvoelde en met haar ogen dicht is zij de enige in de hele wereld die in een warme auto ook Celine Dion Destin in haar hoofd hoort zingen.

Ze is mijn enige link naar ons verleden, maar ook de enige constante factor in de toekomst. Ze zal er zijn als ik failliet ga, of als ik debuteer. Ze zal er zijn als de liefde me gelukkig maakt en ze zal me troosten als de liefde bij me weggaat. Ze zal er zijn om mee te lachen en om me bij te verstoppen. Dat mag ze ook bij mij. We zullen op elkaars kinderen passen en samen op vakantie gaan. We zullen eten en drinken en lijnen als het moet. We zullen verdriet delen als onze ouders sterven en als enigen herinneren hoe zij onze ouders waren. We zullen klagen over de overgang en ons afvragen waarom we nog steeds te weinig tijd hebben, ook al zijn we met pensioen. Ze zal altijd trots op me blijven. En ik op haar. Alles verandert, maar dat niet. Ik zal altijd naar haar kijken zoals die kleine naar die grote keek op de camping vijfentwintig jaar geleden.

We worden oud, zus. Maar gelukkig doen we het samen.

Seniorentoetje

Seniorentoetje

De bakjes met pepernoten in de kantine van het bejaardenhuis zijn bijna leeg. Op de pilaar bij het buffet hangt een affiche waar een oude prent van Sinterklaas op staat. Ik lees het niet. Dat er hier Sinterklaas wordt gevierd, lijkt me veel zeggen over de geestelijke gezondheid van de bewoners.
“Zullen we een kopje thee nemen?” vraagt mijn moeder.
“Is goed.” En zoals wordt verwacht als je in een bejaardenhuis bent, loopt de jongste naar het buffet als er ‘we’ wordt gezegd.

Sinds een paar weken proeven mijn moeder en ik de sfeer en pepernoten in dit bejaardenhuis. Volgens mijn moeder is het een woonzorgcentrum. Ze denkt erover om hier een appartementje te huren. In het 60+ gedeelte, dat wel. Want dit bejaardenhuis heeft ook een jongerenafdeling.

Ik zet twee kopjes thee neer. Groene voor mij en English breakfast voor mijn moeder. Om ons heen zitten negen bejaarden die ook hun portie middagthee drinken.
“Er zijn hier best wel wat oude mensen,” zeg ik.
“Wat geeft dat.” Mijn moeder pakt twee pepernoten uit het bakje. “Bejaarden zijn ook mensen.”

Mijn moeder is geen bejaarde. Mijn moeder is een vrouw van 62 jaar die haar kapsel verft met henna die ze bij ‘de turk’ koopt. Mijn moeder is niet ziek en ze heeft geen looprek. Mijn moeder heeft slechts zelden een loopneus. Mijn moeder is wel alleen, al tien jaar. Dat gebeurt als je gaat scheiden. En als je geen zin meer hebt in een man die de hele avond met zijn afstandsbediening in de handen zit, blijf je volgens haar alleen. Mijn moeder zegt dat niet nukkig of verbitterd. Ze hoeft echt geen man meer, maar alleen zijn vindt ze ook niet gezellig.

“Zullen we iets lekkers erbij nemen?” vraagt mijn moeder.
“Moet dat?” Ik merk dat ik zeik.
“Ja, dat moet.” Ze reikt me een bruin mapje aan waar uitgeprinte papiertjes in plastic hulzen zitten. Erwtensoep, een tosti, een bal gehakt, dame blanche.
“Ik weet het niet,” zeg ik. “Wat neem jij?”
“Ik neem dat seniorentoetje.” Ze grinnikt.
“Wat is dat?” vraag ik.
“Weet ik niet, ik ben benieuwd.”
“Dan neem ik een dame blanche.”

Aan het buffet geef ik onze toetjes door. De mensen om me heen hebben oude, stramme lijven. Lijnen in hun gezicht en niet van het lachen. Het valt niet mee om naar de bejaarden te kijken, ook al zijn ze aan het kaarten of aan het praten. Ook al leven ze wel. De vrouwen in de ruimte verven hun haar niet meer, ze zijn grijs. Hun haren zijn kort en krullen op de manier waarop het haar van ouderen altijd krult. Ze gebruiken waarschijnlijk een krultang. Ik vraag me af hoe lang het duurt voordat mijn moeder zich zal overgeven aan grijs haar en de krultang.

