Baby eendjes

Baby eendjes

Er zijn momenten dat je leven helemaal klopt. Tenminste, dat schijnt. Mensen hebben me verteld dat ze ‘nu pas echt gelukkig waren’ of dat ‘alle puzzelstukjes op hun plek vielen’. Ook gehoord: ‘Ik wist niet dat ik me zó zou kunnen voelen.’ Omdat ik zelf systematisch allerlei puzzelstukjes kwijt raak, per ongeluk stuk maak of gewoon weggooi, heb ik nooit ervaren hoe het is om een helemaal kloppend leven te hebben. Misschien dat ik daarom ook een pesthekel heb aan de mensen die wel ‘gelukkig’ zijn. Geluk. Ik stel me bij ‘geluk’ het einde van een romcom voor, waarbij een knappe man en ik zoenend voor een fontein in de zon staan, om te vieren dat ik de wereld van het Kwaad heb verlost en tegelijkertijd een Miss Universe verkiezing heb gewonnen.

Afgelopen zaterdag leek een dag als elke andere dag in mijn normale, matig gelukkige leven. Ik stond op de Groene Kruisweg in Rotterdam voor een rood stoplicht te wachten. Nog een uur en een kwartier en dan zou ik bij mijn taalnazi zijn. Het licht sprong op groen. Ik zette mijn voet op het gaspedaal en wachtte tot ik kon rijden. Niemand reed. Maar er was ook niemand die toeterde. Ik keek om me heen om te zien of ik deze matrixachtige ervaring kon verklaren. Het was immers Rotterdam. Hier toeteren we bijna al als het stoplicht nog op rood staat. Door mijn raam zag ik een man van middelbare leeftijd met kleine stapjes tussen de auto’s door rennen. Aan mijn passagierskant trippelde een mevrouw. Ze renden achter iets aan. Ik deed mijn deur open en keek naar de weg. Het waren eendjes. Baby eendjes. Ze renden tussen de auto’s door die wachtten voor een groen stoplicht. Het was een grappig en lief gezicht. Heel Rotterdam stond stil zodat deze eendjes gered zouden worden.

En plotseling schrok ik me helemaal de tering want mijn leven klopt. Ik hield nooit van babydiertjes en nu glimlachte ik om kleine eendjes. Terwijl de man en de vrouw achter de donzige baby’s aan renden, nam een gelukzalig gevoel bezit van mij. De zon begon te schijnen, ik hoorde een fontein spetteren, mijn hersenen zetten zelfs een zoetsappige liedje op. Daar waren de puzzelstukjes. Ik heb genoeg opdrachten om van te leven en tegelijkertijd kan ik aan mijn roman werken, ik heb een knappe vent die gek op me is, mijn familie is gezond en lief, mijn vrienden zijn te gek. Ik ben gelukkig, schoot er door mijn hoofd. Holy. Shit.

Omdat het gevoel van ‘gelukkig zijn’ in mijn ietwat verstoorde geest onmiddellijk een argwanende tegenreactie oproept, deed ik ter plekke een test. Terwijl de man en de vrouw geluiden tegen de eendjes maakten die ze ook tegen hun kat maken, maakte ik een lijstje van dingen in mijn hoofd die ik normaliter haatte.

Kattenfilmpjes. Haatte ik. Maar om deze foto moest ik wel erg lachen.
Geduld. Had ik nooit. Maar nu sta ik zelfs met tas en jas aan te wachten als hij toch nog even een potje moet schijten voordat we gaan.
Kinderen. Altijd een extreem ‘mwah’ gevoel bij gehad. Maar afgelopen woensdag liep ik met een grijns op mijn smoel van half tien tot half vijf met een kind van drie in de dierentuin.
Ikea. Geen haar op mijn hoofd die erover dacht om erheen te gaan. Maar gisteren hebben mijn moeder en ik er zelfs twee porties Zweedse ballen verorberd.
Babydiertjes. Tot ieders verontwaardiging raakte ik er nooit door vertederd. Maar nu stond ik op het punt om ook mee te doen in de actie ‘red de eendjes van de Groene Kruisweg’.

Gelukkig. Ja, dat ben ik dus. Word ik dan ook saai? Gaat dat bipolaire van me eraf? Word ik burgerlijk en gezapig? Het stoplicht was inmiddels weer op rood gegaan. De man en de vrouw maakten steeds meer geluiden. Geluiden die je maakt naar een paard, naar een hond en ik kan me zelfs voorstellen dat één van de geluiden past bij een fret. Maar er was geen geluid bij voor de eendjes. Die renden vrolijk door. Inmiddels had het stel wel bedacht dat het handiger zou zijn om de eendjes in te sluiten. De vrouw stond bij de voorkant van mijn auto, de man bij de achterkant. Terwijl alle automobilisten gebiologeerd naar het tafereel keken, bedacht ik dat ik iets moest doen wat me ongelukkig maakte. Gewoon, om het allemaal weer een beetje in evenwicht te brengen. Maar wat?

Ik deed mijn dashboardkastje open, op zoek naar een aanwijzing. De vrouw buiten slaakte een kreet, de man riep hard yes en ik zag in het kastje precies dat wat mij ongelukkig zou maken. Ik stopte de CD in de radio en wachtte tot hij begon te zingen.

