Proloog Dood ga je toch

 

Na drie en een half jaar bloed, zweet en schurft ben ik fucking trots op het manuscript dat er ligt. JAJAJA. Dood ga je toch is af. Voor zover zoiets af kan zijn natuurlijk. Op Facebook deed ik een oproep voor proeflezers en man wat waren er een hoop gegadigden. Ik heb er helaas maar drie nodig (anders word ik kierewiet)… dus ik heb alle namen in een hoed gegooid en zorgvuldig geloot. De drie ‘winnende’ proeflezers hebben het manuscript ontvangen. Voor iedereen die ook geïnteresseerd was, hier een tipje van de sluier… de proloog!

Op het toneel sneeuwt het nooit.
Spelers kunnen elkaar niet lachend op de slee door het theater trekken, of een sneeuwballengevecht houden. Op het toneel kan ik het niet laten sneeuwen en dat terwijl sneeuw de mooiste gemoedstoestand van het weer is. Koud en zacht tegelijk. Lief en kil.
Ik kijk om, mijn voetstappen vormen een spoor tot de voordeur van ons kleine huis. Marie & Elsie staat op het naambordje. Voordat ik naar binnen ga, steek ik mijn tong uit. Er vallen vlokken op. De sneeuw smelt, het smaakt naar alles. Naar buiten, naar vroeger, naar calippo’s alleen zonder de sinas. Ik steek mijn sleutel in het slot.

Het huis ruikt naar koffie, zo ruiken wij. Ik veeg mijn voeten, sneeuw valt van mijn laarzen op de mat. Ik snuif de warmte op en hoor het koffiedrinken in de woonkamer. Iemand roert kalm met een lepeltje in een kopje. Het is een ritme dat ik herken, maar dat ik hier bijna nooit hoor. Eén keer draait het lepeltje langzaam rond in het kopje. En terug. Nog een keer rond. En terug. Daarna wordt het lepeltje met één kordate tik op de rand van het kopje afgetikt. Een klein slokje volgt. Een zucht van ‘ah lekker, koffie’. Opa Adriaan is op visite en die komt nooit hier naartoe op visite. Nieuwsgierig blijf ik staan in de hal, stil.
‘Adriaan, de maffia zit toch niet achter je aan of zo?’ lacht mijn moeder ongemakkelijk.
Opa Adriaan steekt een shaggie aan. Mijn moeder begint in haar koffie te roeren. Eigenlijk roert ze niet, ze schraapt en schraapt en schraapt zelfs als al haar melk en suiker al is opgelost.
‘Ga je dood? Heb je kanker?’ Ze schraapt nog steeds. ‘Dat roken ook. Daar krijgt een mens kanker van. Als je kanker hebt, kun je het best zeggen. Ik ben zuster. Kanker is je niks om voor te schamen.’
‘Marie,’ zegt opa Adriaan op een kalme maar ferme toon. ‘Er zit niemand achter me aan, ik heb geen kanker, maar ik ben oud; morgen kan het afgelopen zijn. Je weet het niet. Ik wil dat de dingen geregeld zijn voor je moeder als ik er niet meer ben. En ik wil dat jij het regelt.’
Ik hang mijn jas op en veeg gesmolten sneeuw van mijn gezicht.
‘Elsie, ben jij dat?’ roept mijn moeder.
‘Ja.’
Ik doe mijn laarzen uit, zet ze netjes in de kast en loop naar binnen.
‘Koffie?’ Mijn moeder vraagt het wel, maar heeft geen antwoord nodig. Ze loopt naar de keuken. Ik ga naast opa Adriaan zitten en geef hem een kus op zijn wang. Hij ruikt naar opa.
Hij neemt een slokje koffie. We drinken allemaal koffie in onze familie. En we drinken het altijd. Eens zei iemand tegen mijn moeder: ‘Wat leuk dat jouw meiden koffie drinken. Die kinderen van mij willen alleen thee of gewoon koud water. Dat is toch ongezellig.’ Ik denk aan hoe mijn moeder het koffiecompliment aan ons vertelde. Ze lachte. Haar meiden waren altijd gezellig.
‘Wat komt u hier doen?’ vraag ik opa Adriaan.
Hij lacht en brengt het shaggie dat tussen de toppen van zijn gelige wijs- en middelvinger naar zijn mond. Hij neemt een haal en laat de rook door zijn longen gaan. Zo rookt hij al zijn hele leven.
‘Niks bijzonders, meid.’ Hij blaast de rook uit. ‘Niks bijzonders.’
‘Mag ik het niet weten?’
‘Hier.’ Mijn moeder zet een kopje koffie voor me neer. Zwart. Ik hoef niet te roeren.
Ze legt een pak roze koeken op tafel.
‘Het zijn gewoon zaken. Een testament, inlogcodes voor dat internetbankieren. Je oma kan niet computeren en ik vertrouw er niemand anders mee, behalve je moeder.’
Mijn moeder trekt haar mondhoeken omhoog.
Ik weet niet wat ik ervan moet denken.
‘Hé meid, kijk eens niet zo,’ zegt hij tegen me. ‘Ik ben niet dood en ik ga voorlopig nog niet dood ook.’ Hij knijpt me in mijn bovenbeen. ‘Je zit nog jaren met me opgescheept.’
Mijn moeder pakt de roze koeken op en haalt het plastic eraf.
‘Van de Aldi,’ zegt opa Adriaan. ‘Die heeft de allerlekkerste.’
‘Hoe weet jij dat nou?’ vraagt mijn moeder verbaasd.
‘Ik doe daar soms boodschappen. Ze hebben de lekkerste roze koeken en de lekkerste eiersalade trouwens ook.’
‘Zal je ma horen.’
‘Eigenlijk is het allemaal gekkigheid,’ zegt hij. ‘Ik hou van Sjaan, maar of je nou roze koeken van de Aldi eet, van de Albert Heijn of van de beste banketbakker van de stad, dood ga je toch.’
Hij pakt een roze koek en neemt een hap. ‘Ja, dit zijn echt de allerlekkerste.’

