Verdriet met schurft III

IMG_0103

Vandaag het slot van mijn schurfttrilogie. Als je niet helemaal bij bent, is het verstandig om eerst de ellende van deel I en deel II te lezen.

De zon schijnt als de taalnazi en ik hebben afgesproken op het terras. Hij zit er al, met een zonnebril op en hij rookt een sigaret. Twee biertjes staan op tafel en ik ben zenuwachtig. Ook ik heb een zonnebril op. We kussen elkaar op de wang, wat vreemd is maar fijn.
“Ik ben nerveus man,” zeg ik. Snel neem ik een slok van mijn bier. Het is mijn eerste biertje sinds de prednison kuur en hij smaakt verdrietig.
“Ik ook,” zegt hij. “Hoe is het met je?”
“Ik ben moe,” zeg ik. “Heel moe.”
“Ik zie het.”
Trots rol ik dan de mouw van mijn truitje op. “Maar de schurft is weg.”

We kijken beiden naar mijn arm. “Het ziet er mooi uit,” zegt hij. De zalf en de prednison hebben hun werk gedaan. Ik heb geen jeuk meer, de blaasjes zijn weg en de korstjes zijn kleiner.
“Ja,” zeg ik. Ik wrijf over de kleine plekjes die de korsten hebben achter gelaten. Alles lijkt verdwenen en nu vind ik dat toch een beetje naar. “Maar ik houd wel kleine littekens, volgens de dermatoloog.”

Even zijn we stil. Dat mag ook. Verdriet, schuldgevoel, verwijten, vragen, onbevredigende antwoorden… we hebben ze al uitgewisseld over de mail en de telefoon de afgelopen maand. Nu, een maand na het uitgaan en de schurft, is alles iets lichter, al lijkt het soms nog net zo zwaar. De dermatoloog is in ieder geval tevreden want de schurft is voorbij. Al het was geen schurft, geen leukemie, het was ook geen sweet syndrome of lupus. Het bleek EEM (Erythema Exsudativum Multiforme). Of althans, dat dacht het team toen ze ‘er met z’n allen nog eens naar hadden keken’. Een acuut optredende huiduitslag, een soort allergische reactie op een infectie met een virus of een bacterie. Meestal is een koortslip de oorzaak. Maar misschien reageert EEM ook op aften, dacht ik. Of misschien was het stress en verdriet en overspannenheid; en dat mijn lijf dat zo uit. Ik zou het niet raar vinden. Mijn moeder vond me altijd al een theatraal type.

“Ben je blij dat het voorbij is?” vraagt de taalnazi.
“Ja,” zeg ik, zonder dat ik precies weet waar hij op doelt. Ik neem nog een slokje bier en kijk omhoog. De zon verdwijnt achter een wolkendek en ik houd mijn zonnebril op omdat de taalnazi anders mijn natte ogen ziet. Ik wil hem mijn verdriet niet tonen, ik heb geen recht op verdriet: ik ben degene die geen wij meer wil zijn. Maar soms is er toch het gemis. De dansjes door de supermarkt, mijn hoofd dat zich laaft aan zijn schoot en de pastamaaltijden met veel te veel creme fraiche en witte wijn.

“Hoe is het met jou?” vraag ik dan.
“Beter,” glimlacht hij.
“Fijn.” We zoeken naar woorden en dat is gek want dat hoefden we nooit. Maar alles is nu anders.
“Ik begrijp het alleen nog niet.” Hij lacht harder. “Ik heb er veel over nagedacht en ik begrijp het niet, maar het is goed zo.”
Ik knik, blij dat het goed is en opgelucht dat ik het niet hoef uit te leggen. Ik heb ook nagedacht. Gedacht en gehuild. Geschreven en gedacht. Gedacht en gepraat. En ik kan het niet uitleggen. Ik weet het zelf ook niet. Het enige dat ik weet is dat ik moe ben en dat ik niet samen wil zijn. Dat ik wil rusten, alleen. Dat ik wil slapen en soep maken. Dat ik Heel Holland Bakt wil kijken en niemand wil zien. Dat ik wil lezen en wil schrijven. En dan misschien nog iets wil bakken.

We drinken onze biertjes en praten over schrijven. We praten over Giphart die we binnenkort gaan ontmoeten op een literaire middag, over Nietzsche waar hij nu over schrijft en over mijn nieuwste lievelingsboek Kom hier, dat ik u kus.
“Ik zal dit missen,” zeg ik.
“Ik ook,” zegt hij.
“Zullen we vrienden blijven?” Het is het meest clichématige dat ik ooit heb gezegd.
“Misschien,” zegt hij. “Laten we elkaar maar eerst even niet zien.”
“Ja, dat is beter.” Ik vraag me af of we het kunnen en ik vraag me af of we het echt willen. Een schrijver die ik ken schreef eens over relaties die uitgaan: ‘Je geeft elkaar even het beste dat je hebt, komt tot de conclusie dat het niet genoeg is en gaat elkaar dan maar minder geven. Dat werkt zelden.’ Het leest alsof het waar is.

