De Batmanbroek

IMG_0360

Het is de derde zondag van de maand, een belangrijke zondag. Ik loop van de badkamer naar de slaapkamer, op blote, natte voeten. Op het bureautje naast het bed staat mijn laptop. Hoofdstuk 4 van Dood ga je toch, mijn allereerste roman, staat nog open. Ik draai me om naar de spiegel en bekijk de roze handdoek waarin ik mijn haar heb gewikkeld. Daarna zie ik weer de woorden van mijn roman, in spiegelbeeld deze keer. Ze maken me onzeker. De roze tulband haal ik van mijn hoofd en donkerblonde natte strengen haar vallen langs mijn gezicht. Ik zie de kleine vlekjes op mijn voorhoofd. Het zijn sproetjes vermengd met oneffenheden. Ik zie twee diepe groeven tussen mijn ogen, de knik in mijn neus, de verstopte poriën op mijn wangen, het dons op mijn lippen en mijn puntige kin. Ik zie de dingen die ik niet mooi vind. Die zie ik meteen. Ik doe make-up op en verberg oneffenheden. De niet zulke mooie delen van mijn lijf zie ik natuurlijk ook en die verpak ik in een broek waar een keer of duizend het Batman logo op staat, een strak truitje en een leren jack. Ik kijk in de spiegel. Ik ben klaar voor vandaag.

Elke derde zondag van de maand organiseer ik samen met twee andere schrijvers een literair podium in Rotterdam. We geven artiesten die nog niet ontdekt zijn de mogelijkheid om zichzelf te laten zien en daar ben ik ongelooflijk trots op. Want in een wereld waarin er niet meer altijd wordt geloofd in lezen of in lezers, is het moeilijk om je schrijven verkocht te krijgen. Je moet gezien worden, opvallen en te verkopen zijn. En dat is ook waarom ik vandaag mijn Batmanbroek aan heb. Misschien is er wel iemand die een belangrijk iemand kent en dan onthouden ze me in ieder geval als het meisje in de Superheldenoutfit, die misschien ook wel een beetje kan schrijven.

Het programma bestaat uit jonge schrijvers die hetzelfde ambiëren als ik, en een Grote Gast. De jonge honden wordt hetzelfde verteld als mij wordt verteld. Als je het wil maken, dan moet je… Veel jezelf laten zien op de social media. Veel gratis publiceren in literaire bladen. Veel meedoen aan feestjes. Veel netwerken. Veel. Veel. Veel. Net op het moment dat ik op Twitter wil posten dat het zo leuk en hip is hier, haalt Alex Boogers me uit mijn overpeinzingen. Hij is de Grote Gast van vandaag en leest een vurig betoog voor tegen de commercialisering van de moderne literatuur. Hij leest het zo mijn hart in. Boogers vraagt zich af waarom er op middelbare scholen nog steeds Het gouden ei en De Aanslag op de leeslijst staan, waarom er niets anders is. Hij vraagt zich af waarom het niemand wat kan schelen dat er geen literatuur wordt geschreven die jongeren aanspreekt. Nog specifieker vraagt hij zich af welke boeken jongeren moeten lezen die gewoon op Zuid wonen, of in Vlaardingen. Waar zijn de boeken die zijn jeugdvrienden Harvey en Omar konden lezen? Ik denk aan mijn jeugdvrienden. Welke boeken leest Nima nu? Welke boeken leest Roché? Welke boeken zijn er voor Melissa en Achmed? Moeten deze jongeren boeken lezen geschreven door de schrijvers die in Amsterdam op het Barlaeus Gymnasium hebben gezeten, vraagt Boogers zich af, die gaan over mensen die op het Barlaeus hebben gezeten? Dat zijn de boeken die aandacht krijgen, dat zijn boeken die bij De Wereld Draait Door terecht komen. Dat zijn niet de boeken die Nima zal lezen. Zij zit ook niet op Twitter trouwens.

Terwijl Alex Boogers praat, groeit het kippenvel op mijn arm. Ik denk aan hoe ik soms zelf bij de boekhandel sta, vragend naar het boek van de maand van De Wereld Draait Door. Ik betrap mezelf er ook op dat ik bij dat wereldje wil horen. Dat ik het gevoel heb dat dit de enige manier is om te slagen als schrijver. Als ik terug naar huis fiets, begint hoofdstuk 4 uit Dood ga je toch zichzelf voor te lezen in mijn hoofd. De zinnen zijn kort, bondig en beeldend, de personages levendig en Rotterdams. Het is precies zoals ik wil, ik vind het prachtig maar het maakt me ook zenuwachtig. Het is waarschijnlijk niet diepzinnig genoeg of het kent te weinig lagen: mijn taal is misschien niet geschikt voor de ovale tafel van De Wereld Draait Door. Die zenuwen resulteren vaak in nieuwe zinnen die niet van mij zijn. Ik forceer een uitgebreide omschrijving van iets als dat ik gewoon ‘een boom’ zou noemen. Ik zoek metaforen die nooit eerder geschreven zijn. Ik zoek redenen waarom de gordijnen blauw zijn, terwijl ik ze gewoon blauw wil hebben.

Als ik thuis ben, neem ik weer een douche. Ik probeer de gedachten en de woorden van me af te spoelen, om even niet te denken, maar het beeld dat telkens terug komt, zijn de twee jonge schrijvers waar ik naar keek toen Alex Boogers sprak. Beiden knikten naar me. Beiden zeiden met hun ogen dat ze ook kippenvel hadden. Van de douche loop ik weer naar mijn slaapkamer en als ik vandaag voor de tweede keer naar mezelf kijk, besef ik dat het lang geleden is dat ik mezelf echt heb gezien. Nu ik hier zo bloot sta, voel ik me naakt, zelfs ten opzichte van mezelf.