In de verte spreekt een stem
Die ik herken van onze ruzies
Over kleine misverstanden
Over grote desillusies
En ik hoor de kille klanken
Van jouw ingehouden woede
Maar wat kan ik meer dan janken
Als ik dit niet kon vermoeden

Zoals ik van mezelf gewend was uit de tijd dat ik een matig gelukkig leven leidde, stroomde er onmiddellijk een traan over mijn wang bij het horen van Marco Borsato. Ik keek naar buiten. De man stak trots een baby eendje in de lucht. De vrouw hield er twee tegen haar borst. Blij keken ze het publiek in de auto’s aan. Het applaus bleef uit. Iedereen begon boos te toeteren en het stel rende terug naar hun auto. Ik glimlachte nog steeds, veegde een traan weg en zette Marco wat harder. Opgelucht haalde ik adem omdat ik wist dat ik altijd een beetje bipolair zal blijven. Mijn voet trapte het gaspedaal in. Nog een uur en een kwartier en de wereld is verlost van het Kwaad en ik heb de Miss Universe verkiezing gewonnen.

Als er een God is

Als er een god is

Een mevrouw van rond de 65 staat voor een kerk in België. Ze kijkt alsof ze moe is. Niet alleen van deze dag, maar van alle dagen die eraan vooraf gingen. In de ene hand heeft ze een droog broodje, in de andere een stuk kaas. Ze neemt een hap van het ene en daarna van het andere. Zonder te kijken naar wat ze in haar hand heeft. Wakend. Snel propt ze het naar binnen, omdat het moet.

Omdat het vakantie is en je in de vakantie dingen bekijkt die je thuis niet zult zien, loop ik de kerk in. Ik leef een leven zonder God, maar God, het is vakantie. En de stilte die in een kerk woont, overtreft elke meditatiesessie in welke yogaschool dan ook. Het is binnen bijna net zo koud als buiten. Toch zitten er in een hoek twee vrouwen met verwaaid haar te schuilen. Met zwarte jassen aan zitten ze dicht tegen elkaar. Ze zien eruit alsof zij ook brood en kaas eten zoals de mevrouw voor de kerk dat doet. Een van de dames rookt een shaggie. Stiekem. Twee andere bezoekers van de kerk wijzen afkeurend naar het rode, gloeiende puntje. Het doet de vrouwen niks. Het is te koud om je iets van een ander aan te trekken. Ik denk aan God. Als er een God is, gooit ze een dekentje op de vrouwen.

Ik ga zitten op de houten stoeltjes die niet gemaakt zijn voor lange sessies. Als er een God is, heeft ze het blijkbaar druk. Niemand zal hier lang blijven, behalve als je nergens anders mag zijn. Ik heb vakantie, dus ik blijf niet lang. Er moet nog gewinkeld en Belgisch bier gedronken. Ik zie de ramen waar in aqua blauw glas in lood verhalen zijn afgebeeld. Het is mooi, het heeft iets hips. De bloemen in de kerk zijn gesorteerd als rouwboeketten en de kaarsjes lijken van de Xenos te komen. Als er een God is, is ze geen interieurarchitect.

Als er een God is, ben jij nu bij haar tante Annie. Jij en zij kunnen het goed vinden, want net als God, was jij ook geen interieurarchitect, maar je hield wel van shaggies. Misschien hebben jij en God wel dezelfde gele vingertoppen van het draaien. Misschien luisteren jij en God wel samen naar Wooden Heart van Elvis en eten jullie witte puntjes met jong belegen kaas, jouw lievelings. Misschien lachen jullie samen tot je hoest van het roken. Want als er een God is, bestaat er waar jij nu bent, helemaal geen longkanker.

In het begin, drie jaar geleden, zag ik je grijze kat nog in de vensterbank liggen als ik langs je huis reed. Verwachtte ik je op de verjaardag van mijn zus. Liep ik langs je portiek en rook ik de geur van Kanis en Gunnik. Maar de laatste tijd denk ik niet meer aan je. Niet elke dag, zoals in het begin. Misschien niet eens elke week. De afgelopen tijd dacht ik niet eens aan je op speciale dagen. Niet met kerst en ook niet met Oud & Nieuw. Zelfs niet op de datum waarop jij vertrok. Maar soms ben je er ineens. Nu. Hier. In de kerk. Nu ik voel dat ik mijn mondhoeken naar beneden trek, precies zoals jij dat altijd deed.

De kaarsjes staan te wachten op een tafel. Ik overweeg er eentje voor mijn liefdesleven op te steken, maar als God zo’n slechte smaak heeft als deze kerk doet vermoeden, kan ze zich er beter niet mee bemoeien. Ik gooi vijftig cent in het daarvoor bestemde bakje en hoor je zeggen dat God een afzetter is. Ik denk dat ze lacht en je koffie bijschenkt. Het kaarsje steek ik aan en ik denk aan hoe ik je nog elke dag zou kunnen missen, als de snelheid van het leven me dat zou toelaten. Maar als er een God is, ben je daar beter op je plek. De wereld en haar maker kunnen wel wat oprechtheid gebruiken, wat Rotterdamse humor en wat van jouw zelf gebakken tulbandcake.

