Mijn stad

Mijn stad

19 jaar was ik toen ik Rotterdam verliet. De stad waar mensen hun mouwen opstropen, waar je zegt wat je denkt. De stad waar mijn eerste vriendschappen geboren zijn, waar ik voor het eerst verliefd werd, waar ik mijn diploma haalde en waar ik na het uitgaan bij Jaffa kapsalon ging eten.

Rotterdam was mijn stad, maar toch wilde ik een nieuw avontuur. Ik ging naar Utrecht en op kamers. Utrecht, waar ik mijn eerste vriendje kreeg en mijn eerste baan. Waar mijn hart talloze keren werd gebroken en bier het heelde. Waar ik vrienden ontmoette op een steiger of stoep en waar ik zoveel meer mee deelde. Utrecht was van mij en werd ook mijn stad. Ik was er begonnen zonder hulp van anderen en was er groot geworden. Nu is het bijna tien jaar later en ben ik echt een van de grote mensen, zoals je vroeger altijd had willen zijn.

Het gekke van nu is dat velen die ik hier ontmoette, de stad ook weer verlaten. Het is tijd, zeggen ze dan. Vaak gaan ze naar Amsterdam. Ik niet. Ik ben loyaal, dat is misschien het Rotterdamse in mij. Of misschien kan ik gewoon niet naar Amsterdam. Dat klinkt ook logisch. Maar hoe dan ook, ook in mij kriebelt het om iets te veranderen.

Toen ik op mijn 19e naar Utrecht verhuisde, verliet ik niet alleen de stad, ik verliet ook mijn vriendinnen. Het waren er drie. Drie meiden die ik op mijn veertiende ontmoette op de plaatselijke handbalvereniging en vanaf toen was het goed. We gingen op vakantie, maakten ruzie, kotsten onze longen leeg na het drinken van Blue Curaçao en maakten het weer goed. Het was goed. Toen ik vertrok, was het ’t moeilijkste om hen te verlaten. Want niet elke vriendschap is eeuwig en het is een risico om weg te gaan bij wat je kent. Maar ik hoopte dat ze zouden blijven.

En… ze zijn er nog. Ze zijn vrouwen geworden met een baan, een partner, een kind en ik ben geworden wie ik ben. In die tien jaar zagen ze mij worstelen met mezelf of mijn schrijven, ik zag hen worstelen met gebroken nachten en verkeerde hechtingen. Ze zijn vrouwen geworden die ik soms ook wil zijn en af en toe zien ze iets in mij dat zij ambiëren. Dat Rotterdam nog steeds mijn stad is, dat is zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat weet ik niet. Dat mijn vriendinnen er nog steeds zijn, dat is ook zeker. Maar in welke hoedanigheid, dat wist ik ook niet toen we afgelopen vrijdag voor het eerst in tien jaar een weekend weggingen. Houden we het wel uit, een heel weekend bij elkaar, tien jaar, drie baby’s en vier ontwikkelde karakters verder? Is er nog genoeg basis om 48 uur bij elkaar te zijn?

In de auto kwamen herinneringen boven. En het eerste gelach. Over de gans die ons huisje binnen liep toen we het eerste weekend weggingen in de pubertijd. Over jongens die werden gezoend zonder dat we hun naam wisten een vakantie later. Over het bezoek van mijn vriendinnen met de grootste teddybeer die er bestaat toen ik in het ziekenhuis had gelegen. Later, met een paar shotjes Blue Curaçao spraken we over baby’s – gelukkig niet het hele weekend – maar ook over relatieperikelen, over therapie, over seks, over mijn boek en over onze toekomst.

Toen kwam er het moment dat de hoedanigheid zich onthulde. De foto die ik een half jaar geleden had doorgestuurd kwam ter sprake. Mijn vriendje had het uitgemaakt, ik had de dikste ogen ooit en stuurde een foto van mezelf over de groepsapp. Ik kreeg geen ‘o wat ben je zielig’. Ik kreeg een ook een foto. Een van de vriendinnen maakte een kiek van haar hoofd en zette die op de app. Ze had net zulke rode, opgezwollen ogen als ik, alleen had niemand het met haar uitgemaakt. Een chronisch gebrek aan nachtrust te danken aan haar nieuwbaken baby was de oorzaak. En toen wist ik het. We kunnen nog zoveel verschillen, maar we hebben dezelfde humor, dezelfde basis. Dat is het Rotterdamse. We zijn anders, maar hebben nog steeds dezelfde ogen.

