Babyblues

Om me heen worden vele vrouwen zwanger. Een paar jaar geleden was het één vriendin, of één zus die met een bolle buik rondliep. Eén zwangere kon ik hebben. Nu zijn er drie vriendinnen in verwachting en twee kennissen en heb ik het gevoel dat ik ergens een heel belangrijk startschot gemist heb. Alsof er iemand met een megafoon door de straten liep en naar alle vrouwen van boven de dertig schreeuwde: Vrouwen klaar, baren maar!

Zij die het startschot wel hoorden, zijn moe en vrolijk, tonen echofoto’s op hun telefoon en ik krijg nu dus wel het idee dat ik iets moet met dat hele babyconcept. Kinderen. Baby’s. Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet altijd warme gevoelens koester als ik er eentje zie. Ze zijn ieniemienie en daarmee aandoenlijk (maar wel lelijk, ja toch wel echt, ook al is een wonder, het is een klein, lelijk wondertje) en ze maken herrie. Toegegeven, ze ruiken naar Zwitsal en dat vind ik heerlijk maar ze houden je ook chronisch uit je slaap, laten kotsboertjes op je schone kleren en je kunt er, tot ze de pubertijd doorgeworsteld hebben, geen fatsoenlijk gesprek mee voeren. Maar, zo zeggen alle mensen als ik deze argumentatie opvoer; je krijgt er zoveel moois voor terug.

Je krijgt er zoveel moois voor terug. Dat snap ik. Het is een tastbaar bewijs van de liefde tussen twee mensen, dat in je groeit, daarna komt het eruit (daar wil ik sowieso niet over nadenken), groeit het verder, ontwikkelt het zich, kijkt het op zijn of haar eigen manier naar de wereld en al die tijd zorg je ervoor dat het in leven blijft. Dat is bijzonder. Dat snap ik. Maar, al dat moois zie ik (nog) niet helemaal. Ik voel dat (nog) niet helemaal. En het wordt toch weleens tijd.

Voor jullie blijf ik altijd achtentwintig, maar ik ben inmiddels tweeëndertig. En alle redenen die er zijn om nee tegen baby’s te zeggen, zijn verdwenen. Ik heb geleerd om voor een cactussen te zorgen, zelfs voor een hond, ik heb mijn boek af en het allerbelangrijkste; ik heb iemand gevonden die voor altijd bij mij hoort.

Natuurlijk smelt ik weleens bij de gedachte aan mijn taalnazi (die ik als we ouders zijn misschien toch echt een andere bijnaam moet geven) met een kindje. Dat in zijn grote hand een kinderhandje verdwijnt. Dat we met z’n drietjes langs de Kralingse plas lopen (en met Floortje, want dat blijft natuurlijk altijd mijn eerste kind) en het goed is. Dat ik een liefde voel die alles overstijgt, want dat kan ik me wel goed voorstellen. Dat ik voorlees met rare stemmetjes en ik me verbaas over hoe hij, of zij, de wereld aan me uitlegt. Dat ik moet lachen omdat hij zegt dat ik zo’n grote neus heb of dat ik moet huilen omdat zij haar armpjes om mijn nek klemt als het buiten stormt.

Maar er is ook angst. Veel angst. Of ik het wel red. Of ik het wel kan.

Ik ben een vrolijk meisje met een zwart randje. Dat weet ik van mezelf. Ik heb therapie gehad. Ik heb zelfhulpboeken gelezen. Ik heb gedronken om het donker te doen verdwijnen, ik heb het weg proberen te eten of weg te sporten. Ik heb mezelf kwijtgemaakt, gezocht en weer gevonden. Ik ben gaan mediteren. Ik ben mezelf gaan accepteren. En toen kwam de taalnazi (ja, de tweede ronde). Precies op het juiste moment. Hij maakte me gelukkiger dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Alles is met hem leuker. Alles is lichter. Draaglijker. Vrolijker. Fijner.

Regelmatig ben ik te gelukkig.

Dan denk ik: ik ben nu zo gelukkig, ik zal morgen wel borstkanker krijgen ofzo. Dat moet wel. Of, ik ben nu zo gelukkig met de taalnazi. Zul je zien: rijdt ‘ie zich vanavond per ongeluk hartstikke dood. Ik vertrouw het leven simpelweg niet. Het is te goed. Niet dat alles helemaal op rolletjes loopt, dat het met iedereen om me heen goed gaat. Nee. Was dat maar zo. Maar er is een basisgeluk. Een basisgeluk van voor altijd bij iemand horen die het leven leuk en licht maakt.

