Verkouden vagina

Zelfgebakken oliebollen liggen op een zilveren schaal, toastjes met kaasjes ernaast en twee flessen champagne staan klaar. Op mijn werkplek – een ruimte die ik deel met nog veertien creatievelingen – hebben we een nieuwjaarsborrel. Een beetje laat, maar dat geeft niet. Er wordt gegeten, gepraat, gegeten, gepraat en gepraat en gepraat. Hier merk ik weer eens dat hoe langer je praat, des te groter de kans is dat het gesprek uiteindelijk over seks zal gaan. Ooit las ik ergens dat naarmate een discussie op internet vordert, de kans steeds groter wordt dat één van de betrokkenen Hitler erbij haalt. Ik vond dat altijd raar, maar nu ik merk dat we live altijd over seks moeten praten, vind ik de online Hitler ook iets minder vreemd.

Na een uur of twee normale praat, ontstaat er dus de seksgespreksronde. Wanneer heb jij voor het laatst seks gehad? is de vraag en nu ben ik aan de beurt. “In de zomer en dat wil ik graag zou houden,” is mijn antwoord. De hoofden om mij heen kijken verbaasd, verward en een enkeling lijkt te zijn geschrokken. Daar word ik dan weer bang van en even overweeg ik om over Hitler te beginnen. Ik besluit mezelf uit te leggen, ik vertel dat ik de laatste maanden druk bezig ben met mij. Met mijn boek, met mindfulness, met veranderen van een gejaagde, strenge vrouw, naar een kalmere, lievere versie van mezelf. En dat is best wel alles absorberend. Ik heb dus simpelweg geen behoefte aan seks. Ik moet er niet aan denken eigenlijk. Er wordt geknikt, maar ik zie aan het overgrote deel dat ze me toch een beetje vreemd vinden.

De volgende dag moet ik een uitstrijkje laten maken. Hoewel ik altijd achtentwintig blijf, ben ik toch al een tijdje 30+. Onderweg naar de dokter bel ik mijn zus op. Na de borrel had ik mezelf in gedachten veranderd in een onmenselijk seksloos monsterlijk ijskonijn en er was niet tegenop te mediteren, zo bleek vanochtend. Mijn zus is heerlijk nuchter.
“Vind je mij een monsterlijk ijskonijn omdat ik geen seks wil?” vraag ik.
“Gatver, jij bent mijn zusje. Jij hebt geen seks.”
“Ja, nou, zeg nou…”
Ze zucht. “Je bent overspannen geweest en volgens mij ben je dat nog steeds een beetje, je werkt zestig uur per week, je zit in dat mindfulness ding om jezelf te veranderen, wat erg goed is trouwens denk ik, dus nee, je bent geen seksloos monsterkonijn.”
“Nee?”
“Nee. En ik weet niet in wat voor wereld jij leeft, maar volgens mij probeert drie kwart van de vrouwen in Nederland er altijd onderuit te komen. Jij hebt niet eens een relatie, dus waar maak je je druk om.”
“Ja. Weet niet.”
“Weet je,” zegt mijn zus dan, “misschien moet je niet altijd alles vertellen. Ik weet dat je open bent en dat ook wil zijn… maar je zit zo vol nu, er kan geen mening meer bij. Je hoeft niet altijd alles te vertellen.”
“Oké, ik moet hangen.” Dat zeg ik vaker als mijn zus gelijk heeft. “Nu gaat er even iemand wél aan mijn flamoes zitten.”
“Wat?” roept ze.
“De doktersassistente.”

In het kamertje doe ik mijn broek uit en ga op de stoel liggen die de doktersassistente aanwijst. Ze doet de deur op slot en legt uit wat ze gaat doen. De eendenbek gaat even onder warm water, dan bij me naar binnen, vervolgens gaat ze met een borsteltje langs mijn baarmoedermond en dat schraapsel doet ze in een bakje en dit bakje gaat naar het lab. Het zal geen zeer doen, maar misschien voelt het onprettig. Even ben ik de innerlijke worsteling omtrent mijn seksloos monsterkonijn vergeten. Het verbaast me. Ik was niet bang voor dit onderzoek, ik keek er niet tegenop, maar als ik hier zo lig met alleen een truitje aan, ben ik ineens ouder dan ik ben, vatbaarder voor ziektes dan ik dacht, kwetsbaarder dan normaal. De werkelijkheid vult de ruimte. De werkelijkheid is dat ik een brief kreeg voor een onderzoek naar baarmoederhalskanker. Die kreeg ik niet toen ik achtentwintig werd. Ik word ouder, mijn leven korter.

