Angst is een slechte raadgever – gastblog

Met trots presenteert Achtentwintiger de gastschrijver van deze maand: filosoof, schrijver en taalnazi Luckie S. Delacroix. Luckie schrijft een column voor het online vrouwenblad Plein9, is redacteur bij het literaire magazine de Optimist en zijn debuutroman Johnny Cash Danst Nooit zal dit jaar nog in de schappen liggen. Voor Achtentwintiger verstopte hij zich een keer niet achter zijn gebroken personages, maar keerde hij zijn eigen gevoelsleven binnenste buiten. Dat dappere besluit resulteerde in een oprecht mooi verhaal.

Angst is een slechte raadgever

Te lang heb ik mij laten leiden door angst. Ik was bang om alleen te eindigen, bang om buiten de lijntjes te kleuren en bang om mezelf te zijn. Mijn omgeving greep iedere gelegenheid aan om duidelijk te maken dat ik als mezelf niet goed genoeg was. Ik moest iemand anders zijn. Iemand die past in een nieuwgebouwde koopwoning met een energielabel, iemand die zich als een fatsoenlijke buurman gedraagt op de buurtbarbecue en iemand die de hypoallergene Labradoodle een leuke uitvinding vindt.

Ik ben dat niet en ben dat ook nooit geweest. Omdat ik bang was alleen te eindigen, probeerde ik die rol te spelen. Op het dieptepunt van het laatste decennium had ik anderhalf jaar geen seks en dacht ik dat ik gek was. Letterlijk. Ik sprak eens in de week met een psychiater die vond dat ik psychotisch was. Mijn chaotische gedachten noemde hij wanen en hallucinaties. Nu was ik altijd al wel een beetje zwaar op de hand en verstrooid maar dat kwam dus omdat ik gek was. Ik vond het een hele aparte conclusie, zeker toen ik kennis maakte met de echte psychotische medemens. Ik was blijkbaar best wel ziek.

Ons zelfbeeld wordt gevormd door wat andere mensen van ons vinden. Hoe hard je ook probeert om je niks van die onbenullige meninkjes aan te trekken, je ontkomt daar niet aan. Het is een gegeven. Mijn ex dacht dat ik gek was, de psychiater bevestigde dat, en ik geloofde hen. Ik cultiveerde het zelfs en maakte het onderdeel van mijn identiteit. Het ging zo ver dat ik mijn overmatig drank en drugsgebruik classificeerde als zelfmedicatie en aan de antipsychotica ging.

Het ging niet beter met me, het ging anders, maar nog altijd even slecht. Het werd leeg in mijn hoofd. Ik werd toeschouwer van mijn eigen leven en de versie van mezelf die ze gecast hadden om de hoofdrol te spelen in dit achterlijke toneelstukje, zou liefde en geluk niet herkennen al stonden ze in zijn bek te zeiken. Ik haatte die flapdrol waar ik naar keek en dat moest veranderen. Mijn lenige brein was mijn grootste geschenk en de vrouw die bij me hoorde, zou dat begrijpen omdat ze zelf waarschijnlijk ook een beetje vreemd zou zijn.

Ik creëerde een situatie waarin het einde van mijn vervloekte bestaan onvermijdelijk zou zijn en na een regenachtige avond in oktober was ik plotseling verlost van alles. Ik was 31 en had niks meer. Geen huisje, geen boompje en een fret. Ik was ontheemd en losgeslagen maar voelde dat ik op het juiste pad was beland. Het viel allemaal op zijn plek en ik kreeg vrede met wie ik ben. Ik kleur nu eenmaal graag buiten de lijntjes, ben een beetje vreemd maar wel lekker, en dol op mijn lenige brein. Ik ben een intelligente subversieveling en bedacht dat ik dat altijd al wilde worden als ik later groot zou zijn. Ik moest mij niks aantrekken van bestaande conventies want die maakten me ongelukkig. Ik moest mijn eigen waarden scheppen dus deed ik dat en voor het eerst in jaren was ik gelukkig.

Nu werd het tijd om na te denken over wat de liefde, mits deze echt zou bestaan, me dan zou moeten bieden en iedere overdenking is voor mij een filosofische en iedere filosofische overpeinzing begint bij Plato op schoot. Ook de beschouwing over liefde. Plato beschrijft de liefde door de ogen van Aristofanes. Deze goede man, een schrijver van komedies, wordt op een mooie dag tijdens een diner gevraagd waarom de macht van de liefde zo groot is. Hij denkt een moment na, neemt een slok wijn en antwoordt dat ieder mens vroeger uit drie seksen bestond: de mannelijke, de vrouwelijke en een combinatie van die twee. De mens was volmaakt rond maar Zeus had ze doormidden gesneden en sindsdien zocht de ene helft wanhopig naar de andere. Het is de liefde die hen weer in hun oorspronkelijke gedaante bijeen brengt.