Dit weekend maakte de beslissing makkelijker. Er moest iets veranderen en nu weet ik wat. Ik hou van Utrecht om zoveel redenen, maar ik moet terug naar Rotterdam om één reden: het is thuis. De vriendschappen in Rotterdam heb ik kunnen behouden, zo bleek dit weekend. Ik hoop dat ik over tien jaar met de Utrechtse vrienden, die ik op een stoep of steiger heb ontmoet, ook zo kan zitten in een bungalow. Want ook deze vrienden zijn anders, maar ook wij hebben een basis. Een ding moet ik ze nog wel leren voordat ik terug ga, al wat ik niet precies wanneer dat is. Blue Curacao drinken.

Hip

Hip

Er zijn momenten in mijn leven in Utrecht dat ik me onzeker voel. Over hoe ik eruit zie voornamelijk; dat heb ik vaak in het café. Ik kijk om me heen en zie mensen met brillen die bijna hun hele gezicht bedekken, vlechten die heel nonchalant lijken te zijn ingezet, maar wel mooi over de schouder hangen en zulke grote truien dat ik vermoed dat het eigenlijk jurken zijn. In eerste instantie denk ik dan: ‘kind, die spullen doen niks voor je. Je wordt er niet knapper van. Doe ze uit en normaal.’ Mijn vriendin die bij een groot modeconcern werkt, zegt echter altijd: ‘het gaat hen er niet om dat ze knap zijn, maar dat ze hip zijn.’ Ik herken iets hips dus niet, laat staan dat ik het kan implementeren in mijn kledingkast… en daar word ik onzeker van.

Laatst was zo’n moment wederom daar. Ik keek naar de barman, een jaartje of 22 moest hij zijn geweest, hij had zijn blonde krullen een soort van ‘opgekroest’, waardoor het haar vrij hoog de lucht in ging. Het oogde mij vreemd. Hij droeg ook nog eens een donkerrode corduroy broek met een zwart-wit gemêleerde, gebreide trui erop. Ik vond de combinatie niet mooi en zelfs een beetje raar.
“Dat is heel erg hip,” zei mijn vriendin. “Die stoffen en dan zo bij elkaar.”
“Echt?” vroeg ik. “Ik vind het raar.”
“Als jij iets raar vindt, is het überhip.”

Dat is een hele ware belediging. Ik weet niet wat hip is. Of ik wil het niet weten. Of ik kan er niet aan meedoen. Mijn benen zien eruit als kleine rollades in skinny jeans, dus dat heb ik nooit gedaan. Ik weet niet wanneer je BAM! hoort te zeggen of anders whoop whoop, dus ik zeg niks. Ik was de laatste die instagram installeerde op mijn telefoon en gebruik het nu nog steeds alleen voor fotobewerking (al is het dus echt een communicatiemiddel).

De vriendin is wel hip, maar loopt daar niet mee te koop, zoals de jongere hippe mensen dat wel doen. Want de regel lijkt te zijn: hoe jonger je bent, hoe hipper je moet zijn. Als ik in het café ben, voel ik me het tegenovergestelde van hip. Ik weet niet goed welk woord daar bij past, maar laten we zeggen antiek. Lijdzaam zit ik in een spijkerbroek met hakken en een colbertje erboven (daar sla je nooit de plank mee mis, zei mijn vriendin van het modeconcern drie jaar geleden en daar hou ik nog steeds aan vast) te kijken naar een meisje met een heel klein roze riempje om haar zwarte spijkerbroek en een grote blouse er nonchalant ingepropt. Hip. Naar een jongen met een pet op die niet goed op z’n hoofd lijkt te zitten (want heel hoog, het doet me denken aan de film Coneheads). Maar ook dit is hip. Ik schud wanhopig mijn hoofd. Weten die mensen wel wat ze te wege brengen bij mensen zoals ik, met hun petten en riempjes? Zien ze me kijken en getraumatiseerd mijn colbertje dichtknopen? Een meisje met een beige ‘hoog water’ broek komt binnen. Dat kan niet hip zijn. Mijn moeder droeg vroeger broeken met hoog water.
“Is dat ook hip?” vraag ik.
“Ja,” zegt de vriendin. “Hoog water broeken komen terug, je kunt weer print op print dragen en neon kleuren doen het ook erg goed.”
“Neon wordt de shit?” vraag ik ongelovig.
“De shit is niet meer.”
“O.” ‘De shit’ zeggen alleen maar antieke mensen blijkbaar. Ik snap er niks van. Jaloezie borrelt op. Jaloers ben ik op de riempjes, de petjes, de jurktruien en hoog waterbroeken. Ik wil ook hip zijn.

