Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Floortje

IMG_3062

Sinds kort heb ik een hond: Floortje. Floortje is eigenlijk de hond van mijn moeder, maar die kan niet meer voor haar zorgen. Floortje is eigenlijk ook geen hond, ze is meer een soort grote, harige rat die is opgevoed als een mensje.

Floortje mocht bij mijn moeder op bed slapen. ’s Ochtends at ze – net als mijn moeder – pap. Floortje hield niet van wandelen of buiten poepen. Floortje vond slagroomsoesjes heel erg lekker en Floortje luisterde niet als ze daar geen zin in had. Als ik op bezoek kwam, ging ze naast mijn moeder zitten en keek me aan. Bizar lang. Zonder te knipperen. Ik vond Floortje eigenlijk niet zo leuk.

Toch hoorde ze ineens bij mij (en ook een beetje bij de taalnazi natuurlijk). Vanaf het moment dat we haar aan een roze riempje meenamen en de taalnazi een half uur na thuiskomst haar eerst drol opruimde, hoorde ze bij ons. Het is nogal een verantwoordelijkheid. Ik moet haar eten geven en uitlaten, ik moet met haar spelen en haar opvoeden, ik moet voor haar zorgen.

Het tweede weekend dat Floortje bij ons was, lieten we haar alleen om naar een eetafspraak met vrienden in Amsterdam te gaan. Floortje had die dag nog niks binnen gedaan en ik vond het zielig om haar alleen te laten. ‘Het is een hond, schatje,’ zei de taalnazi. Ik keek naar haar, zij staarde terug zoals alleen zij kan en pieste toen voor me op de grond. ‘Floortje!’ riep ik boos. Ze kwispelde. We vertrokken.

De vrienden hadden pas een kindje gekregen. Nou ‘pas’, het kon al bijna fietsen maar ik ben nu eenmaal niet zo snel met die dingen. Ik was er nu in ieder geval en had versterking meegenomen. Ik keek naar het meisje dat in zo’n ding lag dat je met je voet kon wiegen en ik lachte ernaar. Het lachte terug en ik vond het wel aardig, maar ik werd er niet wild van. Ik vond het niet aandoenlijk. Sommige vrouwen veren op bij elk babyscheetje dat eruit komt, maar ik heb dat niet zo. De vrienden waren altijd net als ik geweest: zij waren ook mensen die niet perse kinderen wilden. Het meisje was een ongelukje. En nu waren ze dolblij met haar. Het meisje lachte en gromde, kotste en boerde en de vrienden lachten alleen. Verlekkerd. Ik zag het nu goed: mijn vrienden waren geen mensen meer, maar ouders. Ook nadat het meisje naar bed was, bleef ze eigenlijk in haar wiegding aanwezig. Kleine gesprekken over het meisje sijpelden langs de tafelpoot omhoog de grote mensen gesprekken in. Een moment viel het stil en de mama verontschuldigde zich. ‘We praten alleen maar over de baby, sorry. We hebben het er steeds over. We zijn echt geobsedeerd, ik geef het gewoon toe. Volledig geobsedeerd. Zou het ooit over gaan?’ Dat vond ik het meest aandoenlijke van de avond.

Toen we thuis kwamen, was Floortje intens gelukkig. Ze stond bij de deur te wachten en toen we binnen kwamen, draaide ze rondjes om zichzelf, zo blij was ze dat we er weer waren. Ik liep door naar de woonkamer, keek goed rond en aaide haar toen. Ze had niet binnen gepoept en dat vond ik eigenlijk heel erg knap van haar.

De weken gingen voorbij. Floortje luisterde beter. Floortje ging in haar mand liggen als dat van mij moest tijdens het eten. Floortje rende, Floortje vond wandelen leuk. Floortje poepte niet meer in de woonkamer. Floortje plaste nog alleen maar uit protest binnen als ze op bed wilde en dat niet mocht van de taalnazi. Floortje wilde me altijd zoenen in de ochtend. Floortje ging bij mij liggen op de bank, als ik alleen televisie keek. Floortje wachtte me altijd op bij de deur als ik thuis kwam.

