Het groene mandje

het groene mandje

Ik zie mezelf als een zacht mens, iemand die met geduld naar anderen kijkt, iemand die lief is en graag lief heeft, iemand die met zachte ogen de wereld beziet.
Maar soms. Soms wil ik gewoon een rauw ei naar iemand gooien. Heel soms maar. En meestal naar de taalnazi. Het zijn kleine dingetjes. Het is de kaas uithollen en nooit de korsten er vanaf snijden. Het is altijd de handdoek vies maken en geen nieuwe ophangen. Het is kleding uitdoen en die neergooien op willekeurige plekken in het huis. Of nou ja, ‘willekeurig’: overal behalve in de wasmand. Al mijn liefde en geduld ten spijt, op die momenten vind ik hem verschrikkelijk irritant.

Natuurlijk weet ik dat ik me soms aanstel, dat er belangrijkere dingen in het leven zijn dan uitgeholde stukken kaas en vieze handdoeken, en daarom probeer ik de taalnazi ook niet altijd lastig te vallen met mijn frustraties. Maar om het voor mij op te lossen, moet ik er wel iets mee doen, iets dat oplucht. Een paar weken geleden vond ik de oplossing. We zaten aan de telefoon en hij was het – geheel ten onrechte – niet met me eens. Het was een te klein dingetje om ruzie over te maken, dus ik moest het anders oplossen. Nadat we hadden opgehangen, liep ik naar de badkamer. Onze twee tandenborstels stonden gemoedelijk samen in de beker. Ik haalde de borstel van de taalnazi eruit en legde die in het groende mandje. Ik grijnsde. Dat was zijn straf. Zijn tandenborstel moest, totdat ik bekoeld was, in de groene mand tussen de wasmiddelen slapen. De tandenborstel logeert sindsdien minimaal eens per week in het groene mandje. Het is perfect. Ik ben het kwijt, de taalnazi zit zonder dat hij het weet zijn straf uit: een ideale situatie voor alle partijen.

Afgelopen weekend waren we op een bruiloft. Ik zag er mooi uit, de taalnazi ook. Ik had een fifties jurk aan, een zwarte jurk met rode kersjes erop. Strak rond de borsten, wat ik kan hebben, en lekker wijd uitlopend rondom de buik, wat ik moet hebben. Ik vond de jurk te gek. De taalnazi ook, hij had er zelfs een bijpassende rode stropdas bij gekocht. Een vriend van hem bleek ook dol op mijn jurk. Hij legde zijn hand op mijn buik en aaide de kersen, ‘hé wat grappig,’ zei hij. Daarna proosten we op mijn jurk en op het bruidspaar, we dronken meer bier en nog meer en nog meer, we aten een broodje shoarma met knoflooksaus en we gingen bezopen naar huis. Het was een mooie dag, een mooie bruiloft en de kersjes op mijn jurk waren prachtig. Alles was lief.

De volgende dag zaten de taalnazi en ik met onze katerkoppen aan het ontbijt. We aten stokbrood met mayo, tomaat en gebakken ei. De taalnazi was iets beter uit de kater gekomen dan ik; hij was redelijk vrolijk, ik was half dood.
‘He grappig verhaal nog…’ zegt hij.
‘O?’ Ik vraag het met mijn mond vol.
Hij vertelt over de vriend en diens hand op mijn kersen. ‘Hij dacht dat je zwanger was!’ De taalnazi lacht. ‘Ik was net op tijd. Nee man, doe normaal, ze is niet zwanger, en toen zei hij wat over die kersen.’
‘Echt?’ Ik slik geschrokken mijn brood met mayo, ei en tomaat door. ‘O mijn god.’
‘Is toch een leuk verhaal?’
‘Een leuk verhaal, een leuk verhaal,’ roep ik verontwaardigd. ‘Het lijkt of ik zwanger ben. Ik heb een pens alsof ik zwanger ben!’
‘Nee joh,’ hij glimlacht, ‘je bent lekker zacht.’
‘Hij wilde zijn hand op de baby leggen.’ Ik klink vrij hysterisch.
‘Jezus,’ mompelt de taalnazi. Dit had hij niet voorzien. ‘Sorry.’ Als hij een staart zou hebben, zat hij nu tussen zijn benen.
‘Waarom zeg je dit eigenlijk tegen mij?’ vraag ik. ‘Als hij het gister niet mocht zeggen, waarom vertel je het dan nu aan mij?’
‘Ik vond het een leuk verhaal,’ herhaalt hij.
‘Superleuk,’ grom ik.
Ik voel een lichte depressie aankomen, waarin ik alleen nog maar appels en water zal moeten eten. De taalnazi staat op. Met gebogen hoofd loopt hij de keuken uit.
‘Wat ga je doen?’ roep ik.
Hij roept niks terug. Ik sta nu ook op en loop achter hem aan. Hij gaat de badkamer in, ik ook. Hij staat voor de wasbak, pakt zijn tandenborstel uit de beker en legt hem in het groene mandje.
‘Leg hem maar weer terug als jij er klaar voor bent,’ zegt hij tegen me.
‘Hoe weet jij…’
Hij streelt mijn haar. ‘Ik heb mijn borstel al vaker in het mandje gevonden.’
Hij heeft er nooit iets van gezegd.
Hij kent me.
Hij accepteert me.
Van hem mag ik zijn tandenborstel in het groene mandje leggen als ik dat nodig heb. Ik haal zijn borstel eruit en zet ‘m weer naast mijn tandenborstel in de beker.
‘Dankjewel,’ zeg ik.