Als ik naar buiten loop, staat de mevrouw er nog steeds. Haar broodje is bijna op. Ze probeert haar leven voorbij te eten. Haar kaken gaan sneller. Hoe sneller ze eet, hoe korter ze leeft. De vrouw steekt de kaas in haar jaszak en loopt de kerk in. Ik kijk haar na. Mild belegen kaas, denk ik, dat krijgt u na dit leven. Als Annie en God wat voor je over laten.

Rondjes – Gastblog

Miguel Santos is een schrijver/dichter die woont, schrijft, blogt in en over Rotterdam. Hij is dan ook de huisdichter van het radiostation Open Rotterdam. In vriendenkringen wordt Miguel Santos vaker ‘de dichter’ dan ‘de schrijver’ genoemd. Toch debuteerde hij vorig jaar met zijn eerste roman, 71|71. Inmiddels is ook zijn eerste dichtbundel in de maak. Voor Achtentwintiger schreef Miguel Santos Rondjes, een verhaal over hoe taai het soms is om schrijver te zijn. Writersblock en zo. En jawel, dat levert een mooi schrijven op!

null

Ik schrik wakker van mijn telefoon. Een bericht. Waar het verhaal blijft. Ook al voel ik de toetsen van mijn laptoptoetsenbord in mijn voorhoofd gedrukt, op mijn scherm staat geen zinnig woord. Weer een bericht. Waar ik het gore lef vandaan heb gehaald om het een en ander in een verhaal te verwerken. Dat is al een jaar geleden, doei. Verwijderen, opzouten. Uit mijn speakers klinkt een nummer van Rob Zombie, Pussy Liquor, geloof ik. Heel erg Hank Moody, al zeg ik het zelf. Tot overmaat van ramp is mijn glas whisky omgestoten, zo over het boek ‘Toegetakeld door de liefde’ heen. Verdomme, het was bijna uit. Schoonmaken dan maar.
In de keuken gaat mijn telefoon weer over. Even overweeg ik om terug te lopen, maar toch blijf ik staan, bevroren bijna. Het rinkelen van mijn ringtone vult zowat het hele huis. Dan stopt het, halverwege een rinkel. Alsof iemand de stekker er uit trekt tijdens het bellen, heel gek is dat eigenlijk. Alsof je tijdens het bellen denkt, nou, laat maar. En dan gewoon ophangt.

Een paar uur eerder ben ik maar gaan wandelen, even een frisse neus halen. Opeens heb je het dan helemaal ontdekt, dat Dakpark in Rotterdam. Ideaal voor nachtelijke dwalingen als je geen inspiratie hebt. Of juist wel en dat je dat even moet kanaliseren. Helaas hebben meerdere mensen dan last van ‘IK MOET NAAR BUITEN WAAAAAAAA’-buien, waardoor je alsnog elke vijf meter iemand tegen komt. Toch is het dan donker genoeg om slechts vage schimmen te zien. Contouren van mensen in gewaden of het glimmen van leren jasjes. Maar na drie keer heen en weer geslenterd te hebben, is het wel weer mooi geweest. Je strijkt neer op een bankje, richting de havens en blaast eens rustig uit. Om vervolgens een pen en je notitieboekje uit je zak te halen, hopende dat je ideeën gaan borrelen.

Helaas. Het feit dat je de pubertijd, de adolescentie, de quarter-life-crisis én Club van 27 hebt overleefd, maakt je schrijfproces er niet anders op. Beter op. Of makkelijker. Nee, je bent voor het proza nog steeds afhankelijk van lopen, drinken, peinzen en naar een leeg beeldscherm zitten staren. Als je dat van tevoren had geweten was je nooit begonnen aan dat 28e levensjaar. Je wilt dan op zijn minst flitsende resultaten zien, net zo makkelijk als een lege plek op een bankje waar slechts een ander persoon op zit in plaats van twee moeders en acht kinderen. Dat opeens alles anders is, op een positieve manier. En niet de hele tijd je telefoon gaat als je net een momentje voor jezelf in hebt gelast.
‘Ja,’ zucht ik, ‘mag een mens niet even op de poepdoos zitten?’
‘Ahem. Goedemiddag meneer, spreek ik met-‘
Weg ermee. En die telefoon ook, gooi hem wel in de slaapkamer. Ook al lieg ik dat het gedrukt staat – ik sta immers nog in de keuken met een groot glas water tegen de whisky aangezien die nog steeds op is – hoeven zij dat nog niet te weten. Wie het ook mogen zijn. En als het echt belangrijk is, bellen ze vanzelf wel weer terug. Ga ik ondertussen even op de bank liggen, nadenken over het verhaal dat nog steeds niet af is.