Dit weekend was Floortje bij mijn schoonouders omdat ik weg was met vriendinnen.
Ik bel de taalnazi.
‘Hoi, ben je bij je ouders?’ vraag ik.
‘Ja.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Wat?’ Hij doet net of hij me niet goed verstaat.
‘Zeg nou gewoon.’
‘Het is je hondje.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Goed hoor,’ zegt hij dan, ‘het is goed met je hondje, schat.’
‘Mag ik d’r even?’ vraag ik.
‘Mag ik d’r even?!’ herhaalt hij.
‘Kun je me even op luidspreker zetten?’
‘Ja, hoor.’ Een zucht. ‘Je staat op luidspreker.’
‘Floooooooortje,’ roep ik op hoge toon. Even is het stil. ‘Wat doet ze?’ vraag ik. ‘Wat doet ze?’
‘Ze doet niks,’ zegt de taalnazi. ‘Ze is een hondje.’
‘Floooooooortje!’ doe ik weer. ‘Wat doet ze nu?’
‘Kijk nou,’ zegt de taalnazi. ‘Ze hoort je, ze kwispelt. Doe nog eens.’
‘Floooooooortje!’
Nu lacht hij. ‘Ja, haar oortjes gaan omhoog. Aaaah.’

En daar was het. Ik besefte het meteen. Een oergevoel waar ik me voor geneer omdat ik het over een hond heb, maar who cares, ik zeg het gewoon.
Floortje is mijn kindje. Ons ongelukje en we houden van haar.

Obsessie

Obsessie

“Ik hou van je,” hoor ik.
Ik heb een pyjamabroek aan met koeienprint en ben net uit bed geklommen. Mijn ochtendgezicht kijkt me vanuit de spiegel aan. Het zijn mijn eigen woorden. Ja, ik zeg hardop tegen mezelf dat ik van mij hou. En ik probeer te glimlachen terwijl ik het doe. Dan zie ik de haartjes onder mijn wenkbrauwen die ik nog moet epileren. Een mee-eter op mijn lip. Twee grijze haren in mijn lok. Ik verlaat mezelf en zet een kop thee.

Ik loop terug naar de slaapkamer en ga in een schommelstoel zitten met Slaap Lekker thee. Ook al is het ochtend. Het is de enige thee die ik in huis heb. Ik kijk naar mijn hoofd in de weerspiegeling van de ruit. De frons tussen mijn ogen die er nog niet zat toen ik op de basisschool zat is blijvend gebleken. Het moment dat ik met een pakje schoolmelk naar buiten keek terwijl de meester staartdelingen op het bord uitlegde, voelt als gisteren. Hoe kan het dat ik ineens een eigen huis heb, een eigen bedrijf, dat het mijn blauwe enveloppen zijn die op de deurmat vallen. Die frons tussen mijn ogen was er ook ineens. Het is mijn harde werken litteken. Veel is gelukt en dat heb ik aan mijn eigen harde werken te danken. “Wie hard werkt, komt vanzelf boven drijven,” zei mijn vader altijd.

Ik denk aan groep acht, toen ik mijn spreekbeurt over euthanasie deed. Dit is waar het begon. Ik had een paar flarden van een documentaire over euthanasie op televisie gezien en stond er onmiddellijk achter. 12 jaar was ik en euthanasie was mijn eerste obsessie. Ik kreeg een 9 voor mijn spreekbeurt, al weet ik niet zeker of de meester blij was dat heel groep acht nu alles wist over uitzichtloos en ondraaglijk lijden.