Leven

Leven

Grote bruine ogen kijken terug vanuit de spiegel. Ze lachen. Ze stift haar lippen donkerroze en haalt de krullers uit haar warme haren. Ze kijkt de tuin in en haar buik maakt een vrolijk sprongetje, alsof ze over een heuvel rijdt. De lichtjes zijn al opgehangen, haar vriendinnen versieren de stoelen. Het wordt een kleine plechtigheid in de buitenlucht, waar iedereen bij is van wie ze houdt.

De man die haar gelukkig zou maken, had haar nog moeten vragen. Ze zou verbaasd zijn geweest over hoe snel ze verliefd op hem was geworden en hij zou nooit eerder zijn huissleutel als kerstcadeau hebben geschonken. Ook toen zou ze het sprongetje hebben gevoeld. Ze zouden praten. Wat konden ze goed praten. Ze zouden ook ruzie maken. Ze zouden lachen en vrijen en natuurlijk, nog meer ruzie maken. Maar, na al die jaren zouden ze af en toe nog steeds heel verliefd zijn.

Hij zou haar steunen in haar werk. Beloofde misschien ooit huisvader te worden. Want zij zou carrière maken. En niet zo maar carrière. We zouden van haar horen. Van hier tot in Afrika. Ze zou van de wereld een betere plek maken.

Ze zou met haar vriendinnen nog elk jaar weg gaan: met z’n tienen op stap. Zonder mannen, met rugtassen. Thailand. Scandinavië. Australië. Haar favoriete biertje zou Singha blijken te zijn. De meisjes die vrouwen werden zouden net zo lang met elkaar op vakantie gaan tot de kindjes kwamen. Vanaf toen zouden het weekenden worden.

Haar bevalling zou ze een hel vinden, maar ze zou zeggen dat ze de pijn was vergeten zodra het kindje op haar borst lag. Ze zou lachen door haar tranen heen en haar man loste zijn belofte in om huisvader te worden. Na haar werk zouden ze eten in de tuin en daar zou het kindje zijn eerste stapjes zetten. Later zou ze met hem naar de speeltuin gaan. Ze zou zich ervan moeten weerhouden om achter hem aan te lopen, om hem op te vangen als hij zou vallen. Ze zou hem helpen met zijn wiskunde huiswerk, daarna zijn spullen naar een studentenkamer verhuizen en hem stimuleren om net zo veel van de wereld te zien als zij had gedaan.

Ze zou spreken op de begrafenis van haar vader en later op die van haar moeder en ze zou hun graven verzorgen. Ze zou met pensioen gaan en zich verbazen over het feit dat ze nu ook ineens van kruiswoordpuzzels hield. Altijd zou ze betrokken blijven bij het werk wat ze vroeger had gedaan, al wilde haar man nu gewoon samen met haar puzzels maken. De puzzels maakten ze in de tuin, terwijl ze nog een paar jaar van de rozenstruik kon genieten die haar man geplant had. De geur van rozen vervulden de tuin toen ook haar kleinzoon zijn eerste stapjes zetten. Het was goed. Het einde zou komen op een leeftijd waarop een einde past. Ineens bleef ze voor altijd slapen en werd ze uitgestrooid onder de rozen.