Met zo iemand wil je toch een kindje? Soms wil ik dat heel graag. Maar soms denk ik; ik ben nu zo gelukkig, het kan alleen maar minder worden. En ik ga het erger maken, want soms denk ik: het gaat zo goed, we leven nog, er is geen kanker of fataal auto ongeluk, misschien zijn het die kinderen wel, als we daar voor kiezen. Is een kind ons fatale auto ongeluk.

In dat scenario blijken we niet te zijn gemaakt voor gebroken nachten. Het beetje geld dat nu genoeg is, blijkt veel te weinig met een baby en we gaan ruzie maken. Ik ben chronisch boos en hij terneergeslagen. Ik word zo’n vrouw die alleen maar zorgt en flesjes maakt en klaagt over dat ze geen eigen leven meer heeft. Of erger. Ik krijg een postnatale depressie en hij weet niet hoe hij me moet troosten. Ik vind het kindje helemaal niet lief en krijg spijt dat het er ooit gekomen is. Tot daar gaat het scenario; het denken over baby’s stopt bij dat donker. Het gevoel dat ik defect bent, vult me vanaf daar op. Ik mis een stukje dat normale vrouwen wel hebben. Het grote verlangen naar een kind, naar het moederschap. Een moederinstinct.

Deze week was ik moe en ik dacht ik veel over baby’s en moeder zijn. Ik zat met een zwangere vriendin in de trein en het alsmaar terugkerende doemscenario brak me op.  Hoewel misschien vreselijk ongepast, vroeg ik haar of zij ook dacht dat een kind een fataal auto ongeluk kon zijn voor hun relatie. Ze schrok niet, ze lachte niet, ze knikte. Ze had zelf ook regelmatig gedacht dat haar vriend zou sterven voor ze zwanger was. En nu ze een kind kregen, droomde ze nog steeds over zijn dood en dat zij dan met dat kind zat. Ik vroeg haar waarom ze het toch gedurfd had, zwanger (proberen te) worden. Het is toch ook mooi, zei ze, het is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Ik knikte. We praatten.

Het werd een klein beetje meer helder. Een kind stinkt en ruikt naar Zwitsal. Het houdt je wakker en geeft je liefde. Het is stikvermoeiend, maar geeft ook energie. Het is mooi en verschrikkelijk en dat mag. Dat is wat het leven is. Het is donker en licht en met of zonder kind zal het donker en licht blijven. Ik kan geluk niet vasthouden, net zomin als ik ongeluk kan doen verdwijnen. Nu al leert dat eigenwijze jong van ons mij wat. Alles is donker en licht, gekke mama, alles is mooi en verschrikkelijk tegelijk. Misschien gaan we het ervaren. Ooit. Misschien. Als ik het uiteindelijk durf en als het dan ook nog eens kan.

Het haar van de taalnazi

 

Er was eens een taalnazi*. De mijne. Een grote, mooie, sterke man met een baard, en haar op zijn borst. Groene ogen, een rechte neus, en het mooiste was misschien wel zijn haar. Donkerblond haar, in de schemer was het donker en in de zon bijna blond. Kort, nonchalant, wild, met een slag. Hij hoefde zijn haren nooit te kammen, het viel zoals het viel en het was prachtig. Het was een prachtige taalnazi. De mooiste die ik ooit had gezien.

En toen kwam er een olifant met een hele grote snuit en die blies zo het sprookje uit. Want de taalnazi besloot om zijn haar te laten groeien.
‘Als het lang is, ga ik het heel goed verzorgen.’ Hij aaide zijn haar. We zaten op de bank. ‘En het krult straks ook heel mooi,’ glunderde hij.
‘Maar, schat,’ zei ik twijfelachtig. ‘Ik denk niet dat het nog gaat. Lang haar. Dat het nog mooi is.’ Subtiel probeerde ik hem te wijzen op zijn terugtrekkende haargrens.
‘Jawel, het is wel mooi.’ Hij aaide zijn haar zoals ik nog nooit een man zijn haar had zien aaien. Horrorscenario’s van strakke paardenstaarten en inhammen tot aan zijn achterhoofd doemden op in mijn hoofd. Ik nam een slok wijn en spoelde zo de griezelfoto’s weg. Hij mag dit zelf weten. Ik hou van hem, ik wil leven zonder oordeel. Hij mag dit. Hij mag levensgrote inhammen hebben en erbij lopen als een zwerver. OMG. Nog een slok. Zonder oordeel. Hij mag dit.

Het haar groeide en groeide. Het kwam op zo’n rot lengte waar allerlei vrouwen die hun haar kort hebben geknipt ook doorheen moeten als ze het weer lang willen. Ik had steeds meer moeite om mijn reserveringen weg te stoppen.
‘Wat vind je er zelf van?’ vroeg ik.
‘Ik vind het mooi,’ antwoordde hij.
Hij vroeg niet wat ik vond. Waarschijnlijk omdat mijn gezicht KNIP HET AF! gilde.
‘Ik laat het lang groeien en als het lang is en je vindt het niet mooi, dan knip ik het af.’
‘Dat is goed,’ zei ik.
Het is een eigenwijze man. Ik hou van hem omdat hij zelfs in december op slippers loopt, omdat hij er schijt aan heeft dat zijn lievelingsbroek vol gaten zit, omdat hij mij leert dat ik schijt moet hebben en van mezelf moet houden.

