De wandelende koortslip

AAAAAAAAAAAAAAAAAH. Ik schrijf het gewoon nog een keer op. Het moet. AAAAAAAAAAAAAAAAAH. De schurft is terug. Mijn onderlip ziet eruit alsof het de oorlog heeft verloren en rode, jeukende plekken nemen bezit van mijn handen en armen. Ik dacht dat ik je voorgoed had verslagen schurft, met mijn mindfulness en mijn meditatie, ik dacht ik zen was en kalm maar fuck you, je bent er weer. Je bent genadeloos.

Als je niet meer weet hoe het zat met die schurft, lees dan even dit verhaal en deze en ook deze. Of de samenvatting: Twee jaar geleden had ik pokkeveel werk, heel veel stress en zat onder de blaren, bulten en korsten. Het duurde een aantal weken, eerst dacht men dat het schurft was, maar na bloed- urine en huidonderzoek bleek dat niet het geval. Uiteindelijk concludeerden ze dat het een soort herpes virus was, verspreid over mijn hele lijf. Of dat zou kunnen, vroegen ze. Ja, dat zou zeker kunnen, want elke keer als ik stress heb, krijg ik een koortslip. Toen had ik megaveel stress en voelde het eigenlijk heel logisch dat ik één grote wandelende koortslip was.

En nu is de schurft terug. Ik heb teveel stress dus komt hij terug. Bijna moest ik huilen toen ik de bulten voelde opkomen. Ik was teleurgesteld omdat ik beter voor mezelf had moeten zorgen. Dat kon ik toch? Dat deed ik toch? Ik heb toch een mindfulnesstraining gedaan? Ik mediteer me toch helemaal de pest? Ik weet toch inmiddels wel hoe ik bij mezelf moet blijven? Ik had eerder ‘stop rot op’ moeten zeggen tegen opdrachtgevers, ik had na vijven mijn telefoon uit moeten zetten, ik had niet op mijn vrije dagen toch moeten werken, ik had meer moeten wandelen met Floortje in het park, ik had meer met de taalnazi lekker uit ontbijten moeten gaan, ik had meer tijd voor schrijven moeten nemen, meer soep moeten maken en koekjes moeten bakken. Want dat is hoe ik mijn leven wil. Dat weet ik… Toch?

Maar in de maalstroom van andermans leven en andermans verlangen, word ik meegezogen. Regelmatig vergeet ik even wat ik heb geleerd bij mindfulness. Het hier en nu lijkt soms iets totaal onbelangrijks, als ik mijn werk maar afmaak, als andere mensen maar tevreden over me zijn, als ik maar de goedkeuring krijg. En dan verlies ik mezelf. In die maalstroom van het leven ga ik gigantisch op mijn muil. Het is niet de schuld van andere mensen, want het is aan mij om mijn telefoon uit te zetten, om niet te werken op vrije dagen, om ‘stop rot op’ te zeggen, om voor mezelf te kiezen. En ik doe het niet. Niet genoeg. En nu ben ik te laat, weer te laat, want ik ben veranderd in een wandelende koortslip. Het is alsof mijn lijf zegt: ‘Luister je niet? Weer niet? Dan moet je maar voelen en wel nu. Hier heb je wat ranzige herpes… Daaaaag meisje.’

Ik bijt van frustratie op mijn lip. Dat is pijnlijk met die wondjes. Als ik nou eens probeer om niet teleurgesteld te zijn om alles wat ik had moeten doen, maar echt voel wat ik nu wil. Wat ik nu wil doen. Ik wil douchen. Daar haal ik mijn mindfulness terug, ik voel het water op mijn lijf en word ik rustiger. De herpes klopt op mijn lip, maar ik word rustiger. Ik vestig mijn aandacht op mijn ademhaling en ik word rustiger.

Als ik me afdroog en in de spiegel kijk, moet ik lachen. De korsten op mijn lip lachen mee. Wanneer ga ik nou eens lief zijn voor mij? Hoe vaak moet ik herpes krijgen om bij mezelf te blijven? Heel vaak, denk ik. Het is een les die ik waarschijnlijk mijn hele leven zal moeten leren. Waarschijnlijk zit ik als een oud, gerimpeld vrouwtje in mijn leunstoel, te staren naar kleine herpesvlekjes op mijn handen omdat ik mijn kinderen, mijn honden en mijn fretten teveel tevreden heb proberen te houden. Ook dan zal ik diep adem halen, balen dat ik weer niet voldoende voor mezelf heb gezorgd en me voornemen om dat weer wel te doen. Ik zal beginnen met het aandachtig eten van een advocaatje met slagroom in de tuin.