De doktersassistente doet precies wat ze heeft uitgelegd en het doet inderdaad geen pijn, het is inderdaad wel onprettig.
“En nu maar hopen dat ik geen kanker heb.” Ik lach, zij niet. Zij heeft hier waarschijnlijk vaker vrouwen liggen die plotseling voelen dat het leven eindig is.
“Meestal is er echt niks aan de hand,” zegt ze. “We delen de onderzoeksresultaten in klassen in. Pap 1, 2, 3A, 3B, 4 en 5. Pap 1 en 2 is niks om je zorgen om te maken. Pap 3A is een lichte afwijking, je kunt het zien als een verkoudheidje van je vagina. Pap 3B tot 5, dat zijn ernstige afwijkingen en dan verwijzen we je door.”
Ik grinnik bij het verkoudheidje. In gedachten zie ik een vagina die rilt van de kou, haar ogen dichtknijpt en zo haar haren snel probeert te laten groeien, als ware een dekentje tegen een aankomend griepje. Ik glimlach. De verkouden vagina redt me in deze kamer van PAP 5.

Als ik terug naar huis loop, denk ik aan wat er eigenlijk overblijft als je ouder wordt. Ik kom maar op één ding uit. Naarmate tijd verstrijkt, is tijd ook het enige dat overblijft. Tijd is kostbaarder dan oordelen, dan geld, dan schaamte. Als ik volgende week bij een volgend seksrondje weer aan de beurt ben, zal ik weer zeggen dat ik er geen behoefte aan heb. Of misschien niet. Misschien zeg ik dat ik een verkouden vagina heb. En anders kan ik altijd nog over Hitler beginnen.

PS. Normaal schrijf ik niet zoveel over Hitler, maar ik heb een zeer fantastische Hitlerkomedie gezien. Er ist wieder da.

Over tijdloze hemden en goede koffie – Gastblog

De gastblogger van deze maand is misschien wel de Carrie van de Lage Landen te noemen. Simone Dolk, freelance schrijver maar vooral ook dromer, woont in Amsterdam en geniet daar van goede kopjes koffie, biertjes in foute barren, haar vriendinnen, haar schrijverij en natuurlijk; af en toe een leuke vent. Voor Achtentwintiger schreef ze een raar verhaal met een hoog waarheidsgehalte dat zo in Sex and the City zou kunnen. De clichés van de liefde die o zo waar zijn, lees je in Over tijdloze hemden en goede koffie.

Over tijdloze hemden en goede koffie

Daar lig ik dan. Starend uit het slaapkamerraam en mijn dekbed tot onder mijn neus opgetrokken. Ik beweeg niet en adem een beetje. Mijn hoofd voelt zwaar en mijn buik weeïg. Vanuit mijn ooghoek zie ik een berg dekbed naast me en daar ligt hij onder. Ik weet wie hij is en ook dat hij zo snel mogelijk mijn bed uit moet.

Een diepe zucht, een kuchje en kippenvel over mijn lijf.
“Yo, ben je al wakker.” Mijn stem klinkt nog roestig van het bier en de rook. Ik draai me naar hem toe en tik met mijn wijsvinger op zijn schouder. Hij bromt. Ik glimlach naar zijn rug onder mijn dekens en wil het liefst verdwijnen in mijn matras. Waarom dacht ik dat dit een goed idee was? Door de waas in mijn hoofd heen spelen de beelden van gisteren in slow motion door mijn hoofd. Zomaar, ineens stond hij voor mijn neus in de kroeg. Hij keek me aan, recht in mijn ogen, gaf me een vluchtige zoen op mijn wang terwijl zijn hand in mijn nek lag en zei “Dat is lang geleden, dame.” Dat ene woord, met die ene blik. Die godvergeten blik. Die gódvergeten blik… En dan ook nog die glimlach. Alle goede voornemens, alle beloftes om ver bij hem vandaan te blijven, verdwenen als sneeuw voor de zon.