Maar ik houd niet van lang haar en ik kon het steeds moeilijker verbergen. Mijn prachtige taalnazi verloor aan glans, er kwam iets dakloosachtigs over hem heen. Vrienden en familie vielen me bij.
‘Gast, je wordt ook ouder. Die inhammen, man,’ zei zijn beste vriend.
‘Je bent echt knapper met kort haar,’ zei mijn zus.
‘Och jongen, ga toch naar de kapper,’ zei zijn moeder.
‘Heb je een midlife crisis?’, vroeg mijn moeder.
De taalnazi hoorde het aan, keek het aan, aaide zijn haar weer en verzonk in een wereld waarin zijn manen dansen in de wind en glanzen in de zon.

Ik deed mijn ogen dicht en mediteerde. Hij mag zijn wie hij is. Hij mag dit haar houden. Ik deed mijn ogen open en wilde gillen dat hij het af moest knippen. Ik deed mijn ogen dicht en wilde hem accepteren, wie hij ook zou worden. Ik deed mijn ogen open en dacht: o mijn god, straks wil ik nooit meer met hem naar bed. Kan ik nog met hem naar bed als hij een paardenstaart heeft en eruitzien alsof hij met drie halve literblikken bier in het park heeft overnacht?

Ik besloot een milde aanpak en pakte mijn telefoon. Ik liet hem een foto zien van hem op onze vakantie op Texel. Hij staat in de duinen, heeft zijn lichte spijkerbroek aan, een zwarte jas daarboven. Hij heeft een zonnebril op, zijn haar is mooi en kort en verwaaid en hij staart de verte in, alsof hij James Dean is.
‘Hier ben je supergeil. En de mooiste. De mooiste die er is.’
‘Met lang haar, ben ik nog mooier.’
Ik verbeet me, maar het lukte niet. ‘Ik wil dat je het afknipt.’
‘Wat?’
‘Ik meen het. Ik kan er niet tegen. Ik vind het niet mooi. Straks wil ik niet meer met je naar bed. Jij wil toch ook niet dat ik mijn haar af knip?’ Ik ratelde. ‘Vind je mij dan nog mooi?’ gilde ik.
‘Doe eens normaal,’ zei hij zachtjes. Hij aaide zijn haar. Zelfs zijn fret aait hij niet op deze manier.
Ik stak mijn telefoon hysterisch in de lucht – of liever gezegd in zijn gezicht – en riep: ‘Ik wil mijn taalnazi terug! Terug!’ Het huilen stond me naderbij dan het lachen. ‘Waarom knip je het nou niet af, voor mij? Ik zou het ook voor jou doen.’
‘Echt,’ zei hij streng. ‘Doe. Normaal.’

Hij had gelijk. Het was niet normaal en ik voelde me een verschrikkelijk dom, vervelend, onaangenaam mens die eigenlijk niet eens meer een kusje van de taalnazi verdiende. Ik zei dat ik erover zou zwijgen. Een week later zat ik er toch weer over te zeuren. Ik wilde dat hij het zou knippen, voor mij. Dat hij het belangrijk vond wat ik vind. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij bij zichzelf zou blijven. Maar ik vond het ook belangrijk dat hij het zou knippen, voor mij. Maar ik vond het ook belangrijk…

Zaterdag was ik bij mijn moeder. Ik kreeg een appje kreeg met een foto. De taalnazi had een selfie gemaakt. Hij had kort haar en stak zijn middelvinger naar me op. Erbij stond: ‘Ik ben heel boos, maar dit is mijn beslissing. Je moet weten dat ik aan de hele wereld schijt heb, maar het minst aan jou. Ik hou van je. En deze woede… dat is niks dat een paar blote billen van jou niet kan verhelpen.’

*de taalnazi is de bijnaam die mijn vriend heeft verdiend door op een ontzettend strenge wijze mijn teksten te controleren.

Monstergriep

 fb9baf96db0ca09022b31df7fea0abf3

 

Ik heb een monstergriep gehad. Zo’n griep waarin je in een dikke pyjama, onder drie dekbedden nog steeds ligt te rillen van de kou. Wachtend op een zweetaanval. Zo’n griep waarvan je gaat ijlen en waarin je vijf kilo wegzweet. Zo’n griep waarvan je gaat huilen. O. Dat bleek niet helemaal normaal, want de taalnazi – die uitermate goed voor me zorgde – belde tijdens het grote grienen in paniek mijn zus op: ‘Ze huilt om onbegrijpelijke redenen!’ Mijn zus suste: ‘Ze is gewoon een beetje apart.’