Ik vond het een prachtige gedachte om mijn zoektocht mee aan te vangen. Beetje zoet en sprookjesachtig maar desalniettemin schitterend in haar eenvoud. De mens heeft liefde nodig om compleet te zijn. De zoektocht naar antwoorden, naar de liefde, zou me veel nieuwe vragen brengen maar ook een aantal zachte eisen opleveren voor een liefde die ik waardig acht.

Ik geloof op de eerste plaats dat je niet kunt denken met je hart maar wel kunt voelen met je hoofd en met dat adagium wilde ik een dynamiek creëren die het samenzijn zou cultiveren zonder dat er een twee-eenheid werd gevormd. Samensmelten is een onnozel idee. Dat is helemaal niet nodig om een ‘wij’ te vormen. Twee sterke individuen die graag samenzijn en intimiteit delen, vormen de beste stelletjes omdat zij beseffen dat 1+1, 3 moet zijn.

Daarnaast bleken de mensen die zeiden dat ze vanaf de eerste donder, bliksem en slag, meteen zeker wisten dat ze nog lang en gelukkig zouden leven, vaak bange leugenaars die liefde op het eerste gezicht verzinnen om zichzelf mee voor de gek te houden. Als zij op die manier gelukkig zijn, hebben ze mijn zege maar voor mij werkt het anders. Natuurlijk moet de eerste indruk goed zijn maar wat volgt is minstens zo belangrijk. Als de kruitdampen van de eerste passievolle maanden opgedroogd zijn, moet er iets overblijven dat de moeite waard is om voor te vechten en dat kun je alleen herkennen als je er goed over nadenkt.

Ik vond iets waardevols op een plek waar ik er niet naar zocht en op een moment dat ik het niet verwachtte. Een nieuw persoon die ik mijn favoriet mag noemen, en die beter bij mij past dan de vorige nieuwe personen die ik mijn favoriet mocht noemen, want ik heb er ditmaal goed over nagedacht. Een vrouw die mij een completer mens maakt, die me stimuleert om beter te worden, een liefde waar ik iedere dag weer van geniet.

En weet je lief. Ik ben nergens goed voor, daar weet jij alles van. Maar ik kan van je houden, zoals niemand anders kan.

Gecharmeerd door Luckie? Begrijpelijk. Je kunt ‘m liken op Facebook en volgen op Twitter.

Lief meisje

Lief meisje

Lief meisje,

Op het moment dat ik dit schrijf, ben je er nog niet. Je papa is er ook nog niet. Sterker nog, ik weet niet eens of ik je krijg. Ik denk weleens aan je. Aan hoe je haartjes zullen ruiken als ik je voor het eerst vast heb en hoe je dan al kunt fronzen, net als je moeder. Ik zie je voor me met nat haar plat op je hoofd en een doorweekte jurk, trots wapperend met je diploma voor het reddingszwemmen. Poetsend en kokhalzend zit ik op de badkamervloer, omdat jij bij je eerste buikgriep niet wist dat je ook een teiltje mee moest nemen naar de wc. Ik denk aan hoe we samen de pil halen voor je acne, terwijl je ‘m eigenlijk wil hebben omdat je een vriendje hebt. En we allebei doen alsof ik dat niet weet. Ik denk ook aan het moment dat je beslist dat mama niet alles weet. Want dat moment komt. En dan, op dat laatste moment, geef ik je deze brief.

Want mama weet niet alles, maar veel weet ze wel. Zo weet ik dat jij je eigen fouten moet maken, want dat moest ik ook. Maar nu ik achtentwintig ben, wilde ik stiekem dat ik het advies van mijn ouders vaker ter harte had genomen, zodat ik wat minder hard was gevallen soms. Dus hierbij vertel ik alles wat je moet weten, als een kussen voor de val. Maar wel per brief, zodat je net kunt doen of je die wijsheid niet van je moeder hebt gekregen.

Ik zeg het niet omdat ik je moeder ben, maar gewoon omdat het zo is: je bent mooi. Je wilt vast steil haar als je krullen hebt en krullen als het steil is en je hebt ook zeker gehoord dat je net iets te dik bent of misschien te dun. Dat is allemaal onzin. Ik hoop dat ik vaak genoeg heb gezegd dat je mooi bent, maar niet zo vaak dat je het niet meer gelooft. Je bent precies zoals je moet zijn.