“Kijk eens ma.” Ik wijs naar het Sinterklaas affiche. “Moet je dat nou zien.”
“Leuk voor de kinderen toch?” zegt ze. “Of de kleinkinderen.”
Boven de prent staat in comic sans ‘Pakjesavond voor alle bewoners’.
“Het is niet voor de kleinkinderen,” antwoord ik.
“Nee?” vraagt ze.
“Nee.”
Even is mijn moeder van slag. Ze kijkt het bruine mapje weer in zonder te lezen.
“Dan zal ik vanavond eens mijn schoen zetten,” besluit ze.
“Mama, weet je het zeker?” zeg ik. “Weet je dit zeker?”
Mijn moeder knippert met haar ogen, zodat het nat verdwijnt.
“Ja, ik weet het zeker zegt ze.” Ze wrijft in haar ogen. “Zelfs huilen in je eentje is niet meer gezellig als je dat jaren hebt gedaan.”

De mevrouw die achter het buffet staat, komt de toetjes brengen. Ze wenst ons een smakelijk eten en mijn moeder bedankt. Ik kijk naar mijn dame blanche en dan naar het toetje van mijn moeder.
“Ha!” zegt ze en ze pakt haar lepel op.
Haar toetje bestaat uit vanille ijs, advocaat en slagroom.
Ik pak ook mijn lepel op en neem een hapje van haar seniorentoetje.
“Dat neem ik de volgende keer ook ma.”
Ze knipoogt. “Ze doen hier ook aan bingo en hebben clubs en klaverjassen. Ik hou van klaverjassen, wist je dat?”
Ineens ben ik onmetelijk trots op haar. Ik knipoog terug.
“En nou je eigen toetje opeten,” zegt ze.

Binnen de lijntjes kleuren

Binnen de lijntjes kleuren

Met het plan in mijn hoofd loop ik de boekenwinkel in. Er staan vijf mensen in de rij bij de kassa met een boek onder hun arm en ik tel zeven mensen die achterflappen lezen. Even kijk ik naar de vloer. Ik zou hier ook voor een boek moeten komen. Terwijl ik denk aan waar ik echt voor kom en of ik het echt moet kopen, gaat mijn wijsvinger langs verschillende titels. Ik zou Goeroe van Elfie Tromp moeten oppakken of Alles wat er was van Hanna Bervoets. Boeken van getalenteerde, jonge Nederlandse schrijfsters die me kunnen inspireren en waar ik van kan leren, die zou ik moeten kopen.

In de drukte zie ik zo niet meteen wat ik wil hebben. Wel zie ik een mevrouw met een rood t-shirt aan, de kleuren van de boekenwinkel. Met zweetdruppeltjes op haar bovenlip stopt ze geconcentreerd kaarten in rekken. Ze is een beetje te dik, heeft vanochtend haar haren met een krultang bewerkt en draagt blauwe ogenschaduw, maar geen mascara. Ze lijkt me lief. Aan haar durf ik het te vragen.
“Mevrouw,” fluister ik. “Heeft u het kleurboek voor volwassenen?”
De mevrouw grinnikt. Of misschien verbeeld ik me dat.
“Dat hebben we zeker, loop maar mee.”

Vroeger kleurde ik kleurboeken vol. Tekeningen van dieren waren mijn favoriet. Toen ik vier was kraste ik nog zonder rekening te houden met de lijnen: met een roze stift ging ik dwars door de oren van het konijn, naar het gras en weer naar boven waar een rondje het zonnetje was. Dat mag als je vier bent. Maar wanneer je vijf of zes bent, moet je binnen de lijntjes gaan tekenen. Dat is heel belangrijk. Iets later mogen je konijntjes ook niet meer roze zijn, een van de grote mensen vraagt dan of konijnen in het echt ook roze zijn. Je schudt je hoofd. “Nee he, nee,” zegt het grote mens dan en dit is de start van grijze konijnen in je kleurboek. En dan, dan gaat het binnen de lijntjes tekenen niet alleen meer over tekenen. Met mes en vork eten. Alsjeblieft en dankjewel zeggen. Het jurkje aandoen dat mama heeft klaargelegd. Iedereen verwacht dat je levensbreed binnen de lijntjes tekent.