Als alle woorden die we voor nu hebben op zijn, nemen we afscheid. We delen de rekening, dat is iets wat vrienden doen, bedenk ik me. Hij pakt me vast, even verdwijn ik in zijn baard en ik kijk hem aan, met mijn zonnebril nog op. Er sijpelt een kleine traan onder het donkere brillenglas vandaan. Ik wrijf het weg en glimlach. “Tot over een tijdje,” zeg ik. “Tot over wanneer we vrienden zijn.” Deze keer hoop ik dat clichés waar zijn. Ik hoop echt dat we elkaar over een paar maanden zien en dat we kunnen praten en lachen, zonder onze zonnebrillen op. Een diepe ademhaling ontglipt de taalnazi en ook hij toont zijn ogen niet, zelfs niet voor het afscheid. “Tot over een tijdje,” zegt hij. We lopen weg, ieder een andere kant op.

Reboundstory – gastblog

De eerste gastblogger van Achtentwintiger is Thijs Miedema* (achtentwintig min twee jaar oud). Thijs is een creatieve duizendpoot. Dat komt omdat hij geen keuzes kan maken. Daarom is hij acteur, zanger, docent, regisseur en schrijver en daarom schrijft hij proza, poëzie en toneel. Thijs wil met zijn schrijfwerk herkenning oproepen in alledaagse situaties, met een lach en een traan. En voor Achtentwintiger is dat met Reboundstory in ieder geval gelukt.

Reboundstories

Het is zaterdagavond en ik sta in de bioscoop. Met vrienden.
“Moet je doen,” zeiden ze, “dan ben je er even uit.”
Er even uit. Daar was ik aan toe, volgens hen. Een film met Schwarzenegger, Stallone en Statham. Fijn. Maar tegelijkertijd wil ik gewoon naar huis. Gewoon, beetje surfen. Naar ‘Heartless’ van Kanye West luisteren.

De zaaldeuren gaan open en we lopen naar binnen. Naast me loopt een stelletje. Ze lachen naar elkaar. Achter me vangt mijn beste vriend me op.
“Negeren,” fluistert hij.
Ik zucht nog eens diep. We lopen naar onze rij en gaan zitten. Terwijl de reclame begint te draaien kijk ik om me heen. Mijn vrienden zijn allemaal rechts van me gaan zitten en links zitten een paar meisjes. Heb ik weer. Het meisje naast me zit met haar vriendin te praten dus kan ik haar gezicht niet zien. Uiteraard word ik gelijk van rechts aangestoten.
“Donder op,” sis ik.
Ze draait zich om. Zou ze me gehoord hebben? Ze kijkt naar voren. Niks aan de hand dus.

Na de film zeggen mijn vrienden dat we naar de club gaan die vlakbij de bioscoop zit. Biertje drinken, chickies kijken. Welja, ik ben nu toch de deur al uit. We komen aan en een prachtig meisje doet de voordeur voor ons open.
“Welkom!” roept ze.
We lopen naar binnen en nemen plaats aan een tafel, waar alweer een bloedmooi meisje meteen aan komt gelopen met een allerliefste glimlach.
“Hello boys. Hoe kan ik jullie helpen?”
“Vijf biertjes,” zeg ik.
Mijn vrienden brullen en geloven nu definitief dat ik geen liefdesverdriet meer heb. Gelukkig maar, dan hoeven we het daar niet meer de hele tijd over te hebben.