In het park zag ik haar voor het eerst, met een boek en oordopjes in op de bank. Wat ze aan had die dag kan ik me niet meer herinneren, maar wel haar gezicht. Het lange, donkere haar dat voor haar gezicht viel. Telkens door haar hand er vandaan werd geveegd, maar dat haar had een eigen wil. Zoals de slangen op het hoofd van Medusa, maar dan in een flowerpowervariant. Van die bloemetjes uit het grasveld er in die vast zijn blijven haken toen ze er naakt doorheen rolde op een zonnige zomerzondagmiddag. Maar dat was mijn fantasie die de vrije loop nam. Mijn lijf daarentegen ging gewoon naar haar zitten. Mijn ogen brandden op haar wang, totdat ze het merkte en opkeek. De cavalerie bestaande uit mijn lippen, kaak en tong brachten de volgende woorden uit: ‘Lees je ook weleens bloemen?’ Daarop knipperde zij een met haar ogen, moest glimlachen en zei tenslotte: ‘De laatste tijd niet. Meer literatuur. En bladmuziek. Om muziek te maken. Maar eigenlijk kan dat ook zonder. Bladmuziek. Muziek maken.’ Bijtend op haar onderlip keek ze me strak aan, met een glimlach, dat wel. Op dat moment ketste haar neusring een straal zonlicht op en zo mijn linkeroog in. Even zag ik niets en zat ik als versteend, maar wilde rondjes rennen van geluk. Dit moest haar zijn, waarmee je oud wordt en in de weekenden langzame rondjes mee loop door elk park in de stad, te beginnen met dit park. Zelfs de zon was het er mee eens.
‘Lees je dan wel eens koffiekopjes,’ probeerde ik vervolgens.
‘Wat voor koffiekopjes?’
‘Kleine, ronde espressokopjes.’
‘De laatste tijd niet.’
‘Wil je het een keer proberen? Zal ik je helpen.’
‘Als jij eerst dit leest.’
Ze hield de opengeslagen kaft voor haar gezicht. Toegetakeld door de liefde. Als je zou geloven in voorbodes van rampspoed, dan zou dit er een zijn die me in het gezicht zou kunnen slaan. Als een baksteen op mijn hoofd had kunnen vallen. En dan neervallen. Niet dood, maar wel goed uit het veld geslagen.
‘En hoe laat ik je weten wat ik ervan vond,’ vroeg ik.
Het leek mij een zinnige vraag. Zij glimlachte mysterieus en haalde haar schouders op.
‘Ik loop hier vaker rond,’ antwoordde ze, stond op en begon te lopen.

Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht vol ongeloof dat deze ontmoeting deze wending nam. Toen ik mijn ogen opende was ze nergens te bekennen. Ik keek op mijn telefoon. Geen netwerk. Geen mensen om me heen. Geen flowerpower. Ik besloot maar een rondje te gaan lopen voordat ik weer verder zou proberen te gaan met mijn verhaal thuis. En dan een rondje whisky.

Zin in nog meer Miguel Santos? Check dan hier zijn site.

Rouwfasebehang

Rouwfasebehang

Je kent het vast wel. Dat moment dat een man en een vrouw met verfrollers in hun hand een muur staan te witten. Ze praten terwijl ze hun ogen op de muur gericht hebben. Er wordt gegiecheld. Per ongeluk komt er wat verf op haar lange haren terecht. Ze lacht en piekt een spatje verf naar de man. Hij grijnst en met zijn vinger witte vinger zet hij een streep op haar neus. Er ontstaat een romantisch verfgevecht dat eindigt met kleren die uitgaan en blote lijven onder de witte vegen. Ja, dat ken je vast wel.

Nou ik niet. Ik sta in mijn nieuwe huis een muur te witten en spat mijzelf lekker onder. Ik vergeet de latjes af te plakken zodat ik die weer moet schuren straks. Ik heb per ongeluk over het stopcontact heen geverfd. En ik heb mijn dure gympen aan. En dan. Wanneer ik de eerste laag erop heb zitten en van een afstandje kijk, denk ik. O. Mijn. God. Je kunt helemaal niet over behang heen verven.

Uit nijd prop ik een suikerwafel in mijn mond. Een manmens zou toch verdomd handig zijn nu. Niet alleen voor amoureuze verfmomenten. Nee, een manmens zou mij hebben verteld dat ik niet over dit behang heen kan verven. En hij zou antwoord hebben op allerlei vragen die tijdens het klussen in mij op komen. Hoe komt het dat ik geen heet water heb? Hoe zorg ik ervoor dat ik licht heb? Hoe doe ik een nieuw velletje papier om mijn schuurmachine? Wat is een kruiskopschroevendraaier?

Een dag later werden mijn spullen verhuisd. Een lichte depressie had zich ondertussen van mij meester gemaakt (ik at een half pak suikerwafels leeg), want dit mooie huis in Rotterdam (jawel!) had vier kamers. Die allemaal nog behangen waren met bloementjesbehang en onder de bloemen kwamen vogels en daaronder wit behang en daaronder lichtbruin behang. Hoe zou ik dit hele huis kunnen opknappen? Mijn vrienden en familie – voornamelijk bestaand uit vrouwmensen – probeerden mij te helpen. Zoals ze mij met veel dingen willen helpen. De vrouwmensen weten waarom ik geen verkering heb, ze weten hoe mijn meubels moeten komen te staan, wat voor raamdecoratie ik moet kiezen en ook wat ik moet doen met al die muren die niet verfbaar zijn.

De beste oplossing zou zijn: platen er tegenaan en dan stucen. Maar daar heb ik het geld niet voor. Dus, na lang beraad, veel koffie, veel aaien over mijn bol en ‘och och och wat haal je je toch op je hals’ (en nog meer suikerwafels, het pak is nu op), werd rouwfasebehang geopperd. Al het behang eraf en rouwfasebehang er tegenaan. En dat dan weer verven. Misschien kwam het doordat ik echt in een rouwfase zat en het heel normaal voelde dat daar behang bij hoorde, dat ik dacht dat je het zo zou schrijven. Maar toen Google vroeg of ik ‘Rauhfaser behang’ bedoelde, las dat logischer.