Hoe ouder ik word, hoe jonger Utrecht lijkt te zijn. Hipper. Er zijn ook momenten dat ik niet in Utrecht ben. Dan ben ik vaak in Zwijndrecht, waar mijn zus met haar vriendin en twee kinderen woont. Ik drink daar geen wijn in het café, wel op de bank met de meiden. Soms kook ik, ik praat met mijn neefje van negen over Feyenoord of oefen zijn dictee en ik probeer het eten van mijn nichtje van anderhalf dat ze op mijn kin uitspuugt, terug in haar mond te proppen.

Vaak probeer ik die kinderen ook van school of opvang te halen, zoals vandaag. Ik sta op het schoolplein met heel veel moeders en een enkele vader om me heen. De vader knipoogt. De moeders kijken me aan, met blikken die bekend voelen. De ene moeder draagt een legging als broek met een slobbertrui erover. De ander een spijkerbroek met zo’n wit-rode jas uit de ANWB folder. Ze kijken naar me met schuine ogen. Nog een moeder staat gewoon te wachten in haar paarse huispak. Ze bekijkt me goed. Haar ogen beginnen bij mijn hakken, gaan via mijn spijkerbroek naar boven, zien de bloemetjes op mijn shirt, hoe het colbertje getailleerd is en kijken dan naar de losse staart op mijn hoofd die er misschien nonchalant uitziet (maar wat ik echt niet zo heb bedoeld!). En dan kijken de ogen weg. Het is mijn eigen blik, zoals ik kijk in het café en het wegkijken is jaloezie.

Ineens begrijp ik het. In Zwijndrecht ben ik hip.

Als mijn neefje naar buiten komt, loop ik vol zelfvertrouwen naar hem toe. Hij wuift mijn hand weg, hij is immers te oud om hand in hand te lopen, maar dat geeft even niet want ik ben hip. Met een ingetogen lach (ik wil het er niet in wrijven) loop ik door de schoolpleinzee aan moeders. Ik probeer oogcontact te maken, zoals ik altijd doe tegen mensen die – net als ik – niet hip zijn. Ik glimlach, zoals ik altijd doe. Maar de moeders praten met elkaar en kijken langs me heen. Ik blijf even staan en vang welgeteld één lach. Vast een vrouw die net zo hip wil zijn als ik. Ik zwaai naar haar, wat raar is omdat ze mij niet kent en ze loopt weg.

Verward loop ik met mijn neefje naar huis, eenmaal binnen doe ik een trainingsbroek aan en drinken we chocolademelk. De volgende keer dat ik die kinderen van school ga halen, ga ik dus sowieso in een trainingsbroek. En in Utrecht houd ik het bij mijn colbertje. Hip zijn, wat een afknapper. Ik had het kunnen weten, want hip rijmt op kip. Dat is toch gek.