De puberteit is de enige tijd dat je er tegen mag rebelleren. Je mag panty’s met gaten dragen, veel teveel eyeliner op doen en met je eigen kleedgeld jurken kopen waar men een hartverzakking van krijgt. Na de middelbare school moet je weer in het gareel. Voor mij is de rest van het leven een soort verlenging van de puberteit gebleken: ik kan niet meer binnen de lijntjes. Ik wil niet wat iedereen verwacht. Een koophuis met een tuin, een golden retriever die de wacht houdt of op z’n minst een kat en trouwen in de jurk die mijn moeder uitzoekt. Het is niet voor mij weggelegd.

“Hier liggen ze. Het kleurenboek voor volwassenen deel I en deel II,” zegt de mevrouw met blauwe oogschaduw. “Het schijnt goed te verkopen.”
Ik kijk naar de boeken. De lijntjes verwerpend. En toch. Snakkend naar de lijntjes.
“Ik zie het op Facebook ook steeds voorbij komen,” zeg ik tegen haar. En toen leek het me zo fijn. Even vrij. Even geen herkenbare verhalen schrijven maar wel met bijzondere woorden. Even geen nee zeggen tegen mensen die vinden dat ik een kat moet nemen, voor de structuur, of een vaste baan. Geen geworstel, gewoon kleuren. Even erbij horen en niet tegen de stroom in. Ik aai de vlinders die over de kaft vliegen.
“Wie koopt dit eigenlijk?” vraag ik.
“Nou, ik val even in vandaag,” zegt ze. “En dat vroeg ik m’n eigen dus ook af. Studenten die zich tijdens het college verveelden, dacht ik. Maar de eigenaar zegt dat heel veel mensen ze kopen. Veel verschillende ook. Van die gekke creatievelingen maar ook huismoeders.”
“Dus het is niet gek,” zeg ik. “Dat ik het misschien ga kopen.”
“Meid, wat is gek. Als jij het leuk vindt om te kleuren, dan kleur je toch. Lekker ontspannen.”

Altijd buiten de lijntjes kleuren is soms vermoeiend. Soms wil ik er ook een beetje binnen spelen. En ooit wil ik iets met meer lijnen. Nog steeds geen koophuizen met golden retrievers of katten. Een huishouden van Jan Steen gedeeld met een gekke creatieveling, een tekkel en een cactus op het nachtkastje zie ik wel zitten.
“Tien euro,” zegt ze en ze geeft me het boek aan. “Als jij er ontspannen van wordt, wat let je? Het is goedkoper dan therapie.”

Goedkoper dan therapie en als ik ooit wat meer lijnen wil, moet ik misschien af en toe een beetje oefenen. Ik loop naar de kassa, zeg zachtjes sorry tegen de boeken van Elfie en Hanna en leg het kleurboek op de toonbank. De mevrouw knipoogt. Thuis blader ik het boek door, op zoek naar dieren. Ha, daar zijn ze. Konijnen. Met een grijs potlood kleur ik er een paar in. Sommige maak ik zwart en ze lopen allemaal op groen gras. Het wordt rustig in mijn hoofd. De hele avond kleur ik konijnen grijs en zwart, maar er zal er altijd minstens eentje roze blijven.

Obsessie

Obsessie

“Ik hou van je,” hoor ik.
Ik heb een pyjamabroek aan met koeienprint en ben net uit bed geklommen. Mijn ochtendgezicht kijkt me vanuit de spiegel aan. Het zijn mijn eigen woorden. Ja, ik zeg hardop tegen mezelf dat ik van mij hou. En ik probeer te glimlachen terwijl ik het doe. Dan zie ik de haartjes onder mijn wenkbrauwen die ik nog moet epileren. Een mee-eter op mijn lip. Twee grijze haren in mijn lok. Ik verlaat mezelf en zet een kop thee.