Nu kan ik je vertellen, Rauhfaser behang is de hel. Heb ik me laten vertellen, want ik kan natuurlijk niet behangen. Mijn schoonzus is bijna een hele dag met de keuken bezig geweest en ik heb haar minimaal twaalf keer tegen zichzelf horen zeggen “Ik kan behangen.” Ik geloof haar echt. Terwijl zij verder ging met het behang, dacht ik: ik kan twee dingen doen. Ik kan of echt in een rouwfase terecht komen of ik kan een soort vrouwelijke equivalent worden van Thomas van Eigen Huis en Tuin (da’s immers ook een Rotterdammer). Ik heb dus lopen kiezen voor het laatste.

Het was geen lastige keuze. Er viel namelijk niks te kiezen. Als je alleen leeft, sta je alleen voor klusmomenten. Al wilde ik niet klussen, ik wilde wachten op amoureuze verfmomenten. Op mannen die schroefjes uit de muur konden halen. Die muren konden schuren. Die licht brachten in de duisternis. Maar ik moest het zelf doen en dan houd ik ook niet van zeiken. Al youtubend heb ik mezelf door mijn huis geklust. Met een kruiskopschroevendraaier heb ik inmiddels alle latjes die de vorige bewoner tegen de grond had geschroefd, eruit gehaald. Met een geleende schuurmachine heb ik muren glad gemaakt (nadat er eerst 87 lagen behang onder vandaan gestoomd waren natuurlijk) en ik heb door de draadjes van de lamp te verbinden met de draadjes die uit het plafond bungelden, zelf voor licht gezorgd.

Nu is het echt mijn huis en we zijn beiden rouwfasevrij. Het is nog niet af, maar straks is het mooi en kan ik die vier kamers helemaal vullen met mijn vrouwmensen en af en toe een manmens natuurlijk. Amoureus of vriendschappelijk. Want een aantal van mijn mannelijke vrienden zijn er natuurlijk ook bij geweest. En gelukkig vinden die niks van dat ik geen verkering heb, hebben ze geen meningen over meubels, raamdecoratie of behang. Die manmensen vullen gewoon mijn ketel zodat ik warm water heb en maken microfoonpiemels van karton (zie foto). Dat is bijna even leuk als een verfgevecht. In ieder geval grappiger.

Mijn stad

Mijn stad

19 jaar was ik toen ik Rotterdam verliet. De stad waar mensen hun mouwen opstropen, waar je zegt wat je denkt. De stad waar mijn eerste vriendschappen geboren zijn, waar ik voor het eerst verliefd werd, waar ik mijn diploma haalde en waar ik na het uitgaan bij Jaffa kapsalon ging eten.

Rotterdam was mijn stad, maar toch wilde ik een nieuw avontuur. Ik ging naar Utrecht en op kamers. Utrecht, waar ik mijn eerste vriendje kreeg en mijn eerste baan. Waar mijn hart talloze keren werd gebroken en bier het heelde. Waar ik vrienden ontmoette op een steiger of stoep en waar ik zoveel meer mee deelde. Utrecht was van mij en werd ook mijn stad. Ik was er begonnen zonder hulp van anderen en was er groot geworden. Nu is het bijna tien jaar later en ben ik echt een van de grote mensen, zoals je vroeger altijd had willen zijn.

Het gekke van nu is dat velen die ik hier ontmoette, de stad ook weer verlaten. Het is tijd, zeggen ze dan. Vaak gaan ze naar Amsterdam. Ik niet. Ik ben loyaal, dat is misschien het Rotterdamse in mij. Of misschien kan ik gewoon niet naar Amsterdam. Dat klinkt ook logisch. Maar hoe dan ook, ook in mij kriebelt het om iets te veranderen.

Toen ik op mijn 19e naar Utrecht verhuisde, verliet ik niet alleen de stad, ik verliet ook mijn vriendinnen. Het waren er drie. Drie meiden die ik op mijn veertiende ontmoette op de plaatselijke handbalvereniging en vanaf toen was het goed. We gingen op vakantie, maakten ruzie, kotsten onze longen leeg na het drinken van Blue Curaçao en maakten het weer goed. Het was goed. Toen ik vertrok, was het ’t moeilijkste om hen te verlaten. Want niet elke vriendschap is eeuwig en het is een risico om weg te gaan bij wat je kent. Maar ik hoopte dat ze zouden blijven.

En… ze zijn er nog. Ze zijn vrouwen geworden met een baan, een partner, een kind en ik ben geworden wie ik ben. In die tien jaar zagen ze mij worstelen met mezelf of mijn schrijven, ik zag hen worstelen met gebroken nachten en verkeerde hechtingen. Ze zijn vrouwen geworden die ik soms ook wil zijn en af en toe zien ze iets in mij dat zij ambiëren. Dat Rotterdam nog steeds mijn stad is, dat is zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat weet ik niet. Dat mijn vriendinnen er nog steeds zijn, dat is ook zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat wist ik ook niet toen we afgelopen vrijdag voor het eerst in tien jaar een weekend weggingen. Houden we het wel uit, een heel weekend bij elkaar, tien jaar, drie baby’s en vier ontwikkelde karakters verder? Is er nog genoeg basis om 48 uur bij elkaar te zijn?