Drie biertjes later sist mijn beste vriend in mijn oor.
“Dude, kijk achter je.”
Ik draai me om en zie het meisje uit de bioscoop. Op het moment dat ze mijn kant opkijkt, lijkt ze me te herkennen. Ze houdt haar hoofd een beetje schuin, glimlacht en zwaait. Ik zwaai terug. Geschrokken van mijn eigen reactie draai ik me gelijk weer om. Niet doen! Of is dit juist goed? Hoort dit bij het proces? Om zeker te weten dat ze mij bedoelde, bereid ik me voor om nog een keer om te draaien. Ik draai half en kijk recht in twee prachtige bruine ogen. Ze glimlacht weer.
“Hoi,” zegt ze.
“Hoi.”
“Goeie film?”
“Mwa. Wat vond jij?” stamel ik.
“Niet echt mijn ding. Maar mijn vriendinnen wilden hem zien.”
“En dan moet je ook nog mee naar deze suffe club.”
Mijn bijna flirterige opmerking verbaast me. Ze lacht.
“Nou, jij kijkt al de hele avond alsof er iets vastzit,” zegt ze.
“Zo zou je het kunnen zeggen ja.”
“Liefdesverdriet?”
“Jep.”
“Kut is dat he?”
“Dat kun je wel zeggen. Ik ben al de hele avond mijn telefoon aan het negeren, omdat ik haar wil appen.”
Waarom vertel ik dit aan een wildvreemde? Je moet toch nooit op de eerste date over je exen praten? Huh, eerste date? Hoe kom ik daar nou weer bij? Ik wil helemaal niet daten!
“Joehoe!”
Ze zwaait met haar handen voor mijn ogen.
“Hey, blijf es hier,” zegt ze.
Ik kijk schaapachtig terug. Dan lacht ze. Ze heeft intussen haar hand op mijn arm gelegd.
“Wil je dansen?”
Ik schud van nee.
“Snap ik. Kom, zoeken we een tafeltje.”
Ik laat me meevoeren. Als we zitten, stelt ze zich voor als Dora. Als ik zeg dat ik dat een gekke naam vind, moet ze lachen.
“Ik ook!”
Wat mooi, zo’n zelfspot. Dat had mijn ex niet. Maar ja, die had andere hele mooie eigenschappen… Ho, stop! Dit mocht niet! Niet aan denken!
“Vertel eens wat over jezelf,” zeg ik.
Weer moet ze lachen.
“Gatverdamme! Dat is waar je mee komt nu? Ik had gehoopt dat je wel iets beters zou bedenken.”
“Ik weet het niet,” zeg ik met een halve grijns.
“Weet je, ik vergeef je. Je bent gewoon een beetje zielig.”
“Ik ben niet zielig!”
Ze knipoogt.
“Jawel. Een heel klein beetje.”
Ze houdt haar wijsvinger en duim vlakbij elkaar. Er is alleen nog een spleetje te zien.
“Zo’n klein beetje.”
Dan buigt ze zich naar me en fluistert in mijn oor.
“En dat vind ik heel erg sexy.”
Haar hand ligt inmiddels op mijn been. Dat zielig zijn, dat bevalt me wel. Dan komen er ineens allerlei gevoelens los bij de dames, dat blijkt. Ik voel me ineens een stuk zekerder.
“Wat willen jullie drinken?” zegt de – ineens een stuk minder mooie – serveerster.
“Twee caipirinha’s,” zegt Dora, terwijl ze twintig euro op tafelt legt.
“Komt eraan!”
De dame pakt het geld en verdwijnt.
“Jij krijgt van mij een drankje en een wens.”
“Een wens?”
“Jep. Eentje.”
Daar moet ik ineens over nadenken. De gemiddelde man had ‘pijpbeurt op de wc’ gezegd. Maar ik vind Dora gewoon aardig. Ik ben helemaal niet in de stemming voor een ‘pijpbeurt’, zeker niet op de wc.

Ik zou gewoon graag heel lang en heel stevig willen knuffelen. Met Dora. Of mijn ex. Maar met mijn ex kan het niet en als ik dit nu tegen Dora zeg, krijg ik ongetwijfeld een caipirinha in mijn gezicht en de hoon van haar vriendinnen en mijn vrienden over me heen. Daar heb ik ook geen zin in.
“Weet je al iets?”
Ze kijkt me lief aan. In de paar seconden stilte die volgen, begint mijn hart als een razende te bonzen. En ineens durf ik het.
“Ik zou heel graag met je willen knuffelen. Gewoon, je vasthouden.”
Ze kijkt me indringend aan. Dan staat ze op. Fuck. Pakt mijn hand. Huh?
“Wat doe je?”
“Kom mee,” zegt ze resoluut.
Binnen een paar tellen staan we buiten. Op een rustig plekje staat ze stil.
“Nu moet jij de rest doen.”
Ik sla mijn armen om haar heen. Haar armen gaan onder de mijne door, haar handen rusten op mijn rug. Met mijn rechterhand ga ik door haar haren. Ze ruikt ontzettend lekker, merk ik nu. Ik zucht, waarop zij met haar handen over mijn rug aait. Ik merk dat ik opvallend rustig ben. Ik wil niet huilen, niet schreeuwen. Na een tijdje laat ze me los. Ik kijk om me heen, zie mijn vrienden naderen. Ze kust me.
“Ze weet niet wat ze mist,” fluistert ze.
Dan loopt ze weg. Haar geur blijft nog even in mijn neus hangen.

Nog meer reboundverhalen? Lees dan deze en dan kom je vanzelf ook op deze.

*O ja. Thijs heeft (nog) geen website. Mocht die er komen, dan komt dat hier te staan. Wil je voor nu iets weten over Thijs? Mail naar achtentwintiger@gmail.com en je krijgt contact!

