Online daten? Met vissen vang je bot – GASTBLOG

Achtentwintiger heeft de Bloggende Bankier gestrikt als gastschrijver! Floris Mein is ‘banker by day, blogger by night’ en hier lees je zijn lees zijn verhaaltjes! Verder is Floris vader, vaste columnist van Taalvoutjes en single. Je weet: als je single bent, doe je aan Tinder. En als je zijn avontuur hieronder leest, is dat eigenlijk zielig voor Floris maar hilarisch voor ons!

IMG_0122

De Zaanse verhoormethode. Die lijkt erg populair te zijn bij het online daten. De meeste gesprekjes beginnen ongeveer zo:  “WIE BEN JE, WAT DOE JE, WAAR KOM JE VANDAAN, WAT ZIJN JE HOBBY’S?” En dat binnen een tijdsbestek van zo’n 47 seconden. Ik vond het beangstigend. Soms kreeg ik zelfs de neiging om m’n hoofd onder te dompelen in een bak ijswater totdat ik in ademnood zou komen. Zo kreeg ik tenminste echt het gevoel dat ik ondervraagd werd door de KGB. Het was elke keer net alsof ik het Staats Tinder Examen moest afleggen en bij de minste of geringste misser afgeslacht zou worden. Of erger: naar links geswipet … (Ja, ik drink koffie, sorry! En nee, ik houd niet van hardlopen of van South Park. Maar verder ben ik echt een tof mens, hoor!) De Tinderterreur maakte me gewoon een beetje ‘synisch’, aldus één dame. Tja en daar kon ik dus niet tegen: dat gemaksanalfabetisme… Maar misschien vond ik het chatten op Tinder ook wel gewoon eng. En werd ik daarom zo cynisch. Omdat ik bang ben. Ja, dat zal het zijn. Dat ik gewoon bang ben dat ik, nadat ik alle vragen zo eerlijk mogelijk heb beantwoord, alsnog afgewezen word.

Ik bedoel: Ik ben 35 jaar, gescheiden, heb twee kinderen, woon driehoog achter op een flatje in de Bijlmer, ik rijd in een roestige Opel uit 1999 en ongeveer 81,4659% van m’n sociale leven speelt zich af achter m’n laptop. Verder houd ik van scifi-films en ben ik slecht in rekenen. Dat is natuurlijk niet een cv om over naar huis te twitteren. Ja, dat zal het geweest zijn: ik was bang om afgewezen te worden, door al die leuke knappe meisjes met hun fijne levens. Mijn spraakmakendste hobby waar ik over kan vertellen, is bloggen en zij hadden allemaal foto’s van hippe vakanties, zonnebrillen (Ray Bans, allemaal!) en wakeboards. Ja, wakeboards ja. Het zal je verbazen hoeveel meisjes er wakeboarden. Dat is niet normaal! Ik val zelfs nog van de step van mijn zoontje, maar zij kunnen het allemaal. Wat ik ook nooit begreep: Foto’s van vriendinnengroepen. Moet je dan het leukste meisje kiezen, of hoe werkt dat? Of is het een vooropgezet plan van de vrouwen om te kunnen zeggen: “Welke hóóp je dat ik ben?” ALERT: DANGER! Want (en dit is wetenschappelijk bewezen) de knapste is NOOIT het meisje met wie je de match hebt op Tinder.

Soms vroeg ik weleens: “Waarom heb je mijn redelijk alledaagse foto dan geliket?” Het liefste compliment dat ik ooit kreeg was: “Ach, je was een van de weinigen die niet met een vis of met kinderen op de foto stond.” Wat ook lief was: “Je stond niet achter het roer op een bootje waarvan we alletwee weten dat je nog steeds aan het aflossen bent op de hypoteek.” “*Hypotheek”, stuurde ik terug. Dat was ook een les voor me. Verbeter nooit iemands spelfouten op Tinder (of andere online datingtoestanden).

En weet je wat het is? Op een gegeven moment zijn de leuke openingszinnen echt op. Dan stuurde ik maar iets stoms: “Hoi! Ik was een lamp aan het vervangen in de gang en ik moest even aan je denken.” Hitratio: 0,0%. Of vijf keer achter elkaar hetzelfde bericht in drie minuten: “Hoi, hoe is ‘t?” En dan er achteraan: “Sorry, m’n wifi deed raar.” Hitratio: 0,7%. Ook deze aanpak kun je skippen.