Ik kleed me aan; een joggingbroek en een t-shirt want ik weet het weer: ik mag voor mezelf zorgen. En dat doe ik. Ik loop naar de Kijkshop en koop daar de eerste de beste prepaid oude Nokia met simkaart die ik zie. Zonder internet, zonder applicaties en alleen mijn vader, mijn zus, mijn moeder en mijn taalnazi krijgen het nieuwe nummer. Als ik thuis ben, zet ik mijn smartphone uit en ik voel een immense opluchting. De wonden op mijn lip springen er van blijdschap bijna af en zelf overweeg ik om met een brandend wierookstokje in mijn hand door de kamer te dansen. Misschien is dat een idee voor later. Nu moet ik rust. Ik pak een boek en ga naar mijn slaapkamer. Als ik langs de spiegel loop, knipoog ik naar de schurft. Je hebt me deze keer weer te pakken, man: ik ben een wandelende koortslip, maar wel een koortslip die vandaag voor zichzelf zorgt.
Ik rock ‘m vandaag in bed.

Monstergriep

 fb9baf96db0ca09022b31df7fea0abf3

 

Ik heb een monstergriep gehad. Zo’n griep waarin je in een dikke pyjama, onder drie dekbedden nog steeds ligt te rillen van de kou. Wachtend op een zweetaanval. Zo’n griep waarvan je gaat ijlen en waarin je vijf kilo wegzweet. Zo’n griep waarvan je gaat huilen. O. Dat bleek niet helemaal normaal, want de taalnazi – die uitermate goed voor me zorgde – belde tijdens het grote grienen in paniek mijn zus op: ‘Ze huilt om onbegrijpelijke redenen!’ Mijn zus suste: ‘Ze is gewoon een beetje apart.’

Het is nu dag tien van de griep en het gaat beter. Ik word nog duizelig van mijn telefoon en van mijn laptop maar maar het zweten is voorbij en het kotsen ook. Het leven is altijd leuker zonder kotsen, dus ik ben blij. Pardon. Blijer. Want ik ben niet blij. Ik ben teleurgesteld. Daarom huilde ik.

Het is donker in het holst van de griep, maar ook helder. Helder is dat ik sinds november weer aan het rennen ben, aan het jagen, de gaten aan het opvullen. Gaten van verdriet bij vriendinnen, gaten van eenzaamheid bij mijn moeder, gaten van collega’s die ziek zijn, gaten bij opdrachtgevers. Het woord ‘nee’ is uit mijn vocabulaire verdwenen. De oorzaak van het gebrek aan nee is gênant, het is namelijk: Ik ben zo mindfull geworden, ik kan het wel aan. Hij of zij is daar nog niet, dus ik kan het beter doen.

Het is een hooghartige gedachte. Wie ben ik om voor andere mensen te bepalen of ze iets wel of niet aankunnen? Om ze die beslissing te ontnemen? Daarna bedenk ik: het is niet mindfull om jezelf weg te cijferen en weer daarna denk ik: fuck, het is gewoon makkelijker. Het is makkelijker om door te werken als iedereen dat doet, dan om mijn eigen avond te pakken. Het is makkelijker om ‘ja’ te zeggen tegen mijn moeder dan de teleurstelling in haar stem te horen als ik zeg dat ik echt een dag voor mezelf nodig heb. Het is makkelijker om die ene opdracht tegen je zin in tóch aan te nemen omdat je anders een heel team een klus ontzegt. Het is makkelijker om te doen wat iedereen doet dan te doen wat je zelf wilt (als je dat al weet).

Nee, dat is niet helemaal waar. Uiteindelijk is het misschien wel moeilijker vanwege de teleurstelling. Want ik ben teleurgesteld; en wel op twee manieren. De eerste teleurstelling zit ‘m in het feit dat ik niet alles kan fixen. Meer mail, meer lijstjes, meer vraag, meer werk, meer verdriet, meer gaten. Er is altijd meer gat dan ik aankan. Het is dweilen met de kraan open en toch wil ik het allemaal doen, voor iedereen. En als dat niet lukt – omdat ik niet Atlas ben of Superwoman – ben ik teleurgesteld. Dit moet ik toch aankunnen, hij werkt zich ook de pleuris, zij trouwens ook, je kunt ook nergens tegen, sjonge jonge, wat ben je een lapzwans. Lekker oordelen op mezelf.

Maar dan komt er altijd dat moment, of het nu in een schurftepidemie is, in een stilte retraite, in een monstergriep, dat er bewustwording ontstaat. Dat ik merk en voel dat ik Atlas niet ben, of Superwoman en dat het onredelijke eisen van mezelf aan mezelf waren. En voilà; nieuwe teleurstelling. Omdat ik vergeten was lief voor mezelf te zijn, omdat ik weer niet voor mezelf heb gezorgd, omdat ik niet voor mezelf durf te zorgen. Jezus, je weet nu toch dat je rustig aan moet doen, waarom mediteer je nou niet en waarom ben je nou verdomme niet aardig voor jezelf, je moet niet boos worden, wat ben je nou voor boeddha? Lekker een oordeel op een oordeel.