Op zoek naar de knuffelrebound II

Op zoek naar de knuffelrebound II

Voordat je deel II van dit verhaal leest, moet je eerst even deel I lezen.

Ik sta voor het raam van het café en druk met mijn wijsvinger m’n bril omhoog. Ik ben toch een beetje in de war van de zoektocht naar de reboundknuffel die zo start en duw mijn neus tegen het raam. Ik zie nog geen potentiële knuffelman, wel twee vrouwen van in de dertig die met hun rug tegen de bar leunen. De een heeft een kort, donkerbruin kapsel dat haar hoekige kaaklijn accentueert. Ze draagt een strakke spijkerbroek met bruine enkellaarsjes eronder en op de riem van haar broek valt een gebroken wit, los topje. In dezelfde bruine kleur als haar laarsjes, glijdt een ketting met een azuurblauwe steen langs haar sleutelbeen. Het lijntje boven haar ogen is kaarsrecht en haar nagels zijn op z’n Frans verzorgd. Alles klopt. Ze is mooi. Of ze mooi genoeg is voor vanavond, weet ze niet. Haar ogen zoeken. Naast haar staat een blonde variant. Net zo mooi gemaakt. In principe zien ze eruit alsof ze leuke vriendinnen zouden kunnen zijn. Alsof ze een fijne avond kunnen hebben. Alsof ze kunnen lachen om elkaars opmerkingen. Maar dat is niet wat ze doen. Ze kijken rond en vergeten elkaar. Ze zijn mooi, nemen kleine slokjes wijn en wachten.

“Ik wil dit niet,” zeg ik tegen m’n vriendin. “Ik wil terug naar huis, kaasjes eten, films kijken, scrabble spelen.”
“Nee. We gaan naar binnen.”
“Moet je nou kijken,” ik wijs naar de vrouwen die ooit ook meisjes van achtentwintig waren. “Die speuren de kroeg af naar een man.”
“Ja en als je nou niet naar binnen gaat, word jij ook zo.”
Dat was de juiste snaar. Ik wil niet zo zijn. Ik wil altijd in het café staan om te lachen met vrienden. Of om te huilen, dat is soms ook nodig. Maar niet om te wachten.
“Kom, we gaan een baard voor je zoeken.”
Ik doe de pootjes van mijn bril goed achter mijn oren en we gaan naar binnen. Om te zoeken maar niet zoals zij dat doen.

Ik krijg een wodka-7up van de vriendin en zij neemt een wijntje. We kijken en ik heb sjans. Veel. Ik weet niet of ik voor mannen aantrekkelijker ben door mijn bril of dat ik het nu gewoon daadwerkelijk zie als er oogcontact wordt gezocht, maar er is animo. Het doet me weinig. Ik glimlach veel maar naar niemand in het bijzonder.
“Ik ben trots op je,” zegt de vriendin.
“Ja hoor.”
“Ja en nu wordt het beloond. Kijk, een leuke baard voor je,” ze wijst.
“Mwah.”

Normaal vind ik ze leuk. Normaal vind ik jongens met baarden mannen. En dan heb ik het natuurlijk niet over de hipsterbaard. Nee, mijn baarden zijn mooi en stoer tegelijk en drinken donker bier. Ze hebben bruine of groene broeken aan met grote zakken, waar een hamer of tang uit kan komen zodat ze ter plekke alles kunnen repareren. Tafels, lampen, m’n hart. Baarden hebben mooie, grote mannenhanden die beschermen, borsthaar komt boven het t-shirt uit en ze houden van honden. Sommige baarden nemen hun oerman zijn iets te serieus en zijn daardoor een beetje onhygiënisch, maar dat vergeef ik ze, want zelf houd ik ook niet van schoonmaken en bij de baard voel ik me een meisje.

“Echt niet?” de vriendin is verbaasd. “Hij heeft ook nog eens een staart.”
“Niks aan.”
“Wil je nog wat drinken?”

Ik pak mijn drankje aan en bedenk dat de baarden niet beter worden. Ik vraag me af of een vroegtijdig stoppen met het rouwproces zou kunnen resulteren aseksualiteit. Nee. Het moet iets anders zijn. Een slokje wodka loopt door mijn keel en ik kijk nog één keer rond. Maar nu, neem ik me voor, scan ik de ruimte zonder de baarden. Misschien is dat het, moet ik me openstellen voor jongens zonder gezichtsbeharing. De baarden doen niet meer mee. Ik kijk. En zie een jongen die ik eigenlijk heel de tijd al zag, maar niet bekeek. Hij heeft zich twee dagen niet geschoren, maximaal. Een zwarte broek zonder zakken heeft ‘ie aan en aan zijn voeten zitten Nike air max. Hij draagt een zwart truitje zonder uitstekend borsthaar en daarop een Adidas jasje met paarse en roze accenten. Door zijn zwarte bril met hip montuur kijkt hij me aan. Hij trekt zijn mondhoek omhoog, ik doe het terug. En voordat we iets naar elkaar kunnen seinen, stapt zijn vriend in mijn gezichtsveld en begint een gesprek. Onze bebrilde ogen missen elkaar.