Wat wel altijd reacties opleverde? Elk meisje dat ik tegenkwam, noemde ik ‘Annie’. Als ze dan terugstuurden: “Ik heet helemaal geen Annie!”, dan reageerde ik: “Dat weet ik, maar je lijkt zo op mijn ex-vrouw. Mag ik je alsjeblieft Annie noemen? Ik mis haar gewoon nog soms …” Daarna hadden ze vaak ineens geen bereik meer. Of gingen ze op vakantie. Wakeboarden weer waarschijnlijk.

Nou ja, terug naar de kroeg dan maar, waar je de feromonen kunt ruiken (al ruik ik meestal alleen verschaald bier en sigaretten, maar het schijnt te werken). Of nee! Nee, ik weet het: ik ga een wakeboardwinkel beginnen! Nou hopen dat alle vrouwen in het echt net zo leuk gefilterd zijn als de foto’s op mijn laptop. Wel de brillen thuislaten graag.

Papa

Papa

De afgelopen tijd heb ik steeds dezelfde droom: nacht na nacht sta ik achter een katheder. Ik kijk de zaal in en herken zwart geklede ooms en tantes, neven en nichten en vrienden van mijn vader. Mijn handen beven. Ik wil beginnen met lezen. Het blad dat ik vast houd, trilt en de letters zweven. Ik neem een slokje water en haal diep adem. Ik wil het goed doen: mooi lezen, zonder huilen, zonder schokken in mijn stem. Mijn zus knikt naar me. Begin maar. Je kunt het, denk ik. Ik wil dat je trots op me bent papa.

Mijn vader is goed in grafredes. Hij heeft er inmiddels zoveel geschreven, dat hij er een verhalenbundel van kan maken. We verloren er veel, verdrietig genoeg bleek kanker in onze familie gulziger dan ouderdom. Keer na keer stond mijn vader daar, krachtig en sterk: voor zijn moeder, broer, zijn zwager, zijn schoonzus, zijn kleine broertje en zijn papier trilde niet. Er was niemand die naast hem stond om het over te nemen als hij toch moest huilen. Hij had geen slokje water nodig voordat hij kon beginnen. Mijn vader opende zijn stuk met een mooie zin, vertelde prachtige anekdotes en sloot af zonder te huilen. Keer op keer. En elke keer was ik zo trots op hem.

De eerste maal dat de dood dichtbij ons gezin kwam, vond ik dat eng. Ik mocht nog niet mee naar de crematie, zo jong was ik. Al zag ik toen niet hoe hij sprak, ik zag wel wat het betekent om iemand kwijt te raken. Het werd stil in ons huis, mijn vader keek verdrietig en geruisloos gingen kleine hapjes bloemkool bij ons naar binnen. Er bleef veel over. Morgen konden we weer bloemkool eten.
“Papa, ga ik ook dood?” vroeg ik nadat we de griesmeelpudding hadden laten staan. Mijn vader keek nog steeds verdrietig. “Nee toch?” zei ik.
Zijn blik werd zachter. “Nee, jij niet.”
“En jij?”
“Nee, ik ook niet.” Hij gaf een kus op mijn hoofd en zei: “Jij en ik gaan nooit dood.”

Er kwam een moment dat ik de dood niet meer eng vond, ik moet begin twintig zijn geweest. Mijn vader was er ook aan gewend geraakt. Op een gegeven moment kreeg hij een hand van herkenning van de eigenaar van het crematorium. “Hoe is het?” vroeg de man dan. “Redelijk,” zei mijn vader. “De koffie is vandaag beter dan anders. Ik zou toch eens overwegen om een biertje in je assortiment op te nemen.” De man lachte en mijn vader liep naar de katheder.