Ik was vanmorgen nog niet dapper genoeg om mezelf te zijn. Ik schrijf soms wat ik denk dat verkoopt en verpak mezelf tot een interessanter exemplaar schrijver. Ik schaam me dat ik niet dapper ben. Dat ik niet dapper was. Want er is iets gaande nu. Als ik nu naar mezelf kijk, zie ik mijn lichtbruine ogen die geen enkele gemoedstoestand kunnen verhullen, ik zie mijn hoge jukbeenderen, ik zie de sproetjes op mijn neus en de spleetjes tussen mijn tanden. Ik zie wat mij mij maakt en ik vind het mooi. Ik ga het anders doen. Ik ga schrijven wat ik moet schrijven. Maken wat ik wil maken. Ik weet dat er schrijvers zijn die mee willen doen. We gaan samen dapper zijn. Literatuur heeft alleen bestaansrecht als het gelezen wordt maar iedereen moet wat te lezen hebben. Ook Nima. Ook Melissa. Ik doe mijn Batmanbroek weer aan. Hij paste nooit beter dan op dit moment. We komen eraan.

Verdriet met schurft III

IMG_0103

Vandaag het slot van mijn schurfttrilogie. Als je niet helemaal bij bent, is het verstandig om eerst de ellende van deel I en deel II te lezen.

De zon schijnt als de taalnazi en ik hebben afgesproken op het terras. Hij zit er al, met een zonnebril op en hij rookt een sigaret. Twee biertjes staan op tafel en ik ben zenuwachtig. Ook ik heb een zonnebril op. We kussen elkaar op de wang, wat vreemd is maar fijn.
“Ik ben nerveus man,” zeg ik. Snel neem ik een slok van mijn bier. Het is mijn eerste biertje sinds de prednison kuur en hij smaakt verdrietig.
“Ik ook,” zegt hij. “Hoe is het met je?”
“Ik ben moe,” zeg ik. “Heel moe.”
“Ik zie het.”
Trots rol ik dan de mouw van mijn truitje op. “Maar de schurft is weg.”

We kijken beiden naar mijn arm. “Het ziet er mooi uit,” zegt hij. De zalf en de prednison hebben hun werk gedaan. Ik heb geen jeuk meer, de blaasjes zijn weg en de korstjes zijn kleiner.
“Ja,” zeg ik. Ik wrijf over de kleine plekjes die de korsten hebben achter gelaten. Alles lijkt verdwenen en nu vind ik dat toch een beetje naar. “Maar ik houd wel kleine littekens, volgens de dermatoloog.”

Even zijn we stil. Dat mag ook. Verdriet, schuldgevoel, verwijten, vragen, onbevredigende antwoorden… we hebben ze al uitgewisseld over de mail en de telefoon de afgelopen maand. Nu, een maand na het uitgaan en de schurft, is alles iets lichter, al lijkt het soms nog net zo zwaar. De dermatoloog is in ieder geval tevreden want de schurft is voorbij. Al het was geen schurft, geen leukemie, het was ook geen sweet syndrome of lupus. Het bleek EEM (Erythema Exsudativum Multiforme). Of althans, dat dacht het team toen ze ‘er met z’n allen nog eens naar hadden keken’. Een acuut optredende huiduitslag, een soort allergische reactie op een infectie met een virus of een bacterie. Meestal is een koortslip de oorzaak. Maar misschien reageert EEM ook op aften, dacht ik. Of misschien was het stress en verdriet en overspannenheid; en dat mijn lijf dat zo uit. Ik zou het niet raar vinden. Mijn moeder vond me altijd al een theatraal type.

“Ben je blij dat het voorbij is?” vraagt de taalnazi.
“Ja,” zeg ik, zonder dat ik precies weet waar hij op doelt. Ik neem nog een slokje bier en kijk omhoog. De zon verdwijnt achter een wolkendek en ik houd mijn zonnebril op omdat de taalnazi anders mijn natte ogen ziet. Ik wil hem mijn verdriet niet tonen, ik heb geen recht op verdriet: ik ben degene die geen wij meer wil zijn. Maar soms is er toch het gemis. De dansjes door de supermarkt, mijn hoofd dat zich laaft aan zijn schoot en de pastamaaltijden met veel te veel creme fraiche en witte wijn.

“Hoe is het met jou?” vraag ik dan.
“Beter,” glimlacht hij.
“Fijn.” We zoeken naar woorden en dat is gek want dat hoefden we nooit. Maar alles is nu anders.
“Ik begrijp het alleen nog niet.” Hij lacht harder. “Ik heb er veel over nagedacht en ik begrijp het niet, maar het is goed zo.”
Ik knik, blij dat het goed is en opgelucht dat ik het niet hoef uit te leggen. Ik heb ook nagedacht. Gedacht en gehuild. Geschreven en gedacht. Gedacht en gepraat. En ik kan het niet uitleggen. Ik weet het zelf ook niet. Het enige dat ik weet is dat ik moe ben en dat ik niet samen wil zijn. Dat ik wil rusten, alleen. Dat ik wil slapen en soep maken. Dat ik Heel Holland Bakt wil kijken en niemand wil zien. Dat ik wil lezen en wil schrijven. En dan misschien nog iets wil bakken.

We drinken onze biertjes en praten over schrijven. We praten over Giphart die we binnenkort gaan ontmoeten op een literaire middag, over Nietzsche waar hij nu over schrijft en over mijn nieuwste lievelingsboek Kom hier, dat ik u kus.
“Ik zal dit missen,” zeg ik.
“Ik ook,” zegt hij.
“Zullen we vrienden blijven?” Het is het meest clichématige dat ik ooit heb gezegd.
“Misschien,” zegt hij. “Laten we elkaar maar eerst even niet zien.”
“Ja, dat is beter.” Ik vraag me af of we het kunnen en ik vraag me af of we het echt willen. Een schrijver die ik ken schreef eens over relaties die uitgaan: ‘Je geeft elkaar even het beste dat je hebt, komt tot de conclusie dat het niet genoeg is en gaat elkaar dan maar minder geven. Dat werkt zelden.’ Het leest alsof het waar is.