In het holst van de griep dacht ik dat ik weer opnieuw moest beginnen. Ik gilde tegen de taalnazi: ‘Ik ben mezelf kwijt! Ik moet weer terug naar Indiaaaaa. Wat is mediteren!?’ Nu de koorts is gezakt, gaat het beter. Ik heb weer wat geleerd: oordeel op oordeel; teleurstelling op teleurstelling maakt het zwaar. Zwaarder dan nodig. En hier ga ik me de komende tijd eens mee bezig houden. Liever voor mezelf zijn. Weer. Maar nu zeg ik het zonder oordeel, omdat de monstergriep me weer een stukje dichterbij het leven heeft gebracht dat ik wil.

Want ik weet wel wat ik wil: ik wil een ontspannen leven. Dat betekent niet dat ik niet wil werken en altijd op mijn nest wil liggen. Het betekent dat ik met rust op wil staan en wil ontbijten, dat ik kan mediteren en wat kan werken. Ik lees misschien een stukje uit een boek tussen de middag, ik neem tijd voor een wandeling. Ik wandel met de taalnazi langs de Maas, met Floortje door het bos. In de avond wil ik lekker koken, met lieve muziek op. Ik wil breien en lezen en wandelen en zwemmen en schrijven. Ik wil dat we elkaar in bed voorlezen van de romans die we aan het maken zijn. Ik wil schrijven.

Ik wil schrijven. Dat is mijn leven. Er is niet veel geld voor nodig, alleen durf.

PS. De taalnazi stuurt me regelmatig het plaatje dat boven dit verhaal staat. Inmiddels hangt hij ook in onze woonkamer. The path to inner peace starts with four words: not my fucking problem. Het is niet zo’n boeddhistische leuze maar soms helpt het. Misschien jou ook.

 

 

Verkering

Alle verhaaltjes over de taalnazi en mij, vind je hier.

Het is 13 april 2016, 19.08 uur. Een eetcafé in Antwerpen.
Op tafel staan twee biertjes en twee hamburgers.
‘Ga je me nou eigenlijk nog een keer verkering vragen?’ vraag ik.
‘Wil je dat graag?’ vraagt de taalnazi.
‘Ja.’
Hij neemt een hap van zijn hamburger. Ik neem een slokje bier. Hij kauwt lang. Ik neem ook een hap. Mayonaise loopt langs mijn mondhoek naar beneden.
‘Wil je verkering met me?’ vraagt hij dan.
Ik veeg vlug de mayo van mijn kin. ‘Is goed.’
Hij lacht.

Het is zondag 20 november 2015, 20.51 uur. Een keuken in Rotterdam.
Op tafel staan lege biertjes en de vriendschap is op.
‘Wat is dat nou godverdomme,’ zegt de taalnazi. ‘Alleen maar vrienden zijn? Dat kan toch niet. Dat wil je toch niet. Ik kan dat niet.’
‘Ik wil dat wel.’ Ik kijk naar mijn armen die pas twee maanden schurftvrij zijn. Ik denk aan mijn grote lege bed dat ik leeg wil houden. Ik denk aan bij mezelf zijn. Bij niemand hoeven zijn. Beter worden. Los van de drukte. Los van moeten. ‘Ik wil echt vrienden zijn,’ herhaal ik. Ook wil ik zeggen dat ik hem niet kan missen en dat er niemand luistert zoals hij. Er is niemand met wie ik liever in het café zit, er is niemand met wie ik liever bel. Er is niemand die ik liever mijn werk stuur, er is niemand op wiens schouder ik liever heel zachtjes, heel rustig, heel even mijn hoofd wil leggen. Maar meer niet. Alleen mijn hoofd en alleen om te rusten. Geen handen vast houden. Geen omhelzingen. Geen blote lijven. Geen monden tegen elkaar. Ik heb niks om te geven en ik weet niks om te zeggen.
‘Je bent mijn beste vriend.’
Hij kijkt naar me, het waren voor hem lege woorden. Hij kan het echt niet meer en beent met grote stappen mijn keuken uit. De deur slaat dicht.