Twee jaar geleden stond ik er zelf, na het verliezen van mijn tante. Het leek logisch dat ik zou spreken: ze was voor mij de liefste.
“Weet je het zeker?” had mijn vader gevraagd, “het is geen kattenpis.”
“Nee, dat weet ik,” zei ik. “Maar als jij het kan, kan ik het toch ook?”
“Ik ga wel dichtbij je zitten,” zei hij. “Als het dan niet lukt, kan ik het overnemen.”
Misschien was het de gedachte dat hij het zou kunnen overnemen, dat ervoor zorgde dat het niet hoefde. Ik sprak, huilde niet en was blij dat ik het gedaan had, maar het was inderdaad geen kattenpis. Het was moeilijk, het kost wat. Ik dacht aan mijn vader: hij had dit al zeker tien keer gedaan, het had veel gekost en ik vond het mooi geweest. Hij mocht alleen nog maar naar zielige liedjes luisteren en huilen. Want huilen kan niet als je moet spreken.

Ik kan natuurlijk niet zeggen dat mijn vader niks meer mag zeggen. Hij zou niet luisteren ook, al zei ik het wel. Maar nu ik weet wat het betekent als je niet mag huilen, toon ik hem wel hoe bezorgd ik ben. “Pas je op jezelf?” vraag ik als er weer iemand overleden is. “Laat anderen eens wat doen, denk nou om jezelf. Je gaat zeker wel spreken? Weet je het zeker? Ja, je moet het zelf weten. Zeg je tegen je vriendin dat ze voor je zorgt? Bel je me als je je rot voelt? Ik hou van je he. Je kan me altijd bellen. God, ik ga janken pa. Nou niet doodgaan. Doei.”

Hij lacht om me en zegt dat hij nog lang niet doodgaat. Nee, dat weet ik ook wel. Die ouwe van mij fietst nog zestig kilometer per dag, denkt aan de slanke lijn, tennist, houdt niet van chips en snoep en rookt steeds minder. En toch die droom. Ik weet wel waar het vandaan komt. Ik ben niet bang voor de dood en mijn vader ook niet, maar het is vermoeiend als je steeds niet huilen mag. Het is verdrietig als je steeds mensen wegbrengt. Het komt dichterbij ook al weet je dat je nog lang niet gaat. Ook al weet je dochter dat je nog lang niet gaat.

De droom duurt en duurt maar. Het is zo’n droom waarvan je weet dat je droomt, maar je kunt jezelf niet wakker maken. Mensen staren naar me, ik neem nog een slokje water, ik haal diep adem, maar het lukt me niet om te spreken. Mijn zus pakt het bevende papiertje uit mijn handen, schraapt haar keel en leest wat ik schreef. Ze doet het goed. Ik kon het niet zonder hem, hij moest het kunnen overnemen. Als de liedjes zijn gespeeld en ik denk; wakker worden nu, gaan we ook nog eens naar de koffieruimte. Nee, mijn wangen zijn nat, het is genoeg, wakker worden, denk ik. En dan is ineens iedereen verdwenen. De leegte is in mijn buik te voelen. Er staan wel veel kopjes koffie op tafel, de plakken cake die door niemand wordt gegeten, liggen te wachten. Uren zit ik alleen naar de cake te staren. Ik ben op. En dan, als ik echt niet meer kan, als ik me heb neergelegd bij het feit dat ik voor altijd blijf slapen en dromen en in dit crematorium moet wonen… op het moment dat ik hem precies nodig heb, komt hij binnen.
“Wat een ballentent,” lacht mijn vader. “Is er geen bier?”
“Verdomme,” zeg ik, boos en blij tegelijk. “Ben je niet dood?”
“Nee, natuurlijk niet.”
“Hoe kan dat nou?”
“Wij gaan toch niet dood.”

Meisje met rode haren – gastblog

Ik stel jullie graag voor aan Isabelle Smit (achtentwintig plus drie): gastblogger #2. Isabelle is een Rotterdammer pur sang die advertenties verkoopt en schrijft in haar vrije tijd. Haar verhalen kun je hier vinden. Voor Achtentwintiger schreef ze een stuk over de persoon die ze lange tijd haar beste vriend heeft kunnen noemen; haar vader.