De Digitale Datingscene

De digitale dating scene

Na een theatervoorstelling ergens in Brabant zie ik in de foyer een leuke jongen met zwart piekhaar en blauwe ogen aan de bar staan. Per ongeluk raken we aan de praat, de leuke jongen en ik. Waarover weet ik niet precies, maar het gesprek duurde een aanzienlijk aantal minuten waarin hij lachte en ik aan mijn haar plukte: er was chemie. Hij woonde ook in Utrecht, dus ik verzamelde moed en stelde een mooie slotvraag.
“Hé maar heb je dan soms een lift nodig? Ik rij in een gammel, zwart Twingotje en je bent van harte welkom.”
“Nou,” hij blaast wat piekhaar uit zijn oog, “dat wil ik in principe wel, maar ik blijf hier al bij een vriend slapen.”
“Ook goed natuurlijk,” zeg ik.
“Had wel gezellig geweest anders.”
“Ja. Misschien zie ik je dan eens in Utrecht. Zwaai maar als je me ziet rijden.”
“Doe ik,” een kleine glimlach.
Dat was het. Hij vroeg mijn nummer niet. Gaf geen drie zoenen. Hij zei Dag. Ik had ijdele hoop dat hij het net zo een leuk gesprek had gevonden als ik. Maar met het schouderklopje dat hij me bij het afscheid gaf, hielp ‘ie me meedogenloos uit mijn droom.

Eerst stond hier een uitgebreide alinea over hoe stom ik online daten vond en dat ik door een goede vriend toch ben overgehaald om me in te schrijven op een site. Omdat dit een beetje las als een pubermeisje dat op het politiebureau zegt “mam, ik wilde echt geen lippenstift jatten bij het Kruidvat, maar het moest van Cheryl” heb ik deze alinea weg gelaten. Bovenstaande situatie was wel het zoveelste schouderklopjes-moment, dus hopsakee, daar ging ik, de digitale datingscene in. Waarvan de voordelen zijn:
1. Je kijkt online, dus in het café kun je gewoon relaxed bier drinken met je vrienden.
2. Je kunt gesprekken terug lezen, zodat je achteraf weet wat je hebt gezegd (en je kunt langer nadenken over het bedenken van grappige of intelligente opmerkingen).
3. Je kunt ‘shoppen’ op de bank.

De digitale datingscene is niet de makkelijkste om in te vertoeven. Het is bijvoorbeeld moeilijk om een leuk verhaaltje over jezelf te schrijven: ik kwam niet verder dan zorgzaam, grappig en lief maar wel een pittig ding. Daar kwamen niet zulke hele aantrekkelijke jongens op af met namen als Pretwin, Probeerheteens82, I_Can_Feel en Elmo2000. De digitale datingscene is ook een beetje eng dus. Toen kreeg ik een mail van Koen. Koen was kok in Rotterdam, leek tof en na twee berichtjes spraken we af in een café.

“Hé, hallo,” Koen gaf me een hand en kwam met zijn hoofd naar voren om te zoenen.
“Hé, goedemiddag,” ik stak mijn hand uit en m’n hoofd bleef achter. Koen was tien kilo zwaarder dan ik had gedacht en tien centimeter kleiner. Hij droeg een lichtblauw overhemd.
“Zo, eerste keer voor jou, dit?” vroeg hij.
“Ja, eerste keer.”
“Hopelijk meteen de laatste,” hij knipoogde. Ik wist niet wat ik met dat knipoog moest en bestelde een koffie. Koen knipoogde tijdens het gesprek dat twee uur zou duren, dwangmatig veel. Hij was vooral ook zelf aan het woord, al zei hij 15 keer dat hij mij echt ook wat zou vragen, dat hij er helemaal niet van houdt om over zichzelf te praten. Koen vroeg hoe oud ik ook alweer was. De andere 14 vragen houd ik denk ik nog tegoed. Met een van tevoren bedachte slotvraag rondde ik het gesprek af.

“Ik moet zo wel echt weg, maar ik ben benieuwd naar wat jouw lievelingsgerecht is.”
“Dat moet je eigenlijk zien.”
“Je kunt het toch ook vertellen?”
“Wacht maar,” en zijn linkerhand gaat naar zijn rechtermouw. Hij maakt de knoopjes van zijn blauwe overhemd los en stroopt het omhoog. Er komt een champignon onder vandaan. Getatoeëerd. De mouw gaat verder omhoog. Ik zie peterselie en een kippenbout, knoflook, tijm en meer ingrediënten.
“Zo, eh…” stamel ik. “Dus je houdt van kip?”
“Coq au vin,” zegt hij.
Koen en ik hebben het bij deze ene date gelaten.