In de brugklas was ik geobsedeerd door straatkinderen. Weken had ik onderzoek gedaan op het internet waar je nog voor moest inbellen. Ik wist alles over lijm snuiven in de riolen van Bangladesh en ik vertelde het in perfect Engels. Voor deze spreekbeurt kreeg ik een 10. Naarmate de jaren verstreken, veranderden de obsessies. Ik wilde op kamers, ook al was niemand in mijn familie het ermee eens, en dat lukte. Ik wilde uitgaan, werken en mijn bachelor in drie jaar halen en dat lukte. Tijdens mijn eerste baan wilde ik mezelf bewijzen door er zestig uur per week te werken en dat lukte. Ik wilde mensen die ik lief had en die het moeilijk hadden onvoorwaardelijk steunen en dat lukte. Ik wilde spreken op plechtigheden van verloren vrienden en dat lukte. Alles lukte. Ik werkte hard en wilde ook nog eens geen hulp. Want als je sterk bent, kun je het alleen. Ik wilde, ik wilde, ik wilde, ik wilde, ik werkte me de pest en het lukte. Elke obsessie werd beloond met een succes. Of nou ja, succes. Doelen werden bereikt.

Waar de obsessiedrang en het harde werken vandaan komt, weet ik niet. Het zit in mijn aard. Het zit in de maatschappij. Het zit in de stad waar ik vandaan kom misschien. Het zat in ieder geval niet in mijn ouders. Mijn ouders werden misselijk van ouders die hun kinderen afrekenden op hun schoolniveau. Ze hadden medelijden met pubers die nooit buiten mochten hangen met vrienden omdat ze moesten leren en zo met hakken over de sloot de havo doorliepen. Als je mavo haalt, zijn we trots op je, zeiden mijn ouders. Als je havo doet, zijn we dat ook. Atheneum is ook prima. Als je maar je best doet. Meer dan je best kun je niet doen, zeiden mijn ouders.

Ik denk dat het mijn karakter is, want ‘je best’ is voor mij alles geven. Geven tot je niet meer kunt. Mijn best is perfect in een zo’n kort mogelijke tijd. Het is een rare houding die ik mezelf heb aangeleerd. Obsessies komen eruit voort.

In eerste instantie gaf het niet. Ik had ambities en met heel hard werken is alles me gelukt. Ik werk hard nog steeds hard en veel lukt nog steeds. Ik kom rond, ik maak mooie verhalen, maar zit mezelf soms in de weg. Soms kan ik niet ontspannen, soms maak ik me zorgen over mijn schrijven en mijn oplossing is nog harder werken. Nog meer geobsedeerd zijn. Er moest een dag komen dat niet alles lukte.
“Je bent niet lief voor jezelf,” zei iemand gisteren tegen me toen ik vertelde dat ik mezelf voor mijn kop sloeg omdat ik zo weinig had geschreven deze week.
“Wat?” vroeg ik. “Lief zijn voor mezelf?” in mijn hoofd had ik mezelf net op mijn lazer gegeven en moest ik als straf vanavond tot middernacht schrijven.
“Ja. Zeg, hou jij eigenlijk wel van jezelf?” werd me gevraagd. “Hou jij van wie je bent?”

Nee, wat heb je daaraan dacht ik. Maar omdat het maatschappelijk wenselijke antwoord Ja, natuurlijk is, zei ik dat. Ik wil immers overal goed in zijn. Ook in zelfliefde. Zodra ik de kans had, kroop ik achter mijn laptop. Net als voor mijn spreekbeurten, deed ik onderzoek naar zelfliefde. Het bleek nogal een hot item te zijn. Als je niet van jezelf houdt, mis je de sleutel naar geluk en ontspanning, las ik. Er is ook een Dag van de Zelfliefde, waarin je met trainers aan de slag gaat om te leren baden in een bad van eigenwaarde. Zonder zelfliefde ben je als een puzzel waar een grote hap uit is genomen, vonden de sites.