Als alle woorden die we voor nu hebben op zijn, nemen we afscheid. We delen de rekening, dat is iets wat vrienden doen, bedenk ik me. Hij pakt me vast, even verdwijn ik in zijn baard en ik kijk hem aan, met mijn zonnebril nog op. Er sijpelt een kleine traan onder het donkere brillenglas vandaan. Ik wrijf het weg en glimlach. “Tot over een tijdje,” zeg ik. “Tot over wanneer we vrienden zijn.” Deze keer hoop ik dat clichés waar zijn. Ik hoop echt dat we elkaar over een paar maanden zien en dat we kunnen praten en lachen, zonder onze zonnebrillen op. Een diepe ademhaling ontglipt de taalnazi en ook hij toont zijn ogen niet, zelfs niet voor het afscheid. “Tot over een tijdje,” zegt hij. We lopen weg, ieder een andere kant op.

Angst

Angst

Vroeger had angst een functie. Als je met je oerknots door het woud liep en voelde dat een sabeltandtijger je besloop, deed de angst je terugrennen naar je grot. Tegenwoordig hoef je niet meer bang te zijn voor wilde beesten en daarmee heeft angst een deel van zijn functie verloren. Angst is voor kleine kinderen en als grote mensen het over hun angsten hebben, doen ze dat in de vorm van leuke anekdotes op feesten en partijen. Als je op een verjaardag vertelt dat je bibbert van angst bij de geur van Franse kazen of alleen al bij het lezen van het woord ‘spin’ van je stoel springt, heb je makkelijk de lachers op je hand. Zelf doe ik het op verjaardagen goed met mijn angst voor haaien. Ik ben bang voor haaien in de zee, in het zwembad en soms zelfs in de douche, waar een witte haai mijn kop eraf bijt. Wel in één keer gelukkig.

Op mijn achtste gingen we met het gezin naar Scheveningen. Mijn zus en ik liepen de kleine golven van de donkergroene Noordzee in. We lieten ons meevoeren met de stroming, doken tegen het water in en verslikten ons in het zout. Mijn zus had meer diploma’s en zwom verder. Ik dook achter haar aan, maar zou het niet winnen. Ze zwom richting de pilaren die de pier van Scheveningen droegen. Ik zwom harder en harder en mijn zus liet zich inhalen. Lachend zwom ik haar voorbij en zegevierend zwaaide ik naar haar bij de pilaren. Daar was het water donkerder. Er zwom verder niemand en schaduwen cirkelden rond alsof ze nergens aan vast zaten. Ik zocht naar de geruststellende blik van mijn zus, maar ze zette een ernstig gezicht op en gilde: “Daar zijn haaien!” Ze deed alsof ze bang was: “Kom terug! Kom terug! Haaien!” Ik plaste in mijn zwempakje van angst en spartelde terug. Huilend, krijsend en uiteindelijk kotsend van angst. Zeemeeuwen namen dankbaar hapjes. Het bleek een grapje, maar toen was het al te laat. Mijn zus rende door kots en zee om me vast te pakken, sorry te huilen en te fluisteren over nieuwe kibbeling.

Op een partijtje vertel ik lachend dat ik de zee sindsdien oversla. Ik loop wel over het strand. Ga pootje baaien. Maar tors mij niet de zee in, want ik krab je ogen uit. Mensen lachen met me mee terwijl ze een zalmrolletje in hun mond proppen of een toastje filet americain. Daarna neem ik de toehoorders mee naar het zwembad bij mij om de hoek. Want een baantje trekken durf ik nog net wel. Ik weet natuurlijk dat er geen haaien in het zwembad zitten, maar – en dit vertel ik zachtjes – heel af en toe denk ik dat er een mogelijkheid bestaat dat er ineens een haai in het zwembad wordt gegooid, precies op het moment dat ik mijn baantjes trek. Mensen gniffelen en met mijn handen maak ik een haaienbek gebaar. Ik gil erbij. Er wordt gelachen. Als we vervolgens een slokje bier nemen, vertel ik dat als mijn douche ineens koud wordt en ik mijn ogen dicht heb, er in gedachten een haaienbek uit mijn douchekop kan komen. Hup! Kop eraf. In mijn eigen douche.

Terwijl het gelach door woonkamers echoot, is het meisje van acht een grote mevrouw geworden. De mevrouw heeft een andere, oprechte angst. Natuurlijk weet ik dat haaien niet in de Noordzee zwemmen, ook niet in het zwembad om de hoek en ik snap dat mijn douchekop niet verandert in een bloeddorstige vis. Dat is allemaal grappig, maar voor mij vooral geruststellend want misschien is mijn echte angst dan ook niet waar. Die angst van nu is net zo eng als de haai van toen in Scheveningen. Enger nog misschien. Groter in ieder geval. Deze angst is er altijd. Ik eet, ik drink, ik vrij en ik leef met die angst samen.

Ik ben bang dat ik geen schrijver ben.

Het leest leeg. Het is geen angst om te sterven of om dat alleen te moeten doen. Mijn angst heeft niks te maken met leven of dood of liefde. Ik ben bang dat ik niet goed genoeg ben. Dat mensen wat ik schrijf niet leuk vinden of niet mooi of niet grappig genoeg. Maar de angst is groter. Ik ben bang dat ik op een dag wakker word en op ben. Dat er ineens niets meer is. Geen goede ideeën, geen gekke personages, geen mooie zinnen.