Ik heb je opgevoed om hard te werken. Om te gaan voor het beste en te vechten voor wat je wilt. Maar vecht niet te hard; niet tegen anderen, maar vooral niet tegen jezelf. En als je toch tegen jezelf aan het vechten bent (want dat zal je doen, je bent immers een kind van je moeder), sla dan niet te hard. Ik weet dat je alles meteen nu wilt of liever gisteren nog, maar geloof me, sommige dingen kosten tijd. Sommige banen moet je hebben overleefd om de juiste te vinden, sommige vriendjes (of vriendinnetjes) moet je gehad hebben om iemand te vinden zoals ik papa vond. In tegenstelling tot wat mensen zeggen, heelt tijd niet alle wonden, maar tijd laat wel alles groeien.

Omdat je wilt dat dingen sneller gaan dan het leven ze laat gebeuren, zal je beslissingen forceren. Doe dat, maar doe het bewust. Vraag advies aan anderen, neem het mee, maar maak uiteindelijk je eigen beslissing. Of je nu van studie wil wisselen of twijfelt over een lange reis of je verkering; doe je ogen dicht, haal diep adem en leg je handen op je buik. Je voelt wat het juiste besluit. Vertrouw erop. En anders mag je altijd weer thuis komen wonen.

Je moeder beoefent een creatief vak, misschien ambieer jij dat ook. Als dat zo is, wil ik dat je niet vergeet te falen. Alleen zo word je beter. Lange tijd was ik bang om niet goed genoeg te zijn en maakte ik liever niks dan dat ik mislukte. Maar uiteindelijk heb je dan ook niks. En dat schiet niet op. Onthoud: je bent echt zo goed als je droomt dat je bent, alleen moet je talent daar nog naartoe groeien. Dus. Maak. Faal. Rouw. Sta op. En vertrouw. Er is iets waarin jij heel goed zult zijn. Misschien wel de beste.

De liefde. Op het moment dat ik dit aan jou schrijf, weet ik er weinig van. Wat ik wel weet, is dat liefde ingewikkeld is en dat hoort zo. Zeker voor temperamentvolle vrouwen zoals ik en jij (denk ik) zijn. Mensen die zeggen: ‘als je het weet, dan weet je het en dan is het niet ingewikkeld,’ zijn gek. En je mag zeggen dat ik dat gezegd heb. Liefde kan altijd ingewikkeld zijn, ook met de juiste. Geef daarom ieder mens, iedere relatie; ruimte. Blijf in dat proces wel bij jezelf: vraag je af wat jíj voelt, ook in het spel dat liefde is. Dat spel is soms leuk, soms niet (mocht je ooit spelregels tegen komen, geef ze door aan mama). Wil je het spel spelen, speel dan, als je niet wilt spelen, doe het niet. Wat er ook gebeurt, volg je hart en heb geen spijt. Ik heb één jongen waar ik verliefd op was, nooit over mijn liefde voor hem verteld. Tot op de dag dat ik papa ontmoette, heb ik daar spijt van gehad. Ik wil niet dat je spijt hebt. Een verloren liefde is beter dan een nooit geprobeerde liefde.

Zoals je nu onderhand wel weet, heb ik een grotere mond dan goed voor me is. Althans, dat vinden mensen (waaronder papa soms vermoed ik). Maar die grote mond hoort bij mij, net zoals iets anders vreemds jou zal kenmerken. Verstop dat niet, maar wees oprecht. Mensen die ertoe doen, zullen van je houden als je oprecht bent, ook als er wat gekke randjes aan je zitten. Jij houdt van jou als je oprecht bent.

Kusjes

Mama

PS: Wil je niet zoveel WC papier gebruiken. Dat kost geld, weetjewel.

Op zoek naar de knuffelrebound II

Op zoek naar de knuffelrebound II

Voordat je deel II van dit verhaal leest, moet je eerst even deel I lezen.