Hij. Hij was degene die mijn dagen kleurde. Hij maakte mijn dagen zo veel leuker dan ik dacht dat ze zouden kunnen zijn. Hij zorgde voor de glimlach op mijn gezicht, ook al viel er niets te lachen. Soms lijkt dat allemaal een leven geleden. Het werkte niet, wij samen. Het was onze tijd niet, weet ik het. Blijkbaar voelde het allemaal niet goed genoeg. En nu ligt hij weer in mijn bed. “Terug bij af,” denk ik dramatisch. Mijn telefoon trilt onder mijn kussen, ik knipper met mijn ogen en slik de opkomende tranen weg. Anna in de lucht.

Anna: Schatje! Gaarne een update. Bart? Serieus?! Meld je je zo voor koffie bij Two for Joy op de Haarlemmerdijk? Kan je me alles vertellen 😉 PS Julia en Cath zijn er ook bij.
Ik: Hij. Moet. Hier. Weg. Nog tips uit eigen repertoire?
Anna: Bied hem geen koffie aan. Ik herhaal. Geen koffie.
Ik: Ok 🙂 Ik ben er om 1300. Zie je dan xx

Ik schraap mijn keel en zeg zo nonchalant mogelijk tegen hem: “Hey, ik moet er zo vandoor. Dus spring nu onder de douche.” Zonder zijn antwoord af te wachten, gooi ik zijn overhemd op mijn bed en vis ik een handdoek, ondergoed, spijkerbroek en hoodie uit mijn kledingkast. Terwijl ik naar de badkamer loop, doe ik een schietgebedje dat hij het veld heeft geruimd als ik terugkom. Beter voor iedereen.
Ik heb nog een uur om me toonbaar te maken. Mijn gezicht zit in de kreukels, mijn make up zit tot aan mijn kin en mijn haar lijkt het meest op een warzone, zie ik als ik in de spiegel kijk. Mijn hersens bonken mijn hoofd uit, het licht doet pijn aan mijn ogen en om over het gevoel in mijn buik nog maar te zwijgen. Ellende. Een grote, fakking ellende. In stilte spreek ik met mezelf af dat ik nooit meer een druppel alcohol drink. En deze keer écht nooit meer. Ik stap onder de douche, hoor na een paar minuten dat hij de deur achter zich dichttrekt en leun met mijn voorhoofd tegen de tegeltjes. Machteloos en verslagen.

Hij is echt weg als ik weer in mijn slaapkamer sta. En hij heeft mijn bed opgemaakt: alsof hij er nooit is geweest. Ik laat mezelf in een zeesterpositie op bed vallen, adem zijn geur in en glimlach. Maar het doet een beetje pijn.

In spijkerbroek en hoodie sta ik even later voor de spiegel en ik zie er net zo uit als ik me voel: afgrijselijk. Laat ik in ieder geval doen alsof ik me kiplekker voel. Hoodie uit, zijden bloesje aan. Nikes uit, hakken aan. Even in de make-up voor de herstelwerkzaamheden: crèmepje, mascara, wenkbrauwen, nog een laag mascara en wat gloss op de lippen. Als ik mijn mondhoeken omhoog trek, is het net echt.

Two for Joy. Behalve de heerlijke koffie, industriële inrichting, staat deze tent ook symbool voor mijn leven als vrijgezel meisje. Vergaderingen over de ondoorgrondelijke gedachtegangen van mannen, werksores en de vragen des levens worden hier belegd. De geur van geroosterde koffiebonen, vers gebakken granola en bananenbrood komt me tegemoet als ik naar binnen stap.
“Hi there,” zegt de barista. Hij ziet eruit zoals een barista eruit hoort te zien: een baard, een kunstige, quasi-nonchalante coupe en armen onder de tattoos. “Would you like to have your latte?” vraagt hij alsof ik hier al jaren kom. En eigenlijk kom ik dat ook. Ik knik en glimlach: “Yes please.”
“Ok great. And I was wondering… if maybe we could get together outside this place one day? I mean we could just go for a beer somewhere around here.”
Ik frons mijn wenkbrauwen en kantel mijn hoofd. Voor mijn gevoel staar ik hem tien volle secondes aan terwijl ik het probeer te verwerken. Hoor ik dit goed? Word ik hier, nu op klaarlichte dag ouderwets mee uitgevraagd door een barista? Als in, een date?