Deze angsten verstopte ik achter denkbeeldige haaien. Maar nu ik het heb opgeschreven, is er niks meer te verstoppen. Vier keer lees ik dit verhaal terug. Langzaam dringt het tot me door. Tijdens het lezen hoor ik zeemeeuwen krijsen, voel de plas langs mijn benen lopen en zie de kleine versie van mij richting mijn zus spartelen. Zoute druppels lopen over haar neus; het zeewater vermengd zich met haar tranen. Dit verhaaltje las wel fijn. Er zaten ook best mooie zinnen in. En nu snap ik het. De angst om geen schrijver te zijn, is toch een functionele, omdat hij me telkens terug drijft naar mijn grot. Waar ik zal blijven schrijven tot mijn angsten zijn verdwenen. Tot ik echt een schrijver ben.

PS. Tegenwoordig is mijn zus niet meer zo’n monster. Hier is het bewijs.

Tarrel

Tarrel

Mijn angst voor het laten van scheten waar mannen bij zijn, zit diep en gaat lang terug. Denk aan het jaar 2001, ik ben een puber, een nerveuze puber. Ik zit in een zwart-wit geblokte tuinbroek verlegen aan mijn bureau en naast mij zit Peter. Het is de eerste jongen die bij ons thuis komt, het is mijn eerste liefde en we maken wiskundehuiswerk. We kijken stiekem naar elkaar op, nemen slokjes van de gazeuse die mijn moeder ons bracht en soms glimlachen we even en naar elkaar.
Het is mooi, het is lief. Totdat mijn maag begint te borrelen.
En nee, het zijn niet de vlinders.
Het zijn mijn darmen.
Ze beginnen nu ook geluid te maken.
O god. Niet nu.
Ik leg een hand op mijn buik. De druk stapelt zich op.
Het doet pijn. Ik denk: als ik nu beweeg, laat ik er een vliegen. En het kan ook nog weleens een natte zijn.
Niet bewegen. Niet bewegen. Alsjeblieft niet bewegen. Ik ga nog liever dood dan dat ik beweeg.
Ik voel een druppel pijnzweet langs mijn slaap sijpelen. Ik wil niet ruften. Dat mag niet. Maar jullie weten ook wel, als je het te lang inhoudt, ga je op een gegeven moment dood van de pijn. Dan moet je wat doen. Dus ik probeer er nog het beste van te maken en zeg quasi interessant tegen Peter: ‘Ik moet even gaan liggen. Krampen. Ik denk dat het menstruatie is.’ Altijd goed om op je zestiende aan te geven dat je vruchtbaar bent natuurlijk.

Ik strompel met een hand in mijn rug naar het bed. Niet omdat de pijn echt niet te harden is, maar omdat ik mijn billetjes bij elkaar probeer te houden.
Peter is lief en komt bij me zitten.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij haalt een pluk haar uit mijn gezicht.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij aait me over mijn buik.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Ik denk aan wat hij zou doen als hij wist dat hij eigenlijk alleen een grote drol aaide, waar een stuk buik tussen zat.
Hij wrijft wat harder.
Ik probeer mijn billetjes bij elkaar te houden.
Hij probeert de krampen weg te duwen, net iets te hard en ik…
Kan mijn billetjes niet meer bij elkaar houden. Jullie weten wat er toen gebeurde. Het was een stille en die stinken het ergst.
Ik houd mijn adem in, natuurlijk omdat ik weet wat voor godschruwelijke stank eruit me is gekomen, maar ook uit angst. Zou Peter me nu verlaten?
Ik was trouwens wel opgelucht dat het geen natte was.
Ik kijk Peter aan, hij moet dit ook ruiken, Franse schimmelkaasjes zijn er niks bij.
Maar hij doet niks. Hij blijft aaien, stoïcijns.
Ondanks dat Peter de scheet die dag niet erkende en er nooit meer op terug is gekomen, is de scheet altijd tussen ons in blijven staan. Na die dag is Peter nooit meer huiswerk komen maken, sterker nog: Peter werd zelfs homoseksueel.

Tussen Peter, mijn eerste liefde, en de ontmoeting met wat mijn laatste liefde kon zijn, zat een hoop tijd. In die tijd had ik alleen amoureuze ontmoetingen van een nacht en dan weten jullie hoe dat gaat: voor poepen wacht je tot je thuis bent en scheten laat je als je ‘even de wijn gaat pakken.’ Deze laatste liefde ontmoette ik op een schrijversavond in Delft. We lazen vieze verhaaltjes voor, dronken samen Chouffe biertjes, aten shoarma en belanden bij elkaar in bed. Ik vond ‘m wel leuk, die grote taalnazi, maar ik wist ook dat de shoarma een schetenfanfare in mij zou aanwakkeren, die zijn weerga niet kende. Ik vroeg me af of hij me – net als Peter – om stanktechnische redenen zou verlaten. Ik wist eigenlijk wel zeker dat het antwoord op die vraag ja was, want naast de shoarma had ik ook een hoop bier gehad en dat soort scheten zijn het ergst. De taalnazi zou naakt met zijn handen heftig zwaaiend boven zijn hoofd, mijn huis uitrennen van die lucht.

Ik app een vriendin met mijn zorgen.
Ze appt HAHAHA terug en zegt dat ik me beter zorgen kan maken over wat er zich in zijn onderbroek afspeelt. De vriendin is regelmatig opgeschrikt door remsporen in onderbroek en tarrels in bilharen.
Tarrels? Nooit van gehoord.
Ik google het woord. Het urban dictionary vertelt me die nacht iets dat ik voor altijd met me mee zal dragen.
“A tarrel is a piece of shit that gets stuck in your butt hair. It can also be a dried up piece of shit that you find in your underwear.”
Gruwelijk. Gruwelijker nog dan stille stinkscheten.
Ik til de dekens op en kijk naar de blauwe onderbroek van de taalnazi. Even overweeg ik om zijn onderbroek naar beneden te trekken, om te zoeken naar rempsoren of tarrels, maar ik doe het niet. Ik draai me op mijn buik zodat ik zeker weet dat alle bier-en-schoarma-scheten precies blijven waar ze zijn.