In de auto kwamen herinneringen boven. En het eerste gelach. Over de gans die ons huisje binnen liep toen we het eerste weekend weggingen in de pubertijd. Over jongens die werden gezoend zonder dat we hun naam wisten een vakantie later. Over het bezoek van mijn vriendinnen met de grootste teddybeer die er bestaat toen ik in het ziekenhuis had gelegen. Later, met een paar shotjes Blue Curaçao spraken we over baby’s – gelukkig niet het hele weekend – maar ook over relatieperikelen, over therapie, over seks, over mijn boek en over onze toekomst.

Toen kwam er het moment dat de hoedanigheid zich onthulde. De foto die ik een half jaar geleden had doorgestuurd kwam ter sprake. Mijn vriendje had het uitgemaakt, ik had de dikste ogen ooit en stuurde een foto van mezelf over de groepsapp. Ik kreeg geen ‘o wat ben je zielig’. Ik kreeg een ook een foto. Een van de vriendinnen maakte een kiek van haar hoofd en zette die op de app. Ze had net zulke rode, opgezwollen ogen als ik, alleen had niemand het met haar uitgemaakt. Een chronisch gebrek aan nachtrust te danken aan haar nieuwbaken baby was de oorzaak. En toen wist ik het. We kunnen nog zoveel verschillen, maar we hebben dezelfde humor, dezelfde basis. Dat is het Rotterdamse. We zijn anders, maar hebben nog steeds dezelfde ogen.

Dit weekend maakte de beslissing makkelijker. Er moest iets veranderen en nu weet ik wat. Ik hou van Utrecht om zoveel redenen, maar ik moet terug naar Rotterdam om één reden: het is thuis. De vriendschappen in Rotterdam heb ik kunnen behouden, zo bleek dit weekend. Ik hoop dat ik over tien jaar met de Utrechtse vrienden, die ik op een stoep of steiger heb ontmoet, ook zo kan zitten in een bungalow. Want ook deze vrienden zijn anders, maar ook wij hebben een basis. Een ding moet ik ze nog wel leren voordat ik terug ga, al wat ik niet precies wanneer dat is. Blue Curacao drinken.

Meisje met rode haren – gastblog

Ik stel jullie graag voor aan Isabelle Smit (achtentwintig plus drie): gastblogger #2. Isabelle is een Rotterdammer pur sang die advertenties verkoopt en schrijft in haar vrije tijd. Haar verhalen kun je hier vinden. Voor Achtentwintiger schreef ze een stuk over de persoon die ze lange tijd haar beste vriend heeft kunnen noemen; haar vader.

Meisje met rode haren

Vandaag ben ik weer bij je in het Laurens Verpleeghuis aan de Nieuwe Binnenweg. De beste locatie denkbaar: tegenover mijn werk en schuin tegenover je tweede huis; Melief Bender, de oudste kroeg van Rotterdam. Hoewel het een mooi verpleeghuis is – voor hoever je het ‘mooi’ kunt noemen – blijf ik het een gekkenhuis vinden. Ik betreed de donkere hal die vol zit met bejaarden. De één kwijlt nog smakelozer en mompelt met nog meer consumptie dan de ander. Kunstgebitten klapperen, of liggen naast het hoofdkussen, in een smotsig glas met een bruistabletje. Zodra je door de eerste schuifdeuren heen bent, word je omringt door een geur van incontinentie, en ontbinding. Ze kunnen er ook niks aan doen, maar mijn maag draait zich toch nog een keer om. Wat blijft dit naar, ik voel me schuldig; dit kan ik een intelligente man als mijn vader toch niet aan doen.

Ik loop de gang in en zie je al zitten, op een smal houten bankje met je rollator voor je. Je draagt een grijze Hugo Boss coltrui; je hebt ze in de kleuren donker blauw, zwart en grijs. Sobere kleuren, passend bij je persoonlijkheid. Van onder draag je je nieuwe broek, een beige exemplaar van de H&M, vorige week heb ik deze voor je bij de plaatselijke naai-Turk korter laten maken.

Mijn vader is een nogal gedrongen mannetje, klein en dik, een kaboutertje met rode wangen. Liefkozend zou ik het een gezonde blos willen noemen, anderzijds is het gewoon couperose, ontstaan door jaren lang drank misbruik. Hij zou het prima doen in de tuin, met een rode punt muts en harkje in de hand.

Ik geef je een kus. “Zo Bellemuis,” zeg je, “Zullen we gaan eten?” Samen lopen we naar de kantine. Het is een lopend buffet, eigenlijk een rare benaming voor een plek waar de meesten, het zij rollend, strompelend, hinkelend, of soms zelfs liggend voor bij gaan.
Wat er onder de warmtelampen ligt ziet er meestal nog mistroostiger uit dan de patiënten zelf. Dit komt omdat alles zoutarm is, en koken voor grote groepen schijnt nogal een opgave te zijn. Je hebt menig discussie gevoerd om de dagelijkse prak wat meer jeu te geven, maar daar is helaas tot op heden nog geen gehoor aan gegeven. Vandaag kies je voor doperwtjes met worteltjes, en een saucijsje erbij, met van die schietaardappeltjes er naast. Je weet wel, die bij iedere poging, wanneer je je vork in deze aardappel probeert te prikken van je bord afrolt, met de textuur van een rotte kiezel, en bovendien ook nog eens melig smaakt.