“Uhm?! What? A beer?” is het enige wat ik uit kan brengen. Maar hij heeft zich al omgedraaid en doet zijn trucjes met zijn piston en andere attributen. Hij lijkt zich vol overgave toe te leggen op de coffee art en ik speel de laatste minuut tien keer opnieuw in mijn hoofd af. Stel hè, hij bedoelde wat ik denk dat hij bedoelde… Hoe lang is het geleden dat iemand mij die vraag gesteld heeft? Nuchter als de pastoor en in het echt? Niet met een Tinder berichtje? Met een pistool tegen mijn kop zou ik het echt niet weten.

Hij gaf me mijn koffie verkeerd met een ongemakkelijke glimlach “Here you go”. Ik glimlach terug, zo mogelijk nog ongemakkelijker. En ik heb werkelijk geen idee wat ik moet zeggen en kraam een onverstaanbaar “Ok. Thank you. Bye.” uit en loop naar mijn vriendinnen. Onderweg zie ik dat hij een hartje heeft gemaakt van de warme melk in mijn koffie. Wow. Ik draai mijn hoofd nog een keer om en lach naar hem. Breeduit. Hij knipoogt. Hij ziet er zo anders uit dan mijn crushes van afgelopen tijd. Geen tijdloos overhemd, geen lange mat van haar in zijn nek en al helemaal niet van die degelijke gaatjesschoenen.

Anna, Cath en Julia waren verwikkeld in een zeer vermakelijke analyse van een whatsappgesprek van Anna en een vriend van haar als ik aan kom lopen. “Dit is toch niet normaal!” Verongelijkt betoogt Anna dat hij met haar aan het flirten is, ook al heeft ze hem opgedragen dat niet te doen. Cath denkt er iets anders over: “Vriendschap tussen man en vrouw is echt onmogelijk. Hoe vaak heb ik dat al gezegd? Ik zeg het je. Ik heb echt al te veel verontrustende verhalen over gehoord. Maar onze slettebak is gearriveerd! Dus dame,” en ze richt zich tot mij, “vertel even. Bart? Waarom precies?” En hun aandacht verplaatst zich naar mij met een vragenvuur. Blijkbaar heeft Anna al een goede teaser gegeven. Hoe kon ik in hemelsnaam me weer hebben ingelaten met Bart? Ik wist toch dat hij… en dat ik dan… en dat wij nooit… Mijn toelichting is kort: “Gisteren leek het echt een supergoed idee. En ik ben echt te brak voor diepgaande analyses en gepreek.”

Anna ziet dan dat er een kaartje op mijn schotel ligt, pakt het en kijkt mij met grote ogen aan: “Zeg? Had je dit wel gezien?” Anna begint te giechelen en ik ben in complete verwarring. “Het is een geheime boodschap van de barista. Hij vraagt of je een keertje met hem wilt afspreken.” fluistert Anna. “En daaronder staat zijn telefoonnummer.” Er breekt totale hysterie uit: Cath en Julia uiten hun enthousiasme met een synchroon “Whaa!”, grissen het kaartje uit Anna’s handen, vallen nog net niet flauw van opwinding en lezen zijn tekst voor: “I was serious. Let’s grab a beer together one day.” Gênant. Drie paar ogen kijken mijn vragend aan. En ik? Ik denk dat er te weinig te gekke dingen in mijn comfort zone gebeuren.

Liefde in tijden van liedjes

Liefde in tijden van liedjes

Ik ben bijna 30 jaar en heb nog nooit van iemand gehouden. Mijn blote voet schuift langzaam over het lichtblauwe hoeslaken dat los ligt. Het laken is gerimpeld en nattig, mijn lijf is ontspannen en in mijn haar zitten klitten. Mijn blote lijf ligt in een vreemd huis met een niet meer zo vreemde man in een bed dat vertrouwd raakt. Ik staar naar het plafond dat ooit wit geweest moet zijn. Nooit hield ik van iemand. Wel ben ik verliefd geweest op mannen die ik in mijn hoofd gemaakt had, gebaseerd op een exemplaar dat even mijn hand vast had.