Het is woensdag 23 november 2015, 21.22 uur. Een laptop op schoot. De mijne. Niks in mijn maag. Mijn beste vriend heeft de vriendschap uitgemaakt. Ik kan niet eten of slapen of denken. Wel huilen en mezelf niet begrijpen. Geen relatie, wel liefdesverdriet. Hij mag niet mijn vriendje zijn, maar ik wil wel bij hem in de buurt zijn. Het raarste meisje in de wereld ben ik. Ik typ dingen op mijn laptop, alleen warrigheid komt eruit.
Een mail verschijnt.
De taalnazi: ‘En toch he. Toch mis ik je. Je bent mijn allerbeste vriendje. Ik dacht dat je zei dat je vrienden wilde zijn omdat dat is wat je zegt als het uitgaat. Maar je wilt echt vrienden zijn. Ik had niet gedacht dat dat een mogelijkheid was. Vriendschap. Maar je bent mijn beste vriend geworden. En natuurlijk wil ik ook de tango met je dansen in de regen, maar vrienden, dat is wat nu kan.’

Het is dinsdag 9 februari 2016, 18.35 uur. Een Centraal Station.
We staan voor de trein. Hij gaat naar Eindhoven, ik naar India. Ik geef hem een knuffel en leg mijn hoofd op zijn schouder. Wat langer, hij geeft er een kus op. Hij steunde me. Hij mediteerde soms mee. Hij las erover. Hij praatte met me. Hij begrijpt me, zelfs op momenten dat ik dat zelf niet doe. Ik kijk hem aan en zie dat hij probeert te glimlachen. Ik wil weg. Mijn avontuur begint nu en nu wil ik weg. Ik wil nu bij mij zijn. Ik wil nu het anker in mezelf vinden en jij bent een goede vriend, maar jij moet nu weg, ik moet nu alleen. Ik heb niks om te geven.
‘Tot over een maand,’ zeg ik dan maar.
‘Tot over een maand,’ zegt hij.

Het is donderdag 17 februari 2016. Het is India.
India maakt me los van wat er moet, los van verdriet, los van drukte. India in al haar kleuren, in al haar chaos en toch vind ik rust. Ik kan hier niks controleren of in de hand houden. Dit ben ik. Het is stil. Alleen maar dit en alles mag er komen. Ik geef toestemming aan gedachten, aan angsten, aan de beerput die open zal gaan als ik echt stil zou zijn. Maar er komt alleen nog meer stilte en rust. Hoe langer ik hier ben, hoe dichter ik bij mezelf ben en hoe dichter ik bij mezelf ben, hoe liever ik bij hem wil zijn. In dit boeddhistisch centrum voelt het gek om hem ‘taalnazi’ te noemen, maar ik doe het toch. Ik wil bij mijn taalnazi zijn.

Het is donderdag 3 maart 2015. Het is Rotterdam.
Ik ben een dag terug uit India en ik wil hem zien. Natuurlijk ben ik bang dat nu ik eenmaal weer in Nederland ben, het gevoel voor de taalnazi een soort vakantieliefde was. Dus ik besluit te wachten, voor ik hem iets vertel. Dinsdag 15 maart heb ik genoeg gewacht. Ik voel dat hij niet meer weggaat. We zitten buiten aan het water voor mijn huis. Ik ga tegen hem aanzitten. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. Hij doet zijn arm om me heen. Ik kijk omhoog en pak zijn kin. Ik kus hem, heel zachtjes. Hij kust terug. Het is onze eerste echte kus. Echter dan de allereerste.

Nu is het 13 juni 2016. Ik durf officieel te zeggen dat ik weer verkering heb. Ik durf ook te zeggen dat het komt omdat ik ben veranderd. Je kunt veranderen, als er noodzaak is. Bij mij was er noodzaak zat. Ik hoorde niet meer bij mij. Dus ik veranderde omdat ik niets anders kon. Ik deed het werk dat nodig was. Veel werk. Ik deed de mindfulnesstraining, ik begon met mediteren, ik begon met lezen, ik mediteerde nog meer, ik sprak met mensen die ermee bezig waren, ik ging op reis om een anker te vinden, ik deed een stilteretraite. Het was pokkeveel werk en dat zal altijd zo blijven. Maar ik ben veranderd en ben gelukkiger. Ik ben ontspannen, kalmer, ik leef meer in het moment, ik geniet meer en ben heel blij met wie ik geworden ben. Ik wist niet dat ik daaronder zat.

En dankbaar ben ik natuurlijk ook, omdat jij er nog was toen ik mezelf vond, taalnazi.

Ik heb een geheimpje

Ik heb een geheimpje

Ik heb iets voor jullie geheim gehouden. En dat moet ik nu toch maar eens vertellen, dus ik begin bij het begin en dat is altijd ‘het gevoel.’