De volgende ochtend zit de taalnazi in zijn blauwe boxer in mijn keuken.
“Koffie?” vraag ik in mijn flanellen bloemetjespyama.
“Lekker.”
Ik draai de kraan open en laat water in de koffiekan lopen.
“Ik heb wat geleerd vannacht,” zegt hij.
“O? Wat dan?”
“Dat meisjes ook scheten laten.”
“Nee.” Ik zet de koffie aan en hap naar adem. “Nee toch?”
“Jawel.” Hij lacht en toch schaam ik me dood.
“Ik laat geen scheten,” jok ik.
“O nee?” Met zijn tong uit zijn mond maakte hij een kort scheetgeluid, een wat langer scheetgeluid en een heel lang scheetgeluid.
Ik word rood. “Hou op!”
Hij lacht weer. Ik ken deze lach niet. Ik weet niet of het betekent ‘haha ok, goor wijf, doei.’ Of : ‘haha ik houd wel van kleine viezerikjes.’ Hij lacht en lacht en als hij even bijkomt, vertelt hij het allerergste. ‘En toen,’ zegt hij, ‘na de derder scheet ofzo, je was al  half in slaap, zei je: ‘dit is echt de laatste.’
Ik wil door de grond zakken en uit pure wanhoop vraag ik hem of hij weet wat een Tarrel is. De taalnazi weet ook niet wat een tarrel is maar leest mijn gene en stopt met lachen. Een beetje beschaamd.
“Wat is dat dan een Tarrel?” vraagt hij.
“Volgens het Urban Dictonary is het a piece of shit that gets stuck in your butt hair.”
Hij steekt een sigaret op. “Klinkt vast nog ranziger in het Nederlands.”
“Een Tarrel is een stukje stront dat in je konthaar blijft hangen.” Ik schenk hem koffie in. “Is inderdaad ranziger.”
Hij neemt een slok. “Ik vind het een interessant fenomeen.”
Vraag me niet hoe of waarom maar blijkbaar zie ik dit als een aanmoediging voor poeppraat want ik zeg: “Ik heb weleens op een wc-bril gepoept.”
Ik schrik van mijn eigen ontboezeming. De Taalnazi schrikt ook een beetje, maar hij herpakt zich. En biecht ook. “Ik heb wel eens tweehonderd kilometer vanuit Luxemburg gereden terwijl ik in mijn broek had gescheten. Ik dacht dat ik een scheet liet en toen zat mijn hele broek vol.”
Van zijn ontboezeming moet ik dan een beetje kokhalzen. De taalnazi is nog een grotere smeerlap dan ik. Maar wel leuk.
We drinken nog een kopje koffie en we praten over spetterpoep en vieze stinkscheten en drollen die te groot zijn om doorgespoeld te worden. Dat was het begin. Daar in die keuken overwon ik mijn poepfobie en ik merkte dat de taalnazi eigenlijk al een beetje van mij hield en volgens mij ook een beetje van mijn scheetjes.

PS. Zin in nog meer poep- en plashumor? Lees dan gauw Proppen of vouwen.

Aardappeleters

Aardappeleters

Met een bak quinoa op mijn schoot, staar ik in mijn werkkamer naar mijn prikborden. Quinoa is hip en gezond en op mijn prikborden hangen allerlei briefjes. Ze zijn door elkaar heen geprikt en sommigen kan ik niet eens meer lezen. Er staan dingen op als “Hoofdpersoon Elsie: wie is zij?” en “Proloog moet beter. Wat wil je zeggen?!” en “Tijs en Elsie steeds bijna seks maar toch steeds niet”. Het zijn allemaal briefjes die mij moeten helpen met het schrijven van mijn roman. Ik neem een hap quinoa, kauw er langzaam op en denk aan opgeven. Voor het schrijven van een roman zou het fijn zijn dat je ordelijk bent. Ik ben dat niet, vraag maar aan mijn moeder. Stiekem vind ik het niet heel erg dat het creatieve proces zo moeizaam is. Het is zoete waanzin. Ik vind het heel erg onhandig dat ik er een zooitje van maak, maar ik vind het ook – en ik schrijf dit op met een lichte zelfwalging – getuigen van artistiek zijn en bijzonder en ja… Wacht even, ik moet even naar de wc.

Inmiddels is het vier uur ’s middags en mijn personages zijn kapot van al mijn gedenk over hen. Ik moet aan de borrel. Niets dat je schrijversschizofrenie beter wegspoelt dan rode port. En dat doe ik in Bergen op Zoom deze vrijdag; een vriendin van mij viert daar haar verjaardag (omdat ze daar woont). Bergen op Zoom is een klein plaatsje waar je al snel bijzonder bent. Het is fijn om daar even naartoe te gaan, vanuit een stad als Rotterdam, die vele bijzondere mensen kent.

In Bergen op Zoom valt een onbekend gezicht snel op. Er wordt mij gevraagd wat ik doe. Ik vertel dat ik schrijf.
“Zo, dat lijkt me moeilijk,” zegt een meisje.
“Het is ook echt heel moeilijk,” zeg ik, blij dat iemand mijn worsteling erkend.
“Maar het is wel een echte passie,” zegt een ander. “Dat is bijzonder.”
“Ja,” zeg ik, blij dat iemand mijn bijzonderheid erkend.
“Wat is jouw passie?” vraag ik. Het meisje schudt verdrietig haar hoofd, ze heeft er geen. We doen een passie ronde in Bergen op Zoom. Weinig mensen hebben passies. Velen zijn daarover verdrietig. Ik vertel dat een passie hebben heus niet altijd leuk is. Dat je soms helemaal geen geld hebt of inspiratie en ik vertel over mijn prikborden. De mensen leven met me mee.