Nadat je yoghurt op is, deze komt godzijdank gewoon uit een plastic verpakking van ‘t Boer’n land, lopen we naar de lift. Op de vierde verdieping stappen we uit, en slenteren we naar je slaapkamer. Het is een tweepersoonskamer, jouw bed staat tegen de muur. Je gaat erop zitten, terwijl ik ondertussen een blik werp in je kledingkast. Elke dag krijg je het voor elkaar er een nog grotere teringzooi ervan te maken. Gedwee zoek ik je vuile was weer bij elkaar. Een combinatie van pis, eten en snot zal er weer uitgewassen moeten worden. Met twee vingers probeer ik alles in mijn roze bloemetjes tas te moffelen.
Hoeveel ik ook van je houd, ik walg van dit klusje, je kunt er niks aan doen, dat weet ik. En toch, iedere dag gaat het mij steeds meer tegen staan.

Als je kleren allemaal in mijn tas zitten kom ik naast je op bed zitten.
Je bent vrolijk vandaag. Veel vrolijker dan de afgelopen week valt me op. Ik ben blij je weer te zien, en ik zeg het dit keer ook. Nog steeds heb je die godvergeten pijn, maar met mokken kom je er ook niet.
“Kom kabouter,” zeg je, “ik ga je veilig naar buiten brengen, dan kan je nog Goede tijden kijken.”

We gaan weer naar beneden. Onderweg passeert een schone dame ons. Een kort zwart rokje met een paar in zwarte panty gehulde benen en een paar fuck-me-boots is alles wat mijn vader ziet.
Op je Clarks versnel je het tempo om nog even van dit uitzicht te genieten.
Dan gaan we nog even zitten op het houten bankje bij de deur.
“En, is het wat?” vraag ik je, terwijl ik je ogen zie oplichten.
“Ik vind het een verademing tussen al die huidkleurige steunkousen.”
“Maar eerlijk, ik zie die benen toch wat steviger hoor.” En je knijpt mij liefkozend in mijn bovenbeen.
We geven elkaar een kus, en spreken af voor donderdag.
Met de vuile was aan mijn stuur stap ik op mijn roze fiets.

Op tijd voor de begin tune van GTST nestel ik mij op de bank, steek een sigaret op, en schenk mezelf een glas witte wijn in. Een rustig avondje ligt voor me, en met m’n benen languit kijk ik naar het Ja-woord van Ludo en Janine. Ik keutel wat na afloop, en stop de was met tas en al in de wasmachine. De ooit zo zwarte tas is inmiddels vaal en grijs van het vele mee wassen. Elke keer probeer ik tegen beter weten in de geur er uit te krijgen, maar deze is inmiddels tot in de stof doordrenkt. Ik schenk het wasmiddel in de daarbij behorende wasbol, en op dat moment gaat mijn telefoon.

Ik sta al te wachten als je vastgebonden op een brancard wordt binnengebracht. Ik hoor je kermende gegil, geluiden waarmee ik elke nacht wakker word. Als je dichterbij komt kijk ik in een paar glazige ogen, je ooit zo mooie blauwe ogen die ik als kind ook wilde. Nu zie ik enkel de pijn en wanhoop er in.

Je ligt links van de deur. Een zaal voor vier personen, de andere drie patiënten worden weggereden. “Is dit omdat…” Ik stik in mijn eigen woorden.
“Ja, houd er maar rekening mee.”
Ze doen nog wat onderzoeken met je, en meten je bloeddruk. Af en toe sla je met je armen om je heen.
En dan, dan verschijnt zij; de verpleegster van het uitzendbureau. Het embleem van de uitzendorganisatie is op haar witte pak gestikt. Ze heeft rood haar, een lelie blanke huid, en rode sproeten.
Ik grinnik in de wetenschap dat als je bij kennis zou zijn, je deze schone dame meteen je bed in zou sleuren, en je hand onder haar uniform zou verdwijnen, als de verleider die je ooit was. Deze rode engel draagt blauwe plastic handschoentjes waarmee ze nu mijn vaders hand begint te strelen. Je ziet hem zienderogen rustiger worden.
“Fuck it,” zegt ze en ze stroopt haar handschoenen af, “die zitten toch maar in de weg.” Met haar blote hand gaat ze verder met strelen, het is een van de liefste dingen die ik iemand ooit heb zien doen. Ze ontroert me.

Ik loop de gang op en barst in snikken uit, als ik wist dat dit onze laatste avond zou zijn, dan had Ludo twintig keer met Janine mogen trouwen, ik was bij je gebleven, al was het maar voor heel even.

Loslaten

Loslaten

“Wanneer kom je nou weer in Rotterdam wonen, joh?” roept mijn tante Annie lachend, terwijl ze in m’n kopje koffie roert. Ze weet precies hoe ik mijn koffie drink, hoe iedereen zijn koffie drinkt. Mijn bakkie met melk en twee zoetjes zet ze neer en ze gaat zitten op haar zalmroze bank.
“Dat weet ik niet, An,” antwoord ik, “als jij dat gouden hert wegdoet,” ik knik naar het vergulde hertenbeeld dat op haar glazen salontafel staat.
“Ja, doei,” zegt ze en pakt haar shag om een peukie te draaien.
Mijn familie begint bij mijn tante Annie. Annie is de vrouw die ons allemaal bindt, met haar gastvrijheid en haar koffie. Ze is de spil van mijn Rotterdam. 19 jaar lang woonde ik 50 meter bij Annie vandaan, totdat ik naar Utrecht verhuisde. Ik zag haar vanaf toen minder, maar telkens als ik op de zalmroze bank zat, de gouden beeldjes zag en de geur van sigaretten vermengd met koffie rook, dan wist ik weer dat ik er was: thuis.