Ik voel me gejaagd. Ik leef van opdracht naar optreden. Van klusje naar boodschappenlijstje. Van teleurstelling naar droom. Van wat ik gisteren fout heb gedaan naar wat ik morgen goed moet doen. Telkens denk ik: als ik deze tekst af heb, mag ik… Als ik naar mijn tante ben geweest, kan ik… Als ik dit heb opgelost, zal ik… Maar na de puntjes komt er nooit wat. Ja, iets nieuws om me op te jagen. Geen echte ontspanning. Geen echte waardering voor mezelf. Oordelen over mezelf en hoe het beter zou kunnen, die zijn er wel natuurlijk. En tussendoor pieker ik. Piekeren. Het zit in de familie. Het zit in de maatschappij. Het zit in mijn hoofd en nestelt zich in mijn lijf. En dan krijg je schurft blijkbaar. Dan raak je overspannen. Dan zegt je lijf ineens stop. Mijn lijf zei: als je nog zestig jaar met jou door wil gaan, moet er iets gebeuren.

Dus heb ik iets laten gebeuren. Stiekem, terwijl de laatste schurftbultjes (die geen schurftbultjes bleken) aan het verdwijnen waren, heb ik me de pest gezocht naar iets dat mijn gejaagdheid kon doorbreken. Ik zocht zoals ik al eerder zocht en elke keer dacht ik dat het zou helpen. Ik kocht een hardloopoutfit en bestelde een meditatiekussen. Ik deed een antistressworkshop. Ik las het boek ‘Boeddha in zes weken’. En misschien durfde ik het daarom niet met jullie te delen. Alle hulp die ik mezelf eerder bood, heb ik zelf ook weer afgeslagen. Het hardlopen deed ik vier keer en het Boeddha boek heb ik nooit uitgelezen. Een workshop was belangrijker. Televisie was belangrijker. Een opdrachtgever tevreden houden was belangrijker. Wie mijn moeder wilde dat ik was, was belangrijker.

“Mindful zijn betekent van moment tot moment met aandacht aanwezig zijn bij wat er gebeurt in je lichaam en geest, zonder daarover te oordelen.” Dit las ik op het internet over mindfulness nadat ik weer niet had hardgelopen. Ik had er vaker over gehoord, nooit had ik er echt over nagedacht. Maar nu werkten de woorden op me in. “We merken nauwelijks dat we ons steeds voeden met gedachten en oordelen over onszelf en anderen. Met mindfulness leer je met zorgzame aandacht om te gaan met fysieke spanning, emoties en gedachten. Het geeft je de mogelijkheid om uit oude gewoontes te stappen, vriendelijker naar jezelf en je omgeving te kijken en een keuzevrijheid te ontwikkelen in hoe je omgaat met wat je tegenkomt.”

Het leek me fantastisch. Onmiddellijk drukte ik op ‘inschrijven training’. Dit is dus mijn kleine geheim: ik heb vorige week een training mindfulness afgerond. Acht weken lang bestudeerde ik mindfulness, deed ik schrijfoefeningen over wat mij blij, verdrietig en boos maakte. Ik luisterde naar de mindfulnessjuf en elke dag oefende ik een uur met het zijn in aandacht. Dat betekent dat ik elke dag een uur meditatie oefeningen deed (hoera, het kussen is terug!). En hoewel ik eerst dacht ‘ja jezus een heel uur van mijn dag pleite?!’, heeft het me meer lucht gegeven. Ik zal niet de hele training beschrijven, maar ik wil het toch een beetje delen, omdat ik nu ook iets anders naar het leven kijk.

Ik leef meer in het hier en nu en elke hier en nu is nieuw. Elke dag is een nieuwe. Het is fijn om te voelen dat ik niet de fouten ben die ik maakte in het verleden of de dromen die ik ga vervullen in de toekomst. Nu is altijd anders. Zeker als je er met aandacht naar kijkt en dat doe ik nu (meer). Het leven overkomt me niet de hele tijd. Met aandacht hang ik de was op, waardoor het geen rotklus is die moet afraffelen maar gewoon een karweitje. Een drukke dag wordt minder hectisch simpelweg omdat de dag niet een groot monster is maar wat momenten die ik met aandacht doorloop. En, mijn lievelings… mildheid. Wat ben ik toch altijd streng voor mezelf (geweest). Wat doe ik het toch altijd verkeerd of op z’n minst niet goed. Wat belemmer ik mezelf toch in het genieten van het leven, het schrijven, van vrienden. Ik ben milder voor mezelf. Als ik toch weer eens kut doe tegen mij, zit er een soort van lieve, dikkige grootmoeder in me die me in gedachten over mijn bol aait. “Gut kind, doe eens even rustig. Je bent goed genoeg.” Dan glimlach ik en denk ik sjonge, wat ben ik dankbaar dat mijn lijf besloot dat het anders moest.

PS. Ik ben nu niet ineens een soort van Boeddha geworden die overal mediteert en alles zen inziet. Ik haat ook gewoon soms nog mensen en heb net een hele zak pepernoten leeggevreten.