Eén jongen met krullend donker haar heeft nog niks gezegd. Ik vraag hem naar zijn passie, wachtend op een gelukzalig ‘ik heb er geen’.
“Aardappels,” zegt hij.
Ik lach heel hard.
“Echt waar,” zegt de jongen die Mees blijkt te heten. “Aardappels zijn mijn passie.”
“Dat meen je niet,” zeg ik. En ik denk aan de quinoa die bij mijn artistieke leven hoort.
“Jawel, dat meen ik wel. Later word ik boer en ga ik aardappels telen.”
Later word ik schrijver en ga ik boeken publiceren. Dat is wat ik altijd zeg.
“Maar, wat vind je daar dan leuk aan?” vraag ik.
“Het is gewoon mooi werk,” zegt Mees. “Ik studeer nu in Dronten tuin- en akkerbouw. Dat is een hele toffe opleiding, je leert van alles over de grond en over de gewassen en ook over marketing. Dat vind ik niet zo, maar toch.”
“Maar aardappels. Waarom aardappels?” vraag ik.
“Het is een mooi product. De plant behoort tot de nachtschadefamilie, dat weten weinig mensen,” zegt Mees. “Bovendien moet je goed nadenken wat je na de aardappel op het perceel laat groeien. Je kunt een aardappel maar een keer in de drie jaar oogsten. En na dat jaar, moet je iets anders zaaien.”
Ik ken de woorden ‘zaaien’ en ‘oogsten’ alleen metaforisch. Wat nachtschade betekent, weet ik helemaal niet. Mees lacht naar mij, alsof hij ziet dat ik het allemaal niet weet maar dat het niet geeft. Een passie die niet moeilijk is, wie had dat gedacht. Ik lach terug. Als hij niet 19 was, maar 29, had ik ‘m nu prompt op zijn mond gezoend.

De prikborden en mijn personages doemen op in mijn gedachten. Ook opgeven is terug. “Maar die aardappel he, die verdwijnt toch uiteindelijk,” probeer ik. “Iedereen eet tegenwoordig quinoa enzo.”
Nu is Mees degene die hard lacht. “Dat is een regelrechte hype. Uiteindelijk zijn we toch echt aardappeleters. Tegen de tijd dat ik ben afgestudeerd, is de quinoa weer voorbij.”
“Wanneer is dat?” vraag ik.
“Over twee jaar.”
Ik knik, loop naar de bar en bestel een rode port. Ik staar naar het rood in het glaasje. Elsie staat stampvoetend in mijn gedachten. Doe maar een cola, zeg ik tegen de barman en ik schuif de port terug. Ik adem in en sla het fris snel achterover. Ik moet terug; terug naar Rotterdam, terug naar mijn werkkamer. Ik moet mijn roman afschrijven voordat de quinoa weer uit de mode is.

Rondjes – Gastblog

Miguel Santos is een schrijver/dichter die woont, schrijft, blogt in en over Rotterdam. Hij is dan ook de huisdichter van het radiostation Open Rotterdam. In vriendenkringen wordt Miguel Santos vaker ‘de dichter’ dan ‘de schrijver’ genoemd. Toch debuteerde hij vorig jaar met zijn eerste roman, 71|71. Inmiddels is ook zijn eerste dichtbundel in de maak. Voor Achtentwintiger schreef Miguel Santos Rondjes, een verhaal over hoe taai het soms is om schrijver te zijn. Writersblock en zo. En jawel, dat levert een mooi schrijven op!

null

Ik schrik wakker van mijn telefoon. Een bericht. Waar het verhaal blijft. Ook al voel ik de toetsen van mijn laptoptoetsenbord in mijn voorhoofd gedrukt, op mijn scherm staat geen zinnig woord. Weer een bericht. Waar ik het gore lef vandaan heb gehaald om het een en ander in een verhaal te verwerken. Dat is al een jaar geleden, doei. Verwijderen, opzouten. Uit mijn speakers klinkt een nummer van Rob Zombie, Pussy Liquor, geloof ik. Heel erg Hank Moody, al zeg ik het zelf. Tot overmaat van ramp is mijn glas whisky omgestoten, zo over het boek ‘Toegetakeld door de liefde’ heen. Verdomme, het was bijna uit. Schoonmaken dan maar.
In de keuken gaat mijn telefoon weer over. Even overweeg ik om terug te lopen, maar toch blijf ik staan, bevroren bijna. Het rinkelen van mijn ringtone vult zowat het hele huis. Dan stopt het, halverwege een rinkel. Alsof iemand de stekker er uit trekt tijdens het bellen, heel gek is dat eigenlijk. Alsof je tijdens het bellen denkt, nou, laat maar. En dan gewoon ophangt.

Een paar uur eerder ben ik maar gaan wandelen, even een frisse neus halen. Opeens heb je het dan helemaal ontdekt, dat Dakpark in Rotterdam. Ideaal voor nachtelijke dwalingen als je geen inspiratie hebt. Of juist wel en dat je dat even moet kanaliseren. Helaas hebben meerdere mensen dan last van ‘IK MOET NAAR BUITEN WAAAAAAAA’-buien, waardoor je alsnog elke vijf meter iemand tegen komt. Toch is het dan donker genoeg om slechts vage schimmen te zien. Contouren van mensen in gewaden of het glimmen van leren jasjes. Maar na drie keer heen en weer geslenterd te hebben, is het wel weer mooi geweest. Je strijkt neer op een bankje, richting de havens en blaast eens rustig uit. Om vervolgens een pen en je notitieboekje uit je zak te halen, hopende dat je ideeën gaan borrelen.