Het bleek dat heel veel mensen het moeilijk vinden om van zichzelf te houden. Zelfliefde bleek ook een nogal ingrijpend iets om te realiseren. Ik voldoe aan slechts twee geboden van de tien geboden der zelfliefde. Dat wordt keihard werken. Op een van de sites stond dat je elke dag tegen jezelf moest zeggen dat je van jezelf houdt. Dus dat ben ik maar gaan doen. En je moet het menen. Je mag niet lachen, alleen glimlachen uit liefde.

Ik neem nog een slok van mijn Slaap Lekker thee en knik naar mezelf in de ruit. “Ik hou van je.” Ik probeer te glimlachen. Het lukt niet. Het hoofd in de ruit gelooft me niet. Haal nou eerst maar eens die mee-eter weg en epileer je wenkbrauwen en ga vanmiddag ook maar je haar verven. Dit is geen doen. En dan hebben we het nog weleens over houden van als je klaar bent. Hup. Aan het werk.

Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.

Kerstmis

Kerstmis

Het is negen jaar geleden dat ik besloot dat kerst stom was. Dat ik vanaf zes december geen radio meer luisterde, dat ik zonder te kijken voorbij liep aan kerstetalages, dat ik de rode en witte lichtjes in de straten negeerde en ik geen kerstboom meer duldde. Ik besloot het. Kerst was stuk.

Als kind was ik anders. Waar mijn zus haar chocolade adventskalender in een week leeg at, volgde ik secuur de dagen, omdat ik kerst niet wilde bedriegen. Met m’n ouders versierden we de kerstboom met gouden en blauwe ballen. Altijd goud en blauw. Op kerstavond dronken we – met Feliz Navidad op repeat; het lievelingskerstlied van ons gezin – warme chocolademelk en mijn moeder bakte een tulband die wij mochten versieren met jam en vruchtenhagelslag. De volgende ochtend slopen m’n zus en ik voordat de wereld wakker werd naar beneden in onze pyjama’s, om aan de cadeautjes te voelen. We dronken jus d’orange uit wijnglazen en kregen een croissantje bij het ontbijt. Daarna kwamen de cadeaus, met koffie en een stukje tulband. Als kind was ik verliefd op kerst. En dat bleef. Naarmate ik ouder werd, veranderde er weinig, behalve dat de tulband niet met jam maar gekonfijt fruit werd versierd en de chocolademelk een scheutje rum kreeg.

Negen jaar geleden, in mei, toen het net lekkerder weer werd, gingen mijn ouders uit elkaar. Als je ouders scheidden als je 9 bent, krijg je een ‘kom eens even bij papa en mama zitten’ gesprek. Ik kreeg dat niet, want ik was 19. Het werd duidelijk dat de koek gewoon op was. Ik knikte. Soms hou je op met van elkaar houden en dan ga je uit elkaar. Logisch. Omdat ik 19 was, vond ik dat ik – in tegenstelling tot wanneer je 9 bent – niet stampvoetend weg mocht lopen, schreeuwend “Ik haat jullie!” Ik wilde het wel, maar deed het niet. Ik was immers 19.

De rest van het jaar was ik volwassen. Ik snapte het, vond het een goede beslissing, huilde niet; ik hield van mijn ouders ook al hielden zij niet meer van elkaar. Ik hielp waar ik kon. Toen de kerstperiode aanbrak, voelde ik dat iets of iemand het toch moest ontgelden. Ik koos kerst, misschien omdat dat maar een keer per jaar voorbij komt. De eerst kerst na de scheiding was ook de eerste dat ik op mezelf woonde. Op mijn studentenkamer had ik niks vermoedend een kerstboom neergezet en gouden en blauwe ballen gekocht. Ineens voelde ik het: kerst was er niet meer. Omdat thuis zoals ik het kende, er ook niet meer was. Ik gooide de ballen in de prullenbak en zette de kerstboom weg.