Verdriet met schurft II

IMG_0014

Voordat je aan dit verhaal begint, moet je eerst natuurlijk de ellende van deel I lezen.

Samen met mijn zus pak ik mijn spulletjes in. Ik ga bij haar op zolder in quarantaine. De schurftshampoo heeft de jeuk wel iets tot bedaren gebracht, maar ik ben zo moe en duizelig en verdrietig dat ik niet verder kom dan boeken en onderbroeken, dus het is fijn dat ze er is. Ze aait me over mijn hoofd omdat mijn haar het enige is dat veilig is aan mij momenteel. Als de tas volgens mijn zus klaar is, kijk ik rond in mijn huis, waar ik de laatste acht maanden veel met de taalnazi samen was. Hij is overal. Mijn ogen gaan van de boekenkast naar de vensterbank, van de foto’s aan de muur naar de keuken. Elke keer dat hij hier was had hij tussen mijn spullen stiekempjes iets van zijn spullen gezet. Lief. Er was een tijd dat we dachten hier ooit samen te wonen. “Zijn boeken, zijn staafmixer, zijn slakom,” som ik op, “zijn theelepeltjes, zijn ovenschalen, zijn kussen, zijn aanstekers.” Mijn zus trekt haar wenkbrauwen naar me op. “Je lijkt de moeder van Jan Smit wel,” zegt ze. We lachen even en rijden naar mijn nieuwe huis.

Als ik bij het huis van mijn zus en schoonzus aankom, wil iedereen me omhelzen, maar dat mag niet van de schurft. Mijn nichtje wil me een kus geven op mijn mond, maar daar zijn ook gekke blaasjes aan het ontstaan dus dat mag ook niet. Wel zijn er frietjes waar ik vandaag extra maggi op doe en zijn er op zolder schone lakens om op te huilen.

De volgende ochtend staat mijn zus aan het aanrecht koffie te maken. Ze draait zich om, kijkt naar me en slaat haar hand voor haar mond. “O mijn god,” roept ze. “Wat heb jij nou? Hoe kan dat nou? De kinderen, de kinderen mogen het niet zien!” Ik ren naar de spiegel en zie dat mijn lippen en kin onder het bloed zitten. Het zijn korsten en er zitten verse stukjes bij. Nu proef ik het ook. De blaasjes zijn gesprongen. Ik zie eruit als een vampier, eentje die slecht heeft geslapen want mijn ogen zijn nog dik. Terwijl ik mijn mond spoel en er rood water in de wasbak verdwijnt, zie ik dat mijn schurft erger is geworden. Fuck dit. Mijn verdriet wordt boos. Mijn leven is een zooitje maar hier blijf ik niet mee lopen. Fuck dit. Ik ga naar het ziekenhuis!

De dermatoloog is duidelijk. “Dit is geen schurft en je had meteen naar het ziekenhuis verwezen moeten worden.” Onmiddellijk worden er foto’s gemaakt, ik moet in een potje plassen, ze tappen vijf buisjes bloed af en er wordt een stukje van mijn huid afgesneden voor onderzoek. “Voor zover ik het kan zien, is dit het sweet syndrome,” zegt de dermatoloog. Mijn opgedroogde bloedlip begint te trillen, terwijl ik niet eens weet wat het is. “Het is een huidaandoening die spontaan kan ontstaan, maar die ook een andere oorzaak kan hebben,” zegt ze. Ik ben zo overweldigd door de serieusheid waarmee de dermatoloog dit aanpakt dat ik midden in haar kantoortje begin te snikken. “Is het niet gewoon stress?” vraag ik. “Het is net uit met mijn vriend en dat heb ik zelf gedaan en ik sta erachter, maar ik vind het ook erg en ik ben nu weer alleen en ik vind het ook heel erg voor hem.” Deze dokter heeft misschien wel een soort van minor psychologie gedaan, want ze pakt een stoel en komt naast me zitten. Ze klopt op mijn rug en zegt dat de uitslag zo hevig is, dat het niet stress gerelateerd kan zijn. “Ik schrijf een recept uit voor zalf, prednison, lidocaïne voor je lip en ik bel je straks als ik de uitslag van het bloed heb.” Ze geeft me een keukenpapiertje aan voor mijn tranen en ik pak mijn tas. “Ik zou even niet gaan googlen,” zegt ze. “Dan vind je alleen maar enge dingen en het is nergens voor nodig om dat nu te zien.” Ik knik. Gedwee loop ik weg.