Het is nu dag tien van de griep en het gaat beter. Ik word nog duizelig van mijn telefoon en van mijn laptop maar maar het zweten is voorbij en het kotsen ook. Het leven is altijd leuker zonder kotsen, dus ik ben blij. Pardon. Blijer. Want ik ben niet blij. Ik ben teleurgesteld. Daarom huilde ik.

Het is donker in het holst van de griep, maar ook helder. Helder is dat ik sinds november weer aan het rennen ben, aan het jagen, de gaten aan het opvullen. Gaten van verdriet bij vriendinnen, gaten van eenzaamheid bij mijn moeder, gaten van collega’s die ziek zijn, gaten bij opdrachtgevers. Het woord ‘nee’ is uit mijn vocabulaire verdwenen. De oorzaak van het gebrek aan nee is gênant, het is namelijk: Ik ben zo mindfull geworden, ik kan het wel aan. Hij of zij is daar nog niet, dus ik kan het beter doen.

Het is een hooghartige gedachte. Wie ben ik om voor andere mensen te bepalen of ze iets wel of niet aankunnen? Om ze die beslissing te ontnemen? Daarna bedenk ik: het is niet mindfull om jezelf weg te cijferen en weer daarna denk ik: fuck, het is gewoon makkelijker. Het is makkelijker om door te werken als iedereen dat doet, dan om mijn eigen avond te pakken. Het is makkelijker om ‘ja’ te zeggen tegen mijn moeder dan de teleurstelling in haar stem te horen als ik zeg dat ik echt een dag voor mezelf nodig heb. Het is makkelijker om die ene opdracht tegen je zin in tóch aan te nemen omdat je anders een heel team een klus ontzegt. Het is makkelijker om te doen wat iedereen doet dan te doen wat je zelf wilt (als je dat al weet).

Nee, dat is niet helemaal waar. Uiteindelijk is het misschien wel moeilijker vanwege de teleurstelling. Want ik ben teleurgesteld; en wel op twee manieren. De eerste teleurstelling zit ‘m in het feit dat ik niet alles kan fixen. Meer mail, meer lijstjes, meer vraag, meer werk, meer verdriet, meer gaten. Er is altijd meer gat dan ik aankan. Het is dweilen met de kraan open en toch wil ik het allemaal doen, voor iedereen. En als dat niet lukt – omdat ik niet Atlas ben of Superwoman – ben ik teleurgesteld. Dit moet ik toch aankunnen, hij werkt zich ook de pleuris, zij trouwens ook, je kunt ook nergens tegen, sjonge jonge, wat ben je een lapzwans. Lekker oordelen op mezelf.

Maar dan komt er altijd dat moment, of het nu in een schurftepidemie is, in een stilte retraite, in een monstergriep, dat er bewustwording ontstaat. Dat ik merk en voel dat ik Atlas niet ben, of Superwoman en dat het onredelijke eisen van mezelf aan mezelf waren. En voilà; nieuwe teleurstelling. Omdat ik vergeten was lief voor mezelf te zijn, omdat ik weer niet voor mezelf heb gezorgd, omdat ik niet voor mezelf durf te zorgen. Jezus, je weet nu toch dat je rustig aan moet doen, waarom mediteer je nou niet en waarom ben je nou verdomme niet aardig voor jezelf, je moet niet boos worden, wat ben je nou voor boeddha? Lekker een oordeel op een oordeel.

In het holst van de griep dacht ik dat ik weer opnieuw moest beginnen. Ik gilde tegen de taalnazi: ‘Ik ben mezelf kwijt! Ik moet weer terug naar Indiaaaaa. Wat is mediteren!?’ Nu de koorts is gezakt, gaat het beter. Ik heb weer wat geleerd: oordeel op oordeel; teleurstelling op teleurstelling maakt het zwaar. Zwaarder dan nodig. En hier ga ik me de komende tijd eens mee bezig houden. Liever voor mezelf zijn. Weer. Maar nu zeg ik het zonder oordeel, omdat de monstergriep me weer een stukje dichterbij het leven heeft gebracht dat ik wil.

Want ik weet wel wat ik wil: ik wil een ontspannen leven. Dat betekent niet dat ik niet wil werken en altijd op mijn nest wil liggen. Het betekent dat ik met rust op wil staan en wil ontbijten, dat ik kan mediteren en wat kan werken. Ik lees misschien een stukje uit een boek tussen de middag, ik neem tijd voor een wandeling. Ik wandel met de taalnazi langs de Maas, met Floortje door het bos. In de avond wil ik lekker koken, met lieve muziek op. Ik wil breien en lezen en wandelen en zwemmen en schrijven. Ik wil dat we elkaar in bed voorlezen van de romans die we aan het maken zijn. Ik wil schrijven.