Nooit heeft ze de warmte gevoeld van haren die ze uitrolde voor haar bruiloft. Ze zat op vlucht MH17. Ze zat tussen vele anderen die nog een leven hadden moeten meemaken. Het waren onze vaders, moeders, vrienden, ooms, tantes die erin zaten. Het waren onze buurmeisjes.

Men zegt weleens dat je leven aan het einde in een flits aan je voorbij gaat. Dat de mooiste momenten nog een keertje langs komen. Ik hoop dat jullie in die flits wat anders zagen. Dat lippen werden gestift, tranen gedroogd, lachen gehoord, graven bezocht, puzzels gemaakt en rozenstruiken geroken. Als het waar is dat je leven aan je voorbij flitst, hoop ik dat jullie in die flits de toekomst zagen die er nooit zal komen. Wat zouden het volle levens zijn geweest.

Huisje, Boompje, Douchegordijn – Gastblog

Merel Lamboo (achtentwintig min twee) is overdag schoenenverkoper, maar ’s avonds kruipt ze in haar pen. Op haar eigen website schrijft ze over wat ze haar dagelijks leven, met een positieve insteek. Merel gelooft dat geluk een keuze is en dat levert bemoedigende stukjes op. Voor Achtentwintiger schreef ze Huisje, Boompje, Douchegordijn: een steunbetuiging aan alle achtentwintigers die net als Merel nog helemaal niet klaar zijn voor koophuizen, baby’s en alle andere ongein die de maatschappij je lijkt op te leggen. Een hart onder de riem dat ik kan waarderen. We zijn leuk en fantastisch, ook single, in een huurhuis en babyloos. Hoezee!

Huisje boompje douchegordijn

Ineens zijn ze overal. Poepluiers, trouwdagbudgetten, doorzonwoningen en oefenbaby’s (lees: alles met een vacht). Hoort bij de leeftijd, zeggen ze.

En ik? Ik hang nog net de vlag niet uit als ik weer ongesteld geworden ben. Ik ren het liefst zo hard mogelijk de andere kant op als ik een rammelende eierstok hoor en mijn zenuwen slaan op hol bij het idee van hoeveel geld je uit zou moeten geven voor je bruiloft. Als dit is wat “volwassen worden” is wil ik het nog niet. Dan vind ik volwassen worden heel stom.

Ik betaal dan wel belasting en de huur van een grote-mensen-appartement, maar ik word veel blijer van krokodillenonesies (die zijn er in mijn maat ja), de kieteldood en de kroeg (niet perse in combinatie). Ik doe niet aan plannen, hou het liefst met zo min mogelijk mensen rekening en wil graag de wereld zien – en ja, ik ben er zo één die gelooft dat dat allemaal een stuk lastiger wordt wanneer je vastzit aan een huisje, een boompje of een beestje. Ik vind namelijk dat je, wanneer je aan kinderen begint, je geluk als het ware doorschuift naar dat van hun. Nee, zover ben ik nog niet. Ik heb net pas ontdekt waar ik zelf gelukkig van word, laat me hier alsjeblieft nog even van genieten.

Maar het hoort dus bij de leeftijd. Volgende maand word ik 27. Vroeger, toen ik nog jong en naïef was, riep ik altijd dat ik op mijn 27e mijn eerste baby wilde krijgen. Nu, een maand van 27 en gevoelsmatig lichtjaren van een baby verwijderd, piep ik wel anders. Ik moet er niet aan denken. Voorlopig niet, maar misschien wel nooit niet. Ook niet (en misschien wel juist niet) omdat het bij de leeftijd hoort.
En toch kan ik er niet omheen. Ineens zijn ze overal. Ineens krijg je met kerst de vraag “wanneer jij aan de beurt bent”. Ineens moeten je vriendinnen eerder naar huis omdat de hond moet plassen. Ineens zit je in je eentje een hele fles wijn leeg te drinken omdat zij in de vruchtbare dagen zitten. Ineens staan er op je Facebook-tijdlijn alleen nog maar foto’s van de trouwjurk, de hond en de eerste lachjes, tandjes en stapjes.