Ik stapte uit de metro toen ik het hoorde: “Annie heeft kanker.” Dat vertel je toch niet terwijl iemand de metro uitstapt, dacht ik. Mijn moeder wist niet waar ik was toen ze door de telefoon huilde dat haar zus kanker had. Kanker, wat een rotwoord eigenlijk. En zo doodgewoon. Iedereen heeft tegenwoordig kanker, bedacht ik. Maar het gaat ook altijd weer weg. Snijden, bestralen, hopen, kotsen en dan ben je weer de oude. Mijn moeder moest zich niet aanstellen, “ja ma, ze heeft kanker. Ze gaat niet dood of zo,” zei ik. “Dus ik ga nu ophangen, ik moet werken. Doei.” Ik hing op, slikte de kanker weg en ging werken. Kanker is te gewoon voor Annie om aan dood te gaan.

Terwijl ze in haar shag peutert, vraagt mijn tante met een grijns: “hoe is het met de knullen?”
“Nou, beroerd,” zeg ik.
Ze moet lachen, net zo hard als ik dat doe. “Knullen houden van lang haar, dat weet je toch,” ze knijpt haar ogen tot spleetjes en steekt haar shaggie aan, “laat het nou toch eens groeien.”

Nooit eerder maakte ik kanker van zo dichtbij mee. Het sloeg snel en hard om zich heen. Daardoor dacht ik na over doodgaan, over wat dat eigenlijk zou betekenen. Het betekende nog weinig. De eerste crematie die ik meemaakte, was van mijn oma. Ik was tien en er waren geen tranen. Wat ik me er nog van kon herinneren, was de cake die ik niet lustte. Die ik eigenlijk nooit meer at na die eerste keer. Want er kwamen meer crematies, we hebben er ‘een hoop weggebracht’, zoals Annie dat zegt. Mijn andere oma ging dood, Bep, Gradus, opa, mijn stiefopa, een oom die ik nooit zag, een tante, de buurvrouw. Dat mensen doodgingen, werd normaal. Ik vroeg me niet af naar welke plek ze zouden gaan, of daar gras zou groeien en of ze er lekkere koffie zouden hebben. Of ze hun zoon of nicht zouden missen en hoe ze dan huilden. Ik dacht er ook nooit over na hoe het is om iemand los te laten; hoe het voelt om achter te blijven met een gat in je dag of in je hart.

“Je gaat lekker naar huis,” zeg ik tegen Annie. Het is drie weken nadat ik hoorde dat ze kanker had. Ze ligt in een vierpersoonskamer in het Ikazia ziekenhuis en het raam staat op een kiertje. Van de dokter mocht ze even snel roken. Ik leg mijn dikke worstenvingers op haar dikke worstenvingers: “hup, in de benen,” grap ik, “we gaan naar je gouden beeldjes. We gaan naar huis.”
“Ja, om te sterven,” zegt ze.
Ik aai wat haar uit haar gezicht en probeer te glimlachen.
“Nou An, thuis krijg je tenminste fatsoenlijke koffie en hoef je ook niet stiekem te roken.”

Toen ze thuis kwam, kon Annie geen shaggies meer draaien of in mijn kopje koffie roeren. De kanker had alles aangetast. Een week later stierf ze. En dan is een crematie ineens heel nieuw. Er werd me ook gezegd dat het nu anders was, dat ik echt afscheid moest nemen. Alles heb ik gedaan om afscheid te nemen: ik heb gesproken op de plechtigheid, at cake, heb gehuild. Maar ze was er nog. Annie is eigenlijk nog heel lang bij me gebleven. Ik hoorde haar lach nog in mijn hoofd, kon de rimpeltjes boven haar lip nog voor de geest halen en rook haar parfum. Dat had ik met Bep en Gradus niet. Die waren weg zodra de rook uit de schoorsteen kwam. Maar Annie bleef.

Tot nu, anderhalf jaar na haar dood. Ik kon nog altijd beelden, geuren en geluiden oproepen, om terug te gaan naar haar, naar thuis. Vandaag niet. Voor het eerst weet ik niet meer hoe haar lach had geklonken.

Dit is mijn afscheid van Annie. Mijn eerste afscheid überhaupt; er zullen meer van dit soort verliezen volgen. Dat is een raar besef, het doet zeer, het beangstigt. Dit is hoe loslaten voelt. Toch ben ik dankbaar, dat ik haar nog zo lang bij me heb gehouden. Ik kijk in de spiegel en zie waterige ogen. Maar ik zie ook dat mijn haar sinds jaren niet zo lang is geweest als dat het vandaag is. Mijn waterige ogen lachen. Ik hoop dat Annie op een plek is waar ze me kan zien. En dat ze er een lekkere kop koffie op drinkt.