Ik sta voor het raam van het café en druk met mijn wijsvinger m’n bril omhoog. Ik ben toch een beetje in de war van de zoektocht naar de reboundknuffel die zo start en duw mijn neus tegen het raam. Ik zie nog geen potentiële knuffelman, wel twee vrouwen van in de dertig die met hun rug tegen de bar leunen. De een heeft een kort, donkerbruin kapsel dat haar hoekige kaaklijn accentueert. Ze draagt een strakke spijkerbroek met bruine enkellaarsjes eronder en op de riem van haar broek valt een gebroken wit, los topje. In dezelfde bruine kleur als haar laarsjes, glijdt een ketting met een azuurblauwe steen langs haar sleutelbeen. Het lijntje boven haar ogen is kaarsrecht en haar nagels zijn op z’n Frans verzorgd. Alles klopt. Ze is mooi. Of ze mooi genoeg is voor vanavond, weet ze niet. Haar ogen zoeken. Naast haar staat een blonde variant. Net zo mooi gemaakt. In principe zien ze eruit alsof ze leuke vriendinnen zouden kunnen zijn. Alsof ze een fijne avond kunnen hebben. Alsof ze kunnen lachen om elkaars opmerkingen. Maar dat is niet wat ze doen. Ze kijken rond en vergeten elkaar. Ze zijn mooi, nemen kleine slokjes wijn en wachten.

“Ik wil dit niet,” zeg ik tegen m’n vriendin. “Ik wil terug naar huis, kaasjes eten, films kijken, scrabble spelen.”
“Nee. We gaan naar binnen.”
“Moet je nou kijken,” ik wijs naar de vrouwen die ooit ook meisjes van achtentwintig waren. “Die speuren de kroeg af naar een man.”
“Ja en als je nou niet naar binnen gaat, word jij ook zo.”
Dat was de juiste snaar. Ik wil niet zo zijn. Ik wil altijd in het café staan om te lachen met vrienden. Of om te huilen, dat is soms ook nodig. Maar niet om te wachten.
“Kom, we gaan een baard voor je zoeken.”
Ik doe de pootjes van mijn bril goed achter mijn oren en we gaan naar binnen. Om te zoeken maar niet zoals zij dat doen.

Ik krijg een wodka-7up van de vriendin en zij neemt een wijntje. We kijken en ik heb sjans. Veel. Ik weet niet of ik voor mannen aantrekkelijker ben door mijn bril of dat ik het nu gewoon daadwerkelijk zie als er oogcontact wordt gezocht, maar er is animo. Het doet me weinig. Ik glimlach veel maar naar niemand in het bijzonder.
“Ik ben trots op je,” zegt de vriendin.
“Ja hoor.”
“Ja en nu wordt het beloond. Kijk, een leuke baard voor je,” ze wijst.
“Mwah.”

Normaal vind ik ze leuk. Normaal vind ik jongens met baarden mannen. En dan heb ik het natuurlijk niet over de hipsterbaard. Nee, mijn baarden zijn mooi en stoer tegelijk en drinken donker bier. Ze hebben bruine of groene broeken aan met grote zakken, waar een hamer of tang uit kan komen zodat ze ter plekke alles kunnen repareren. Tafels, lampen, m’n hart. Baarden hebben mooie, grote mannenhanden die beschermen, borsthaar komt boven het t-shirt uit en ze houden van honden. Sommige baarden nemen hun oerman zijn iets te serieus en zijn daardoor een beetje onhygiënisch, maar dat vergeef ik ze, want zelf houd ik ook niet van schoonmaken en bij de baard voel ik me een meisje.

“Echt niet?” de vriendin is verbaasd. “Hij heeft ook nog eens een staart.”
“Niks aan.”
“Wil je nog wat drinken?”

Ik pak mijn drankje aan en bedenk dat de baarden niet beter worden. Ik vraag me af of een vroegtijdig stoppen met het rouwproces zou kunnen resulteren aseksualiteit. Nee. Het moet iets anders zijn. Een slokje wodka loopt door mijn keel en ik kijk nog één keer rond. Maar nu, neem ik me voor, scan ik de ruimte zonder de baarden. Misschien is dat het, moet ik me openstellen voor jongens zonder gezichtsbeharing. De baarden doen niet meer mee. Ik kijk. En zie een jongen die ik eigenlijk heel de tijd al zag, maar niet bekeek. Hij heeft zich twee dagen niet geschoren, maximaal. Een zwarte broek zonder zakken heeft ‘ie aan en aan zijn voeten zitten Nike air max. Hij draagt een zwart truitje zonder uitstekend borsthaar en daarop een Adidas jasje met paarse en roze accenten. Door zijn zwarte bril met hip montuur kijkt hij me aan. Hij trekt zijn mondhoek omhoog, ik doe het terug. En voordat we iets naar elkaar kunnen seinen, stapt zijn vriend in mijn gezichtsveld en begint een gesprek. Onze bebrilde ogen missen elkaar.

Even later staat hij aan de bar.
“20 seconds,” zegt mijn vriendin met een beetje Matt Damon.
“Je hebt gelijk. Misschien is de bril de nieuwe baard.”