Ik vertel mijn vader, mijn moeder, mijn zus en een goede vriendin dat ze niet mogen googlen. Binnen tien minuten hebben mijn vader, mijn moeder, mijn zus en de goede vriendin gegoogled. Ze zeggen allemaal hetzelfde: sweet syndrome is helemaal niet erg. Veel vrouwen tussen de 30 en 35 jaar krijgen het zomaar en het gaat ook zomaar weer over. Ze verzwijgen denk ik het enge waar de dokter het over had, maar dat maakt niet uit. Ik ga niet googlen. Ik kan het niet weerstaan om 389 keer te Facebooken op een dag, maar ik kan mezelf wel weerhouden om ‘sweet syndrome’ te googlen. Denk ik.

Mijn vader belt om ‘even te kletsen’. Ik google niet. De vriendin komt op visite om me een hart onder de riem te steken. Ik google nog steeds niet. Mijn schoonzus maakt mijn favoriete eten. Ondanks dat ik niet heb gegoogled, begin ik me toch af te vragen of ik niet doodga aan sweet syndrome. Ook vraag ik me af hoe het met de taalnazi gaat. Hij is verdrietig, dat weet ik. Ik vind het niet eerlijk van mezelf dat ik alleen maar aan mezelf denk, terwijl hij aan ons denkt. Maar nu kan ik even niet anders. Dan hoor ik mijn telefoon, hij ligt in de tuin. Mijn zus werpt zich op de telefoon en neemt op alsof ze mij is. We hebben dezelfde stem. Ik kan niet horen wat ze zegt, maar ze komt met een grote glimlach binnen.

“Je hebt geen leukemie!” roept ze.
“Wat?” zeg ik.
“Je bloed is goed!” roept ze weer.
“Kon het leukemie zijn?”
“Ja,” zegt ze zachtjes. “Hele kleine kans maar hoor.”

Ik ga zitten en haal opgelucht adem. “Het bloed duidt ook niet op sweet syndrome,” vertelt mijn zus, “maar ze moeten even de urine en het stukje huid afwachten. Volgende week terug naar het ziekenhuis. Maar je bloed is goed! Helemaal goed!” Ik weet even niks te zeggen en vraag een biertje aan mijn zus om het te vieren, maar dat mag niet met mijn prednison. Dan weet ik het niet hoor. O ja. Ik bel iedereen om te vertellen dat ik geen leukemie heb. Iedereen is blij. Ik ook, want ook al heb ik een bloedbek, geen vriend, ben ik lichtelijk overspannen en zit ik onder de schurft waarvan niemand weet wat precies is… ik ben er wel gewoon. En over een paar weken is alles ietsje beter en over een paar maanden is alles weer goed en is er weer bier. Het komt gewoon goed en dat vier ik. Met een grote kop muntthee dan maar.

Verdriet met schurft

IMG_9952

Het is heet in de wachtkamer van de dokter. Ik trek de lange mouwen van mijn trui nog net iets verder over mijn handen en ril. Van de jeuk. Mijn armen zien eruit alsof ik een besmettelijke ziekte heb, dus ik krab netjes op mijn trui. Het jeukt zo verschrikkelijk dat ik eigenlijk al mijn kleren uit wil doen, in mijn nakie wil rondspringen in die wachtkamer en me helemaal het ongans wil krabben. Het liefst krabben alle patiënten mee. Maar dat kan natuurlijk niet. Dus al krabbend, kijk ik rond. Mijn jeuk verdwijnt heel even als ik aan mijn taalnazi denk, die sinds eergisteren niet meer mijn taalnazi is. Mijn ogen blijven hangen bij een stapel tijdschriften, bovenop ligt Psychologie magazine. Op de cover staat de zin Liefdeslessen: inzicht in je hechtingsstijl verandert alles. Ik pak het tijdschrift op en blader, op zoek naar een beetje inzicht dat mij vertelt waar het is mis gegaan.

Er zijn mensen die een angstige hechtingsstijl hebben; ze hebben verlatingsangst, zijn onzeker, willen veel samenzijn en veel lichamelijk contact. Mensen met een vermijdende hechtingsstijl hebben bindingsangst, ze idealiseren een zelfvoorzienend leven en kijken neer op afhankelijkheid. Er zijn ook mensen die normaal hechten, ze hechten ‘veilig’. De veilige hechters leiden een stabiel en voorspelbaar leven van samenwonen, werken, trouwen, op vakantie en op bezoek bij pa en ma. Ik krabbel nog even op mijn trui en bedenk dat ik eigenlijk veilig wil hechten, maar dat ik zowel angstig als vermijdend ben. Dat kan ook, vertelt het artikel. 5% van de bevolking hecht angstig en vermijdend. Dat is misschien waarom het is misgegaan.