Begrijp me niet verkeerd hoor: ieder zijn ding. Mijn missie is om iedereen bewust te maken van het feit dat geluk een keuze is, dus als jij blij wordt van een huisje, een boompje of een beestje dan moet je daar lekker voor kiezen. Ik zal ook echt wel smelten op het moment dat ik je baby voor het eerst in mijn armen houd en ik wil ook echt wel komen verven in je nieuwe koophuis of dansen op je bruiloft. Nogmaals, als jij daar blij van wordt hoop ik dat je er voor gaat en ben ik er om je geluk met je mee te vieren.
Er is alleen één klein probleem.

Het probleem zit ‘m in de blikken die je krijgt als je zegt dat je (nog) geen kinderen wilt. Het probleem zit ‘m in de mensen die naar je kijken alsof je het leven niet begrepen hebt als je zegt dat het vinden van een man/vrouw niet het allerbelangrijkste is. Het probleem zit hem in diegene die ooit bedacht heeft dat huren zonde van je geld is, dat een bruiloft van begin tot eind gechoreografeerd moet worden, dat je single (zeker als vrouw) per definitie zielig en alleen bent. Het probleem zit hem in het feit dat mensen nog steeds denken dat dit de geheime sleutels zijn naar geluk: een huisje, een boompje en een beestje. En het probleem zit hem vooral in de mensen die tegen je zeggen “dat het bij de leeftijd hoort.”

Daar wil ik vanaf. Ik wil geen dingen wel of niet doen “omdat het bij de leeftijd hoort.” Ik wil me niet schamen voor het feit dat ik mijn zaterdagavonden liever onder de bar doorbreng dan gekluisterd aan de babyfoon. Ik wil me niet hoeven verantwoorden voor het feit dat ik zenuwachtig word van de Prénatal en de H&M Mama. Ik wil niet hoeven uitleggen dat reizen, nieuwe mensen ontmoeten en urenlang met je tenen in het zand naar de sterren kijken hoger op mijn lijstje staan dan een koophuis of een hond. En ik wil af van het gevoel dat ik moet vechten voor mijn recht om “anders” te zijn. Ik wil af van die blikken, van die meningen en van die mensen die maar blijven zeggen “dat het vanzelf wel komt.”

Want wat als het nooit komt? Wat als er, met mij, een heleboel (bijna-) achtentwintigers zijn die net pas ontdekken waar ze gelukkig van worden en er niet aan toe zijn om dat op te geven voor wat de samenleving bij de leeftijd vindt horen? Zullen wij dan ons dan altijd moeten blijven verantwoorden, blijven uitleggen waarom je bepaalde keuzes wel of niet maakt, ons schuldig voelen omdat we de naam niet doorgeven? Ik weet zeker dat ze er zijn, namelijk. Ik weet zeker dat er een hele groep (bijna-)achtentwintigers is die niet zo’n haast heeft met het vinden van een partner, die lekker in z’n huurhuis wil blijven wonen omdat ‘ie daar ook zo weer weg kan en die niet zit te wachten op poepluiers.

Misschien moeten we “wat bij de leeftijd hoort” gewoon een beetje moderniseren. Een beetje relaxter worden in wat we allemaal maar verwachten van elkaar. Lekker iedereen z’n ding laten doen en hopen dat ‘ie daar gelukkig van wordt. Huisje, boompje, beestje of niet.

Ps. Voor al die mensen die zich afvragen waar ik mijn sporadische moedergevoelens op botvier: dit is mijn flamingo. Sinds een kleine twee jaar woon ik samen en ja, als het dan toch ooit gaat gebeuren, dan met deze graag. Dat samenwonen is best leuk, hoewel ik 3 jaar geleden van het idee alleen al misselijk werd. Dat ik het toch zo leuk vind komt voornamelijk doordat hij de leukste man is die ik ken – mensen die zeggen dat verliefdheid na een tijdje “over gaat”
kletsen uit hun nek! – en door onze flamingo. Onze douchegordijn-flamingo, welteverstaan.

Mijn lief is namelijk een enthousiaste hobbykok en heeft me er al meerdere keren voor gewaarschuwd dat alle puppies, kittens en minivarkens die ik in huis wil halen (omdat ik ze leuk vind, niet om te oefenen!) nu eenmaal het risico lopen geflambeerd en geserveerd te worden. Dus hebben we een douchegordijn-flamingo en ik vind hem fantastisch. Die kan ik tenminste een keer te heet wassen, of gewoon weggooien als ik ‘m niet meer leuk vind.

Huisje, boompje, douchegordijn.

Ik ben gelukkig.

O ja! Je kunt Merel natuurlijk volgen. Op Facebook en op Twitter.