Ik loop richting de bar.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds, hoor ik in mijn hoofd.
Ik ga naast hem staan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
De barmevrouw geeft hem zijn drie biertjes aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
Ik kijk hem aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
“Ik vind jou een leuke vent.”
Hij kijkt me aan, trekt een wenkbrauw op en loopt snel langs me heen.

“Goed geprobeerd,” zegt de vriendin als ik met een gebogen hoofd terug loop.
“Ja, goed geprobeerd. Misschien was het toch geen tijd,” ik doe mijn bril af.
“Misschien niet, maar je bent er wel uit geweest,” ze aait over mijn rug. “Zullen we lekker gaan? De zoektocht even opgeven?”
“Ja, ik ben moe.”

Ik trek mijn jas aan en loop richting de deur. De dames van in de dertig zijn ook nog alleen en lopen voor me het café uit. Ik vind het droevig dat ze zo mooi waren voor niks en wil ze bijna een knuffel geven. Maar zij zoeken natuurlijk ook naar een omhelzing van iemand iemand anders. Dan voel ik een kort, zacht tikje, van twee vingers misschien, op mijn schouder. Ik draai me om.
De baardloze, bebrilde man.
“Sorry,” zegt hij zachtjes. “Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, net. Dus zei ik maar niks. Stom. Maar, ja, ik vind jou ook een leuke vrouw.”
Wat leuk! Wil ik zeggen. Wil je mijn nummer? Wil ik zeggen.
“O,” is wat ik daadwerkelijk zeg.
Tja. Matt heeft niet vertelt wat je na die 20 seconds moet doen.

Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.

The Twilight Zone

The Twilight Zone

Ik kan het eigenlijk wel zeggen. Het is niet iets om je voor te schamen. Het is gewoon zo. Ik ben niet goed in de liefde. Nooit geweest ook.

Het begint al bij het flirten. Oogcontact: ik weet niet hoe lang ik kan kijken voordat het raar wordt (wat het dus vaak wordt). Eerste gesprek: ik kan zo zenuwachtig zijn dat ik praat over dingen die me zelf niet eens interesseren. Dus, vond een collega, je moet op date met iemand waarvan je van tevoren al weet dat het past. Ja. Graag. Ze wist iemand die perfect zou passen. Ik heb dat weleens eerder gedaan, een blind date met iemand die ‘perfect past’ en toen zat ik ineens tegenover een 15 jaar oudere man met vetkuif en cowboylaarzen en dacht ik… ‘ehm ja, wat zegt dit over mij?’ Deze keer moest het dus wel echt passen, zei ik tegen de collega. Ze beloofde het. Ik gooide twee wijntjes achterover en ging. Ik kwam het café in en zag een sympathieke, leuke, stoere man. Mijn type. Met mannenhanden en ronde billen. Dit kon ‘m niet zijn. Het was ‘m wel.

En dan is het Hallo zenuwen. We bestellen wat te drinken. Ik wodka 7-up, hij ijsthee. Vreemd.
Ik: “Hou je niet van drank?”
Hij: “Nou, niet zo eigenlijk.”
Ik: “O.”
Hij: “Jij wel?”
Ik: “Ja. Ik ben eigenlijk een drankorgel.”

Tegen de verwachtingen van de eerste zinnen in, werd het een leuke avond. Het werd een leuke week. Ondanks te pittige risotto, een dronken huilbui en het per ongeluk te vroeg praten over kindernamen, werd het een leuke maand. Hij vond mij leuk, ik hem. En dan. Dan kom ik in The Twilight Zone terecht. The Twilight Zone is dat deel van hetgeen dat je hebt met elkaar (want je durft het nog geen relatie te noemen) tussen de eerste maand en de echte verkering in. Voor velen is dat een leuke tijd. Voor mij niet, want in The Twilight Zone komt de denker in mij naar boven. De denker trekt alles in twijfel: elk gevoel, elke lach, elke aanraking, elke steek van vreugde of verdriet wordt geanalyseerd. Zo stranden startende relaties al voordat we voor het eerst hand in hand hebben kunnen lopen. Dat is wat ik doe (als ik geen labbekak tref), ik denk alles kapot. En dat heb ik tot nu toe altijd gedaan.

Aan een goede vriend vertel ik over het Twilight Zone probleem en de twijfels die ik inmiddels heb over mijn nieuwe vlam. Hij smst me soms twee dagen niet, hij kijkt af en toe naar me met een blik waar ik ‘een gek gevoel’ van krijg en niet op een positieve manier, hij maakt geen ontbijt en ik maak altijd wel ontbijt. De denker is los.