Even later staat hij aan de bar.
“20 seconds,” zegt mijn vriendin met een beetje Matt Damon.
“Je hebt gelijk. Misschien is de bril de nieuwe baard.”

Ik loop richting de bar.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds, hoor ik in mijn hoofd.
Ik ga naast hem staan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
De barmevrouw geeft hem zijn drie biertjes aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
Ik kijk hem aan.
20 seconds, 20 seconds, 20 seconds.
“Ik vind jou een leuke vent.”
Hij kijkt me aan, trekt een wenkbrauw op en loopt snel langs me heen.

“Goed geprobeerd,” zegt de vriendin als ik met een gebogen hoofd terug loop.
“Ja, goed geprobeerd. Misschien was het toch geen tijd,” ik doe mijn bril af.
“Misschien niet, maar je bent er wel uit geweest,” ze aait over mijn rug. “Zullen we lekker gaan? De zoektocht even opgeven?”
“Ja, ik ben moe.”

Ik trek mijn jas aan en loop richting de deur. De dames van in de dertig zijn ook nog alleen en lopen voor me het café uit. Ik vind het droevig dat ze zo mooi waren voor niks en wil ze bijna een knuffel geven. Maar zij zoeken natuurlijk ook naar een omhelzing van iemand iemand anders. Dan voel ik een kort, zacht tikje, van twee vingers misschien, op mijn schouder. Ik draai me om.
De baardloze, bebrilde man.
“Sorry,” zegt hij zachtjes. “Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, net. Dus zei ik maar niks. Stom. Maar, ja, ik vind jou ook een leuke vrouw.”
Wat leuk! Wil ik zeggen. Wil je mijn nummer? Wil ik zeggen.
“O,” is wat ik daadwerkelijk zeg.
Tja. Matt heeft niet vertelt wat je na die 20 seconds moet doen.

Op zoek naar de knuffelrebound I

Op zoek naar de reboundknuffel I

Het is zaterdagavond en ik lig op de bank met een dekentje over me heen. Op de salontafel ligt een reep witte chocolade met crispy rijst, daarnaast liggen kaasjes en toastjes en de dvd van We Bought a Zoo. Herfstregen beukt al uren tegen mijn ramen en dat is prettig. Druppels horen bij mijn verdrietig zijn en het voortduren van de buien passen bij mijn impasse. Ik ben in de rouw en eet. Een trouwe vriendin zit naast me en eet niet, maar zegt om de hap hoe leuk ik ben. Dat is haar taak als de vriendin die ondersteunt tijdens het rouwproces na een verbroken relatie. De vriendin zegt dit net zo lang totdat de vrouw over de man heen is en langzaam uit haar rouwcocon komt. Ik heb er geen kwalitatief onderzoek naar gedaan, maar durf wel te beweren dat bijna elke vrouw dit proces op eenzelfde wijze aangaat. En als ik zo naar mijn trainingsbroek kijk in combinatie met het eten op tafel, gok ik dat ik op ¾ zit van een succesvol terugkeren in de maatschappij.

De vriendin kijkt me aan terwijl ik een groot stuk port salut in mijn mond doe en een glas wijn inschenk.
“Dit gaat niet meer,” zegt ze. “We gaan naar het café vanavond.”
Mijn hoofd beweegt nee.
“Jawel. Je moet weer, het is tijd om de markt op te gaan. Jurkje aan, parfum op, je hebt genoeg gerouwd. Het is tijd voor een rebound.”
“Met wie?”
“Met iemand, geeft niet met wie,” ze zucht, “er zullen vast wel jongens met baarden zijn ergens.”
Ik hou van baarden.
“Een rebound voor de seks bedoel je toch?’ vraag ik.
“Ja nou ja. Seks. Of zoenen.”
“Moet dat? Op zich wil ik wel een rebound, maar dan een knuffelrebound. Iemand waar ik mee kan kroelen, daar heb ik wel behoefte aan.”
Haar hoofd beweegt nee.
“Het gaat niet goed met je.”
Ik trek het dekentje tot onder mijn kin op: “het is nog geen tijd.”