Ik loop terug naar de slaapkamer en ga in een schommelstoel zitten met Slaap Lekker thee. Ook al is het ochtend. Het is de enige thee die ik in huis heb. Ik kijk naar mijn hoofd in de weerspiegeling van de ruit. De frons tussen mijn ogen die er nog niet zat toen ik op de basisschool zat is blijvend gebleken. Het moment dat ik met een pakje schoolmelk naar buiten keek terwijl de meester staartdelingen op het bord uitlegde, voelt als gisteren. Hoe kan het dat ik ineens een eigen huis heb, een eigen bedrijf, dat het mijn blauwe enveloppen zijn die op de deurmat vallen. Die frons tussen mijn ogen was er ook ineens. Het is mijn harde werken litteken. Veel is gelukt en dat heb ik aan mijn eigen harde werken te danken. “Wie hard werkt, komt vanzelf boven drijven,” zei mijn vader altijd.

Ik denk aan groep acht, toen ik mijn spreekbeurt over euthanasie deed. Dit is waar het begon. Ik had een paar flarden van een documentaire over euthanasie op televisie gezien en stond er onmiddellijk achter. 12 jaar was ik en euthanasie was mijn eerste obsessie. Ik kreeg een 9 voor mijn spreekbeurt, al weet ik niet zeker of de meester blij was dat heel groep acht nu alles wist over uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

In de brugklas was ik geobsedeerd door straatkinderen. Weken had ik onderzoek gedaan op het internet waar je nog voor moest inbellen. Ik wist alles over lijm snuiven in de riolen van Bangladesh en ik vertelde het in perfect Engels. Voor deze spreekbeurt kreeg ik een 10. Naarmate de jaren verstreken, veranderden de obsessies. Ik wilde op kamers, ook al was niemand in mijn familie het ermee eens, en dat lukte. Ik wilde uitgaan, werken en mijn bachelor in drie jaar halen en dat lukte. Tijdens mijn eerste baan wilde ik mezelf bewijzen door er zestig uur per week te werken en dat lukte. Ik wilde mensen die ik lief had en die het moeilijk hadden onvoorwaardelijk steunen en dat lukte. Ik wilde spreken op plechtigheden van verloren vrienden en dat lukte. Alles lukte. Ik werkte hard en wilde ook nog eens geen hulp. Want als je sterk bent, kun je het alleen. Ik wilde, ik wilde, ik wilde, ik wilde, ik werkte me de pest en het lukte. Elke obsessie werd beloond met een succes. Of nou ja, succes. Doelen werden bereikt.

Waar de obsessiedrang en het harde werken vandaan komt, weet ik niet. Het zit in mijn aard. Het zit in de maatschappij. Het zit in de stad waar ik vandaan kom misschien. Het zat in ieder geval niet in mijn ouders. Mijn ouders werden misselijk van ouders die hun kinderen afrekenden op hun schoolniveau. Ze hadden medelijden met pubers die nooit buiten mochten hangen met vrienden omdat ze moesten leren en zo met hakken over de sloot de havo doorliepen. Als je mavo haalt, zijn we trots op je, zeiden mijn ouders. Als je havo doet, zijn we dat ook. Atheneum is ook prima. Als je maar je best doet. Meer dan je best kun je niet doen, zeiden mijn ouders.

Ik denk dat het mijn karakter is, want ‘je best’ is voor mij alles geven. Geven tot je niet meer kunt. Mijn best is perfect in een zo’n kort mogelijke tijd. Het is een rare houding die ik mezelf heb aangeleerd. Obsessies komen eruit voort.

In eerste instantie gaf het niet. Ik had ambities en met heel hard werken is alles me gelukt. Ik werk hard nog steeds hard en veel lukt nog steeds. Ik kom rond, ik maak mooie verhalen, maar zit mezelf soms in de weg. Soms kan ik niet ontspannen, soms maak ik me zorgen over mijn schrijven en mijn oplossing is nog harder werken. Nog meer geobsedeerd zijn. Er moest een dag komen dat niet alles lukte.
“Je bent niet lief voor jezelf,” zei iemand gisteren tegen me toen ik vertelde dat ik mezelf voor mijn kop sloeg omdat ik zo weinig had geschreven deze week.
“Wat?” vroeg ik. “Lief zijn voor mezelf?” in mijn hoofd had ik mezelf net op mijn lazer gegeven en moest ik als straf vanavond tot middernacht schrijven.
“Ja. Zeg, hou jij eigenlijk wel van jezelf?” werd me gevraagd. “Hou jij van wie je bent?”