Helaas. Het feit dat je de pubertijd, de adolescentie, de quarter-life-crisis én Club van 27 hebt overleefd, maakt je schrijfproces er niet anders op. Beter op. Of makkelijker. Nee, je bent voor het proza nog steeds afhankelijk van lopen, drinken, peinzen en naar een leeg beeldscherm zitten staren. Als je dat van tevoren had geweten was je nooit begonnen aan dat 28e levensjaar. Je wilt dan op zijn minst flitsende resultaten zien, net zo makkelijk als een lege plek op een bankje waar slechts een ander persoon op zit in plaats van twee moeders en acht kinderen. Dat opeens alles anders is, op een positieve manier. En niet de hele tijd je telefoon gaat als je net een momentje voor jezelf in hebt gelast.
‘Ja,’ zucht ik, ‘mag een mens niet even op de poepdoos zitten?’
‘Ahem. Goedemiddag meneer, spreek ik met-‘
Weg ermee. En die telefoon ook, gooi hem wel in de slaapkamer. Ook al lieg ik dat het gedrukt staat – ik sta immers nog in de keuken met een groot glas water tegen de whisky aangezien die nog steeds op is – hoeven zij dat nog niet te weten. Wie het ook mogen zijn. En als het echt belangrijk is, bellen ze vanzelf wel weer terug. Ga ik ondertussen even op de bank liggen, nadenken over het verhaal dat nog steeds niet af is.

In het park zag ik haar voor het eerst, met een boek en oordopjes in op de bank. Wat ze aan had die dag kan ik me niet meer herinneren, maar wel haar gezicht. Het lange, donkere haar dat voor haar gezicht viel. Telkens door haar hand er vandaan werd geveegd, maar dat haar had een eigen wil. Zoals de slangen op het hoofd van Medusa, maar dan in een flowerpowervariant. Van die bloemetjes uit het grasveld er in die vast zijn blijven haken toen ze er naakt doorheen rolde op een zonnige zomerzondagmiddag. Maar dat was mijn fantasie die de vrije loop nam. Mijn lijf daarentegen ging gewoon naar haar zitten. Mijn ogen brandden op haar wang, totdat ze het merkte en opkeek. De cavalerie bestaande uit mijn lippen, kaak en tong brachten de volgende woorden uit: ‘Lees je ook weleens bloemen?’ Daarop knipperde zij een met haar ogen, moest glimlachen en zei tenslotte: ‘De laatste tijd niet. Meer literatuur. En bladmuziek. Om muziek te maken. Maar eigenlijk kan dat ook zonder. Bladmuziek. Muziek maken.’ Bijtend op haar onderlip keek ze me strak aan, met een glimlach, dat wel. Op dat moment ketste haar neusring een straal zonlicht op en zo mijn linkeroog in. Even zag ik niets en zat ik als versteend, maar wilde rondjes rennen van geluk. Dit moest haar zijn, waarmee je oud wordt en in de weekenden langzame rondjes mee loop door elk park in de stad, te beginnen met dit park. Zelfs de zon was het er mee eens.
‘Lees je dan wel eens koffiekopjes,’ probeerde ik vervolgens.
‘Wat voor koffiekopjes?’
‘Kleine, ronde espressokopjes.’
‘De laatste tijd niet.’
‘Wil je het een keer proberen? Zal ik je helpen.’
‘Als jij eerst dit leest.’
Ze hield de opengeslagen kaft voor haar gezicht. Toegetakeld door de liefde. Als je zou geloven in voorbodes van rampspoed, dan zou dit er een zijn die me in het gezicht zou kunnen slaan. Als een baksteen op mijn hoofd had kunnen vallen. En dan neervallen. Niet dood, maar wel goed uit het veld geslagen.
‘En hoe laat ik je weten wat ik ervan vond,’ vroeg ik.
Het leek mij een zinnige vraag. Zij glimlachte mysterieus en haalde haar schouders op.
‘Ik loop hier vaker rond,’ antwoordde ze, stond op en begon te lopen.

Ik sloeg mijn handen voor mijn gezicht vol ongeloof dat deze ontmoeting deze wending nam. Toen ik mijn ogen opende was ze nergens te bekennen. Ik keek op mijn telefoon. Geen netwerk. Geen mensen om me heen. Geen flowerpower. Ik besloot maar een rondje te gaan lopen voordat ik weer verder zou proberen te gaan met mijn verhaal thuis. En dan een rondje whisky.

Zin in nog meer Miguel Santos? Check dan hier zijn site.

USP

USP

Meester Dambruin leerde mij lezen met het legendarische rijtje Boom Roos Vis Vuur Mus Pim Kees Miep Bel Boek Raam School. Ik was zes en meester Dambruin de baas. Hij had lang donkerbruin, golvend haar, hele rechte tanden en elke kleine pauze las hij de sterren van de hemel. Niks Boom Roos Vis Vuur, nee Saskia en Jeroen of de Heksen. Hij las beter voor dan mijn moeder en als je zes bent, zegt dat wat.

Afgelopen weekend stond ik op een literair festival. Ik moest voorlezen in het café. Er zaten mensen op stoelen die misschien niet van mijn stukjes zouden houden. Er zaten mensen op stoelen die überhaupt niet van stukjes hielden, alleen van bier. Het was mijn eerste keer en normaal gaat van eerste keren zweet in mijn handen staan. Maar ik mocht zitten in een aparte ruimte voor schrijvers en kreeg daar wijn. Al had ik nog geen zin voorgelezen, ik voelde me helemaal meester Dambruin.