Ik weet dat het nog geen tijd is, omdat de rouwperiode wordt gekenmerkt door vier essentiële opeenvolgende componenten. Ze zijn nog niet allemaal de revue gepasseerd. Het proces gaat als volgt. Na de eerste dagen van het grote grienen is daar al vrij snel het schaamhaarprotest. Het is een viering van onafhankelijkheid. Om de man (die er jammer genoeg geen weet van heeft) en het universum duidelijk te maken dat de vrouw de man die haar dumpte niet nodig heeft, stopt zij met het scheren van eigenlijk alle lichaamsdelen die ze dient te scheren.
De twee volgende componenten gaan hand in hand: het voedselpatroon en het kijken van familiefilms. Het voedselpatroon is variabel. Als een vrouw het gevoel heeft dat ze de vader van haar kinderen is misgelopen, eet ze niets omdat dit gemis niet is weg te eten. Weet ze wel beter, dan mist ze alleen iets warms met borsthaar en dat gemis is wel weg te eten. Dit zogenoemde troostvoeden geschiedt bij voorkeur voor de televisie. De ene vrouw kijkt romantische comedy’s, de ander ziet graag een familiefilm. Uiteraard zijn er ook films waarin een overlap zit.
Na deze eerste drie componenten heeft het lichaamshaar inmiddels zulke proporties aangenomen dat de vrouw niet zou misstaan op de apenrots in Blijdorp en dan is ze bijna klaar voor haar terugkeer naar de samenleving, oftewel, het café. Met component 4 zorgt de vrouw voor een totale loskoppeling van de man die haar dumpte: ze verandert iets aan haarzelf. Iets aan haar is anders dan toen ze met hem was. Ze is los, vrij, heeft bijvoorbeeld een nieuwe haarkleur en is weer beschikbaar.

“Het is wel tijd,” de vriendin trekt het dekentje van me af.
“Ik heb me nog niet geschoren, ik heb niks nieuws,” en ik zet We bougth a Zoo op.

We Bought a Zoo is een lieve film over een vader – Matt Damon – die sinds een half jaar weduwnaar is en twee kinderen heeft. In een opwelling koopt hij een dierentuin die van de ondergang gered moet worden, terwijl hij niks van dieren weet. Ik voel meteen een enorme band met Matt omdat we allebei een verlies hebben geleden, we blijkbaar allebei iets hebben met apen en ook hij weer terug moet de maatschappij in. Op een gegeven moment zitten vader en zoon voor het verblijf van de oude tijger Spar, die aan het doodgaan is. Ik ben al aan het huilen. De mannen praten voor het eerst sinds de dood van de moeder over hun emoties. De zoon vindt een meisje leuk, maar durft haar dat niet te vertellen. En dan zegt Matt:

‘All you need is 20 seconds of insane courage and I promiss you, something great will come of it.’

“Je bril. Doe je bril op,” zegt de vriendin als Matt Damon gelukkig is geworden, “we gaan de stad in.”
“Maar ik ga nooit het café in met een bril op. Mijn bril is voor tv kijken en computeren.”
“Kan me niet schelen, doe je bril op; dat is nieuw. We gaan, je hebt me gehoord.”
“Echt?”
“Ja, en je doet maar een broek aan want als je je nu nog moet scheren, kunnen we morgenochtend pas de stad in.”
“Oké”, zeg ik. “Oké.”

De rouwperiode is officieel nog niet ten einde, maar het verhaal van Matt stimuleert. Kan ik dit, het proces onderbreken, zonder de laatste twee componenten te hebben doorlopen? Ik weet het niet en voel aan mijn blote been. Ik kleed me om.
Wordt vervolgd.

Hoe The Twilight Zone verdween

Hoe The Twilight Zone verdween

Voordat je aan dit verhaal begint, is het belangrijk dat je The Twilight Zone wel eerst even leest. Wat zeg je? Al gelezen natuurlijk? O sorry. Ga dan gauw verder.

Vanochtend mocht ik haar uit bed halen. Haar kleine, mollige handjes wrijven in haar nog dichte ogen. Haar donkere krulletjes zitten in de war en ze heeft haar poet in de mond. Zo noemt ze haar knuffeltje: poet. Ze geeuwt en doet haar oogjes open, die zijn dik, van het huilen voor het slapen gaan. Net als die van mij.
Haar korte armpjes strekt ze naar me uit: “tanta!”
“Hallo meisje,” lach ik.
“Haaajo.”
Ik pak haar op en als een baby hou ik ‘r tegen me aan. Eigenlijk is ze hier net iets te zwaar voor, maar dat maakt ons niet uit. Ze legt haar hoofdje in mijn nek en ik doe mijn ogen dicht. Ze is warm en haar lijfje nog zwaar. Rustig dein ik heen en weer en zing zacht een verdrietig liedje van Acda en de Munnik. Ze begint te huilen. Niet iedereen houdt van Acda en de Munnik.