De aanloop naar Kerst had ik goed weten te vermijden in mijn eigen leven, maar ik zou toch gewoon de kerstdagen met mijn gezin doorbrengen. Daar kon ik niet omheen. Tijdens de kerst deden mijn ouders moeite om het gezellig te maken, om het samen te vieren. Ik had daar heel veel bewondering voor. Het was lief en knap van ze, maar klote tegelijk. Want kerst was voor mij stuk en ik kon er niks over zeggen. We waren er toch allemaal? Alle tradities voltrokken zich toch gewoon? Dus ik zei niks, maar van binnen stampvoette ik alsof ik 9 was. De de tulband smaakte niet. Ik wilde geen cadeautjes. Feliz Navidad kon ik niet meer horen.

“Koop dit jaar nou gewoon een kerstboom,” zei een vriend tegen me op tien december van dit jaar. “Probeer het.”
Ik ben een verbitterde, jonge vrouw geworden waarvan vrienden weten dat ze geen kerstliedjes op moeten zetten als ik op visite kom of chocolademelk moeten aanbieden.
“Nee,” zeg ik. “Ik wil het niet. Dat weet je toch.”
Ik vind dat ik niks hoef uit te leggen en dat ik niet gezellig hoef te zijn, ik vind dat ik het met kerst mag permitteren om helemaal mezelf te zijn, de kersthatende ik die ik ben tijdens deze tijd van het jaar. Daar heb je vrienden voor. Dat is toch de familie die je zelf kiest? Nou. Dit is het dus.
“Ik vind dat jij je er eens overheen moet zetten,” zegt de vriend resoluut. Ik merk dat hij zichzelf heeft voorgenomen om dit te zeggen. Misschien al jaren. Want ik heb het negen jaar vol gehouden, dit gedrag van iemand van 9 jaar in december. En mijn vrienden hebben het ook al negen jaar vol gehouden.
“Vind jij dat, joh?” vraag ik. “Vind jij dat ik weer Feliz Navidad moet luisteren en blauwe en gouden kerstballen in de boom moet hangen?”
“Ik vind dat het tijd is dat jij je eigen tradities maakt. Die van jou zijn.”
Mijn eigen tradities. Ik kijk voor me uit. Dat kan natuurlijk.
“Goud en blauw is toch uit de mode,” zegt hij.

Hij heeft gelijk.
Ik ben het ook aan hem verplicht. En aan mijn andere vrienden, mijn zus, mijn ouders. Zij kunnen er niks aan doen dat het anders liep dan ook zij hadden verwacht. Het leven loopt soms anders dan je wilt. Kerst loopt soms anders dan je wilt. Dus ik besloot dit jaar dat ik kerst niet meer stom vind. Voor het eerst. Ik heb een boom gekocht, een echte, eentje die je ruikt als je uit bed komt. Ik heb de meest rare kerstballen die je kunt vinden, erin gehangen. Apen, uilen, cupcakes, rozen, vogels, omdat het past bij mij. Ik maakte van het optuigen een kerstborrel met een vriendin. Rode wijn en kerstliedjes van Nick en Simon. Kerst is niet meer alleen een herinnering van vroeger, kerst is nu van mij. Kerst met vrienden, kerst met mezelf en kerst met het gezin. Het gezin dat misschien gebroken is, maar nog steeds een gezin is. We vieren het dit jaar met een tulband die zal smaken en met jus d’orange uit wijnglazen. Misschien met een beetje wodka erbij voor de moed.

Dit jaar koester ik oude tradities die zoet zijn en een beetje pijn doen, aangevuld met eigen gekkigheid. Ik zal altijd dankbaar zijn voor de kerst van mijn kinderjaren en neem mijn ouders’ tradities overal mee naartoe, met wie en waar ik kerst ook vier. Maar nu komt er een beetje van mijn eigen kerst bij. Want zelfs meisjes van 9 jaar worden een keertje achtentwintig.

Vrolijk kerstfeest, lieve lezers.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.