De meester leerde mij iets dat ik nog veel vaker zou merken in de jaren die volgden; dat het moment van louter toeschouwer zijn, altijd van korte duur is. Het moment van klassikaal lezen in groep 3 was aangebroken. De meester las een paar zinnen, daarna was een kindje aan de beurt, daarna nog een ander kind en elke keer hoopte ik vurig dat ik niet aan de beurt zou komen. Met mijn vinger volgde ik feilloos de woorden en ik knikte heftig, zodat ik niet aan de meester hoefde te bewijzen dat ik kon lezen. Hij keek mijn richting op. “Ga jij even verder?” vroeg hij. Het zweet stond in mijn handen. Een droge keel. Ik wilde wel beginnen, maar ik kon niet. Alle hoofden waren op mij gericht, vingertjes nog trouw bij het laatst uitgesproken woord. Ik haalde diep adem. En toen gebeurde er iets dat me nog nooit eerder was overkomen. De woorden bleven bij de eerste klank hangen. Ik stotterde. “Ga maar door,” zei meester Dambruin. “Rustig aan.” Ik stotterde. Ik bleef stotteren.

Het ging zo een paar jaar door. Ik werd onzekerder. Want, ik werd ook een beetje een dik meisje en vond alle andere meisjes mooier. Ik vond mijn haar gek en ook de spleetjes tussen mijn tanden. Ik vond de knik in mijn neus stom. Ik had dikke, stugge wenkbrauwen. Ik wilde niet dat er naar me werd gekeken tijdens het lezen. Kijk. Niet. Naar. Mij. Pas aan het einde van de basisschool ging het beter. In groep 7 praatte ik met meester Dambruin op het schoolplein over mijn probleem, een beetje als volwassenen onder elkaar. “Het maakt niet uit hoe je eruit ziet,” zei hij. “Het gaat erom wat je doet, wat je kunt. Jij kunt voorlezen.” Het was de meest geruststellende gedachte die ik ooit hoorde (en heb gehoord): het doet er niet toe hoe je eruit ziet. Dus ik oefende me thuis te pletter, zonder spiegel. Het maakte niet uit wie mooier was, beter, knapper, ik zou de sterren van de hemel lezen. En ik deed het. Ik werd in groep acht zelfs Voorleeskampioen van mijn school, met een voor ons revolutionair stukje uit Met de groeten van groep van Jacques Vriens, dat ging over zoenen.

Vanaf die tijd heb ik me altijd een soort van uitverkoren gevoeld omdat ik ‘slim’ ben. En een tikkeltje anders. Slim en een beetje anders dan de rest is voldoende. Ik hoef niet mijn haar niet te verven, geen uren voor de spiegel te staan om me op te maken, geen acrylnagels aan mijn vingers. Ik ben bij de hand en bij de pinken en dat is genoeg. (O wacht even, mijn ego belt: ik zie er nu ook een stuk beter uit dan in groep 8. Slanker en gewoon, bijgetrokken. Dat jullie het weten).

In de schrijversruimte keek ik rond. Er waren veel schrijvers, het waren niet hun eerste keren. Ze keken allemaal alsof ze slim waren. Wat ook naar was, was dat mooi hier werd verruild voor uniek. Alle schrijvers hadden een soort van Unique Selling Point (USP). De ene vond zijn USP in warrig blond haar en een jasje waar je over zou kunnen dromen in een LSD trip, een meisje had gitzwart golvend haar en bloedrode lippen en de laatste jongen had lang, bruin haar, nog langer dan meester Dambruin.

Toen brak het moment van klassikaal lezen aan. Ik wist dat ik als laatste aan de beurt zou zijn, dus ik kon goed luisteren. Ik wreef over de knik in mijn neus toen mijn verse klasgenoten aan de beurt waren, want deze grote kinderen lazen als meester Dambruin, maar ieder op de eigen manier. Ritmisch, hard of gevoelig. Ze lazen over seks en soa’s en ook over andere dingen, maar van seks en soa’s ging het zweet weer in mijn handen staan. Ik schreef nooit literaire porno. Mijn stuk ging nog steeds over zoenen, alleen zat ik niet meer in groep 8. In de pauze ging ik naar de wc en trok de staart uit mijn haar. Het was raar haar. Ik probeerde los. Toen weer vast. Los, vast, lost, vast, wijn.
“He, ik heb helemaal geen seksstukje,” zei ik tegen de organisator toen ik van de wc kwam.
Hij keek me vragend aan.
“Ja, ik doe wel aan porno, hoor,” verontschuldigde ik me, “maar ja, ik heb er gewoon nog nooit over geschreven.”
Hij lachte en ik besefte me dat iedereen heus wel weet dat wanneer je zegt dat je aan porno doet, je eigenlijk zegt dat je dit niet doet. Ik raakte nu ook mijn slimheid kwijt. Een stapje verwijderd van hetgeen waar ik zo bang voor was dat terugkwam.

Ik was aan de beurt. Nog een keer nam ik een slokje van mijn wijn. Nog een keer knipoogde mijn nieuwe literaire vriendin naar me dat het goed kwam. Nog een slokje. Oké. Wat je schreef is goed, zeg ik tegen mezelf. Je kan schrijven. Nu voorlezen. Ik liep de trap af, het werd iets stiller in het café. Ik ging zitten, pakte de microfoon, haalde diep adem, keek de zaal in, opende mijn mond en deed hem weer dicht. Ik glimlachte zonder de spleetjes van mijn tanden te laten zien. Ik ging verzitten, haalde nog eens adem en toen hoorde ik weer meester Dambruin: “Het gaat erom wat je kunt.”

En daar ging ik. Zonder te stotteren. In een keer las ik ‘m uit. Op gevoel. Op hoe slim ik ben. Op het gebrek aan USP wat mijn USP bleek te zijn.
“Wat was het mooi,” zei een van de schrijvers toen ik weer in onze ruimte kwam.
“Echt?” vroeg ik.
“Ja, echt,” zei hij. “Ik ben fan.”
O mijn god. Een voorleesfan. Dankjewel meester Dambruin.