“Goedemorgen meisjes,” zegt mijn zus.
Ze geeft ons allebei een zoen en pakt mijn nichtje over.
“Kom op, we gaan lekker ontbijten.”
We lopen de babykamer uit en mijn verdriet in. Het is zaterdagochtend. Het is zaterdagochtend, ik ontbijt met het gezin van mijn zus en mijn vriendje heeft het gisteren uitgemaakt. Het gezin bestaat uit mijn zus, haar vriendin, hun zoon en hun dochtertje en ik kan ‘m eigenlijk geen vriendje noemen omdat we niet eens lang genoeg samen waren om buiten hand in hand te lopen. Ik smeer een boterham met smeerworst voor mijn nichtje. Er liggen eitjes op tafel, croissantjes op borden en fruit in bakjes.
“Eet nou wat,” zegt mijn zus zacht maar streng.
Ik neem een slokje koffie; hij was toch niet verliefd op me. Ik hap uit mijn te warme croissant en was verliefd aan het worden. M’n nichtje gooit een stuk boterham met smeerworst op de grond.

Mijn schoonzus draait de thermostaat op 20 graden, voor het eerst dit najaar en zet een plaat van Boudewijn de Groot op. Tante Julia. Ze zingt mee. ‘Ja, tante Julia ik lijk al weer veel ouder, ik speel piano als u wil, maar haal uw borsten van m’n schouder,’ gek dansend loopt ze terug naar de eettafel. Mijn neefje lacht om zijn moeder of om de borsten uit het liedje, er komt een beetje thee uit zijn neus. Ik lach omdat ik niet huilen wil. Hier is een jeugdherinnering in de maak. Over vijftien jaar zal mijn neefje deze ochtend kunnen terughalen; hij zal Tante Julia horen, de thee in zijn neus voelen, de geur van de kachel die net aan is en ziet zijn moeder raar dansen. Ik zal deze ochtend terughalen als de ochtend dat ik voor het eerst sinds mijn zestiende weer kennis maakte met oogbullebakken. De gele harde goedjes die je uit je oog moet pulken als je te hard gehuild hebt de dag ervoor.

“Nou, doe nu eens normaal,” zegt mijn zus tegen m’n nichtje dat nog steeds stukjes brood met smeerleverworst uit de kinderstoel gooit.
“Tanta!” zegt mijn nichtje, ze lacht naar me.
Ik knipoog naar haar, neem nog een hap van m’n croissantje en hoor hem weer zeggen dat het niet aan mij ligt.
“Als je niet wilt eten,” hoort mijn nichtje, “dan eet je niet,” en ze wordt op de grond gezet. Op haar billen schuift ze heen en weer.

Mijn nichtje is naar de salontafel kont-geschoven en zit naar ons te kijken. Met haar poet in de mond. Ik drink mijn koffie, kijk naar mijn nichtje en denk aan hoe ik afscheid nam van het vriendje dat geen vriendje was. Mijn kop thee was nog vol, maar er was niks meer om voor te blijven. Ik zei Dag alsof ik hem morgen weer zou zien. M’n zus gaat voor mijn nichtje zitten en zegt: “Loop eens naar mama!”

Ze probeert het al een tijdje; ze komt een beetje omhoog, staat rechtop maar voordat ze een stap kan zetten, valt ze weer op haar billen. Nu ook. Een beetje omhoog, ze staat en, en, en… ze loopt. Ze loopt drie stapjes en valt op haar billen. Even zijn we stil. We kijken. En dan geschreeuw: “Goed zoooo!” Ze schrikt, misschien van het lopen, misschien van het schreeuwen. Ze huilt. En ze lacht. Mijn ogen lopen weer vol; van trots, van verdriet, van blijdschap, van verwarring. Ik ga bij haar zitten en veeg mijn tranen weg. “Tanta,” en ze geeft me haar poet. Alles wordt even lichter. Dat het niet wederzijds was, maakt het niet minder bijzonder. Ik zal me deze ochtend toch anders herinneren. Het was de ochtend dat mijn nichtje haar eerste stapjes zette op de vloer en ik in de liefde. Voor het eerst overwon ik The Twilight Zone.

De Labbekak

Labbekak

“Wat is die vent toch een vreselijke labbekak,” zegt mijn vader over een man die de sportkantine uitloopt. Ik ben zestien en hoor voor het eerst van mijn leven het woord labbekak. Ik vind het een fantastisch woord. Al weet ik niet wat het betekent.
“Waarom is die vent een labbekak?” vraag ik.
Heeft het iets te maken met z’n vieze haar, heeft de man net een slechte wedstrijd gespeeld of heeft ‘ie zweetvoeten?
“Moet je kijken,” zegt mijn vader met opgetrokken neus. Ik kijk en zie hoe de man openlijk flirt met andere vrouwen dan de zijne. Zijn hand streelt langzaam ruggen, zijn vingers halzen en zijn ogen fonkelen. Speels, maar beslist.