“Je bent een debiel,” zegt de vriend. De vriend is niet altijd even sympathiek. Wel altijd even eerlijk, “hoe lang heb je nu iets?”
“Een maand.”
“Een maand,” hij zucht. “Hou op en doe normaal. Onderga het gewoon. Je hebt teveel films gekeken.”
“Ja?”
“Je weet het de eerste paar maanden niet.”
“Je moet het toch meteen weten? Dat hoor je altijd: ‘Ik wist het meteen.'”
“Man, ik wist het na een half jaar nog niet.”
“Nee?”
“Nee. Ben je gek. Het begin is een hel.”
“Een hel? Waarom heeft niemand mij ooit eerder vertelt dat het begin een hel is?”
“Omdat we allemaal doen alsof we relaties uit de films hebben.”

Ik vraag drie stellen naar hun Twilight Zone. Het eerste stel had een jaar lang zoals zij het noemen het grote ‘Ik Weet Het Niet Gevoel’, het tweede stel is in de eerste drie maanden drie keer uit elkaar geweest en de vrouw uit het derde stel zegt: ‘meid, ik vond hem de eerste zeven weken niet eens aardig!’ De denker gaat even in zijn mand liggen.

“Vind je hem leuk?” vraagt de vriend.
“Ja.”
“Vind je hem knap?”
“Ja.”
“Vind je hem grappig?”
“Weet ik niet.”
“Ah, daar wringt het. Als jij iemand niet grappig vindt, kun je wel stoppen. Maar grappig zijn, kan komen, voor humor is ruimte nodig. Ben jij al grappig?”
“Nee. We zijn allebei niet grappig. Over de sms waren we hilarisch en nu is er niks meer te lachen.”
“Wachten.”
“Ik wil niet wachten. Ik wil niet passen en meten en denken en twijfelen en verliefd zijn en weer denken. Ik wil niet constant in mijn hoofd controleren of hij wel lacht om mijn grapjes en of ik wel genoeg voel.”
“Het is niet anders. Doorbijten. En wachten.”

Ik vraag me af of ik niet anders ben dan de stellen, dat ik Twilight Zones heb omdat het ‘m gewoon elke keer niet is. Misschien blijft bij de juiste The Twilight Zone achterwege. Dat is wat ik het liefste wil. Ik wil dat het meteen goed voelt en dat we The Twilight Zone overslaan. Na die eerste maand wil ik een briefje. Die hij stiekem overgeeft tijdens het tanden poetsen. “Wil je met mij verkering?” en dat ik dan “Ja” terugschrijf en dat we maar een hele korte Twilight Zone hebben. Maar dat kan niet. Ik moet wachten. En voor deze jongen wil ik het wachten wel proberen.

Benieuwd hoe dit afloopt?
Ik ook.

Doorkijken

Doorkijken

Als je vrijgezel bent, mis je weleens wat.
Je mist het dat iemand lief ‘t haar uit je gezicht aait.
Je mist het dat iemand je hand pakt omdat hij ziet dat je aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat jij iemands hand pakt omdat je ziet dat hij aan iets verdrietigs denkt.
Je mist het dat iemand zegt; “ga jij eens even op de bank zitten, je bent moe, ik ga iets voor je koken en ik weet precies wat je wilt”.

Soms mis ik dat ook allemaal niet. Maar soms wel. En soms zeg ik het: ik mis zo een iemand. Ik zei het gisteren. Tegen een vriendin die sinds haar eerste schooldag op de middelbare al met haar vriend is. Ze reageerde met: “Je kunt ‘m overal tegen komen,” toen wreef ze hard doch liefdevol met haar hand over de mijne en zei: “echt.” Meer mensen reageren op een dergelijke wijze. Ik heb het gevoel dat deze luisteraars denken dat ik antidepressiva slik om Het Grote Gemis te onderdrukken, terwijl ik dwangmatig verder zoek naar de vader van mijn kinderen. Even voor de duidelijkheid: dat is niet zo. Maar soms wil ik gewoon zeggen dat ik iemand mis. Soms wil ik ook zeggen dat ik niet begrijp wat de groene paprika in het paprika trio doet. Die vindt niemand lekker.