Meisje met rode haren

Vandaag ben ik weer bij je in het Laurens Verpleeghuis aan de Nieuwe Binnenweg. De beste locatie denkbaar: tegenover mijn werk en schuin tegenover je tweede huis; Melief Bender, de oudste kroeg van Rotterdam. Hoewel het een mooi verpleeghuis is – voor hoever je het ‘mooi’ kunt noemen – blijf ik het een gekkenhuis vinden. Ik betreed de donkere hal die vol zit met bejaarden. De één kwijlt nog smakelozer en mompelt met nog meer consumptie dan de ander. Kunstgebitten klapperen, of liggen naast het hoofdkussen, in een smotsig glas met een bruistabletje. Zodra je door de eerste schuifdeuren heen bent, word je omringt door een geur van incontinentie, en ontbinding. Ze kunnen er ook niks aan doen, maar mijn maag draait zich toch nog een keer om. Wat blijft dit naar, ik voel me schuldig; dit kan ik een intelligente man als mijn vader toch niet aan doen.

Ik loop de gang in en zie je al zitten, op een smal houten bankje met je rollator voor je. Je draagt een grijze Hugo Boss coltrui; je hebt ze in de kleuren donker blauw, zwart en grijs. Sobere kleuren, passend bij je persoonlijkheid. Van onder draag je je nieuwe broek, een beige exemplaar van de H&M, vorige week heb ik deze voor je bij de plaatselijke naai-Turk korter laten maken.

Mijn vader is een nogal gedrongen mannetje, klein en dik, een kaboutertje met rode wangen. Liefkozend zou ik het een gezonde blos willen noemen, anderzijds is het gewoon couperose, ontstaan door jaren lang drank misbruik. Hij zou het prima doen in de tuin, met een rode punt muts en harkje in de hand.

Ik geef je een kus. “Zo Bellemuis,” zeg je, “Zullen we gaan eten?” Samen lopen we naar de kantine. Het is een lopend buffet, eigenlijk een rare benaming voor een plek waar de meesten, het zij rollend, strompelend, hinkelend, of soms zelfs liggend voor bij gaan.
Wat er onder de warmtelampen ligt ziet er meestal nog mistroostiger uit dan de patiënten zelf. Dit komt omdat alles zoutarm is, en koken voor grote groepen schijnt nogal een opgave te zijn. Je hebt menig discussie gevoerd om de dagelijkse prak wat meer jeu te geven, maar daar is helaas tot op heden nog geen gehoor aan gegeven. Vandaag kies je voor doperwtjes met worteltjes, en een saucijsje erbij, met van die schietaardappeltjes er naast. Je weet wel, die bij iedere poging, wanneer je je vork in deze aardappel probeert te prikken van je bord afrolt, met de textuur van een rotte kiezel, en bovendien ook nog eens melig smaakt.

Nadat je yoghurt op is, deze komt godzijdank gewoon uit een plastic verpakking van ‘t Boer’n land, lopen we naar de lift. Op de vierde verdieping stappen we uit, en slenteren we naar je slaapkamer. Het is een tweepersoonskamer, jouw bed staat tegen de muur. Je gaat erop zitten, terwijl ik ondertussen een blik werp in je kledingkast. Elke dag krijg je het voor elkaar er een nog grotere teringzooi ervan te maken. Gedwee zoek ik je vuile was weer bij elkaar. Een combinatie van pis, eten en snot zal er weer uitgewassen moeten worden. Met twee vingers probeer ik alles in mijn roze bloemetjes tas te moffelen.
Hoeveel ik ook van je houd, ik walg van dit klusje, je kunt er niks aan doen, dat weet ik. En toch, iedere dag gaat het mij steeds meer tegen staan.

Als je kleren allemaal in mijn tas zitten kom ik naast je op bed zitten.
Je bent vrolijk vandaag. Veel vrolijker dan de afgelopen week valt me op. Ik ben blij je weer te zien, en ik zeg het dit keer ook. Nog steeds heb je die godvergeten pijn, maar met mokken kom je er ook niet.
“Kom kabouter,” zeg je, “ik ga je veilig naar buiten brengen, dan kan je nog Goede tijden kijken.”