Een maand later zijn ze uit elkaar; zijn vrouw heeft de knoop doorgehakt. De relatie bleek al jaren in vervallen staat te verkeren en het geflirt forceerde het einde waar de man zelf niet voor durfde te zorgen. Gatsie, wat laf.
Ziehier, dit is de labbekak.

De jaren hierna, evolueerde de labbekak. Met de komst van de mobiele telefoon, had ‘ie ineens talloze, nieuwe labbekakkerige opties om een einde aan een relatie te maken. Toen ik zelf iets in de liefde ging doen, vanaf mijn 20e ongeveer, kwam ik deze nieuwe labbekak in het wild tegen. Veelvuldig. Een labbekakken top vier is op zijn plaats.

Op nummer 4. De jongen die me na een maand daten, het volgende whatsappte.
“Ik vind je echt heel leuk. Maar het was natuurlijk net uit met mijn vriendin, dat wisten we en je bent gewoon te leuk voor de rebound. Ik wil je niet als rebound. Ik wil ermee stoppen.”
Tja. Wat doe je daaraan? Niks. Je gelooft het, je zegt dat je het snapt en je huilt een beetje. Je kiest ervoor om het als compliment te zien. Tot je erachter komt dat hij drie maanden later weer aan de vriendin is. Goh. Leuk. En dan denk je: heeft er iemand een rebound voor mij?

Op nummer 3. Een jongen waar ik in december een paar dates mee had, maar die niks van zich liet horen de week rondom 31 december. Op 2 januari kreeg ik een sms.
“Sorry dat ik niks van me heb laten horen. Stom. Ik zweer je dat je op de lijst stond van mensen die ik met Oud en Nieuw een berichtje wilde sturen.”
Au. Ik had er toen al mee moeten stoppen. Maar dat deed ik niet en daarom staat hij nog een keer in de lijst.

Op nummer 2. De jongen van nummer 3.
Weer een sms. “Ik weet dat ik je nu al een paar dagen niks heb gestuurd en dat wil ik goed maken door het uit te leggen. Ik vind je echt een leuke meid en vind het gezellig om bier met je te drinken, maar ik heb niet de behoefte om daarna met je te zoenen (enzo). Dus wat denk je, gewoon een biertje als vrienden de volgende keer?”
Een simpele “ik vind je leuk, maar mis de vonk”, had genoeg geweest. Vooral door de ‘(enzo)’ ben ik door de grond gegaan.

Op nummer 1. Na twee maanden lief bij elkaar logeren, werd ik gebeld.
“Ik denk dat we gewoon niet bij elkaar passen. We moeten er een punt achter zetten.”
– “Maar… ik ben morgen jarig.”
“Shit. O ja, eh… dan heb ik niks gezegd.”

De labbekak. Meestal is het een man, soms is het een vrouw. Soms word je zelf een labbekak. Niet zo lang geleden, had ik een paar afspraakjes met een lieve jongen die Spa rood dronk. Hij was ook nog eens leuk en grappig, maar ik voelde ‘het’ niet. Hij zag ons al met grijs haar en de kleinkinderen op schoot aan bubbelwater zitten, dat voelde ik gewoon. Maar ik voelde het niet en kon het niet vertellen, wilde zijn hart niet breken. Dus ik smste niet terug toen hij me een bericht stuurde. Ik belde niet terug toen hij belde. Laf was het. Op een gegeven moment gaf hij het op. Dat is nu vier maanden geleden. Toen ik afgelopen vrijdagnacht aangeschoten door de stad liep, kwam ik hem tegen. Hij liep over de stoep mijn richting op, ik wist niet wat te doen en ongemak maakte zich van mij meester. Door het ongemak deed ik iets debiels. Ik deed mijn ogen dicht en liep zeker tien meter zo door, om oogcontact te vermijden. Toen ik mijn ogen open deed, was hij weg.

En dan ben je ineens niets beter dan de man met vies haar bij de sportkantine of dan de jongens van hierboven. Ik ben de ultieme labbekak en haal mijn neus op voor mezelf. Sorry, echt sorry, lieve jongen; als ik je de volgende keer zie, trakteer ik je op een groot excuus met Spa rood. En jongens 4, 3/2 en 1, ik begrijp jullie nu ook. Ongemak is a bitch. Slecht nieuws brengen wil niemand. Dus ik vergeef het jullie. Voor nu. Omdat ik mezelf wil vergeven. Maar labbekakkerig gedrag moet niet kunnen. Ik stop er nu mee. Ik beloof het. Beloven jullie het ook?