“Je kunt ‘m tegen komen in de Albert Heijn, je bent gek op vlees, misschien staat ie wel bij de vleeswaren. Of in het park, je houdt toch van mannen met honden, misschien moet jij ook een hond nemen en dat je elkaar dan daar ontmoet. Of misschien toch gewoon in de kroeg. Een kroegtijger past wel bij je.” De vriendin gaat – goed bedoeld – door met het benoemen van potentiële ontmoetingsplekken, terwijl ik bedenk dat ik het zat ben dat mensen potentiële ontmoetingsplekken opsommen. En dan, ineens, denk ik aan Timo. Typles Timo.

“Leg je vingers op het toetsenbord. Neem de basisposities in. Linkerwijsvinger op de F linkermiddelvinger op de d, linkerringvinger op de s en de linkerpink op de a. Tik f, f, r. Nog een keer. F, f, r. En doe dat zes keer.”
Ik was veertien en zat na schooltijd op typles. Niet veel ouders die op Zuid woonden, zagen ’t nut in van het kunnen typen met tien vingers, dus er waren weinig kinderen in het informaticalokaal. De coole kinderen zaten niet op typles. Behalve ik dan natuurlijk. Timo zat een paar stoelen rechts van me. Ik vond hem niet knap of stoer. Hij had een bril. Hij had een bril en die schoof hij een paar keer tijdens het typuur omhoog. Hij keek naar me. Ik keek naar hem. En dan voelde ik iets, iets dat ik niet kon beschrijven. Leuk vond ik ‘m niet. Dat kon niet, want hij was niet knap of stoer. We zaten niet bij dezelfde club, we hadden niet dezelfde stijl, we zaten niet in hetzelfde groepje, hij paste niet bij wat voor een soort jongen ik door de gangen wilde wandelen.

“Misschien moet je op een theatervereniging. Een jongen die aan toneel doet, zou ook goed bij je passen,” zegt de vriendin.
“Nee,” zeg ik ineens vastbesloten, “nee, nee, nee. We moeten ophouden met het waar. Ik moet kijken naar wie. Door het oordeel heen. Ik moet doorkijken.”
De vriendin zegt niks.
“Ik ben het dubbele van veertien, maar bekijk mannen nog steeds alsof ik in de pubertijd zit. Past hij bij mijn vrienden? Reageert hij op een zelfde manier op problemen? Vinden we hetzelfde leuk? Lacht hij ook om dat stomme filmpje van Lau en Tiny?
“Tja,” de vriendin lacht, “waarom doe je dat eigenlijk? Je eindigt toch altijd met iemand waarvan je het nooit zou hebben verwacht. Kijk maar naar mij en m’n vent.”
Ze heeft gelijk. Ik ben verbaasd.

Ik moet beter kijken en me laten verrassen. Misschien loopt er wel een vegetariër rond die geen hond maar een kat heeft, die nooit in de kroeg komt, toneel haat maar toch bij me past. Misschien verdienen de Typeles Timo’s van nu een kans. Openstellen dus. Voor nieuwe zienswijzen, andere reacties en nieuwe grappige internetfilmpjes. Al is dat eng. Om kwetsbaar te zijn, om de controle weg te geven. En dan moet ik ook nog eens hopen dat de Timo’s dat ook bij mij kunnen. Want ik pas niet makkelijk in elk plaatje; bij mij is doorkijken ook geen overbodige luxe.

Het leest als een klus. Maar stel je voor dat het lukt; dat doorkijken werkt. Dan kan ik straks niet soms meer iemand missen. Dan zit er straks ineens iemand in mijn huis die lief het haar uit m’n gezicht aait, die mijn hand pakt als hij ziet dat ik verdrietig ben en die weet dat wanneer ik moe ben… hij een spiegelei voor me moet bakken.

Maar, op één gebied zal ik niet doorkijken. Ik doe geen concessies wat de groene paprika betreft. Die moet hij ook uit het paprika trio willen.

Follow my blog with Bloglovin

De Labbekak

Labbekak

“Wat is die vent toch een vreselijke labbekak,” zegt mijn vader over een man die de sportkantine uitloopt. Ik ben zestien en hoor voor het eerst van mijn leven het woord labbekak. Ik vind het een fantastisch woord. Al weet ik niet wat het betekent.
“Waarom is die vent een labbekak?” vraag ik.
Heeft het iets te maken met z’n vieze haar, heeft de man net een slechte wedstrijd gespeeld of heeft ‘ie zweetvoeten?
“Moet je kijken,” zegt mijn vader met opgetrokken neus. Ik kijk en zie hoe de man openlijk flirt met andere vrouwen dan de zijne. Zijn hand streelt langzaam ruggen, zijn vingers halzen en zijn ogen fonkelen. Speels, maar beslist.