De dokter roept mijn naam, ik mag naar binnen.
“Je hebt jeukende uitslag op je armen en romp?” vraagt ze.
“Ja, dat heb ik.” Ik wil eraan toevoegen; “En mijn relatie is afgelopen en ik wilde het zo graag en nu is het niet gelukt en dat vind ik kut en ik zie er ook nog eens zo goor uit.” Maar de dokter is geen psycholoog, dus ik doe mijn trui uit en laat haar kijken.
“Zo.” Ze trekt haar neus op en haar witte handschoentjes aan. “Dat is niet mis.” De dokter bekijkt mijn armen, die vol zitten met grote rode plekken, bulten en korstjes. Als ik er zelf naar kijk, moet ik bijna kotsen. En ik kijk er al twee dagen naar. De dokter raakt één van de vele blaasjes die er ook tussen zitten.
“Kijk.” Ik trek het vel van het blaasje. Er loopt water uit. “Het zijn net blaren,” zeg ik.
“Ik denk dat het schurft is,” zegt ze.
Nu voel ik me echt vies. “Schurft?”
De dokter googlelt ‘schurft’ op haar computer en laat me plaatjes zien. Het lijkt er inderdaad  op.
“Ik geef je shampoo tegen schurft en dan wil ik je woensdag weer zien, goed? Als het niet verbetert, stuur ik je door naar een dermatoloog.”

Met mijn schurftshampoo ga ik naar huis. Onderweg alarmeer ik mijn familie, die krijgen ook spontaan jeuk. Thuis pak ik mijn laptop en typ ook ‘schurft’ in op Google. Vieze plaatjes proberen me tegen te houden, maar ik lees dapper door. Ik ontdek dat schurft wordt veroorzaakt door schurftmijt, een miniscuul spinachtig insect dat leeft in de bovenste laag van je huid. Hij graaft gangetjes in je huid en legt daar eitjes waar meer van die gore beestjes uitkomen. Tegen de eieren en uitwerpselen van die beesten reageert je huid. Gatverdamme. Ik kan wel janken, maar dat kan niet want de bel gaat. Mijn vader en moeder staan samen op de stoep, terwijl ze gescheiden zijn. Dan weet je dat je echt zielig bent.

“Hallo!” roept mijn vader vrolijk.
“Hallo!” roept mijn moeder ook vrolijk.
Van deze ongemakkelijk vrolijk hallo’s moet ik nog meer huilen, maar ik ben een meisje van dertig en die huilen niet. Dus ik omhels ze dankbaar en ga douchen. De schurftshampoo moet immers toch worden aangebracht op een schone, vetvrije huid.

Als ik in mijn onderbroek binnen kom (want mijn rug moet ook ingesmeerd worden) hebben mijn ouders ontdekt dat blijkbaar het totale universum zich tegen me heeft gekeerd: mijn televisie doet het niet en ik heb ook geen warm water. En dan komen daar toch de waterlanders, ook al ben ik dertig. “Het is uit en ik heb schurft en beesten lopen in mij te schijten!” roep ik huilend. Mijn moeder klopt op mijn rug en begint spontaan te zingen. Iets uit het Schaep met de vijf poten. Mijn vader maakt er een klein dansje bij. Het ziet er zo raar uit dat mijn ogen van verbazing stoppen met huilen.

Als mijn moeder mijn rug insmeert, haal ik het Psychologie magazine dat ik van de dokter heb gestolen uit mijn tas. Ik herlees het artikel. Misschien kan ik niet goed hechten of misschien waren wij gewoon niet voor elkaar bestemd. Misschien wilde ik het te graag, misschien ging het te snel, misschien was ik bang, misschien voelde ik niet genoeg. Mijn hoofd tolt. Ik weet het niet. Het enige dat ik wel weet, is dat ik voor nu de goede beslissing heb genomen. Er is rust in mijn hoofd.

Mijn ouders gaan weg als de boiler is bij gevuld en ik analoog televisie kan kijken. Ik zwaai ze na alsof ze me voor het eerst achterlaten op de kleuterschool. Dan was ik mijn dekbedovertrek, alle kussenhoezen en handdoeken op zestig graden. Als ik weer ga zitten, kijk ik naar buiten, over de bomen heen. Daar ben je weer Achtentwintiger. Weer alleen. Ik zucht. Het geeft niet. Het komt weer goed. Je kunt het alleen. Alles komt altijd weer goed. Dan gaat mijn telefoon. Een bericht van mijn zus. “Ik kom je morgen ophalen schurftlijer. Je gaat in quarantaine op zolder, maar we gaan wel voor je zorgen.” Fijn. Nog even niet alleen.

PS. Benieuwd hoe dit afloopt? Heb ik echt schurft en belangrijker; hoe kom ik van hen en hun poep en eieren af? Volgende week lees je deel 2.

PPS. Sorry voor deze meest vieze cliffhanger aller tijden.