 

Aardappeleters

Aardappeleters

Met een bak quinoa op mijn schoot, staar ik in mijn werkkamer naar mijn prikborden. Quinoa is hip en gezond en op mijn prikborden hangen allerlei briefjes. Ze zijn door elkaar heen geprikt en sommigen kan ik niet eens meer lezen. Er staan dingen op als “Hoofdpersoon Elsie: wie is zij?” en “Proloog moet beter. Wat wil je zeggen?!” en “Tijs en Elsie steeds bijna seks maar toch steeds niet”. Het zijn allemaal briefjes die mij moeten helpen met het schrijven van mijn roman. Ik neem een hap quinoa, kauw er langzaam op en denk aan opgeven. Voor het schrijven van een roman zou het fijn zijn dat je ordelijk bent. Ik ben dat niet, vraag maar aan mijn moeder. Stiekem vind ik het niet heel erg dat het creatieve proces zo moeizaam is. Het is zoete waanzin. Ik vind het heel erg onhandig dat ik er een zooitje van maak, maar ik vind het ook – en ik schrijf dit op met een lichte zelfwalging – getuigen van artistiek zijn en bijzonder en ja… Wacht even, ik moet even naar de wc.

Inmiddels is het vier uur ’s middags en mijn personages zijn kapot van al mijn gedenk over hen. Ik moet aan de borrel. Niets dat je schrijversschizofrenie beter wegspoelt dan rode port. En dat doe ik in Bergen op Zoom deze vrijdag; een vriendin van mij viert daar haar verjaardag (omdat ze daar woont). Bergen op Zoom is een klein plaatsje waar je al snel bijzonder bent. Het is fijn om daar even naartoe te gaan, vanuit een stad als Rotterdam, die vele bijzondere mensen kent.

In Bergen op Zoom valt een onbekend gezicht snel op. Er wordt mij gevraagd wat ik doe. Ik vertel dat ik schrijf.
“Zo, dat lijkt me moeilijk,” zegt een meisje.
“Het is ook echt heel moeilijk,” zeg ik, blij dat iemand mijn worsteling erkend.
“Maar het is wel een echte passie,” zegt een ander. “Dat is bijzonder.”
“Ja,” zeg ik, blij dat iemand mijn bijzonderheid erkend.
“Wat is jouw passie?” vraag ik. Het meisje schudt verdrietig haar hoofd, ze heeft er geen. We doen een passie ronde in Bergen op Zoom. Weinig mensen hebben passies. Velen zijn daarover verdrietig. Ik vertel dat een passie hebben heus niet altijd leuk is. Dat je soms helemaal geen geld hebt of inspiratie en ik vertel over mijn prikborden. De mensen leven met me mee.

Eén jongen met krullend donker haar heeft nog niks gezegd. Ik vraag hem naar zijn passie, wachtend op een gelukzalig ‘ik heb er geen’.
“Aardappels,” zegt hij.
Ik lach heel hard.
“Echt waar,” zegt de jongen die Mees blijkt te heten. “Aardappels zijn mijn passie.”
“Dat meen je niet,” zeg ik. En ik denk aan de quinoa die bij mijn artistieke leven hoort.
“Jawel, dat meen ik wel. Later word ik boer en ga ik aardappels telen.”
Later word ik schrijver en ga ik boeken publiceren. Dat is wat ik altijd zeg.
“Maar, wat vind je daar dan leuk aan?” vraag ik.
“Het is gewoon mooi werk,” zegt Mees. “Ik studeer nu in Dronten tuin- en akkerbouw. Dat is een hele toffe opleiding, je leert van alles over de grond en over de gewassen en ook over marketing. Dat vind ik niet zo, maar toch.”
“Maar aardappels. Waarom aardappels?” vraag ik.
“Het is een mooi product. De plant behoort tot de nachtschadefamilie, dat weten weinig mensen,” zegt Mees. “Bovendien moet je goed nadenken wat je na de aardappel op het perceel laat groeien. Je kunt een aardappel maar een keer in de drie jaar oogsten. En na dat jaar, moet je iets anders zaaien.”
Ik ken de woorden ‘zaaien’ en ‘oogsten’ alleen metaforisch. Wat nachtschade betekent, weet ik helemaal niet. Mees lacht naar mij, alsof hij ziet dat ik het allemaal niet weet maar dat het niet geeft. Een passie die niet moeilijk is, wie had dat gedacht. Ik lach terug. Als hij niet 19 was, maar 29, had ik ‘m nu prompt op zijn mond gezoend.