Een maand later zijn ze uit elkaar; zijn vrouw heeft de knoop doorgehakt. De relatie bleek al jaren in vervallen staat te verkeren en het geflirt forceerde het einde waar de man zelf niet voor durfde te zorgen. Gatsie, wat laf.
Ziehier, dit is de labbekak.

De jaren hierna, evolueerde de labbekak. Met de komst van de mobiele telefoon, had ‘ie ineens talloze, nieuwe labbekakkerige opties om een einde aan een relatie te maken. Toen ik zelf iets in de liefde ging doen, vanaf mijn 20e ongeveer, kwam ik deze nieuwe labbekak in het wild tegen. Veelvuldig. Een labbekakken top vier is op zijn plaats.

Op nummer 4. De jongen die me na een maand daten, het volgende whatsappte.
“Ik vind je echt heel leuk. Maar het was natuurlijk net uit met mijn vriendin, dat wisten we en je bent gewoon te leuk voor de rebound. Ik wil je niet als rebound. Ik wil ermee stoppen.”
Tja. Wat doe je daaraan? Niks. Je gelooft het, je zegt dat je het snapt en je huilt een beetje. Je kiest ervoor om het als compliment te zien. Tot je erachter komt dat hij drie maanden later weer aan de vriendin is. Goh. Leuk. En dan denk je: heeft er iemand een rebound voor mij?

Op nummer 3. Een jongen waar ik in december een paar dates mee had, maar die niks van zich liet horen de week rondom 31 december. Op 2 januari kreeg ik een sms.
“Sorry dat ik niks van me heb laten horen. Stom. Ik zweer je dat je op de lijst stond van mensen die ik met Oud en Nieuw een berichtje wilde sturen.”
Au. Ik had er toen al mee moeten stoppen. Maar dat deed ik niet en daarom staat hij nog een keer in de lijst.

Op nummer 2. De jongen van nummer 3.
Weer een sms. “Ik weet dat ik je nu al een paar dagen niks heb gestuurd en dat wil ik goed maken door het uit te leggen. Ik vind je echt een leuke meid en vind het gezellig om bier met je te drinken, maar ik heb niet de behoefte om daarna met je te zoenen (enzo). Dus wat denk je, gewoon een biertje als vrienden de volgende keer?”
Een simpele “ik vind je leuk, maar mis de vonk”, had genoeg geweest. Vooral door de ‘(enzo)’ ben ik door de grond gegaan.

Op nummer 1. Na twee maanden lief bij elkaar logeren, werd ik gebeld.
“Ik denk dat we gewoon niet bij elkaar passen. We moeten er een punt achter zetten.”
– “Maar… ik ben morgen jarig.”
“Shit. O ja, eh… dan heb ik niks gezegd.”

De labbekak. Meestal is het een man, soms is het een vrouw. Soms word je zelf een labbekak. Niet zo lang geleden, had ik een paar afspraakjes met een lieve jongen die Spa rood dronk. Hij was ook nog eens leuk en grappig, maar ik voelde ‘het’ niet. Hij zag ons al met grijs haar en de kleinkinderen op schoot aan bubbelwater zitten, dat voelde ik gewoon. Maar ik voelde het niet en kon het niet vertellen, wilde zijn hart niet breken. Dus ik smste niet terug toen hij me een bericht stuurde. Ik belde niet terug toen hij belde. Laf was het. Op een gegeven moment gaf hij het op. Dat is nu vier maanden geleden. Toen ik afgelopen vrijdagnacht aangeschoten door de stad liep, kwam ik hem tegen. Hij liep over de stoep mijn richting op, ik wist niet wat te doen en ongemak maakte zich van mij meester. Door het ongemak deed ik iets debiels. Ik deed mijn ogen dicht en liep zeker tien meter zo door, om oogcontact te vermijden. Toen ik mijn ogen open deed, was hij weg.

En dan ben je ineens niets beter dan de man met vies haar bij de sportkantine of dan de jongens van hierboven. Ik ben de ultieme labbekak en haal mijn neus op voor mezelf. Sorry, echt sorry, lieve jongen; als ik je de volgende keer zie, trakteer ik je op een groot excuus met Spa rood. En jongens 4, 3/2 en 1, ik begrijp jullie nu ook. Ongemak is a bitch. Slecht nieuws brengen wil niemand. Dus ik vergeef het jullie. Voor nu. Omdat ik mezelf wil vergeven. Maar labbekakkerig gedrag moet niet kunnen. Ik stop er nu mee. Ik beloof het. Beloven jullie het ook?