Nee, wat heb je daaraan dacht ik. Maar omdat het maatschappelijk wenselijke antwoord Ja, natuurlijk is, zei ik dat. Ik wil immers overal goed in zijn. Ook in zelfliefde. Zodra ik de kans had, kroop ik achter mijn laptop. Net als voor mijn spreekbeurten, deed ik onderzoek naar zelfliefde. Het bleek nogal een hot item te zijn. Als je niet van jezelf houdt, mis je de sleutel naar geluk en ontspanning, las ik. Er is ook een Dag van de Zelfliefde, waarin je met trainers aan de slag gaat om te leren baden in een bad van eigenwaarde. Zonder zelfliefde ben je als een puzzel waar een grote hap uit is genomen, vonden de sites.

Het bleek dat heel veel mensen het moeilijk vinden om van zichzelf te houden. Zelfliefde bleek ook een nogal ingrijpend iets om te realiseren. Ik voldoe aan slechts twee geboden van de tien geboden der zelfliefde. Dat wordt keihard werken. Op een van de sites stond dat je elke dag tegen jezelf moest zeggen dat je van jezelf houdt. Dus dat ben ik maar gaan doen. En je moet het menen. Je mag niet lachen, alleen glimlachen uit liefde.

Ik neem nog een slok van mijn Slaap Lekker thee en knik naar mezelf in de ruit. “Ik hou van je.” Ik probeer te glimlachen. Het lukt niet. Het hoofd in de ruit gelooft me niet. Haal nou eerst maar eens die mee-eter weg en epileer je wenkbrauwen en ga vanmiddag ook maar je haar verven. Dit is geen doen. En dan hebben we het nog weleens over houden van als je klaar bent. Hup. Aan het werk.

Meisje met rode haren – gastblog

Ik stel jullie graag voor aan Isabelle Smit (achtentwintig plus drie): gastblogger #2. Isabelle is een Rotterdammer pur sang die advertenties verkoopt en schrijft in haar vrije tijd. Haar verhalen kun je hier vinden. Voor Achtentwintiger schreef ze een stuk over de persoon die ze lange tijd haar beste vriend heeft kunnen noemen; haar vader.

Meisje met rode haren

Vandaag ben ik weer bij je in het Laurens Verpleeghuis aan de Nieuwe Binnenweg. De beste locatie denkbaar: tegenover mijn werk en schuin tegenover je tweede huis; Melief Bender, de oudste kroeg van Rotterdam. Hoewel het een mooi verpleeghuis is – voor hoever je het ‘mooi’ kunt noemen – blijf ik het een gekkenhuis vinden. Ik betreed de donkere hal die vol zit met bejaarden. De één kwijlt nog smakelozer en mompelt met nog meer consumptie dan de ander. Kunstgebitten klapperen, of liggen naast het hoofdkussen, in een smotsig glas met een bruistabletje. Zodra je door de eerste schuifdeuren heen bent, word je omringt door een geur van incontinentie, en ontbinding. Ze kunnen er ook niks aan doen, maar mijn maag draait zich toch nog een keer om. Wat blijft dit naar, ik voel me schuldig; dit kan ik een intelligente man als mijn vader toch niet aan doen.

Ik loop de gang in en zie je al zitten, op een smal houten bankje met je rollator voor je. Je draagt een grijze Hugo Boss coltrui; je hebt ze in de kleuren donker blauw, zwart en grijs. Sobere kleuren, passend bij je persoonlijkheid. Van onder draag je je nieuwe broek, een beige exemplaar van de H&M, vorige week heb ik deze voor je bij de plaatselijke naai-Turk korter laten maken.

Mijn vader is een nogal gedrongen mannetje, klein en dik, een kaboutertje met rode wangen. Liefkozend zou ik het een gezonde blos willen noemen, anderzijds is het gewoon couperose, ontstaan door jaren lang drank misbruik. Hij zou het prima doen in de tuin, met een rode punt muts en harkje in de hand.