Ik wil schrijven. Dat is mijn leven. Er is niet veel geld voor nodig, alleen durf.

PS. De taalnazi stuurt me regelmatig het plaatje dat boven dit verhaal staat. Inmiddels hangt hij ook in onze woonkamer. The path to inner peace starts with four words: not my fucking problem. Het is niet zo’n boeddhistische leuze maar soms helpt het. Misschien jou ook.

 

 

De Kutdagen

img_3720

Dat ik iemands vriendin ben, vind ik nog steeds raar. Het is al best een tijdje zo, maar er zijn nog altijd momenten dat ik eraan moet wennen. Nog steeds kan ik me beter identificeren met de vriendin die in haar zoektocht naar een geschikte vent verschrikkelijke en hilarische dates heeft, dan met stellen die om de week een datenight inplannen.

Ik moest uitvinden hoe een relatie werkt, dat moest ik leren. Als je 30 jaar vrijgezel bent geweest, is dat nogal moeilijk. Het lastigste vind ik de kutdagen. Op vrolijke dagen is een relatie makkelijk, de gezamenlijke bubbel is fantastisch. Ik wist niet dat iemand mij zo gelukkig kon maken, zittend op de bank, ruikend aan zijn baard, thee slurpend, rug aaiend. Er is dan geen meditatie nodig om in het hier en nu te blijven. Ik ben er, hij is er en ik hou van onze bubbel.

Jaja, terug naar die kutdagen (want gelukkige mensen vind ik ook nog steeds om te kotsen). Die kutdagen zijn er. Als ik verdrietig ben omdat ik ruzie met mijn moeder heb gehad, of omdat ik moet janken omdat ik mega ongesteld ben of gewoon, zomaar omdat ik een dal in mijn dag heb. Toen ik nog vrijgezel was, zette ik op dat soort dagen een grote kan thee, pakte een dekentje, ging op de bank liggen en keek Pretty Little Liars.  Nu is dat anders, nu is een dal in mijn dag confronterend. Ik merk het meteen als ik thuis kom na een lange, vermoeiende rotdag.

‘Hoi schatje!’ roept de taalnazi vanuit de studeerkamer. Altijd maar dat ‘geschatje’.
‘Hoi.’ Zonder een kus loop ik naar de meditatiekamer. ‘Ik moet mediteren.’
‘Oké!’
Gejaagd steek ik mijn kaarsjes aan. En die pokke wierook moet ook. Ik ga zitten op mijn kussen, trek een kleedje over me heen en ervaar het gehele half uur geen zachtheid of ontspanning. Het enige pluspuntje is dat ik ben blijven zitten.

Ik sta op en ben boos. Op mezelf, op mijn moeder, op hem omdat hij geen klote opruimt of schoonmaakt. Zou hij vandaag wel wat hebben gedaan? Nee zeker. Nee, zij doet het wel. Ik laat het voor haar wel liggen. Ik ga wel lekker in mijn studeerkamer zitten. Sjonge. Ik loop naar de woonkamer, langs de studeerkamer zonder naar hem te kijken.

Tot mijn teleurstelling is de woonkamer niet heel vies. Hij heeft gestofzuigd. Maar de kussens liggen niet recht en er staat een fles ijsthee op de grond en de chipszak van gisteren ligt nog op de salontafel. Hij weet dat ik het opgeruimd wil. Is het nou zo moeilijk om even op te ruimen? Ik heb een drukke dag gehad. Het moet opgeruimd zijn.

De keuken is goor. Echt heel goor. Dit moet gepoetst. Ik ga hem laten zien dat ik poets (en hij niet!). Ik maak een sopje en haal alle spullen uit de koelkast. De hele keukentafel staat vol. De glazen planken haal ik er ook uit. Ik sop en boen. Daarna schrob ik het gasstel. Daarna de keukenkastjes. Ook zo vies. Behalve die ene die hij pas heeft schoongemaakt en opnieuw ingericht. Eentje maar verdomme. Als ik de honing uit het kastje probeer te krabben, hoor ik iets achter me. Als ik me omdraai, staat de taalnazi in de deuropening.
‘Kan ik wat doen?’ vraagt hij zachtjes.
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Kijk hoe vies dit is.’ Ik wijs naar, nou ja, de hele keuken.
‘Zal ik het schoonmaken?’
‘Nee. Ik doe het wel weer.’