De man die steeds minder vreemd is, zit op de wc. Ik moet ook zo, omdat ik blaasontsteking wil vermijden. Hij is echt lief en ik noem hem liefje. Velen gingen de man op de wc voor. Ik heb wat gevoeld voor een gepijnigde muzikant, gelonkt naar een cabaretier zonder reukvermogen, een timmerman met baard en staart, een theatrale man die zwom in verdriet. Elke keer duurde het ‘ons’ kort; tot het beeld werd ingehaald door de man. De liedjes die in mijn hoofd hoorden bij het gevoel dat ik zocht, bleven precies dat; liedjes die mijn werkelijkheid niet pasten.
Dromen bleken ’s ochtends altijd toch bedrog.
Nooit was ik iemands zon en maan tegelijk.
En niemand deed me lopen over water.

Liedjes zijn mijn standaard in de liefde. In het leven ben ik mijn eigen standaard en dat is erger. Het is geen pretje als je overal goed in moet zijn en dat dit ook meteen moet. Mijn eerste baan was een hel omdat ik mezelf moest leren monteren, filmen en interviewen. Ik kon dat niet op de eerste dag, of eerste maand. Hel, zeg ik je. Als ik op mijn nichtje pas, wil ik haar moeder vervangen. Ik moet voor haar kunnen zorgen of ze van mij is, ze moet me lief vinden, er mag geen plas langs haar luier lopen. Als ik schrijf, moet het mooi zijn zodra mijn vingers de letters van het toetsenbord loslaten. In bed probeer ik klaar te komen tegen de klok en als ik kook, moet ik een ster.

Liefde is iets anders dan werk. Of schrijven of seks. Mensen die wel lief hebben gehad zeggen dat het echt gaat zoals de liedjes doen geloven.
Er was een donder, een bliksem, een slag toen ik je zag.
Geen zorgen dus; zodra ik die ene in de ogen kijk, zal ik weten. Maar ik heb het nog nooit geweten en heb er ook niet voor doorgeleerd, de liefde. Als dat kon, had ik het gedaan. Het enige dat ik kan is vermoeden, vermoeden dat liefde voor mij iets is dat moet groeien, maar daar geloven de liedjesmensen niet in. Liefde wordt voor mij daarom lichte waanzin. Mijn gedachten en mijn lijf zijn constant in dialoog en die praten ook nog eens tegen de gedachten en het lijf van de man die mijn hand vasthoudt.

“Schijt aan,” zegt hij als hij zich ook op het losse hoeslaken vlijt. Hij leest mijn lijf en mijn gedachten. Maar nu vertelde ik gewoon dat ik niet goed ben in de liefde. “Ga eens in het moment leven,” zegt hij. “Nu is het leuk en als het volgende maand niet meer leuk is, dan merken we dat dan wel.”
Hij aait een pluk haar uit mijn gezicht. Even zie ik zijn ogen duidelijker. Groen zijn ze geloof ik.

Ik stap uit bed en loop door zijn rommelige slaapkamer naar de badkamer. Mijn billen nemen plaats op de koude wc pot. Liefde maakt me banger dan werk. Misschien vind ik hem morgen niet meer leuk. Misschien hij mij overmorgen niet meer. Ik ben bang dat het niet groeit of te snel groeit. Ik ben bang dat ik niet geschikt ben als duo. Ga ik nog wel schrijven als ik een ons ben? Blijft hij wel wie hij is? Blijf ik bij mezelf? En zouden we een stelletje zijn dat bij elkaar blijft, ook al willen we elkaars hand niet meer vast houden?

De plas drupt met kleine drupjes de wc pot in. Ik denk aan de man die in het bed is achter gebleven. Aan de afschuwelijke gele bril die hij op had toen ik hem voor het eerst ontmoette. Aan hoe hij als taalnazi de dt’s in mijn teksten aanpast. En aan hoe hij vanaf het begin af aan weigerde om in liedjes te horen. Misschien kan ik van hem wel gaan houden. Ik rol wc papier van de rol af. Misschien ook wel niet. Ik trek door.

