Zo’n liefde

Als ik de wachtkamer van de dokter in loop, hoor ik zacht gehuil. Vorige week had ik in mijn vinger gesneden, er moest een hechting in en nu moet die eruit. De wachtkamer is groot en de bankjes zijn leeg. Op één bankje na. Op die plek zit een vrouw van in de zestig te huilen, ze wordt omarmd door haar man. Hij wrijft zachtjes met zijn duim over haar bovenarm. De vrouw heeft een rood gezicht en dept haar tranen met een nat propje papier, dat ooit een zakdoekje was. Haar hoofd rust op de schouder van de man en af en toe verstopt ze haar gezicht in zijn nek. Hun handen met oude aderen zijn in elkaar verstrengeld en liggen op zijn knie. De vrouw huilt door merg en been. Ze huilt op zo’n manier dat ik het voel. Soms heb ik dat bij een kind ook. Wat een verdriet, denk ik dan. Zulk verdriet bij een oude vrouw zien, is extra droevig. 

Ik bedenk wat er kan zijn gebeurd. Wat ze van de dokter gehoord heeft, om zo van slag te zijn. Ik zie het stel zitten voor het bureau van de dokter. Zij nog niet huilend, hij nog niet over haar bovenarm wrijvend. Wel die handen op dezelfde manier verstrengeld op zijn knie.
U heeft Alzheimer, het spijt me.
U heeft kanker, uw borsten moeten eraf.
Nee, dat is niet wat de dokter zegt. De dokter kijkt hèm aan. Het is zijn ziekte. Dat moet het zijn. Hij heeft kanker en zij heeft verdriet. Er is tegen hem gezegd dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft en zij is bang. Dat is het.

Ik denk dat dit het is, omdat het bij mij zo zal zijn.

Als de hechting eruit is gehaald, loop ik terug naar de wachtkamer. De vrouw zit nu alleen, kijkt naar de vloer, een stille traan loopt over haar wang. Ik voel dat er ook bij mij tranen opkomen. Het zijn tranen voor mij. Tranen voor de liefde.
Ik loop naar haar toe, leg mijn hand op haar rug. ‘Mevrouw?’ zeg ik. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik wilde u even veel sterkte wensen.’
‘Dank je,’ zegt ze. ‘Wat lief.’
Ik klop op haar rug, ze begint heviger te snikken. ‘Zal ik even bij u komen zitten?’ vraag ik dan. ‘Tot uw man terug is?’
‘Ja,’ fluistert ze. Met haar propje veegt ze over haar ogen, ze zijn dik.
‘Gaat het een beetje?’ vraag ik. Domme vraag, maar ik vraag het.
‘Ik ben voor alles zo bang,’ zegt ze. ‘Voor alles.’
Ze kijkt naar haar handen. ‘Ik ben bang om naar de supermarkt te gaan, ik ben bang om naar de bakker te gaan, zelfs voor het uitlaten van de hond ben ik bang.’
Straatvrees. Och jee. Dat dat je nog op zo’n leeftijd kan overvallen. ‘Wat naar voor u zeg.’

Dan komt haar man binnen, hij blijft even voor ons staan en kijkt liefdevol naar zijn vrouw. Ik sta op. ‘Gaat u maar zitten.’
Dat doet hij, precies op dezelfde manier als net. De vrouw vouwt zich moeiteloos tegen hem aan, zo zitten deze mensen al jaren. Binnen, dat wel.
‘Hij heeft een paar maanden geleden een hartinfarct gehad begrijp je wel,’ zegt ze. ‘Hij was bijna dood.’
‘Och jee,’ zeg ik tegen de man. De man maakt een wegwuifgebaar met zijn hand, hij kijkt of het hartinfarct een bezoekje aan de bloemenboer was.
‘Bijna dood en nu kan ik hem niet alleen laten.’
Geen straatvrees, ziek van angst, ziek van liefde.
‘Ja, dat lijkt me heel moeilijk,’ zeg ik. ‘U bent natuurlijk bang dat er weer wat gebeurt.’
‘Nee,’ zegt de vrouw, ‘Nee, ja dat ook natuurlijk. Maar ik wil gewoon zo graag bij hem zijn.’
Ze tilt haar hoofd op, ze kijken elkaar aan. Hij doet zachtjes een pluk haar, nat van de tranen, achter haar oor. Hij glimlacht naar haar. Zij reageert met een snik.

‘Ik ben te kort bij hem geweest,’ zegt ze. ‘Zeventwintig jaar, we hebben alles gedeeld samen, kinderen, kleinkinderen, trouwpartijen, vakanties, mensen die dood gingen, er gingen ook zoveel mensen dood. Maar er is nog zoveel meer. Ik wil gewoon bij hem zijn. Hij mag nog niet dood.’ Ze pakt zijn hoofd beet en zoent hem. Het is een droge, harde zoen en ik moet huilen.
‘Ik begrijp het,’ zeg ik. ‘Wat mooi en verdrietig tegelijk.’
Dit zijn mensen die elkaar leerden kennen en die de mooie en de lelijke dingen aan elkaar lieten zien. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die van elkaar houden, zelfs als ze niet van elkaar houden. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die doorleven in elkaars leven, nadat ze zijn gestorven. Dat is iets waar ik niet aan wil denken.
De vrouw snuit haar neus.
Ik zeg zachtjes ‘dag’ tegen de man en wens de vrouw veel sterkte, dan loop ik naar buiten en ik huil. Eventjes, zachtjes. Omdat ik dit kan zijn. Omdat ik geloof dat ik zo’n liefde heb gevonden. Hij mag niet doodgaan, niet voor mij, niet na mij, nooit. Ik lach. Ik heb zo’n liefde.