De prikborden en mijn personages doemen op in mijn gedachten. Ook opgeven is terug. “Maar die aardappel he, die verdwijnt toch uiteindelijk,” probeer ik. “Iedereen eet tegenwoordig quinoa enzo.”
Nu is Mees degene die hard lacht. “Dat is een regelrechte hype. Uiteindelijk zijn we toch echt aardappeleters. Tegen de tijd dat ik ben afgestudeerd, is de quinoa weer voorbij.”
“Wanneer is dat?” vraag ik.
“Over twee jaar.”
Ik knik, loop naar de bar en bestel een rode port. Ik staar naar het rood in het glaasje. Elsie staat stampvoetend in mijn gedachten. Doe maar een cola, zeg ik tegen de barman en ik schuif de port terug. Ik adem in en sla het fris snel achterover. Ik moet terug; terug naar Rotterdam, terug naar mijn werkkamer. Ik moet mijn roman afschrijven voordat de quinoa weer uit de mode is.

Oma

Oma

Af en toe horen jullie van mij dat ik aan iets werk dat ooit een roman moet worden. En die roman gaat niet over daten of werk of het gebrek daaraan, nee het is een geheel fictief verhaal dat gaat over een kleindochter en haar oma. Omdat ik jullie toch graag iets zou willen laten lezen in de sfeer van het boek, schreef ik een korte column. En die korte column werd vorige week ook nog eens in de Metro geplaatst! Mocht je ‘m gemist hebben, de foto is het bewijs. Ik ben erg benieuwd wat jullie vinden.

Oma

Ze was altijd een vrouw van de wereld geweest. Met haar rode lippen nam ze kleine haaltjes van haar sigaretten. Het waren van die dunne, chique. Haar zwart omlijste ogen konden met ogen van een ieder ander praten, spelen. Het waren de rimpeltjes boven haar lippen die verraadden dat ze ouder was. Ze was net Joan Collins; mijn oma, alleen met rood haar.

Rotterdam was haar hele wereld. Niet omdat ze er zo van hield, nee, omdat mijn opa nergens anders naartoe wilde. Rotterdam was wereld zat. Oma maakte er jaren ruzie om en zei dan “Rotterdam vind ik geen reet aan.” Spanje moest het worden: een heerlijke temperatuur en flaneren op de boulevard. Oma was een vrouw die op tientallen boulevards had moeten flaneren in haar leven; ze was gemaakt om naar te fluiten. Maar opa dacht er niet aan. Het kon hem niet schelen dat iedereen naar Spanje ging, dat je daar van die wijn met vruchtjes kon drinken, dat je niet eens met het vliegtuig hoefde, maar ook met de bus kon. Hij vond het zonde van het geld, ze hadden er te hard voor gewerkt om dat geld zomaar in een zwembad te gooien.

Nu ze 71 jaar is, zit mijn oma in het bejaardenhuis. Van het geld waar ze zo hard voor hadden gewerkt, heeft opa een mooie begrafenis gekregen. Maar er is genoeg over en oma draagt nog steeds rode lippenstift. Laatst vergat ze wel water in het koffiezetapparaat te doen. Een brandgeur vulde de studio, dat was niet erg Joan Collins. En toen kon oma met een groep naar Calella. Met de bus.
“Zal ik het doen?” vroeg ze aan me.
Even twijfelde ik door de verbrande koffie, maar toen haar ogen ‘alsjeblieft’ zeiden, zei ik: “natuurlijk moet u het doen.”

Mijn oma reed door drie landen voordat ze wijn met vruchtjes dronk en na drie dagen werd er naar huis gebeld. “Ze verkeert in een staat waarin we niet voor haar veiligheid kunnen in staan. Samen met een begeleider vliegt ze naar huis.”
Het scheen niet goed te zijn om mensen met beginnende dementie in een nieuwe omgeving te plaatsen. Ze moest blijven waar het vertrouwd is, waar het goed is. Ze moest terug naar Rotterdam.

Toen oma terug kwam, was ze anders.
“Hoe heeft u het gehad?” vroeg ik.
“Calella vind ik geen reet aan,” zei ze en met een uitdrukkingloze blik keek ze het raam uit. Ik schonk haar een kopje koffie in. Gelukkig deed het koffiezetapparaat het nog wel.