Als ik mijn onderbroek weer aan heb, kijk ik in de spiegel. Na de eerste drie maanden van mijn eerste baan werd ik verliefd op de camera en verslaafd aan Final Cut Pro. Hoe vaak ik die eerste drie maanden niet wilde stoppen, mijn baas uitschelden, hoe vaak ik niet huilde en dacht dat ik het niet kon. Maar ik werd er goed in. Ik doe mijn haar in een knot en blaas de pluk die hij net vast had, uit mijn gezicht.

Ik kijk naar de wc waar ik net op zat. Ik heb over zijn remsporen heen geplast. Heel veel remsporen. Die hadden de muzikant, cabaretier, timmerman en de verdrietzwemmer onmiddellijk de das om gedaan. Ik trek nog een keer door en lach zonder dat hij het hoort. Ik loop terug naar zijn slaapkamer waar geen klok hangt. Schijt aan. Dit is het moment en ik leef mijn eigen liedje.

Benieuwd hoe dit afloopt? Lees Liefde in tijden van liedjes II.

One Night Stand

One Night Stand

Het was tegen acht uur ’s avonds dat hij en ik elkaar ontmoetten in het park vlakbij mijn huis. Er zaten mensen om ons heen die elkaar vaker hadden gezien, maar ik keek in een paar ogen die ik vorige week voor het eerst zag tussen veel ogen van anderen. Hij had wodka en spa rood meegebracht, omdat hij van de facebookgesprekken die na vorige week volgden, had onthouden dat ik dat het liefste drink. Ik had rode wijn mee, omdat ik had onthouden dat hij het grappig vindt dat ‘ie daar paarse lippen van krijgt.

Het leuke van alleen zijn is dat je telkens weer een nieuw iemand ontdekt met wie je samen wilt zijn. Misschien voor een uur of misschien niet eens voor een uur. Misschien voor een avond, een nacht, voor een maand. Misschien voor een half jaar en ooit misschien voor langer. Het leuke van alleen zijn is ook dat je de interesse die je hebt in nieuwe mensen, tentoon mag spreiden. Ongegeneerd. Proberen, kijken, porren, lachen, dansen, praten.

Het proberen gebeurt in afspraakjes. De ene jongen is leuk, de ander geen reet aan en een enkele keer ontmoet je iemand die boven het maaiveld der afspraakjes uitsteekt. Deze jongen deed dat. Ik wist niet of het iets zou zijn voor een uur, een maand of langer en ik hoefde dat niet te weten. Ik was benieuwd. Hij had iets speels, ontwijkends en confronterend tegelijk. Het was een jongen wiens gedachtenpatroon ik niet kon ontrafelen. Wiens geur ik nooit eerder had geroken. Terwijl de drank vloeide en we praatten, echt praatten, over doodgaan en daten, dacht ik aan het feit dat mijn lippen nooit zijn lijf hadden gekust.

De temperatuur daalde. Langzaam verdwenen de mensen die elkaar vaker hadden gezien. Picknickkleedjes werden opgeborgen, voetballen in tassen gedaan. Als je elkaar vaak ziet, heb je minder te bepraten. Lege flessen wijn verdwenen in de prullenbak en ik deed mijn vestje aan. Wij praatten nog steeds. Het werd later. Het werd het tijdstip waarop zwervers op bankjes gingen slapen. Ik haalde een trui uit mijn tas, vroeg of hij het niet koud had. “Nee,” zei hij en ik kon niet zien of hij het echt niet koud had of dat hij het aan mij niet toe wilde geven.

De wijn was op. De wodka niet, maar onze lippen waren paars en onze hoofden beneveld. We liepen naar huis. Hij pakte mijn hand niet, maar onze zinnen verstrengelden zich des te meer. Ik weet niet of het hele slimme zinnen waren, of dat het dronkenmanspraat was. Nog steeds wist ik niet wat ik wilde van de jongen met het ongekuste lijf die het niet koud had. Hij woonde niet in de buurt, kon hij nog naar huis? Zo niet, ging hij dan op de bank of bij me in bed? Als hij bij mij in bed ging, wat zou er dan gebeuren?