Ik geef je een kus. “Zo Bellemuis,” zeg je, “Zullen we gaan eten?” Samen lopen we naar de kantine. Het is een lopend buffet, eigenlijk een rare benaming voor een plek waar de meesten, het zij rollend, strompelend, hinkelend, of soms zelfs liggend voor bij gaan.
Wat er onder de warmtelampen ligt ziet er meestal nog mistroostiger uit dan de patiënten zelf. Dit komt omdat alles zoutarm is, en koken voor grote groepen schijnt nogal een opgave te zijn. Je hebt menig discussie gevoerd om de dagelijkse prak wat meer jeu te geven, maar daar is helaas tot op heden nog geen gehoor aan gegeven. Vandaag kies je voor doperwtjes met worteltjes, en een saucijsje erbij, met van die schietaardappeltjes er naast. Je weet wel, die bij iedere poging, wanneer je je vork in deze aardappel probeert te prikken van je bord afrolt, met de textuur van een rotte kiezel, en bovendien ook nog eens melig smaakt.

Nadat je yoghurt op is, deze komt godzijdank gewoon uit een plastic verpakking van ‘t Boer’n land, lopen we naar de lift. Op de vierde verdieping stappen we uit, en slenteren we naar je slaapkamer. Het is een tweepersoonskamer, jouw bed staat tegen de muur. Je gaat erop zitten, terwijl ik ondertussen een blik werp in je kledingkast. Elke dag krijg je het voor elkaar er een nog grotere teringzooi ervan te maken. Gedwee zoek ik je vuile was weer bij elkaar. Een combinatie van pis, eten en snot zal er weer uitgewassen moeten worden. Met twee vingers probeer ik alles in mijn roze bloemetjes tas te moffelen.
Hoeveel ik ook van je houd, ik walg van dit klusje, je kunt er niks aan doen, dat weet ik. En toch, iedere dag gaat het mij steeds meer tegen staan.

Als je kleren allemaal in mijn tas zitten kom ik naast je op bed zitten.
Je bent vrolijk vandaag. Veel vrolijker dan de afgelopen week valt me op. Ik ben blij je weer te zien, en ik zeg het dit keer ook. Nog steeds heb je die godvergeten pijn, maar met mokken kom je er ook niet.
“Kom kabouter,” zeg je, “ik ga je veilig naar buiten brengen, dan kan je nog Goede tijden kijken.”

We gaan weer naar beneden. Onderweg passeert een schone dame ons. Een kort zwart rokje met een paar in zwarte panty gehulde benen en een paar fuck-me-boots is alles wat mijn vader ziet.
Op je Clarks versnel je het tempo om nog even van dit uitzicht te genieten.
Dan gaan we nog even zitten op het houten bankje bij de deur.
“En, is het wat?” vraag ik je, terwijl ik je ogen zie oplichten.
“Ik vind het een verademing tussen al die huidkleurige steunkousen.”
“Maar eerlijk, ik zie die benen toch wat steviger hoor.” En je knijpt mij liefkozend in mijn bovenbeen.
We geven elkaar een kus, en spreken af voor donderdag.
Met de vuile was aan mijn stuur stap ik op mijn roze fiets.

Op tijd voor de begin tune van GTST nestel ik mij op de bank, steek een sigaret op, en schenk mezelf een glas witte wijn in. Een rustig avondje ligt voor me, en met m’n benen languit kijk ik naar het Ja-woord van Ludo en Janine. Ik keutel wat na afloop, en stop de was met tas en al in de wasmachine. De ooit zo zwarte tas is inmiddels vaal en grijs van het vele mee wassen. Elke keer probeer ik tegen beter weten in de geur er uit te krijgen, maar deze is inmiddels tot in de stof doordrenkt. Ik schenk het wasmiddel in de daarbij behorende wasbol, en op dat moment gaat mijn telefoon.

Ik sta al te wachten als je vastgebonden op een brancard wordt binnengebracht. Ik hoor je kermende gegil, geluiden waarmee ik elke nacht wakker word. Als je dichterbij komt kijk ik in een paar glazige ogen, je ooit zo mooie blauwe ogen die ik als kind ook wilde. Nu zie ik enkel de pijn en wanhoop er in.