We gaan weer naar beneden. Onderweg passeert een schone dame ons. Een kort zwart rokje met een paar in zwarte panty gehulde benen en een paar fuck-me-boots is alles wat mijn vader ziet.
Op je Clarks versnel je het tempo om nog even van dit uitzicht te genieten.
Dan gaan we nog even zitten op het houten bankje bij de deur.
“En, is het wat?” vraag ik je, terwijl ik je ogen zie oplichten.
“Ik vind het een verademing tussen al die huidkleurige steunkousen.”
“Maar eerlijk, ik zie die benen toch wat steviger hoor.” En je knijpt mij liefkozend in mijn bovenbeen.
We geven elkaar een kus, en spreken af voor donderdag.
Met de vuile was aan mijn stuur stap ik op mijn roze fiets.

Op tijd voor de begin tune van GTST nestel ik mij op de bank, steek een sigaret op, en schenk mezelf een glas witte wijn in. Een rustig avondje ligt voor me, en met m’n benen languit kijk ik naar het Ja-woord van Ludo en Janine. Ik keutel wat na afloop, en stop de was met tas en al in de wasmachine. De ooit zo zwarte tas is inmiddels vaal en grijs van het vele mee wassen. Elke keer probeer ik tegen beter weten in de geur er uit te krijgen, maar deze is inmiddels tot in de stof doordrenkt. Ik schenk het wasmiddel in de daarbij behorende wasbol, en op dat moment gaat mijn telefoon.

Ik sta al te wachten als je vastgebonden op een brancard wordt binnengebracht. Ik hoor je kermende gegil, geluiden waarmee ik elke nacht wakker word. Als je dichterbij komt kijk ik in een paar glazige ogen, je ooit zo mooie blauwe ogen die ik als kind ook wilde. Nu zie ik enkel de pijn en wanhoop er in.

Je ligt links van de deur. Een zaal voor vier personen, de andere drie patiënten worden weggereden. “Is dit omdat…” Ik stik in mijn eigen woorden.
“Ja, houd er maar rekening mee.”
Ze doen nog wat onderzoeken met je, en meten je bloeddruk. Af en toe sla je met je armen om je heen.
En dan, dan verschijnt zij; de verpleegster van het uitzendbureau. Het embleem van de uitzendorganisatie is op haar witte pak gestikt. Ze heeft rood haar, een lelie blanke huid, en rode sproeten.
Ik grinnik in de wetenschap dat als je bij kennis zou zijn, je deze schone dame meteen je bed in zou sleuren, en je hand onder haar uniform zou verdwijnen, als de verleider die je ooit was. Deze rode engel draagt blauwe plastic handschoentjes waarmee ze nu mijn vaders hand begint te strelen. Je ziet hem zienderogen rustiger worden.
“Fuck it,” zegt ze en ze stroopt haar handschoenen af, “die zitten toch maar in de weg.” Met haar blote hand gaat ze verder met strelen, het is een van de liefste dingen die ik iemand ooit heb zien doen. Ze ontroert me.

Ik loop de gang op en barst in snikken uit, als ik wist dat dit onze laatste avond zou zijn, dan had Ludo twintig keer met Janine mogen trouwen, ik was bij je gebleven, al was het maar voor heel even.

Oermoeder

Oermoeder

Het ruikt naar net gemaaid gras, mijn hoofd tolt van de witte wijn en m’n konen gloeien van de zon. Met twee vriendinnen lig ik in het hofje bij ons om de hoek, achtentwintig te zijn. Half dronken, niet helemaal. Niet in een druk park, maar dichtbij onze eigen wc. Op zaterdagmiddag, niet meer in de avond.
“Ik wist altijd al dat ik moeder wilde worden,” zegt één van de twee. Van wijn krijg je zware gesprekken.
“Echt?” vraag ik.
“Ja, echt. Vanaf dat ik heel klein was, wist ik dat al.”
“Goh,” zegt de andere vriendin.
“O,” zeg ik, bewust van het feit dat ik niet altijd heb geweten dat ik moeder wilde worden. “Een oermoeder ben je dus.”
“Nou, oermoeder, oermoeder… het is wel één van de doelen in mijn leven, ja,” antwoordt ze.