Het verdrietige van alleen zijn, is dat de behoefte van een lijf in mijn bed uit het niets kan opkomen en angstaanjagend grote proporties aan kan nemen. Vaak heb ik dan niemand voor handen. Soms ga ik dan naar de kroeg, sleur iemand mee naar huis. Het maakt dan niet echt uit wat voor hoofd erop zit, als hij maar in mijn nek kriebelt en ik in slaap val met zijn hand op mijn heup. Maar soms. Soms neemt de behoefte van een hand op mijn heup grote proporties aan en is er wel iemand voor handen. Iemand die ook nog eens een oké hoofd heeft. Deze jongen had dat en ik wist niet wat te doen. Ik vroeg me af of ik hem juist niet uit mijn bed moest laten, zodat de kans dat hij er langer in zou blijven, groter zou werd.

Ik dacht aan hoe de nacht en de ochtend zouden verlopen als hij bij me zou slapen. Want als je slaapt met iemand die je niet goed kent, gaat het eigenlijk altijd hetzelfde. De nacht zou heel fijn zijn. Aanrakingen die ik nooit eerder voelde, omdat ieder mens anders aanraakt. Onze lijven die passen of net niet en dan lachen en bedenken dat het toch past. En daarna zijn hoofd in mijn nek, dan weer mijn hoofd op zijn schouder. In de dronkenschap zou ik denken, dit was een goede beslissing, wat fijn. En dan, als het laatste uur voor het wakker worden aanvangt, gaan onze lijven weer op zichzelf liggen. Wat in benevelde toestand zo goed leek te passen, is een paar uur later vreemd. Ik zou dingen zeggen als “hier heb je je arm terug, ik lag erop.” Hij zou veel praten. Ik zou niet weten wat hij in zijn koffie heeft en hij zou zeggen dat hij geen koffie lust. Ik zou me voor mijn lijf generen, mijn gele badjas aantrekken en bedenken hoe debiel het is dat ik een gele badjas heb. We zouden afscheid nemen met een kus die we aan ieder ander ook zouden geven. We zouden dag zeggen en de stilte die achterbleef zou overeen komen met wat er verder nog tussen ons zou gebeuren.

Ik vroeg me af wat ik wilde. Wilde ik dat hij wegging. Wilde ik een hand op mijn heup. Wilde ik praten. Wilde ik hem nog eens zien. Het een sluit het ander niet uit, dat weet ik wel. Maar ik weet ook dat het ongemak dat de volgende ochtend tussen de kussens ligt, geen goede voedingsbodem zal zijn voor een weerzien. Bovendien, iedereen weet dat nette meisjes niet met iemand slapen op de eerste afspraak. En ja. Ik ben een net meisje volgens mij.

Terwijl we dichter bij mijn huis kwamen, probeerde ik mijn gedachten te ordenen. En toen bedacht ik gelukzalig; ik heb geen idee van wat hij wil. Misschien heeft hij helemaal geen behoefte aan mijn lijf. Alleen aan mijn woorden. Of misschien wel aan niets, behalve een glas water. Ik lachte om mezelf, mijn gele badjas en nam me voor dat ding morgen weg te gooien.

We stonden voor mijn deur. Ik raakte met mijn vingertoppen zijn arm aan. Hij legde zijn hand op mijn wang en wreef met zijn duim zachtjes over mijn kin. Ik deed mijn ogen even dicht en lachte. Boog naar voren en kuste hem. Hij kuste terug, lachte ook even, keek naar de grond en toen weer naar mij. Ik ademde diep in en ademde opgelucht uit. We wisten nu allebei hoe de nacht zou verlopen.

Mijn stad

Mijn stad

19 jaar was ik toen ik Rotterdam verliet. De stad waar mensen hun mouwen opstropen, waar je zegt wat je denkt. De stad waar mijn eerste vriendschappen geboren zijn, waar ik voor het eerst verliefd werd, waar ik mijn diploma haalde en waar ik na het uitgaan bij Jaffa kapsalon ging eten.

Rotterdam was mijn stad, maar toch wilde ik een nieuw avontuur. Ik ging naar Utrecht en op kamers. Utrecht, waar ik mijn eerste vriendje kreeg en mijn eerste baan. Waar mijn hart talloze keren werd gebroken en bier het heelde. Waar ik vrienden ontmoette op een steiger of stoep en waar ik zoveel meer mee deelde. Utrecht was van mij en werd ook mijn stad. Ik was er begonnen zonder hulp van anderen en was er groot geworden. Nu is het bijna tien jaar later en ben ik echt een van de grote mensen, zoals je vroeger altijd had willen zijn.