Je ligt links van de deur. Een zaal voor vier personen, de andere drie patiënten worden weggereden. “Is dit omdat…” Ik stik in mijn eigen woorden.
“Ja, houd er maar rekening mee.”
Ze doen nog wat onderzoeken met je, en meten je bloeddruk. Af en toe sla je met je armen om je heen.
En dan, dan verschijnt zij; de verpleegster van het uitzendbureau. Het embleem van de uitzendorganisatie is op haar witte pak gestikt. Ze heeft rood haar, een lelie blanke huid, en rode sproeten.
Ik grinnik in de wetenschap dat als je bij kennis zou zijn, je deze schone dame meteen je bed in zou sleuren, en je hand onder haar uniform zou verdwijnen, als de verleider die je ooit was. Deze rode engel draagt blauwe plastic handschoentjes waarmee ze nu mijn vaders hand begint te strelen. Je ziet hem zienderogen rustiger worden.
“Fuck it,” zegt ze en ze stroopt haar handschoenen af, “die zitten toch maar in de weg.” Met haar blote hand gaat ze verder met strelen, het is een van de liefste dingen die ik iemand ooit heb zien doen. Ze ontroert me.

Ik loop de gang op en barst in snikken uit, als ik wist dat dit onze laatste avond zou zijn, dan had Ludo twintig keer met Janine mogen trouwen, ik was bij je gebleven, al was het maar voor heel even.

Tanja

Vriendschap

“Hou je grote bek,” zegt Tanja. “Ik zweer het, beter ga jij je bek houden.” Tanja staat op het schoolplein, ze is groot en gezet en kijkt neer op Wart, de magere jongen die dus duidelijk zijn bek moet houden. Wart schold mij uit, zo kwam hij bij Tanja in de problemen. Tussen heel veel lelijke woorden door werd duidelijk dat Wart problemen had met mijn gebrek aan tieten en mijn overvloed aan puisten. Ik stond te bibberen en zei niks. Maar toen was er Tanja. Ineens stond ze er. Met een dreigende vinger die bijna Warts oogbal uit zijn hoofd lepelde, stond ze voor me in. Tanja. We waren veertien en ze was mijn beste vriendin.

Tanja was erbij toen ik op de kleuterschool van Sinterklaas een stom cadeau kreeg en ik vocht tegen mijn tranen. Ze was erbij toen ik geen gewone elastiekjes meer in mijn haar wilde, maar een roze wokkel. Ze was erbij toen ik in groep acht de hoofdrol in de musical aan mijn neus voorbij zag gaan. Elke schooldag was ze erbij. En elke dag aten we advocaatspritsjes. Mijn moeder wachtte ons op, met thee en een spritsje, omdat Tanja een moeder had zonder koekjes.

Op de middelbare school gingen we samen naar 1F: de mavo/havo klas. De nieuwe school, andere leraren, onze veranderende lijven, het viel ons allemaal zwaar, maar we hadden elkaar. En spritsjes natuurlijk. Tot de kerstvakantie aanbrak. Mijn ouders werden gebeld door school. Mijn vader glimlachte vanwege het nieuws dat door de hoorn tot hem kwam. Na dat gesprek moest ik even bij hen komen zitten. Hij vertelde me het goede nieuws. Ik huilde. Ik huilde hard en deed dat totdat ik in slaap viel. De volgende dag zag ik Tanja.
“Jij bent niet gebeld door school he?” vroeg ik.
“Nee, hoezo?”
“Ik moet na de kerstvakantie naar een andere klas.”
“Wat?”
“Ik moet naar de vwo klas.”
Haar ogen vulden zich met tranen. Mijn ogen waren al leeg gehuild.