Ik zie angst in zijn ogen. Toch waagt hij het om binnen te komen. Inmiddels weet hij dat hij me nu niet moet vastpakken of kroelen of aaien. Hij grijpt met zijn hand in het gootsteenkastje. Hij weet volgens mij niet wat hij pakt maar loopt met zijn staart tussen zijn benen (en de allesreiniger) de keuken uit. Ik ga zitten op de stoel en hoor hem lopen. Met zijn allesreiniger. Ik laat het even gaan, laat mezelf denken. En dan roep ik hem (ik weet dat ik eigenlijk naar hem toe moet lopen maar dat kan nog niet).
‘Ik ben aan het schoonmaken, schatje,’ zegt hij zacht.
‘Waarom?’ vraag ik.
‘Ehm.’
‘Omdat je bang voor me bent he?’
‘Eh, ja, doodsbang.’
‘Dat is eigenlijk niet goed of fijn ofzo,’ zeg ik. ‘Kom je zitten?’
Hij gaat zitten. We zwijgen. Ik heb een dal in mijn dag en hij is er. Ik zou dankbaar moeten zijn, in zijn baard vliegen, huilen op zijn borst, me laten zeggen dat het goed komt, me laven aan zijn slechte grappen, maar ik kan het niet. Niet nu, nu niet meteen.

Het is de kutste dag van het jaar (oké, van de maand, oké van de week) en ik wil het alleen doen. Nee. Ik ben gewend om het alleen te doen. Dat is ook wat ik tegen hem zeg.
‘Ik weet niet goed hoe het moet, verdrietig zijn bij een ander.’
‘Dat maakt niet uit he.’ Als ik me open stel, heeft hij iets om mee te werken, zijn kalmte is terug. ‘Ik geef je alle tijd. Je doet hoe je het doet.’
‘Ik heb het nooit gedaan,’ zeg ik. ‘Ik ben dat niet gewend.’
‘We hebben de tijd,’ herhaalt hij.
‘Je bent een spiegel.’ Ik stomp hem op zijn knie. ‘Je bent een kutspiegel ook nog. Vroeger ging ik gewoon op de bank liggen met een deken en dan merkte ik niet eens dat ik een kutdag had.’
‘Dan: ga op de bank liggen met een dekentje.’
‘En Pretty Little Liars kijken?’ vraag ik.
‘Ik weet niet wat dat is, maar ga lekker Pretty Little Liars kijken. En dan breng ik je een kopje thee en dan ga ik weer in mijn studeerkamer zitten.’
‘Is dat niet raar?’
‘Een beetje wel maar jij bent raar en ik ben raar, dus is het goed.’
Ik trek hem omhoog en knuffel hem. Heel even. ‘En nou oprotten,’ zeg ik.
‘Ja jij!’ Hij steekt zijn middelvinger op, geeft me een duwtje richting de woonkamer en zet de televisie aan.
En weer ben ik een klein beetje meer gewend. Ik ben iemands vriendin.

Met een hele schone koelkast.

Zo’n liefde

Als ik de wachtkamer van de dokter in loop, hoor ik zacht gehuil. Vorige week had ik in mijn vinger gesneden, er moest een hechting in en nu moet die eruit. De wachtkamer is groot en de bankjes zijn leeg. Op één bankje na. Op die plek zit een vrouw van in de zestig te huilen, ze wordt omarmd door haar man. Hij wrijft zachtjes met zijn duim over haar bovenarm. De vrouw heeft een rood gezicht en dept haar tranen met een nat propje papier, dat ooit een zakdoekje was. Haar hoofd rust op de schouder van de man en af en toe verstopt ze haar gezicht in zijn nek. Hun handen met oude aderen zijn in elkaar verstrengeld en liggen op zijn knie. De vrouw huilt door merg en been. Ze huilt op zo’n manier dat ik het voel. Soms heb ik dat bij een kind ook. Wat een verdriet, denk ik dan. Zulk verdriet bij een oude vrouw zien, is extra droevig. 

Ik bedenk wat er kan zijn gebeurd. Wat ze van de dokter gehoord heeft, om zo van slag te zijn. Ik zie het stel zitten voor het bureau van de dokter. Zij nog niet huilend, hij nog niet over haar bovenarm wrijvend. Wel die handen op dezelfde manier verstrengeld op zijn knie.
U heeft Alzheimer, het spijt me.
U heeft kanker, uw borsten moeten eraf.
Nee, dat is niet wat de dokter zegt. De dokter kijkt hèm aan. Het is zijn ziekte. Dat moet het zijn. Hij heeft kanker en zij heeft verdriet. Er is tegen hem gezegd dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft en zij is bang. Dat is het.

Ik denk dat dit het is, omdat het bij mij zo zal zijn.