Na deze afspraak wilde ik tegen de vriend van wie ik digitaal moest daten, zeggen dat ik deze twee uur van mijn leven nooit meer terug zou krijgen en dat ik eigenlijk liever lippenstiften zou jatten bij het Kruidvat dan nog zo’n date te moeten ondergaan. Maar dat deed ik niet. Ik keek nog een keer rond op de datingsite. En schrok. Ik zag dat de leuke jongen – met het piekhaar en blauwe ogen – op mijn profiel had gekeken. Dit moest het lot zijn.

Hallo, wat is het fijn om in de digitale datingscene iemand tegen te komen van wie je op voorhand al weet dat hij normaal is. En toen wij elkaar hadden gesproken laatst, vond ik je ook nog leuk en grappig. Alleen jammer dat je geen lift wilde van mij in m’n zwarte Twingo…

Ik drukte op Verstuur bericht. Mijn hart zat in mijn keel. Ik kreeg een pop-up. Je kunt dit member geen bericht sturen. Je staat op zijn blacklist. Mijn hart bleef in mijn keel hangen. Ik wist niet dat je iemand kon blacklisten of wat blacklisten überhaupt was. Het bleek een tool te zijn waardoor je ervoor zorgt dat iemand jou niet kan zien, ik zag ‘m dus per ongeluk. Gatverdamme. In de kroeg heb ik ook wel eens een blauwtje gelopen, maar dit is een blauwtje op topniveau. Ik sta op iemands’ zwarte lijst.

Ik heb je de voordelen van online daten gegeven, de nadelen krijg je nu ook in een handig rijtje.
1. De persoon die je online ontmoet lijkt niet perse op de persoon die je in het echt ontmoet.
2. Geblacklist worden door iemand is best wel vernietigend voor je ego. En erger: de volgende dag kun je dat je ook nog herinneren.
3. Het hele derde seizoen van Game of Thrones is te downloaden. Veel leuker dan kijken naar Pretwin en zijn kornuiten.

Ik weet niet wat jullie doen, maar ik zet de digitale datingscene op mijn blacklist van het leven en ga naar de kroeg. Normale blauwtjes lopen. Dag.

Loslaten

Loslaten

“Wanneer kom je nou weer in Rotterdam wonen, joh?” roept mijn tante Annie lachend, terwijl ze in m’n kopje koffie roert. Ze weet precies hoe ik mijn koffie drink, hoe iedereen zijn koffie drinkt. Mijn bakkie met melk en twee zoetjes zet ze neer en ze gaat zitten op haar zalmroze bank.
“Dat weet ik niet, An,” antwoord ik, “als jij dat gouden hert wegdoet,” ik knik naar het vergulde hertenbeeld dat op haar glazen salontafel staat.
“Ja, doei,” zegt ze en pakt haar shag om een peukie te draaien.
Mijn familie begint bij mijn tante Annie. Annie is de vrouw die ons allemaal bindt, met haar gastvrijheid en haar koffie. Ze is de spil van mijn Rotterdam. 19 jaar lang woonde ik 50 meter bij Annie vandaan, totdat ik naar Utrecht verhuisde. Ik zag haar vanaf toen minder, maar telkens als ik op de zalmroze bank zat, de gouden beeldjes zag en de geur van sigaretten vermengd met koffie rook, dan wist ik weer dat ik er was: thuis.

Ik stapte uit de metro toen ik het hoorde: “Annie heeft kanker.” Dat vertel je toch niet terwijl iemand de metro uitstapt, dacht ik. Mijn moeder wist niet waar ik was toen ze door de telefoon huilde dat haar zus kanker had. Kanker, wat een rotwoord eigenlijk. En zo doodgewoon. Iedereen heeft tegenwoordig kanker, bedacht ik. Maar het gaat ook altijd weer weg. Snijden, bestralen, hopen, kotsen en dan ben je weer de oude. Mijn moeder moest zich niet aanstellen, “ja ma, ze heeft kanker. Ze gaat niet dood of zo,” zei ik. “Dus ik ga nu ophangen, ik moet werken. Doei.” Ik hing op, slikte de kanker weg en ging werken. Kanker is te gewoon voor Annie om aan dood te gaan.