Het vwo zou ons niet breken. We besloten bloedzusters te worden. Maar bij het zien het rode streepje vocht dat uit haar vinger liep, moest ik kokhalzen, dus we bezegelden ons zusterschap met een knuffel en de dagelijkse sprits. Het vwo paste bij me. De puisten gingen voorbij, Wart ook en ik hield van leren. Tanja hield niet van leren, wel van jongens, make-up en wiet. Ze zat op de mavo. Tanja kreeg vet haar, vond dat mooi en bond het in een staart op haar hoofd, waardoor ze een soort palmboom op haar schedel creëerde. Ik vond vet haar vies en had altijd een busje talkpoeder bij me voor als mijn haar net iets te vet werd. Vet haar, droog haar. Het maakte niks uit. Wij waren voor altijd.
“Kom je naar buiten?” riep Tanja vanuit de straat naar mijn raam dat open stond. Het was de avond voor mijn schoolexamen geschiedenis.
“Nee man, ik moet leren. Morgen examen.” Met de ‘man’ probeerde ik een beetje gangster over te komen, want Tanja was inmiddels het meest gangstere meisje van de school.
“Fuck dat. Ga gewoon mee. We gaan blowen.”
Fuck dat? Dacht ik. Fuck dat? Ik wil een goed cijfer halen voor dit examen.
“Ik kan niet, man. Studieshit en zo,” probeerde ik.
“Je bent saai geworden,” zei Tanja.
Ze stak een sigaret op en bleef naar boven kijken. Ik liep naar beneden, rookte voor het eerst in mijn leven een sigaret, ging weer naar boven om te kotsen en leerde verder. Voor het eerst, maakte het wat uit, dat we anders waren.

Tanja was eerder volwassen dan ik. Ze werd ontmaagd op haar zestiende, de leeftijd waarop ik mijn eerste zoen kreeg. Ze ging twee jaar later met vrienden naar Salou, ik ging op jeugdkamp in Drenthe. Tanja kreeg haar eerste baan toen ik naar de universiteit ging. Tanja stopte met blowen en kreeg een vriend. Ik wilde schrijver worden en ging op kamers. Ik had voor de eerste keer seks op de leeftijd dat Tanja een dochtertje kreeg. Ik kreeg een baan en Tanja besloot om nog maar twee dagen te werken.

Ze was gelukkig, ik was gelukkig, maar op een andere manier. De vriendschap werd minder, dan weer even meer. Maar we hadden het elkaar beloofd: wij waren voor altijd. Soms zagen we elkaar een paar maanden niet. En dan hadden we weer een opleving. Toen de all-you-can-eat-sushi restaurants in de mode kwamen, bijvoorbeeld, dat was tijdelijk onze gedeelde passie. Toen zij na haar eerste kind weer naar het café wilde, hadden we dat ook weer even. Maar de cafés waar ik naartoe ging, waren niet de cafés waar zij wilde zijn. En van teveel sushi eten, word je misselijk.

Ik vertel jullie dit vlak na het moment dat ik besefte dat ik Tanja twee jaar niet gezien heb. We zagen elkaar in het winkelcentrum, ze had een grote boodschappentas bij zich en haar dochtertje liep ernaast. Toen ik beter keek, zag ik een klein kindje in een draagzak op haar rug. Ik schrok. We hadden elkaar zo lang niet gezien, dat ik haar tweede zwangerschap niet eens had meegemaakt.
“Hoe is het?” vroeg ze. “Heb je al een boek geschreven?”
“Nee,” zei ik beschaamd. Haar droom was waar geworden, die van mij was nog ver weg.
“Hoe is het met jou?” vraag ik.
“Goed,” ze toonde een grote glimlach. “Ik hoef niet meer te werken.”
Dit was alles wat ze wou. Dit is wat haar gelukkig maakt. Nu had ze een jongen en een meisje en haar man had zo’n goede baan, dat ze thuis kon blijven. Mijn ogen liepen vol, door het gebrek aan begrip. Waarom wil je dit. Waarom wil je niet meer. Waarom wil je niet meer en zijn we niet nog steeds vrienden. We hadden toch afgesproken dat we voor altijd waren.

Haar ogen lachten, ze voelde de zwaarte niet van het gemis. Voor haar hoefde ‘voor altijd’ niet meer. Het dochtertje trok aan haar en mijn hoofd trok aan mij. Voor mij hoefde ‘voor altijd’ blijkbaar ook niet meer, anders had ik wel eerder contact met haar gezocht. De helft van ons leven waren we voor altijd geweest. Het is goed zo. We willen andere dingen en weet je, dat is eigenlijk goed. Want niet alles is voor altijd. Dag lieve Tanja, dacht ik. Ik keek even in haar boodschappentas. Er lagen advocaatspritsjes bovenop.