Het gekke van nu is dat velen die ik hier ontmoette, de stad ook weer verlaten. Het is tijd, zeggen ze dan. Vaak gaan ze naar Amsterdam. Ik niet. Ik ben loyaal, dat is misschien het Rotterdamse in mij. Of misschien kan ik gewoon niet naar Amsterdam. Dat klinkt ook logisch. Maar hoe dan ook, ook in mij kriebelt het om iets te veranderen.

Toen ik op mijn 19e naar Utrecht verhuisde, verliet ik niet alleen de stad, ik verliet ook mijn vriendinnen. Het waren er drie. Drie meiden die ik op mijn veertiende ontmoette op de plaatselijke handbalvereniging en vanaf toen was het goed. We gingen op vakantie, maakten ruzie, kotsten onze longen leeg na het drinken van Blue Curaçao en maakten het weer goed. Het was goed. Toen ik vertrok, was het ’t moeilijkste om hen te verlaten. Want niet elke vriendschap is eeuwig en het is een risico om weg te gaan bij wat je kent. Maar ik hoopte dat ze zouden blijven.

En… ze zijn er nog. Ze zijn vrouwen geworden met een baan, een partner, een kind en ik ben geworden wie ik ben. In die tien jaar zagen ze mij worstelen met mezelf of mijn schrijven, ik zag hen worstelen met gebroken nachten en verkeerde hechtingen. Ze zijn vrouwen geworden die ik soms ook wil zijn en af en toe zien ze iets in mij dat zij ambiëren. Dat Rotterdam nog steeds mijn stad is, dat is zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat weet ik niet. Dat mijn vriendinnen er nog steeds zijn, dat is ook zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat wist ik ook niet toen we afgelopen vrijdag voor het eerst in tien jaar een weekend weggingen. Houden we het wel uit, een heel weekend bij elkaar, tien jaar, drie baby’s en vier ontwikkelde karakters verder? Is er nog genoeg basis om 48 uur bij elkaar te zijn?

In de auto kwamen herinneringen boven. En het eerste gelach. Over de gans die ons huisje binnen liep toen we het eerste weekend weggingen in de pubertijd. Over jongens die werden gezoend zonder dat we hun naam wisten een vakantie later. Over het bezoek van mijn vriendinnen met de grootste teddybeer die er bestaat toen ik in het ziekenhuis had gelegen. Later, met een paar shotjes Blue Curaçao spraken we over baby’s – gelukkig niet het hele weekend – maar ook over relatieperikelen, over therapie, over seks, over mijn boek en over onze toekomst.

Toen kwam er het moment dat de hoedanigheid zich onthulde. De foto die ik een half jaar geleden had doorgestuurd kwam ter sprake. Mijn vriendje had het uitgemaakt, ik had de dikste ogen ooit en stuurde een foto van mezelf over de groepsapp. Ik kreeg geen ‘o wat ben je zielig’. Ik kreeg een ook een foto. Een van de vriendinnen maakte een kiek van haar hoofd en zette die op de app. Ze had net zulke rode, opgezwollen ogen als ik, alleen had niemand het met haar uitgemaakt. Een chronisch gebrek aan nachtrust te danken aan haar nieuwbaken baby was de oorzaak. En toen wist ik het. We kunnen nog zoveel verschillen, maar we hebben dezelfde humor, dezelfde basis. Dat is het Rotterdamse. We zijn anders, maar hebben nog steeds dezelfde ogen.

Dit weekend maakte de beslissing makkelijker. Er moest iets veranderen en nu weet ik wat. Ik hou van Utrecht om zoveel redenen, maar ik moet terug naar Rotterdam om één reden: het is thuis. De vriendschappen in Rotterdam heb ik kunnen behouden, zo bleek dit weekend. Ik hoop dat ik over tien jaar met de Utrechtse vrienden, die ik op een stoep of steiger heb ontmoet, ook zo kan zitten in een bungalow. Want ook deze vrienden zijn anders, maar ook wij hebben een basis. Een ding moet ik ze nog wel leren voordat ik terug ga, al wat ik niet precies wanneer dat is. Blue Curacao drinken.

Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.