Terwijl ze in haar shag peutert, vraagt mijn tante met een grijns: “hoe is het met de knullen?”
“Nou, beroerd,” zeg ik.
Ze moet lachen, net zo hard als ik dat doe. “Knullen houden van lang haar, dat weet je toch,” ze knijpt haar ogen tot spleetjes en steekt haar shaggie aan, “laat het nou toch eens groeien.”

Nooit eerder maakte ik kanker van zo dichtbij mee. Het sloeg snel en hard om zich heen. Daardoor dacht ik na over doodgaan, over wat dat eigenlijk zou betekenen. Het betekende nog weinig. De eerste crematie die ik meemaakte, was van mijn oma. Ik was tien en er waren geen tranen. Wat ik me er nog van kon herinneren, was de cake die ik niet lustte. Die ik eigenlijk nooit meer at na die eerste keer. Want er kwamen meer crematies, we hebben er ‘een hoop weggebracht’, zoals Annie dat zegt. Mijn andere oma ging dood, Bep, Gradus, opa, mijn stiefopa, een oom die ik nooit zag, een tante, de buurvrouw. Dat mensen doodgingen, werd normaal. Ik vroeg me niet af naar welke plek ze zouden gaan, of daar gras zou groeien en of ze er lekkere koffie zouden hebben. Of ze hun zoon of nicht zouden missen en hoe ze dan huilden. Ik dacht er ook nooit over na hoe het is om iemand los te laten; hoe het voelt om achter te blijven met een gat in je dag of in je hart.

“Je gaat lekker naar huis,” zeg ik tegen Annie. Het is drie weken nadat ik hoorde dat ze kanker had. Ze ligt in een vierpersoonskamer in het Ikazia ziekenhuis en het raam staat op een kiertje. Van de dokter mocht ze even snel roken. Ik leg mijn dikke worstenvingers op haar dikke worstenvingers: “hup, in de benen,” grap ik, “we gaan naar je gouden beeldjes. We gaan naar huis.”
“Ja, om te sterven,” zegt ze.
Ik aai wat haar uit haar gezicht en probeer te glimlachen.
“Nou An, thuis krijg je tenminste fatsoenlijke koffie en hoef je ook niet stiekem te roken.”

Toen ze thuis kwam, kon Annie geen shaggies meer draaien of in mijn kopje koffie roeren. De kanker had alles aangetast. Een week later stierf ze. En dan is een crematie ineens heel nieuw. Er werd me ook gezegd dat het nu anders was, dat ik echt afscheid moest nemen. Alles heb ik gedaan om afscheid te nemen: ik heb gesproken op de plechtigheid, at cake, heb gehuild. Maar ze was er nog. Annie is eigenlijk nog heel lang bij me gebleven. Ik hoorde haar lach nog in mijn hoofd, kon de rimpeltjes boven haar lip nog voor de geest halen en rook haar parfum. Dat had ik met Bep en Gradus niet. Die waren weg zodra de rook uit de schoorsteen kwam. Maar Annie bleef.

Tot nu, anderhalf jaar na haar dood. Ik kon nog altijd beelden, geuren en geluiden oproepen, om terug te gaan naar haar, naar thuis. Vandaag niet. Voor het eerst weet ik niet meer hoe haar lach had geklonken.

Dit is mijn afscheid van Annie. Mijn eerste afscheid überhaupt; er zullen meer van dit soort verliezen volgen. Dat is een raar besef, het doet zeer, het beangstigt. Dit is hoe loslaten voelt. Toch ben ik dankbaar, dat ik haar nog zo lang bij me heb gehouden. Ik kijk in de spiegel en zie waterige ogen. Maar ik zie ook dat mijn haar sinds jaren niet zo lang is geweest als dat het vandaag is. Mijn waterige ogen lachen. Ik hoop dat Annie op een plek is waar ze me kan zien. En dat ze er een lekkere kop koffie op drinkt.