Ik heb niet eens één doel in mijn leven. Misschien komt het door de wijn, maar een doel hebben klinkt eigenlijk best goed. Zou het babydoel ook mijn doel kunnen zijn? Als je achtentwintig bent, is het niet raar om daaraan te beginnen. Aan baby’s. Of om te beginnen om erover na te denken in ieder geval. Een baby. Ik heb dat woord nooit eerder in relatie tot mezelf opgeschreven.

“Ik hoef ze niet,” zegt de andere vriendin. We kijken haar allebei aan, vooral de ogen van de oermoeder vragen een verklaring.
“Nee, echt niet,” ze schudt haar hoofd, “en ik voel me er niet schuldig over ook.”
“Waarom wil je ze dan niet?” vraagt de oermoeder.
“Waarom wel?”
“Om mee te kroelen, om voor te zorgen, om iets door te geven,” zeg ik, niet goed wetend waar ik het over heb, “als doel in je leven.”
“Ik heb een ander doel. Ik wil toffe dingen doen en meemaken. Kinderen zijn niet zaligmakend,” zegt ze. “De gangbare levensstijl in ons land; huisje, boompje, beestje is niet voor iedereen de meest geschikte levensstijl hoor. Maar dat mag je bijna niet denken. We weten ook niet beter. Onze vaders en moeders waren onze rolmodellen en die hadden kinderen, die hadden ons. We hebben nooit een volwassene gezien die een kinderloos leven leidt. Die hadden we niet als voorbeeld. Maar misschien past een leven zonder kinderen wel beter bij je, als persoon. Dat zou kunnen.”

Het gras heeft dorst en geurt hier niet, mijn hoofd tolt van de rosé en mijn konen gloeien opnieuw. Ik zit alleen op een tuinstoel voor de caravan van mijn zus. Ze is binnen bij mijn nichtje; met één hand verschoont ze haar luier en met de andere kriebelt ze in haar nek. Ik kijk naar het speelgoed dat verspreidt ligt, de fles op tafel en het kleine kinderzitje. Dit is hoe het hoort te zijn, ik glimlach. Dan denk ik aan het park: of misschien is het hoe ik ben opgevoed dat het hoort.

“Maaaaaaaaaaam! Maaaaaam!” Half strompelend, half rennend, heel huilend komt mijn neefje de tuin in en gilt dat hij klem zat op een schommel. Ik schrik me de pest. O mijn god, ik kan niet meer rijden, wie moet er met die knul naar het ziekenhuis? En wie blijft er bij de baby? Door het raampje in de caravan zie ik hoe mijn zus haar dochter over haar schouder gooit en naar buiten beent. Ik krijg de blote baby in mijn handen en ze controleert haar andere kind op grote defecten. Eerst bekijkt ze hem van top tot teen, daarna kijkt ze naar de wondjes op zijn been, dan draait ze ‘m om, draait ‘m weer terug en kijkt goed in zijn ogen. Zoals onze moeder dat ook zou hebben gedaan vroeger en zoals ik dat misschien ook zal doen later. “Het gaat wel,” constateert ze. Mijn neefje kalmeert, ik kalmeer. Rustig gaat ze naar weer naar binnen. Alles is goed. Mijn zus is een oermoeder.

Het tolt weer een beetje. Alleen niet van de wijn. Ik denk aan mijn neefje, aan mijn nichtje, aan mijn zus, aan mijn eigen moeder en aan mezelf. Als tante, want dat kan ik goed. Maar zou ik ook een moeder kunnen zijn, willen zijn? Stel dat ik was opgegroeid met een rolmodel dat een leven leidde zonder kinderen, had ik dat dan nu ook gewild? Er is natuurlijk een biologische behoefte, maar misschien is het grootste gedeelte van het oermoedergen wel naar mijn zus gegaan en zit ik met de restjes. Restjes die net te weinig zijn. Die ervoor zorgen dat ik niet denk ‘ah wat lief’, als ik een blote baby in mijn armen krijg, maar hoop dat het niet over me heen poept. Misschien heb ik net genoeg restjes in me om een te gekke tante te zijn. Misschien word ik een oermoeder als ik een oervader te pakken heb. Of… misschien is achtentwintig voor mij toch nog te jong om over baby’s na te denken.