Als de hechting eruit is gehaald, loop ik terug naar de wachtkamer. De vrouw zit nu alleen, kijkt naar de vloer, een stille traan loopt over haar wang. Ik voel dat er ook bij mij tranen opkomen. Het zijn tranen voor mij. Tranen voor de liefde.
Ik loop naar haar toe, leg mijn hand op haar rug. ‘Mevrouw?’ zeg ik. ‘Ik weet niet wat er aan de hand is, maar ik wilde u even veel sterkte wensen.’
‘Dank je,’ zegt ze. ‘Wat lief.’
Ik klop op haar rug, ze begint heviger te snikken. ‘Zal ik even bij u komen zitten?’ vraag ik dan. ‘Tot uw man terug is?’
‘Ja,’ fluistert ze. Met haar propje veegt ze over haar ogen, ze zijn dik.
‘Gaat het een beetje?’ vraag ik. Domme vraag, maar ik vraag het.
‘Ik ben voor alles zo bang,’ zegt ze. ‘Voor alles.’
Ze kijkt naar haar handen. ‘Ik ben bang om naar de supermarkt te gaan, ik ben bang om naar de bakker te gaan, zelfs voor het uitlaten van de hond ben ik bang.’
Straatvrees. Och jee. Dat dat je nog op zo’n leeftijd kan overvallen. ‘Wat naar voor u zeg.’

Dan komt haar man binnen, hij blijft even voor ons staan en kijkt liefdevol naar zijn vrouw. Ik sta op. ‘Gaat u maar zitten.’
Dat doet hij, precies op dezelfde manier als net. De vrouw vouwt zich moeiteloos tegen hem aan, zo zitten deze mensen al jaren. Binnen, dat wel.
‘Hij heeft een paar maanden geleden een hartinfarct gehad begrijp je wel,’ zegt ze. ‘Hij was bijna dood.’
‘Och jee,’ zeg ik tegen de man. De man maakt een wegwuifgebaar met zijn hand, hij kijkt of het hartinfarct een bezoekje aan de bloemenboer was.
‘Bijna dood en nu kan ik hem niet alleen laten.’
Geen straatvrees, ziek van angst, ziek van liefde.
‘Ja, dat lijkt me heel moeilijk,’ zeg ik. ‘U bent natuurlijk bang dat er weer wat gebeurt.’
‘Nee,’ zegt de vrouw, ‘Nee, ja dat ook natuurlijk. Maar ik wil gewoon zo graag bij hem zijn.’
Ze tilt haar hoofd op, ze kijken elkaar aan. Hij doet zachtjes een pluk haar, nat van de tranen, achter haar oor. Hij glimlacht naar haar. Zij reageert met een snik.

‘Ik ben te kort bij hem geweest,’ zegt ze. ‘Zeventwintig jaar, we hebben alles gedeeld samen, kinderen, kleinkinderen, trouwpartijen, vakanties, mensen die dood gingen, er gingen ook zoveel mensen dood. Maar er is nog zoveel meer. Ik wil gewoon bij hem zijn. Hij mag nog niet dood.’ Ze pakt zijn hoofd beet en zoent hem. Het is een droge, harde zoen en ik moet huilen.
‘Ik begrijp het,’ zeg ik. ‘Wat mooi en verdrietig tegelijk.’
Dit zijn mensen die elkaar leerden kennen en die de mooie en de lelijke dingen aan elkaar lieten zien. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die van elkaar houden, zelfs als ze niet van elkaar houden. Dat doen wij ook. Dit zijn mensen die doorleven in elkaars leven, nadat ze zijn gestorven. Dat is iets waar ik niet aan wil denken.
De vrouw snuit haar neus.
Ik zeg zachtjes ‘dag’ tegen de man en wens de vrouw veel sterkte, dan loop ik naar buiten en ik huil. Eventjes, zachtjes. Omdat ik dit kan zijn. Omdat ik geloof dat ik zo’n liefde heb gevonden. Hij mag niet doodgaan, niet voor mij, niet na mij, nooit. Ik lach. Ik heb zo’n liefde.

Floortje

IMG_3062

Sinds kort heb ik een hond: Floortje. Floortje is eigenlijk de hond van mijn moeder, maar die kan niet meer voor haar zorgen. Floortje is eigenlijk ook geen hond, ze is meer een soort grote, harige rat die is opgevoed als een mensje.

Floortje mocht bij mijn moeder op bed slapen. ’s Ochtends at ze – net als mijn moeder – pap. Floortje hield niet van wandelen of buiten poepen. Floortje vond slagroomsoesjes heel erg lekker en Floortje luisterde niet als ze daar geen zin in had. Als ik op bezoek kwam, ging ze naast mijn moeder zitten en keek me aan. Bizar lang. Zonder te knipperen. Ik vond Floortje eigenlijk niet zo leuk.

Toch hoorde ze ineens bij mij (en ook een beetje bij de taalnazi natuurlijk). Vanaf het moment dat we haar aan een roze riempje meenamen en de taalnazi een half uur na thuiskomst haar eerst drol opruimde, hoorde ze bij ons. Het is nogal een verantwoordelijkheid. Ik moet haar eten geven en uitlaten, ik moet met haar spelen en haar opvoeden, ik moet voor haar zorgen.

Het tweede weekend dat Floortje bij ons was, lieten we haar alleen om naar een eetafspraak met vrienden in Amsterdam te gaan. Floortje had die dag nog niks binnen gedaan en ik vond het zielig om haar alleen te laten. ‘Het is een hond, schatje,’ zei de taalnazi. Ik keek naar haar, zij staarde terug zoals alleen zij kan en pieste toen voor me op de grond. ‘Floortje!’ riep ik boos. Ze kwispelde. We vertrokken.

De vrienden hadden pas een kindje gekregen. Nou ‘pas’, het kon al bijna fietsen maar ik ben nu eenmaal niet zo snel met die dingen. Ik was er nu in ieder geval en had versterking meegenomen. Ik keek naar het meisje dat in zo’n ding lag dat je met je voet kon wiegen en ik lachte ernaar. Het lachte terug en ik vond het wel aardig, maar ik werd er niet wild van. Ik vond het niet aandoenlijk. Sommige vrouwen veren op bij elk babyscheetje dat eruit komt, maar ik heb dat niet zo. De vrienden waren altijd net als ik geweest: zij waren ook mensen die niet perse kinderen wilden. Het meisje was een ongelukje. En nu waren ze dolblij met haar. Het meisje lachte en gromde, kotste en boerde en de vrienden lachten alleen. Verlekkerd. Ik zag het nu goed: mijn vrienden waren geen mensen meer, maar ouders. Ook nadat het meisje naar bed was, bleef ze eigenlijk in haar wiegding aanwezig. Kleine gesprekken over het meisje sijpelden langs de tafelpoot omhoog de grote mensen gesprekken in. Een moment viel het stil en de mama verontschuldigde zich. ‘We praten alleen maar over de baby, sorry. We hebben het er steeds over. We zijn echt geobsedeerd, ik geef het gewoon toe. Volledig geobsedeerd. Zou het ooit over gaan?’ Dat vond ik het meest aandoenlijke van de avond.

Toen we thuis kwamen, was Floortje intens gelukkig. Ze stond bij de deur te wachten en toen we binnen kwamen, draaide ze rondjes om zichzelf, zo blij was ze dat we er weer waren. Ik liep door naar de woonkamer, keek goed rond en aaide haar toen. Ze had niet binnen gepoept en dat vond ik eigenlijk heel erg knap van haar.

De weken gingen voorbij. Floortje luisterde beter. Floortje ging in haar mand liggen als dat van mij moest tijdens het eten. Floortje rende, Floortje vond wandelen leuk. Floortje poepte niet meer in de woonkamer. Floortje plaste nog alleen maar uit protest binnen als ze op bed wilde en dat niet mocht van de taalnazi. Floortje wilde me altijd zoenen in de ochtend. Floortje ging bij mij liggen op de bank, als ik alleen televisie keek. Floortje wachtte me altijd op bij de deur als ik thuis kwam.

Dit weekend was Floortje bij mijn schoonouders omdat ik weg was met vriendinnen.
Ik bel de taalnazi.
‘Hoi, ben je bij je ouders?’ vraag ik.
‘Ja.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Wat?’ Hij doet net of hij me niet goed verstaat.
‘Zeg nou gewoon.’
‘Het is je hondje.’
‘Hoe is het met mijn kindje?’
‘Goed hoor,’ zegt hij dan, ‘het is goed met je hondje, schat.’
‘Mag ik d’r even?’ vraag ik.
‘Mag ik d’r even?!’ herhaalt hij.
‘Kun je me even op luidspreker zetten?’
‘Ja, hoor.’ Een zucht. ‘Je staat op luidspreker.’
‘Floooooooortje,’ roep ik op hoge toon. Even is het stil. ‘Wat doet ze?’ vraag ik. ‘Wat doet ze?’
‘Ze doet niks,’ zegt de taalnazi. ‘Ze is een hondje.’
‘Floooooooortje!’ doe ik weer. ‘Wat doet ze nu?’
‘Kijk nou,’ zegt de taalnazi. ‘Ze hoort je, ze kwispelt. Doe nog eens.’
‘Floooooooortje!’
Nu lacht hij. ‘Ja, haar oortjes gaan omhoog. Aaaah.’

En daar was het. Ik besefte het meteen. Een oergevoel waar ik me voor geneer omdat ik het over een hond heb, maar who cares, ik zeg het gewoon.
Floortje is mijn kindje. Ons ongelukje en we houden van haar.

Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.